Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:11637
2026-09-11
Bestuursrecht
ROT 26/947
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Varia, last onder dwangsom ter hoogte van € 10.000,- wegens overtreding van artikel 2:74 van de Algemene plaatselijke verordening gemeente Schiedam 2013. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de burgemeester de last onder dwangsom heeft mogen opleggen. De burgemeester heeft de in aanmerking komende belangen voldoende afgewogen. De hoogte van de dwangsom is voldoende gemotiveerd en staat in redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsom.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RVS:2023:411 Raad van State 01-02-2023
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (10.411 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/947
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 september 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. A.L. Kuit),
en
de burgemeester van Schiedam
(gemachtigde: mr. P. Meuldijk).
Samenvatting
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de aan haar opgelegde last onder dwangsom ter hoogte van € 10.000,- wegens overtreding van artikel 2:74 van de Algemene plaatselijke verordening gemeente Schiedam 2013 (hierna: de APV). Deze last houdt in dat eiseres haar openbare orde verstorende gedrag in de vorm van drugshandel in de gemeente Schiedam dient te staken.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de burgemeester de last onder dwangsom heeft mogen opleggen. De burgemeester heeft de in aanmerking komende belangen voldoende afgewogen. De hoogte van de dwangsom is voldoende gemotiveerd en staat in redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsom. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. De burgemeester heeft de last onder dwangsom bij besluit van 24 maart 2025 aan eiseres opgelegd. Met het bestreden besluit van 17 december 2025 op het bezwaar van eiseres is de burgemeester bij dat besluit gebleven, onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie van 15 december 2025.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De burgemeester heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 26 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de burgemeester deelgenomen. Eiseres en haar gemachtigde zijn met kennisgeving vooraf niet verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. De politie Eenheid Rotterdam heeft de burgemeester een bestuurlijke rapportage van 27 januari 2025 doen toekomen. Uit die bestuurlijke rapportage blijkt, samengevat, het volgende. Op 3 januari 2025 heeft de politie een melding ontvangen dat de eigenaar van de auto met het kenteken [autokenteken] (de auto) zich bezighoudt met de verkoop van verdovende middelen. Op 10 januari 2025 heeft de politie de auto zien rijden en hebben zij de auto gevolgd. Eiseres is de eigenaar van de auto. De auto is gestopt aan de Floreslaan in Vlaardingen waar eiseres is uitgestapt en een portiekwoning heeft betreden. Het is de politie bekend dat in één van de portiekwoningen een drugsdealer woonachtig is. Eiseres vervolgt haar weg en stopt in de Bettostraat in Schiedam naast een bestelbus. Eiseres stapt uit haar auto en neemt plaats op de bijrijdersstoel van de bestelbus. Na een minuut verlaat zij de bestelbus en rijdt zij weg in haar auto. De politie heeft de bestuurder van de bestelbus staande gehouden. De bestuurder verklaarde dat hij van eiseres 1 gram heeft gekocht voor € 50,-. De politie rijdt achter eiseres aan en houdt haar staande op verdenking van een overtreding van de Opiumwet en de APV. Bij een fouillering treft de politie 21 gripzakjes met witte brokjes en 5 gripzakjes met bruine poeder aan. Ook worden er diverse bankbiljetten aangetroffen met een totaal van € 245,-. De inhoud van de gripzakjes bestaat in totaal uit 0,8 gram heroïne en 9,8 gram cocaïne.
4. Naar aanleiding van de bestuurlijke rapportage heeft de burgemeester op 24 maart 2025 aan eiseres een last onder dwangsom opgelegd. De burgemeester heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiseres artikel 2:74 van de APV heeft overtreden omdat zij op de openbare weg verdovende middelen zoals bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet bij zich had. Omdat het ging om een zogenaamde handelshoeveelheid verdovende middelen gaat de burgemeester ervan uit dat eiser het kennelijk doel heeft gehad deze middelen al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of aan te nemen of daarbij behulpzaam te zijn of te bemiddelen. De burgemeester heeft zich daarbij gebaseerd op de door de politie op 10 januari 2025 geconstateerde feiten. Ook is verwezen naar twee antecedenten van eiseres. Van bijzondere omstandigheden om van handhaving af te zien is volgens de burgemeester geen sprake. De burgemeester heeft eiseres daarom een last onder dwangsom opgelegd van € 10.000,- per overtreding van artikel 2:74 van de APV, met een maximum van € 30.000,- en een looptijd van twee jaar.
