Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:11576
2026-09-09
Civiel recht
C/10/665787 HA ZA 23-817
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Tussenvonnis. Vervolg op ECLI:NL:RBROT:2025:12420 en ECLI:NL:RBROT:2024:4770. Zaak over vernietiging van de door partijen overeengekomen verrekening in het echtscheidingsconvenant. Daartoe is vaststelling van de omvang van het verrekenplichting vermogen van de man nodig. In dit vonnis: de benoeming van twee deskundigen ter vaststelling waarde van de bungalow respectievelijk het onverdeelde aandeel van de man in het bedrijfspand. Verder in het vonnis: de beoordeling van het door de vrouw geleverde tegenbewijs ten aanzien van het bestaan cq. de hoogte van drie van de schulden van de man op de peildatum.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (28.637 tekens)
RECHTBANK Rotterdam
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/665787 / HA ZA 23-817
Vonnis van 9 september 2026
in de zaak van
[eiseres]
,
te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. P.A. van Hecke,
tegen
[gedaagde]
,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. J.D. Bakker.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 22 oktober 2025 (het tweede tussenvonnis);- de akte van de vrouw van 3 december 2025, met producties 21 tot en met 24;- de antwoordakte van de man van 14 januari 2026;
- de e-mail van de rechtbank van 12 maart 2026;
- de e-mail van de vrouw van 29 maart 2026;
- de e-mail van de rechtbank van 9 april 2026;
- de e-mail van de man van 16 april 2026;
- de e-mail van de rechtbank van 4 mei 2026;
- de e-mail van de vrouw van 7 mei 2026;
- de e-mail van de rechtbank van 19 mei 2026;
- de e-mail van de rechtbank van 3 juni 2026;
- de e-mail van de vrouw van 4 juni 2026;
- de e-mail van de rechtbank van 22 juni 2026;
- de e-mail van de rechtbank van 24 juni 2026;
- de e-mail van de rechtbank van 13 juli 2026;
- de e-mail van de vrouw van 16 juli 2026.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2Waar gaat de zaak over en wat is er tot vandaag beslist?
2.1.
Partijen zijn gehuwd geweest met uitsluiting van elke gemeenschap van goederen. De huwelijkse voorwaarden van partijen bevatten een periodiek verrekenbeding op grond waarvan partijen jaarlijks hun overgespaarde inkomsten dienden te verrekenen. Daaraan is echter geen gevolg gegeven. Daarom moest op grond van artikel 1:141 BW na de echtscheiding verrekening plaatsvinden van het vermogen dat is gevormd uit die overgespaarde inkomsten. Dat is gebeurd in het echtscheidingsconvenant van partijen. Daarbij is het vermogen van beide partijen op nihil gesteld, zodat geen betaling van de één aan de ander heeft plaatsgevonden.
2.2.
De vrouw vordert vernietiging van de verrekening in het convenant op de grond dat zij bij die verrekening heeft gedwaald en daardoor voor meer dan een vierde gedeelte is benadeeld. De man stelt dat hij op de peildatum een negatief vermogen had, en dat dus niet de vrouw maar híj bij de verrekening is benadeeld. De man vordert, voor het geval de verrekening in het convenant wordt vernietigd, € 146.003,- van de vrouw.
2.3.
Vaststaat dat de vrouw op de peildatum (28 oktober 2022) geen vermogen had. De vrouw is dus voor meer dan een vierde gedeelte benadeeld indien de man op de peildatum een positief vermogen had, en dat vermogen is gevormd uit inkomsten die hij tijdens het huwelijk heeft overgespaard.
2.4.
Ingevolge artikel 1:141 lid 3 BW wordt het gehele vermogen van de man op de peildatum vermoed te zijn gevormd uit inkomsten die tijdens het huwelijk zijn overgespaard. De man heeft aangeboden tegenbewijs te leveren tegen dit vermoeden. De rechtbank heeft in het tweede tussenvonnis geoordeeld dat de man niet in dat bewijs is geslaagd. Daarmee staat vast dat het gehele op de peildatum aanwezige vermogen van de man is gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden, en dus verrekenplichtig is.
2.5.
Teneinde te kunnen vaststellen wie bij de verrekening van het op de peildatum aanwezige vermogen is benadeeld en, als de vrouw is benadeeld, of zij voor meer dan een vierde is benadeeld, moet de omvang van dat vermogen worden vastgesteld. De bewijslast rust daarbij op de vrouw.
2.6.
De activa van de man op de peildatum bestonden uit de aandelen in [bedrijf 1] B.V. (hierna: de vennootschap), de bungalow aan [adres 1] (hierna: de bungalow) en het onverdeelde aandeel van de man in het bedrijfspand aan [adres 2] (hierna: het bedrijfspand).
2.7.
In het tussenvonnis van 22 mei 2024 (het eerste tussenvonnis) heeft de rechtbank vastgesteld dat de waarde van de vennootschap op de peildatum € 865.598,- bedroeg. In het tweede tussenvonnis heeft de rechtbank bepaald dat de waarde van de bungalow en het onverdeelde aandeel van de man in bedrijfspand op de peildatum door deskundigen moet worden vastgesteld.
2.8.
De rechtbank heeft ook vastgesteld dat de man op de peildatum een achttal schulden had. Er geldt een wettelijk vermoeden dat deze schulden tot het verrekenplichtig vermogen van de man behoren. De rechtbank heeft de vrouw voor wat betreft drie van deze schulden toegelaten tegenbewijs te leveren tegen dat vermoeden. Van de vijf overige schulden heeft de rechtbank vastgesteld dat zij tot het verrekenplichtig vermogen van de man behoren.
3De verdere beoordeling in conventie en in (voorwaardelijke) reconventie
De verdere beoordeling voor wat betreft het bewijs van de waarde van de onroerende zaken
3.1.
Bij het tweede tussenvonnis heeft de rechtbank de vrouw opgedragen bewijs te leveren van de waarde van de bungalow en van het onverdeelde aandeel van de man in het bedrijfspand op de peildatum (28 oktober 2022).
3.2.
Partijen hebben na het tweede tussenvonnis ieder een akte genomen. De vrouw heeft daarin voor wat betreft de waarde van de bungalow en het bedrijfspand aangegeven dat zij het bewijs wil leveren door middel van een deskundigenonderzoek. Zij heeft een makelaarskantoor in Rotterdam voorgedragen als deskundige, en vragen voor de deskundige geformuleerd. De man heeft in zijn akte aangegeven dat hij instemt met benoeming van het door de vrouw voorgedragen makelaarskantoor en met de door de vrouw geformuleerde vragen.
3.3.
