Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:11645

2026-09-11 Bestuursrecht ROT 24/10078
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2026-09-11
Publicatiedatum
2026-09-10
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
ROT 24/10078
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Varia. Met een brief van 23 april 2024 heeft het college de bewoners geïnformeerd dat betaald parkeren zal gaan worden ingevoerd. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De brief waarin de bewoners zijn geïnformeerd dat betaald parkeren zal worden ingevoerd, is geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (6.319 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM


Bestuursrecht



zaaknummer: ROT 24/10078


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 september 2026 in de zaak tussen

[naam vereniging] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. E.G.J.M. Meijer),


en


het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dordrecht
(gemachtigden: mr. T.J.M. Wüst en W. Blokland).


Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over het invoeren van betaald parkeren in de Vogelbuurt in Dordrecht. Het college heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de niet-ontvankelijk verklaring van het bezwaar.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De brief waarin de bewoners zijn geïnformeerd dat betaald parkeren zal worden ingevoerd, is geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eiseres krijgt geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop


2. Het college heeft op 23 april 2024 een brief gestuurd aan de bewoners in de Vogelbuurt met de mededeling dat betaald parkeren zal worden ingevoerd. Met het bestreden besluit van 14 oktober 2024 op het bezwaar van eiseres heeft het college het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.



2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 26 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van het college.





Beoordeling door de rechtbank



Totstandkoming van het bestreden besluit


3. Met een brief van 23 april 2024 heeft het college de bewoners geïnformeerd dat betaald parkeren zal gaan worden ingevoerd. Onder deze brief stond geen rechtsmiddelenclausule. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen deze brief.

4. Het college heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Volgens het college is de brief geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Het college stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van een publiekrechtelijke rechtshandeling, omdat met de brief nog geen betaald parkeren is ingevoerd. Hiervoor dient het college aanvullende aanwijzingsbesluiten te nemen waartegen dan bezwaar kan worden gemaakt.



Toetsingskader


5. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.



Is sprake van een besluit in de zin van de Awb?

6. Eiseres voert aan dat het college haar bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat er sprake is van een concretiserend besluit van algemene strekking waartegen bezwaar en beroep mogelijk is.


6.1.
De rechtbank oordeelt dat er geen sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb omdat er geen besluit is genomen waarmee rechten en plichten van burgers bindend zijn vastgesteld. Uit de stukken volgt dat het college de gemeenteraad op 23 april 2024 heeft geïnformeerd dat zij betaald parkeren wil gaan invoeren. Daarin staat niet dat betaald parkeren wordt ingevoerd. In de brief die hierover naar de bewoners is gestuurd, staat dit evenmin. Daarin staat ook niet gedurende welke tijdstippen en op welke wijze parkeerbelasting zal worden geheven. Dit heeft het college pas vastgesteld op 12 november 2024 met het Besluit aanwijzing plaatsen en tijdstippen parkeerbelasting Dordrecht en met het Besluit sectorindeling vergunninghoudersparkeren Dordrecht van 12 november 2024.



6.2.
Gelet hierop heeft het college het bezwaar van eiseres terecht niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank komt daarom niet toe aan de overige beroepsgronden van eiseres.




Conclusie en gevolgen


7. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat het college het bezwaar van eiseres terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.





Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.






Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M.J. Smits, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Blokhuis, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 11 september 2026.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving



Algemene wet bestuursrecht




Artikel 1:3
1. Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
[…]



Eiseres verwijst hierbij naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 11 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2748.