5. De bezwaarschriftencommissie heeft op 15 december 2025 een advies tot ongegrondverklaring van het bezwaarschrift uitgebracht. De bezwaarschriftencommissie acht de hoogte van de dwangsom voldoende om overlast te voorkomen en om daarnaast de overige negatieve effecten die samenhangen met het dealen van drugs op straat te beperken. De burgemeester heeft vervolgens het bestreden besluit genomen waarbij het advies van de bezwaarschriftencommissie is overgenomen.
Heeft de burgemeester de last onder dwangsom mogen opleggen?
6. Eiseres voert aan dat de burgemeester geen rekening heeft gehouden met haar belangen gelet op de ernstige gevolgen van de last onder dwangsom. De burgemeester heeft geen belangenafweging uitgevoerd. Verder voert eiseres aan dat de dwangsom disproportioneel is en dat de burgemeester niet deugdelijk heeft gemotiveerd hoe de hoogte is vastgesteld.
6.1.
In artikel 2:74 van de APV is bepaald dat onverminderd het bepaalde in de Opiumwet het verboden is op of aan de openbare weg met de daarin gelegen portieken, galerijen, arcaden of nissen post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen, alsmede zich op of aan openbare wegen in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden, met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of aan te nemen of daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.
6.2.
Bij het opleggen van de last onder dwangsom heeft de burgemeester inzichtelijk rekening gehouden met het gevaar en het leed waarmee handel in verdovende middelen gepaard gaat, de antecedenten van eiseres, de bij haar aangetroffen handelshoeveelheid harddrugs en de grote financiële winsten in het drugscircuit. Op de zitting is namens de burgemeester daarbij nog benadrukt dat eiseres het zelf in de hand heeft om te voorkomen dat de last onder dwangsom wordt verbeurd. Eiseres heeft niet onderbouwd met welke belangen de burgemeester ten onrechte geen rekening zou hebben gehouden. Eiseres en haar gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting en de mogelijkheid om het standpunt via deze weg nog toe te lichten niet benut. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de burgemeester in de gegeven omstandigheden de in aanmerking komende, kenbare, belangen voldoende afgewogen. De beroepsgrond slaagt niet.
6.3.
De beroepsgrond dat de dwangsom disproportioneel is en dat de burgemeester niet deugdelijk heeft gemotiveerd hoe de hoogte is vastgesteld, slaagt evenmin. Volgens artikel 5:32b, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dient de dwangsom in redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom te staan. De burgemeester heeft ook hier toegelicht dat bij het vaststellen van de hoogte van de dwangsom rekening is gehouden met de gevaren en het leed van de handel in verdovende middelen, het grote financiële gewin in het drugscircuit en de antecedenten van eiseres. Op de zitting is namens de burgemeester nog gewezen op de gradaties die gehanteerd worden bij de vaststelling van de hoogte van een dwangsom, waarbij onder meer een onderscheid wordt gemaakt tussen softdrugs en harddrugs, hoeveel er aangetroffen is, of er antecedenten zijn en hoe het geconstateerd is. Eiseres heeft van haar kant niet gemotiveerd waarom zij meent dat de hoogte van de dwangsom disproportioneel is. Zij heeft evenmin de gelegenheid te baat genomen om op de zitting (nader) verweer te voeren. De hoogte van de dwangsom is daarmee voldoende gemotiveerd en deze staat naar het oordeel van de rechtbank in redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsom. De burgemeester heeft een last onder dwangsom van € 10.000,- per overtreding mogen opleggen.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat de burgemeester de last onder dwangsom heeft mogen opleggen. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M.J. Smits, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Blokhuis, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 11 september 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie ook de uitspraak van de afdeling van 1 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:411.