Na de bovengenoemde aktewisseling is gebleken dat het door de vrouw voorgestelde makelaarskantoor geen deskundige kan leveren in deze zaak. Vervolgens is uitvoerig gecorrespondeerd (zie 1.1) over de vraag wie als deskundige(n) moet(en) worden benoemd. Partijen zijn het erover eens zijn geworden dat [persoon A] , kantoorhoudende aan [adres 3] , moet worden benoemd als deskundige voor de waardebepaling van de bungalow, en dat [persoon B] van [bedrijf 2] , kantoorhoudende aan [adres 4] , moet worden benoemd als deskundige voor de waardebepaling van het onverdeelde aandeel van de man in het bedrijfspand.
3.4.
[persoon A] en [persoon B] hebben zich beiden bereid en in staat verklaard als deskundige op te treden.
Benoeming van deskundigen
3.5.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank overgaan tot benoeming van [persoon A] als deskundige voor het bepalen van de waarde van de bungalow op de peildatum, en [persoon B] als deskundige voor het bepalen van de waarde van het onverdeelde aandeel van de man in het bedrijfspand op de peildatum.
De aan de deskundigen voor te leggen vragen
3.6.
Aan de deskundigen zullen de in de beslissing (4.1) vermelde vragen worden voorgelegd. Partijen hebben voorgesteld daarnaast ook de volgende vraag aan de deskundigen voor te leggen:
- Kunt u, voordat u het rapport aan de rechtbank stuurt, hoor en wederhoor
toepassen zodat de opmerkingen van partijen meteen in het rapport worden
opgenomen met vermelding van de wijze waarop partijen in de gelegenheid zijn
gesteld om hun opmerkingen te maken?
De rechtbank neemt deze vraag niet over maar wijst de deskundigen er in de beslissing (4.13) op dat zij partijen in de gelegenheid moeten stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat zij in hun rapport moeten vermelden of aan dit voorschrift is voldaan en welke opmerkingen en/of verzoeken zijn gedaan.
De medewerkingsplicht
3.7.
De rechtbank wijst erop dat partijen wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek door de deskundigen. De rechtbank zal deze verplichting uitwerken zoals hierna in de beslissing (4.14) omschreven. Wordt aan één van deze verplichtingen niet voldaan, dan kan de rechtbank daaraan de gevolgen verbinden die zij geraden acht, ook in het nadeel van de betreffende partij.
De aan de deskundigen te betalen voorschotten
3.8.
[persoon A] heeft zijn honorarium begroot op € 850,- inclusief btw. [persoon B] heeft zijn honorarium begroot op € 4.416,50 inclusief btw. Partijen hebben hier - na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld - geen bezwaar tegen gemaakt. De rechtbank stelt de aan de deskundigen te betalen voorschotten daarom vast op de door hen begrote bedragen. Dat betekent dat de rechtbank het aan [persoon A] te betalen voorschot vaststelt op € 850,- inclusief btw, en het aan [persoon B] te betalen voorschot op € 4.416,50 inclusief btw.
De voorschotten komen voor rekening van de vrouw maar worden aan haar in debet gesteld
3.9.
In het tweede tussenvonnis is bepaald dat de voorschotten door de vrouw moeten worden betaald. De rechtbank komt hierop terug. Omdat de vrouw op basis van toevoeging procedeert, hoeft de vrouw de voorschotten niet te betalen en worden deze voorlopig aan haar in debet gesteld. In het eindvonnis zal worden bepaald wie de kosten van de deskundigen moet betalen (artikel 244 Rv.)
De door [persoon B] gestelde voorwaarden zijn van toepassing
3.10.
[persoon B] heeft een drietal (algemene) voorwaarden voor zijn benoeming geformuleerd, waaronder een aansprakelijkheidsbeperking. De vrouw heeft de door [persoon B] gestelde voorwaarden aanvaard. De man is, evenals de vrouw, in de gelegenheid gesteld te reageren op die voorwaarden maar heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt. De rechtbank gaat er daarom van uit dat ook de man instemt met die voorwaarden. Die voorwaarden zijn daarmee van toepassing in de verhouding tussen [persoon B] enerzijds en partijen anderzijds. De voorwaarden luiden als volgt (waarbij voor “opdrachtgever(s)”: moet worden gelezen: partijen; en waarbij met “derden” niet wordt bedoeld: de rechtbank):
1. Dit taxatierapport is uitsluitend bestemd om te worden gebruikt ten behoeve van het omschreven doel en door de genoemde opdrachtgever(s) en expliciet benoemde belanghebbenden. Zonder voorafgaande toestemming mag het rapport niet ter beschikking worden gesteld aan of gebruikt worden door derden. De bijlagen vormen een onlosmakelijk deel van dit taxatierapport.
2. Er wordt, behoudens voorafgaande schriftelijke toestemming van de taxateur, geen aansprakelijkheid aanvaard voor enig ander gebruik of gebruik door anderen dan de opdrachtgever. Iedere aansprakelijkheid met betrekking tot de uitvoering van deze taxatie vervalt, tenzij uitdrukkelijk anders overeengekomen na ommekomst van zes (6) maanden te rekenen vanaf de dagtekening van het rapport.
3. De taxateur is maximaal aansprakelijk tot het bedrag waartoe hij volgens de gehanteerde standaard en volgens de aansluitvoorwaarden van het NRVT, NVM, Vastgoed Nederland etc. voor aansprakelijkheid is verzekerd en deze verzekeraar gehouden is uit te keren op grond van een onherroepelijk gerechtelijk vonnis of een door haar bereikte schikking en gesloten vaststellingsovereenkomst.
De verdere beoordeling voor wat betreft het door de vrouw te leveren tegenbewijs
3.11.
Bij het tweede tussenvonnis heeft de rechtbank de vrouw toegelaten tot het leveren van tegenbewijs tegen het wettelijk vermoeden dat de volgende schulden tot het verrekenplichtig vermogen van de man op de peildatum (28 oktober 2022) behoren:
1. de rekening-courantschuld van de man aan de vennootschap van € 524.304,-;
2. de schuld uit hoofde van het krediet bij ABN Amro van € 23.330,-; en
3. de schuld aan [persoon C] en [bedrijf 3] B.V. van € 35.000,- plus de wettelijke handelsrente over dat bedrag vanaf 1 juli 2021 tot aan de peildatum.
De rechtbank heeft ter toelichting overwogen dat schulden die zijn aangegaan ten behoeve van de kosten van de huishouding tot het verrekenplichtig vermogen behoren.
3.12.
In haar akte na het tweede tussenvonnis heeft de vrouw bij wijze van tegenbewijslevering een drietal stukken overgelegd en toegelicht. De man heeft hierop in zijn antwoordakte na het tweede tussenvonnis gereageerd. Noch de vrouw, noch de man heeft aangegeven dat hij/zij nog andere stukken wil overleggen of getuigen wil doen horen. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de (tegen)bewijslevering op het punt van de schulden is gesloten.
De rekening-courantschuld
3.13.
De vrouw heeft in haar akte aangegeven dat zij niet kan nagaan waar het middels de rekening-courantschuld geleende geld aan is besteed. Zij heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat de rekening-courantschuld niet is aangegaan ten behoeve van de kosten van de huishouding of waaruit blijkt van andere feiten die maken dat de rekening-courantschuld niet tot het verrekenplichtig vermogen van de man behoort. Daarmee staat tussen partijen vast dat die schuld tot het verrekenplichtig vermogen van de man op de peildatum behoort.
3.14.
De vrouw stelt in haar akte dat de rekening-courantschuld op de peildatum € 327.871,- bedroeg, en niet € 524.304,- zoals de rechtbank in haar tussenvonnis van 22 mei 2024 (hierna: het eerste tussenvonnis) heeft vastgesteld. De man erkent dat de rechtbank van een onjuist bedrag is uitgegaan.
3.15.
De rechtbank is uitgegaan van de stand van de rekening-courantschuld aan het begin van 2022. Deze bedroeg € 524.304,-. Volgens de vrouw is er echter in 2022, vóór de peildatum (28 oktober 2022), een dividend uitgekeerd aan de man, en is de vordering van de man tot uitbetaling van dat dividend (deels) verrekend met de rekening-courantschuld zodat die schuld op de peildatum was afgenomen tot € 327.871,-. Ter onderbouwing van haar stelling heeft de vrouw een mutatieoverzicht van het vermogen van de vennootschap overgelegd waarin staat dat op 31 januari 2022 een dividend van € 297.500,- is uitgekeerd en op 28 februari € 52.500,- dividendbelasting is betaald. Voorts heeft de vrouw een deel van de aangifte vennootschapsbelasting 2022 van de vennootschap overgelegd. Daarin staat vermeld dat in 2022 een bedrag van € 350.000,- is uitgekeerd waarop € 52.500,- aan dividendbelasting is ingehouden. Daarin is ook een balans van de vennootschap per begin en eind 2022 opgenomen. Volgens die balans bedroeg de rekening-courantschuld begin 2022 € 524.304,- en eind 2022 € 327.871,-.
3.16.
De man stelt in zijn antwoordakte dat de rekening-courantschuld en de hypotheekschuld van € 300.000,- samen op de peildatum € 621.871,- bedroegen. De man komt dus uit op een rekening-courantschuld van € 321.8 71,-. Dat is een verschil van € 6.000,- met het bedrag dat de vrouw noemt. De man licht dit verschil niet toe. De rechtbank gaat er van uit dat sprake is van een verschrijving en dat partijen het er over eens zijn dat de rekening-courantschuld op de peildatum € 327.871,- bedroeg. Gelet hierop, komt de rechtbank terug van haar eerdere oordeel op dit punt, en oordeelt de rechtbank dat vaststaat dat de rekening-courantschuld op de peildatum € 327.871,- bedroeg.
3.17.
De man stelt dat door de dividenduitkering niet alleen de rekening-courantschuld, maar ook de waarde van de vennootschap is afgenomen. Volgens de man bedroeg de waarde van de vennootschap op de peildatum daarom € 632.383,-, en niet € 865.598,- zoals de rechtbank in het eerste tussenvonnis als vaststaand heeft aangenomen.
3.18.
De rechtbank is uitgegaan van de intrinsieke waarde van de vennootschap aan het begin van 2022. Deze bedroeg € 865.598,-. Het is juist dat dit bedrag gecorrigeerd moet worden nu vaststaat dat na 1 januari 2022, maar vóór de peildatum (28 oktober 2022), een dividenduitkering heeft plaatsgevonden. De man maakt echter niet duidelijk waar het bedrag van € 632.383,- op is gebaseerd. Kennelijk doelt de man op de winstreserve van de vennootschap volgens de balans per eind 2022. Die bedroeg € 632.383,-. De man miskent dan echter dat bij de berekening van de intrinsieke waarde naast de winstreserve ook het gestorte kapitaal en de voorzieningen moeten worden meegeteld. Volgens de balans per eind 2022 bedraagt de intrinsieke waarde van de vennootschap dan € 669.531,-.
3.19.
Partijen krijgen de gelegenheid om zich in hun conclusies na deskundigenbericht uit te laten over de waarde van de vennootschap op de peildatum. Indien partijen van die gelegenheid geen gebruik maken, zal de rechtbank voor de waarde van de vennootschap op de peildatum uitgaan van een bedrag van € 669.531,-.
De schuld uit hoofde van het krediet bij ABN Amro van € 23.330,-
3.20.
De vrouw heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt van feiten die maken dat de schuld aan ABN Amro niet tot het verrekenplichtig vermogen van de man behoort. Daarmee staat tussen partijen vast dat deze schuld tot het verrekenplichtig vermogen van de man op de peildatum behoort.
3.21.
De vrouw betwist dat de schuld aan ABN Amro op de peildatum bestond. De rechtbank heeft echter in het eerste tussenvonnis uitdrukkelijk en zonder voorbehoud beslist dat vaststaat dat de schuld aan ABN Amro op de peildatum € 23.330,- bedroeg. Dat is een bindende eindbeslissing. De rechtbank komt slechts aan een heroverweging van die beslissing toe als de vrouw haar betwisting onderbouwt met feiten waaruit blijkt dat de schuld op de peildatum niet meer bestond. Dat heeft de vrouw niet gedaan. De rechtbank handhaaft daarom haar beslissing op dit punt.
De schuld aan [persoon C] en [bedrijf 3] B.V.
3.22.
De vrouw heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt van feiten die maken dat de schuld aan [persoon C] en [bedrijf 3] B.V. niet tot het verrekenplichtig vermogen van de man behoort. Daarmee staat tussen partijen vast dat deze schuld tot het verrekenplichtig vermogen van de man op de peildatum behoort.
3.23.
De vrouw betwist de hoogte van de schuld aan [persoon C] en [bedrijf 3] B.V. Volgens de vrouw is de man slechts voor de helft van die schuld aansprakelijk omdat het een gezamenlijke schuld betreft van de man en een medeschuldenaar. Ook op dit punt heeft de rechtbank al een bindende eindbeslissing genomen. Deze houdt in dat vaststaat dat de schuld van de man aan [persoon C] en [bedrijf 3] B.V. op de peildatum € 35.000,- bedroeg, plus de wettelijke handelsrente over dat bedrag vanaf 1 juli 2021 tot aan de peildatum. Daarbij is de rechtbank uitgegaan van de onbetwiste stelling van de man dat hij met zijn medeschuldenaar hoofdelijk aansprakelijk is voor deze schuld en dat zijn medeschuldenaar geen verhaal biedt. De rechtbank komt slechts aan een heroverweging van die beslissing toe als de vrouw feiten aanvoert waaruit blijkt dat die feitelijke grondslag onjuist is. Dat heeft de vrouw niet gedaan. De rechtbank handhaaft daarom haar beslissing op dit punt.