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/947
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 september 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. A.L. Kuit),
en
de burgemeester van Schiedam
(gemachtigde: mr. P. Meuldijk).
Samenvatting
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de aan haar opgelegde last onder dwangsom ter hoogte van € 10.000,- wegens overtreding van artikel 2:74 van de Algemene plaatselijke verordening gemeente Schiedam 2013 (hierna: de APV). Deze last houdt in dat eiseres haar openbare orde verstorende gedrag in de vorm van drugshandel in de gemeente Schiedam dient te staken.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de burgemeester de last onder dwangsom heeft mogen opleggen. De burgemeester heeft de in aanmerking komende belangen voldoende afgewogen. De hoogte van de dwangsom is voldoende gemotiveerd en staat in redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsom. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. De burgemeester heeft de last onder dwangsom bij besluit van 24 maart 2025 aan eiseres opgelegd. Met het bestreden besluit van 17 december 2025 op het bezwaar van eiseres is de burgemeester bij dat besluit gebleven, onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie van 15 december 2025.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De burgemeester heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 26 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de burgemeester deelgenomen. Eiseres en haar gemachtigde zijn met kennisgeving vooraf niet verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. De politie Eenheid Rotterdam heeft de burgemeester een bestuurlijke rapportage van 27 januari 2025 doen toekomen. Uit die bestuurlijke rapportage blijkt, samengevat, het volgende. Op 3 januari 2025 heeft de politie een melding ontvangen dat de eigenaar van de auto met het kenteken [autokenteken] (de auto) zich bezighoudt met de verkoop van verdovende middelen. Op 10 januari 2025 heeft de politie de auto zien rijden en hebben zij de auto gevolgd. Eiseres is de eigenaar van de auto. De auto is gestopt aan de Floreslaan in Vlaardingen waar eiseres is uitgestapt en een portiekwoning heeft betreden. Het is de politie bekend dat in één van de portiekwoningen een drugsdealer woonachtig is. Eiseres vervolgt haar weg en stopt in de Bettostraat in Schiedam naast een bestelbus. Eiseres stapt uit haar auto en neemt plaats op de bijrijdersstoel van de bestelbus. Na een minuut verlaat zij de bestelbus en rijdt zij weg in haar auto. De politie heeft de bestuurder van de bestelbus staande gehouden. De bestuurder verklaarde dat hij van eiseres 1 gram heeft gekocht voor € 50,-. De politie rijdt achter eiseres aan en houdt haar staande op verdenking van een overtreding van de Opiumwet en de APV. Bij een fouillering treft de politie 21 gripzakjes met witte brokjes en 5 gripzakjes met bruine poeder aan. Ook worden er diverse bankbiljetten aangetroffen met een totaal van € 245,-. De inhoud van de gripzakjes bestaat in totaal uit 0,8 gram heroïne en 9,8 gram cocaïne.
4. Naar aanleiding van de bestuurlijke rapportage heeft de burgemeester op 24 maart 2025 aan eiseres een last onder dwangsom opgelegd. De burgemeester heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiseres artikel 2:74 van de APV heeft overtreden omdat zij op de openbare weg verdovende middelen zoals bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet bij zich had. Omdat het ging om een zogenaamde handelshoeveelheid verdovende middelen gaat de burgemeester ervan uit dat eiser het kennelijk doel heeft gehad deze middelen al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of aan te nemen of daarbij behulpzaam te zijn of te bemiddelen. De burgemeester heeft zich daarbij gebaseerd op de door de politie op 10 januari 2025 geconstateerde feiten. Ook is verwezen naar twee antecedenten van eiseres. Van bijzondere omstandigheden om van handhaving af te zien is volgens de burgemeester geen sprake. De burgemeester heeft eiseres daarom een last onder dwangsom opgelegd van € 10.000,- per overtreding van artikel 2:74 van de APV, met een maximum van € 30.000,- en een looptijd van twee jaar.