Slotsom ten aanzien van de schulden en de waarde van de vennootschap
3.24.
Gelet op het voorgaande staat tussen partijen vast dat de in 3.12 genoemde schulden tot het verrekenplichtig vermogen van de man op de peildatum behoren. De rechtbank komt terug van haar eerdere oordeel voor wat betreft de hoogte van de rekening-courantschuld, en stelt vast dat deze op de peildatum € 327.871,- bedroeg. De rechtbank zal ook terugkomen van haar eerdere oordeel voor wat betreft de waarde van de vennootschap op de peildatum. De rechtbank is voornemens vast te stellen dat die waarde € 669.531,- bedroeg. Partijen kunnen zich hier in hun conclusies na deskundigenbericht over uitlaten.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden
3.25.
Iedere verdere beslissing wordt, in afwachting van de berichten van de deskundigen en de conclusies na deskundigenbericht, aangehouden.
4De beslissing in conventie en in (voorwaardelijke) reconventie
De rechtbank
ten aanzien van de waardebepaling van de bungalow:
4.1.
beveelt een onderzoek door een deskundige ter beantwoording van de volgende vragen:
wat was de waarde van de bungalow aan [adres 1] in het vrije economische verkeer, vrij van recht van gebruik of bewoning, op 28 oktober 2022?
zijn er punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechter volgens u kennis moet nemen bij de verdere beoordeling?
4.2.
benoemt daartoe tot deskundige:
[persoon A] ,
adres: [adres 3] ,
telefoon: [telefoonnummer 1] ,
e-mail: [e-mailadres 1] ;
ten aanzien van de waardebepaling van het onverdeelde aandeel van de man in het bedrijfspand:
4.3.
beveelt een onderzoek door een deskundige ter beantwoording van de volgende vragen:
wat was de waarde van het onverdeelde aandeel van de man in het bedrijfspand aan [adres 2] in het vrije economische verkeer, vrij van recht van gebruik of bewoning, op 28 oktober 2022?
zijn er punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechter volgens u kennis moet nemen bij de verdere beoordeling?
4.4.
benoemt daartoe tot deskundige:
[persoon B] ,
Adres: [bedrijf 2] , [adres 4] ,
telefoon: [telefoonnummer 2] ,
e-mail: [e-mailadres 2] ;
ten aanzien van de beide deskundigenonderzoeken:
het voorschot
4.5.
stelt de hoogte van het voorschot op de kosten van deskundige [persoon A] vast op € 850,- inclusief btw, en van deskundige [persoon B] op € 4.416,50 inclusief btw;
4.6.
bepaalt dat de voorschotten door de griffier ten laste van ’s Rijks kas zullen worden betaald en in debet zullen worden gesteld in afwachting van de beslissing over de proceskosten;
4.7.
draagt de griffier op de voorschotten uit ’s Rijks kas aan de deskundigen te voldoen en de deskundigen te berichten zodra de voorschotten zijn betaald;
4.8.
bepaalt dat de deskundigen pas met hun onderzoek behoeven te beginnen na het bericht van de griffier dat hun voorschotten zijn betaald;
het onderzoek
4.9.
bepaalt dat de griffier een kopie van dit vonnis aan beide deskundigen zal toezenden;
4.10.
bepaalt dat de vrouw het procesdossier in afschrift aan de deskundigen moet toesturen;
4.11.
bepaalt dat de deskundigen het onderzoek zelfstandig zullen instellen op de door hen na overleg met partijen te bepalen tijd en plaats;
4.12.
wijst de deskundigen erop dat:
- zij voor aanvang van het onderzoek kennis moeten nemen van de Gedragscode voor gerechtelijk deskundigen in civielrechtelijke en bestuursrechtelijke zaken én van de Leidraad deskundigen in civiele zaken (beide te raadplegen op www.rechtspraak.nl);
- zij het onderzoek onmiddellijk staken en contact opnemen met de griffier als tijdens de uitvoering van de werkzaamheden het voor hen vastgestelde voorschot niet toereikend blijkt te zijn;
- zij bij het onderzoek de partijen in de gelegenheid moeten stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat zij in het schriftelijk bericht vermelden of aan dit voorschrift is voldaan, onder vermelding van de eventueel gemaakte opmerkingen en/of gedane verzoeken;
- zij partijen bij een onderzoek van een object ter plaatse gelegenheid moeten bieden dit onderzoek bij te wonen;
- als slechts één partij bij het onderzoek van objecten ter plaatse aanwezig is of zijn, zij dit onderzoek niet mogen uitvoeren, tenzij alle partijen zijn uitgenodigd om bij dat onderzoek aanwezig te zijn, en dat uit het rapport moet blijken dat hieraan is voldaan;
- als partijen bij het onderzoek van objecten ter plaatse aanwezig zijn geweest, uit het rapport moet blijken welke opmerkingen zij hebben gemaakt en welke verzoeken zij hebben gedaan, en hoe de deskundige hierop heeft gereageerd;
4.13.
bepaalt dat partijen nadere inlichtingen en gegevens aan de deskundigen moeten verstrekken als de deskundigen daarom vragen, de deskundigen toegang moeten verschaffen tot voor het onderzoek noodzakelijke plaatsen, en de deskundigen ook voor het overige gelegenheid moeten geven om het onderzoek te verrichten;
4.14.
wijst partijen erop dat, indien zij desgevraagd of op eigen initiatief schriftelijke opmerkingen of verzoeken aan de deskundige doen toekomen, daarvan terstond een afschrift aan de wederpartij moet worden verstrekt;
het schriftelijk rapport
4.15.
draagt de deskundigen op om uiterlijk drie maanden na de bevestiging van betaling van hun voorschot een schriftelijk en ondertekend rapport in drievoud ter griffie van de rechtbank in te leveren, met een gespecificeerde declaratie;
4.16.
wijst de deskundigen erop dat:
- uit het schriftelijk rapport moet blijken op welke stukken de conclusie in het rapport is gebaseerd;
- de deskundigen een concept van hun rapport aan partijen moeten toezenden, waarna partijen de gelegenheid krijgen om binnen vier weken opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundigen in hun definitieve rapport de door partijen gemaakte opmerkingen en verzoeken en hun reactie daarop moeten vermelden;
4.17.
bepaalt dat partijen binnen vier weken na ontvangst dienen te reageren op de concept-rapporten, en dat zij geen gelegenheid krijgen om tegenover de deskundigen op elkaars opmerkingen en verzoeken naar aanleiding van de concept-rapporten te reageren;
overige bepalingen
4.18.
bepaalt dat de deskundigen in geval van onduidelijkheden, vragen of opmerkingen over deze beschikking, het onderzoek of de kosten contact dienen op te nemen met het deskundigenbureau van de rechtbank ([email protected]);
4.19.
bepaalt dat de zaak op de parkeerrol zal komen van woensdag 7 april 2027;
4.20.
draagt de griffier op om na ontvangst van de rapporten de zaak op de rol te plaatsen voor conclusie na deskundigenbericht van de vrouw op een termijn van vier weken;
4.21.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.A.M. Schellekens. Het is getekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2026
3718/1980/3310
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/665787 / HA ZA 23-817
Vonnis van 9 september 2026
in de zaak van
[eiseres]
,
te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. P.A. van Hecke,
tegen
[gedaagde]
,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. J.D. Bakker.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 22 oktober 2025 (het tweede tussenvonnis);- de akte van de vrouw van 3 december 2025, met producties 21 tot en met 24;- de antwoordakte van de man van 14 januari 2026;
- de e-mail van de rechtbank van 12 maart 2026;
- de e-mail van de vrouw van 29 maart 2026;
- de e-mail van de rechtbank van 9 april 2026;
- de e-mail van de man van 16 april 2026;
- de e-mail van de rechtbank van 4 mei 2026;
- de e-mail van de vrouw van 7 mei 2026;
- de e-mail van de rechtbank van 19 mei 2026;
- de e-mail van de rechtbank van 3 juni 2026;
- de e-mail van de vrouw van 4 juni 2026;
- de e-mail van de rechtbank van 22 juni 2026;
- de e-mail van de rechtbank van 24 juni 2026;
- de e-mail van de rechtbank van 13 juli 2026;
- de e-mail van de vrouw van 16 juli 2026.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2Waar gaat de zaak over en wat is er tot vandaag beslist?
2.1.
Partijen zijn gehuwd geweest met uitsluiting van elke gemeenschap van goederen. De huwelijkse voorwaarden van partijen bevatten een periodiek verrekenbeding op grond waarvan partijen jaarlijks hun overgespaarde inkomsten dienden te verrekenen. Daaraan is echter geen gevolg gegeven. Daarom moest op grond van artikel 1:141 BW na de echtscheiding verrekening plaatsvinden van het vermogen dat is gevormd uit die overgespaarde inkomsten. Dat is gebeurd in het echtscheidingsconvenant van partijen. Daarbij is het vermogen van beide partijen op nihil gesteld, zodat geen betaling van de één aan de ander heeft plaatsgevonden.
2.2.
De vrouw vordert vernietiging van de verrekening in het convenant op de grond dat zij bij die verrekening heeft gedwaald en daardoor voor meer dan een vierde gedeelte is benadeeld. De man stelt dat hij op de peildatum een negatief vermogen had, en dat dus niet de vrouw maar híj bij de verrekening is benadeeld. De man vordert, voor het geval de verrekening in het convenant wordt vernietigd, € 146.003,- van de vrouw.
2.3.
Vaststaat dat de vrouw op de peildatum (28 oktober 2022) geen vermogen had. De vrouw is dus voor meer dan een vierde gedeelte benadeeld indien de man op de peildatum een positief vermogen had, en dat vermogen is gevormd uit inkomsten die hij tijdens het huwelijk heeft overgespaard.
2.4.
Ingevolge artikel 1:141 lid 3 BW wordt het gehele vermogen van de man op de peildatum vermoed te zijn gevormd uit inkomsten die tijdens het huwelijk zijn overgespaard. De man heeft aangeboden tegenbewijs te leveren tegen dit vermoeden. De rechtbank heeft in het tweede tussenvonnis geoordeeld dat de man niet in dat bewijs is geslaagd. Daarmee staat vast dat het gehele op de peildatum aanwezige vermogen van de man is gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden, en dus verrekenplichtig is.
2.5.
Teneinde te kunnen vaststellen wie bij de verrekening van het op de peildatum aanwezige vermogen is benadeeld en, als de vrouw is benadeeld, of zij voor meer dan een vierde is benadeeld, moet de omvang van dat vermogen worden vastgesteld. De bewijslast rust daarbij op de vrouw.
2.6.
De activa van de man op de peildatum bestonden uit de aandelen in [bedrijf 1] B.V. (hierna: de vennootschap), de bungalow aan [adres 1] (hierna: de bungalow) en het onverdeelde aandeel van de man in het bedrijfspand aan [adres 2] (hierna: het bedrijfspand).
2.7.
In het tussenvonnis van 22 mei 2024 (het eerste tussenvonnis) heeft de rechtbank vastgesteld dat de waarde van de vennootschap op de peildatum € 865.598,- bedroeg. In het tweede tussenvonnis heeft de rechtbank bepaald dat de waarde van de bungalow en het onverdeelde aandeel van de man in bedrijfspand op de peildatum door deskundigen moet worden vastgesteld.
2.8.
De rechtbank heeft ook vastgesteld dat de man op de peildatum een achttal schulden had. Er geldt een wettelijk vermoeden dat deze schulden tot het verrekenplichtig vermogen van de man behoren. De rechtbank heeft de vrouw voor wat betreft drie van deze schulden toegelaten tegenbewijs te leveren tegen dat vermoeden. Van de vijf overige schulden heeft de rechtbank vastgesteld dat zij tot het verrekenplichtig vermogen van de man behoren.
3De verdere beoordeling in conventie en in (voorwaardelijke) reconventie
De verdere beoordeling voor wat betreft het bewijs van de waarde van de onroerende zaken
3.1.
Bij het tweede tussenvonnis heeft de rechtbank de vrouw opgedragen bewijs te leveren van de waarde van de bungalow en van het onverdeelde aandeel van de man in het bedrijfspand op de peildatum (28 oktober 2022).
3.2.
Partijen hebben na het tweede tussenvonnis ieder een akte genomen. De vrouw heeft daarin voor wat betreft de waarde van de bungalow en het bedrijfspand aangegeven dat zij het bewijs wil leveren door middel van een deskundigenonderzoek. Zij heeft een makelaarskantoor in Rotterdam voorgedragen als deskundige, en vragen voor de deskundige geformuleerd. De man heeft in zijn akte aangegeven dat hij instemt met benoeming van het door de vrouw voorgedragen makelaarskantoor en met de door de vrouw geformuleerde vragen.
3.3.
Na de bovengenoemde aktewisseling is gebleken dat het door de vrouw voorgestelde makelaarskantoor geen deskundige kan leveren in deze zaak. Vervolgens is uitvoerig gecorrespondeerd (zie 1.1) over de vraag wie als deskundige(n) moet(en) worden benoemd. Partijen zijn het erover eens zijn geworden dat [persoon A] , kantoorhoudende aan [adres 3] , moet worden benoemd als deskundige voor de waardebepaling van de bungalow, en dat [persoon B] van [bedrijf 2] , kantoorhoudende aan [adres 4] , moet worden benoemd als deskundige voor de waardebepaling van het onverdeelde aandeel van de man in het bedrijfspand.