5. De bezwaarschriftencommissie heeft op 15 december 2025 een advies tot ongegrondverklaring van het bezwaarschrift uitgebracht. De bezwaarschriftencommissie acht de hoogte van de dwangsom voldoende om overlast te voorkomen en om daarnaast de overige negatieve effecten die samenhangen met het dealen van drugs op straat te beperken. De burgemeester heeft vervolgens het bestreden besluit genomen waarbij het advies van de bezwaarschriftencommissie is overgenomen.
Heeft de burgemeester de last onder dwangsom mogen opleggen?
6. Eiseres voert aan dat de burgemeester geen rekening heeft gehouden met haar belangen gelet op de ernstige gevolgen van de last onder dwangsom. De burgemeester heeft geen belangenafweging uitgevoerd. Verder voert eiseres aan dat de dwangsom disproportioneel is en dat de burgemeester niet deugdelijk heeft gemotiveerd hoe de hoogte is vastgesteld.
6.1.
In artikel 2:74 van de APV is bepaald dat onverminderd het bepaalde in de Opiumwet het verboden is op of aan de openbare weg met de daarin gelegen portieken, galerijen, arcaden of nissen post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen, alsmede zich op of aan openbare wegen in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden, met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of aan te nemen of daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.
6.2.
Bij het opleggen van de last onder dwangsom heeft de burgemeester inzichtelijk rekening gehouden met het gevaar en het leed waarmee handel in verdovende middelen gepaard gaat, de antecedenten van eiseres, de bij haar aangetroffen handelshoeveelheid harddrugs en de grote financiële winsten in het drugscircuit. Op de zitting is namens de burgemeester daarbij nog benadrukt dat eiseres het zelf in de hand heeft om te voorkomen dat de last onder dwangsom wordt verbeurd. Eiseres heeft niet onderbouwd met welke belangen de burgemeester ten onrechte geen rekening zou hebben gehouden. Eiseres en haar gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting en de mogelijkheid om het standpunt via deze weg nog toe te lichten niet benut. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de burgemeester in de gegeven omstandigheden de in aanmerking komende, kenbare, belangen voldoende afgewogen. De beroepsgrond slaagt niet.
6.3.
De beroepsgrond dat de dwangsom disproportioneel is en dat de burgemeester niet deugdelijk heeft gemotiveerd hoe de hoogte is vastgesteld, slaagt evenmin. Volgens artikel 5:32b, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dient de dwangsom in redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom te staan. De burgemeester heeft ook hier toegelicht dat bij het vaststellen van de hoogte van de dwangsom rekening is gehouden met de gevaren en het leed van de handel in verdovende middelen, het grote financiële gewin in het drugscircuit en de antecedenten van eiseres. Op de zitting is namens de burgemeester nog gewezen op de gradaties die gehanteerd worden bij de vaststelling van de hoogte van een dwangsom, waarbij onder meer een onderscheid wordt gemaakt tussen softdrugs en harddrugs, hoeveel er aangetroffen is, of er antecedenten zijn en hoe het geconstateerd is. Eiseres heeft van haar kant niet gemotiveerd waarom zij meent dat de hoogte van de dwangsom disproportioneel is. Zij heeft evenmin de gelegenheid te baat genomen om op de zitting (nader) verweer te voeren. De hoogte van de dwangsom is daarmee voldoende gemotiveerd en deze staat naar het oordeel van de rechtbank in redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsom. De burgemeester heeft een last onder dwangsom van € 10.000,- per overtreding mogen opleggen.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat de burgemeester de last onder dwangsom heeft mogen opleggen. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M.J. Smits, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Blokhuis, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 11 september 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie ook de uitspraak van de afdeling van 1 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:411.