3.4.
[persoon A] en [persoon B] hebben zich beiden bereid en in staat verklaard als deskundige op te treden.
Benoeming van deskundigen
3.5.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank overgaan tot benoeming van [persoon A] als deskundige voor het bepalen van de waarde van de bungalow op de peildatum, en [persoon B] als deskundige voor het bepalen van de waarde van het onverdeelde aandeel van de man in het bedrijfspand op de peildatum.
De aan de deskundigen voor te leggen vragen
3.6.
Aan de deskundigen zullen de in de beslissing (4.1) vermelde vragen worden voorgelegd. Partijen hebben voorgesteld daarnaast ook de volgende vraag aan de deskundigen voor te leggen:
- Kunt u, voordat u het rapport aan de rechtbank stuurt, hoor en wederhoor
toepassen zodat de opmerkingen van partijen meteen in het rapport worden
opgenomen met vermelding van de wijze waarop partijen in de gelegenheid zijn
gesteld om hun opmerkingen te maken?
De rechtbank neemt deze vraag niet over maar wijst de deskundigen er in de beslissing (4.13) op dat zij partijen in de gelegenheid moeten stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat zij in hun rapport moeten vermelden of aan dit voorschrift is voldaan en welke opmerkingen en/of verzoeken zijn gedaan.
De medewerkingsplicht
3.7.
De rechtbank wijst erop dat partijen wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek door de deskundigen. De rechtbank zal deze verplichting uitwerken zoals hierna in de beslissing (4.14) omschreven. Wordt aan één van deze verplichtingen niet voldaan, dan kan de rechtbank daaraan de gevolgen verbinden die zij geraden acht, ook in het nadeel van de betreffende partij.
De aan de deskundigen te betalen voorschotten
3.8.
[persoon A] heeft zijn honorarium begroot op € 850,- inclusief btw. [persoon B] heeft zijn honorarium begroot op € 4.416,50 inclusief btw. Partijen hebben hier - na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld - geen bezwaar tegen gemaakt. De rechtbank stelt de aan de deskundigen te betalen voorschotten daarom vast op de door hen begrote bedragen. Dat betekent dat de rechtbank het aan [persoon A] te betalen voorschot vaststelt op € 850,- inclusief btw, en het aan [persoon B] te betalen voorschot op € 4.416,50 inclusief btw.
De voorschotten komen voor rekening van de vrouw maar worden aan haar in debet gesteld
3.9.
In het tweede tussenvonnis is bepaald dat de voorschotten door de vrouw moeten worden betaald. De rechtbank komt hierop terug. Omdat de vrouw op basis van toevoeging procedeert, hoeft de vrouw de voorschotten niet te betalen en worden deze voorlopig aan haar in debet gesteld. In het eindvonnis zal worden bepaald wie de kosten van de deskundigen moet betalen (artikel 244 Rv.)
De door [persoon B] gestelde voorwaarden zijn van toepassing
3.10.
[persoon B] heeft een drietal (algemene) voorwaarden voor zijn benoeming geformuleerd, waaronder een aansprakelijkheidsbeperking. De vrouw heeft de door [persoon B] gestelde voorwaarden aanvaard. De man is, evenals de vrouw, in de gelegenheid gesteld te reageren op die voorwaarden maar heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt. De rechtbank gaat er daarom van uit dat ook de man instemt met die voorwaarden. Die voorwaarden zijn daarmee van toepassing in de verhouding tussen [persoon B] enerzijds en partijen anderzijds. De voorwaarden luiden als volgt (waarbij voor “opdrachtgever(s)”: moet worden gelezen: partijen; en waarbij met “derden” niet wordt bedoeld: de rechtbank):
1. Dit taxatierapport is uitsluitend bestemd om te worden gebruikt ten behoeve van het omschreven doel en door de genoemde opdrachtgever(s) en expliciet benoemde belanghebbenden. Zonder voorafgaande toestemming mag het rapport niet ter beschikking worden gesteld aan of gebruikt worden door derden. De bijlagen vormen een onlosmakelijk deel van dit taxatierapport.
2. Er wordt, behoudens voorafgaande schriftelijke toestemming van de taxateur, geen aansprakelijkheid aanvaard voor enig ander gebruik of gebruik door anderen dan de opdrachtgever. Iedere aansprakelijkheid met betrekking tot de uitvoering van deze taxatie vervalt, tenzij uitdrukkelijk anders overeengekomen na ommekomst van zes (6) maanden te rekenen vanaf de dagtekening van het rapport.
3. De taxateur is maximaal aansprakelijk tot het bedrag waartoe hij volgens de gehanteerde standaard en volgens de aansluitvoorwaarden van het NRVT, NVM, Vastgoed Nederland etc. voor aansprakelijkheid is verzekerd en deze verzekeraar gehouden is uit te keren op grond van een onherroepelijk gerechtelijk vonnis of een door haar bereikte schikking en gesloten vaststellingsovereenkomst.
De verdere beoordeling voor wat betreft het door de vrouw te leveren tegenbewijs
3.11.
Bij het tweede tussenvonnis heeft de rechtbank de vrouw toegelaten tot het leveren van tegenbewijs tegen het wettelijk vermoeden dat de volgende schulden tot het verrekenplichtig vermogen van de man op de peildatum (28 oktober 2022) behoren:
1. de rekening-courantschuld van de man aan de vennootschap van € 524.304,-;
2. de schuld uit hoofde van het krediet bij ABN Amro van € 23.330,-; en
3. de schuld aan [persoon C] en [bedrijf 3] B.V. van € 35.000,- plus de wettelijke handelsrente over dat bedrag vanaf 1 juli 2021 tot aan de peildatum.
De rechtbank heeft ter toelichting overwogen dat schulden die zijn aangegaan ten behoeve van de kosten van de huishouding tot het verrekenplichtig vermogen behoren.
3.12.
In haar akte na het tweede tussenvonnis heeft de vrouw bij wijze van tegenbewijslevering een drietal stukken overgelegd en toegelicht. De man heeft hierop in zijn antwoordakte na het tweede tussenvonnis gereageerd. Noch de vrouw, noch de man heeft aangegeven dat hij/zij nog andere stukken wil overleggen of getuigen wil doen horen. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de (tegen)bewijslevering op het punt van de schulden is gesloten.
De rekening-courantschuld
3.13.
De vrouw heeft in haar akte aangegeven dat zij niet kan nagaan waar het middels de rekening-courantschuld geleende geld aan is besteed. Zij heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat de rekening-courantschuld niet is aangegaan ten behoeve van de kosten van de huishouding of waaruit blijkt van andere feiten die maken dat de rekening-courantschuld niet tot het verrekenplichtig vermogen van de man behoort. Daarmee staat tussen partijen vast dat die schuld tot het verrekenplichtig vermogen van de man op de peildatum behoort.
3.14.
De vrouw stelt in haar akte dat de rekening-courantschuld op de peildatum € 327.871,- bedroeg, en niet € 524.304,- zoals de rechtbank in haar tussenvonnis van 22 mei 2024 (hierna: het eerste tussenvonnis) heeft vastgesteld. De man erkent dat de rechtbank van een onjuist bedrag is uitgegaan.
3.15.
De rechtbank is uitgegaan van de stand van de rekening-courantschuld aan het begin van 2022. Deze bedroeg € 524.304,-. Volgens de vrouw is er echter in 2022, vóór de peildatum (28 oktober 2022), een dividend uitgekeerd aan de man, en is de vordering van de man tot uitbetaling van dat dividend (deels) verrekend met de rekening-courantschuld zodat die schuld op de peildatum was afgenomen tot € 327.871,-. Ter onderbouwing van haar stelling heeft de vrouw een mutatieoverzicht van het vermogen van de vennootschap overgelegd waarin staat dat op 31 januari 2022 een dividend van € 297.500,- is uitgekeerd en op 28 februari € 52.500,- dividendbelasting is betaald. Voorts heeft de vrouw een deel van de aangifte vennootschapsbelasting 2022 van de vennootschap overgelegd. Daarin staat vermeld dat in 2022 een bedrag van € 350.000,- is uitgekeerd waarop € 52.500,- aan dividendbelasting is ingehouden. Daarin is ook een balans van de vennootschap per begin en eind 2022 opgenomen. Volgens die balans bedroeg de rekening-courantschuld begin 2022 € 524.304,- en eind 2022 € 327.871,-.
3.16.
De man stelt in zijn antwoordakte dat de rekening-courantschuld en de hypotheekschuld van € 300.000,- samen op de peildatum € 621.871,- bedroegen. De man komt dus uit op een rekening-courantschuld van € 321.8 71,-. Dat is een verschil van € 6.000,- met het bedrag dat de vrouw noemt. De man licht dit verschil niet toe. De rechtbank gaat er van uit dat sprake is van een verschrijving en dat partijen het er over eens zijn dat de rekening-courantschuld op de peildatum € 327.871,- bedroeg. Gelet hierop, komt de rechtbank terug van haar eerdere oordeel op dit punt, en oordeelt de rechtbank dat vaststaat dat de rekening-courantschuld op de peildatum € 327.871,- bedroeg.
3.17.
De man stelt dat door de dividenduitkering niet alleen de rekening-courantschuld, maar ook de waarde van de vennootschap is afgenomen. Volgens de man bedroeg de waarde van de vennootschap op de peildatum daarom € 632.383,-, en niet € 865.598,- zoals de rechtbank in het eerste tussenvonnis als vaststaand heeft aangenomen.
3.18.
De rechtbank is uitgegaan van de intrinsieke waarde van de vennootschap aan het begin van 2022. Deze bedroeg € 865.598,-. Het is juist dat dit bedrag gecorrigeerd moet worden nu vaststaat dat na 1 januari 2022, maar vóór de peildatum (28 oktober 2022), een dividenduitkering heeft plaatsgevonden. De man maakt echter niet duidelijk waar het bedrag van € 632.383,- op is gebaseerd. Kennelijk doelt de man op de winstreserve van de vennootschap volgens de balans per eind 2022. Die bedroeg € 632.383,-. De man miskent dan echter dat bij de berekening van de intrinsieke waarde naast de winstreserve ook het gestorte kapitaal en de voorzieningen moeten worden meegeteld. Volgens de balans per eind 2022 bedraagt de intrinsieke waarde van de vennootschap dan € 669.531,-.
3.19.
Partijen krijgen de gelegenheid om zich in hun conclusies na deskundigenbericht uit te laten over de waarde van de vennootschap op de peildatum. Indien partijen van die gelegenheid geen gebruik maken, zal de rechtbank voor de waarde van de vennootschap op de peildatum uitgaan van een bedrag van € 669.531,-.
De schuld uit hoofde van het krediet bij ABN Amro van € 23.330,-
3.20.
De vrouw heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt van feiten die maken dat de schuld aan ABN Amro niet tot het verrekenplichtig vermogen van de man behoort. Daarmee staat tussen partijen vast dat deze schuld tot het verrekenplichtig vermogen van de man op de peildatum behoort.
3.21.
De vrouw betwist dat de schuld aan ABN Amro op de peildatum bestond. De rechtbank heeft echter in het eerste tussenvonnis uitdrukkelijk en zonder voorbehoud beslist dat vaststaat dat de schuld aan ABN Amro op de peildatum € 23.330,- bedroeg. Dat is een bindende eindbeslissing. De rechtbank komt slechts aan een heroverweging van die beslissing toe als de vrouw haar betwisting onderbouwt met feiten waaruit blijkt dat de schuld op de peildatum niet meer bestond. Dat heeft de vrouw niet gedaan. De rechtbank handhaaft daarom haar beslissing op dit punt.
De schuld aan [persoon C] en [bedrijf 3] B.V.
3.22.
De vrouw heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt van feiten die maken dat de schuld aan [persoon C] en [bedrijf 3] B.V. niet tot het verrekenplichtig vermogen van de man behoort. Daarmee staat tussen partijen vast dat deze schuld tot het verrekenplichtig vermogen van de man op de peildatum behoort.
3.23.
De vrouw betwist de hoogte van de schuld aan [persoon C] en [bedrijf 3] B.V. Volgens de vrouw is de man slechts voor de helft van die schuld aansprakelijk omdat het een gezamenlijke schuld betreft van de man en een medeschuldenaar. Ook op dit punt heeft de rechtbank al een bindende eindbeslissing genomen. Deze houdt in dat vaststaat dat de schuld van de man aan [persoon C] en [bedrijf 3] B.V. op de peildatum € 35.000,- bedroeg, plus de wettelijke handelsrente over dat bedrag vanaf 1 juli 2021 tot aan de peildatum. Daarbij is de rechtbank uitgegaan van de onbetwiste stelling van de man dat hij met zijn medeschuldenaar hoofdelijk aansprakelijk is voor deze schuld en dat zijn medeschuldenaar geen verhaal biedt. De rechtbank komt slechts aan een heroverweging van die beslissing toe als de vrouw feiten aanvoert waaruit blijkt dat die feitelijke grondslag onjuist is. Dat heeft de vrouw niet gedaan. De rechtbank handhaaft daarom haar beslissing op dit punt.
Slotsom ten aanzien van de schulden en de waarde van de vennootschap
3.24.
Gelet op het voorgaande staat tussen partijen vast dat de in 3.12 genoemde schulden tot het verrekenplichtig vermogen van de man op de peildatum behoren. De rechtbank komt terug van haar eerdere oordeel voor wat betreft de hoogte van de rekening-courantschuld, en stelt vast dat deze op de peildatum € 327.871,- bedroeg. De rechtbank zal ook terugkomen van haar eerdere oordeel voor wat betreft de waarde van de vennootschap op de peildatum. De rechtbank is voornemens vast te stellen dat die waarde € 669.531,- bedroeg. Partijen kunnen zich hier in hun conclusies na deskundigenbericht over uitlaten.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden
3.25.
Iedere verdere beslissing wordt, in afwachting van de berichten van de deskundigen en de conclusies na deskundigenbericht, aangehouden.
4De beslissing in conventie en in (voorwaardelijke) reconventie
De rechtbank
ten aanzien van de waardebepaling van de bungalow:
4.1.
beveelt een onderzoek door een deskundige ter beantwoording van de volgende vragen:
wat was de waarde van de bungalow aan [adres 1] in het vrije economische verkeer, vrij van recht van gebruik of bewoning, op 28 oktober 2022?
zijn er punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechter volgens u kennis moet nemen bij de verdere beoordeling?
4.2.
benoemt daartoe tot deskundige:
[persoon A] ,
adres: [adres 3] ,
telefoon: [telefoonnummer 1] ,
e-mail: [e-mailadres 1] ;
ten aanzien van de waardebepaling van het onverdeelde aandeel van de man in het bedrijfspand:
4.3.
beveelt een onderzoek door een deskundige ter beantwoording van de volgende vragen:
wat was de waarde van het onverdeelde aandeel van de man in het bedrijfspand aan [adres 2] in het vrije economische verkeer, vrij van recht van gebruik of bewoning, op 28 oktober 2022?
zijn er punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechter volgens u kennis moet nemen bij de verdere beoordeling?
4.4.
benoemt daartoe tot deskundige:
[persoon B] ,
Adres: [bedrijf 2] , [adres 4] ,
telefoon: [telefoonnummer 2] ,
e-mail: [e-mailadres 2] ;
ten aanzien van de beide deskundigenonderzoeken:
het voorschot
4.5.
stelt de hoogte van het voorschot op de kosten van deskundige [persoon A] vast op € 850,- inclusief btw, en van deskundige [persoon B] op € 4.416,50 inclusief btw;
4.6.
bepaalt dat de voorschotten door de griffier ten laste van ’s Rijks kas zullen worden betaald en in debet zullen worden gesteld in afwachting van de beslissing over de proceskosten;
4.7.
draagt de griffier op de voorschotten uit ’s Rijks kas aan de deskundigen te voldoen en de deskundigen te berichten zodra de voorschotten zijn betaald;
4.8.
bepaalt dat de deskundigen pas met hun onderzoek behoeven te beginnen na het bericht van de griffier dat hun voorschotten zijn betaald;
het onderzoek
4.9.
bepaalt dat de griffier een kopie van dit vonnis aan beide deskundigen zal toezenden;
4.10.
bepaalt dat de vrouw het procesdossier in afschrift aan de deskundigen moet toesturen;
4.11.
bepaalt dat de deskundigen het onderzoek zelfstandig zullen instellen op de door hen na overleg met partijen te bepalen tijd en plaats;
4.12.
wijst de deskundigen erop dat:
- zij voor aanvang van het onderzoek kennis moeten nemen van de Gedragscode voor gerechtelijk deskundigen in civielrechtelijke en bestuursrechtelijke zaken én van de Leidraad deskundigen in civiele zaken (beide te raadplegen op www.rechtspraak.nl);
- zij het onderzoek onmiddellijk staken en contact opnemen met de griffier als tijdens de uitvoering van de werkzaamheden het voor hen vastgestelde voorschot niet toereikend blijkt te zijn;
- zij bij het onderzoek de partijen in de gelegenheid moeten stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat zij in het schriftelijk bericht vermelden of aan dit voorschrift is voldaan, onder vermelding van de eventueel gemaakte opmerkingen en/of gedane verzoeken;
- zij partijen bij een onderzoek van een object ter plaatse gelegenheid moeten bieden dit onderzoek bij te wonen;
- als slechts één partij bij het onderzoek van objecten ter plaatse aanwezig is of zijn, zij dit onderzoek niet mogen uitvoeren, tenzij alle partijen zijn uitgenodigd om bij dat onderzoek aanwezig te zijn, en dat uit het rapport moet blijken dat hieraan is voldaan;
- als partijen bij het onderzoek van objecten ter plaatse aanwezig zijn geweest, uit het rapport moet blijken welke opmerkingen zij hebben gemaakt en welke verzoeken zij hebben gedaan, en hoe de deskundige hierop heeft gereageerd;
4.13.
bepaalt dat partijen nadere inlichtingen en gegevens aan de deskundigen moeten verstrekken als de deskundigen daarom vragen, de deskundigen toegang moeten verschaffen tot voor het onderzoek noodzakelijke plaatsen, en de deskundigen ook voor het overige gelegenheid moeten geven om het onderzoek te verrichten;
4.14.
wijst partijen erop dat, indien zij desgevraagd of op eigen initiatief schriftelijke opmerkingen of verzoeken aan de deskundige doen toekomen, daarvan terstond een afschrift aan de wederpartij moet worden verstrekt;
het schriftelijk rapport
4.15.
draagt de deskundigen op om uiterlijk drie maanden na de bevestiging van betaling van hun voorschot een schriftelijk en ondertekend rapport in drievoud ter griffie van de rechtbank in te leveren, met een gespecificeerde declaratie;
4.16.
wijst de deskundigen erop dat:
- uit het schriftelijk rapport moet blijken op welke stukken de conclusie in het rapport is gebaseerd;
- de deskundigen een concept van hun rapport aan partijen moeten toezenden, waarna partijen de gelegenheid krijgen om binnen vier weken opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundigen in hun definitieve rapport de door partijen gemaakte opmerkingen en verzoeken en hun reactie daarop moeten vermelden;
4.17.
bepaalt dat partijen binnen vier weken na ontvangst dienen te reageren op de concept-rapporten, en dat zij geen gelegenheid krijgen om tegenover de deskundigen op elkaars opmerkingen en verzoeken naar aanleiding van de concept-rapporten te reageren;
overige bepalingen
4.18.
bepaalt dat de deskundigen in geval van onduidelijkheden, vragen of opmerkingen over deze beschikking, het onderzoek of de kosten contact dienen op te nemen met het deskundigenbureau van de rechtbank ([email protected]);
4.19.
bepaalt dat de zaak op de parkeerrol zal komen van woensdag 7 april 2027;
4.20.
draagt de griffier op om na ontvangst van de rapporten de zaak op de rol te plaatsen voor conclusie na deskundigenbericht van de vrouw op een termijn van vier weken;
4.21.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.A.M. Schellekens. Het is getekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2026
3718/1980/3310