Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:11544

2026-08-27 Civiel recht; Verbintenissenrecht 11781804 CV EXPL 25-2670
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2026-08-27
Publicatiedatum
2026-09-08
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
11781804 CV EXPL 25-2670
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; VAAN-AR-Updates.nl 2026-1427; AR-Updates.nl 2026-1427

Inhoudsindicatie

Geldvordering. Kwalificatie overeenkomst (arbeidsovereenkomst of overeenkomst van opdracht?)

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (16.194 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM


locatie Dordrecht



zaaknummer: 11781804 CV EXPL 25-2670



datum uitspraak: 27 augustus 2026




Vonnis van de kantonrechter




in de zaak van




De (ontbonden) vennootschap onder firma [v.o.f.] ,

vestigingsplaats: [vestigingsplaats] ,
met als vennoten

1. [vennoot 1] ,
2. [vennoot 2] ,

eisers in conventie,
verweerders in reconventie,
gemachtigde: [gemachtigde] ,



tegen





[persoon A]
,
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
gemachtigde: mr. I.C.M.C. Henriquez-van de Wetering.



De partijen worden hierna ‘ [v.o.f.] ’, ‘ [vennoot 1] ’, ‘ [vennoot 2] ’ en ‘ [persoon A] ’ genoemd.





1De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:


de dagvaarding van 20 juni 2025, met bijlagen;


het antwoord met een tegeneis, met bijlagen;


de spreekaantekeningen van de gemachtigde van [persoon A] ;


de rolbeslissing van 28 mei 2026;


de mail van [vennoot 1] van 23 juni 2026, met bijlagen;


de antwoordakte van [persoon A] .





1.2.
Op 7 mei 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig:



[vennoot 1] ;



[persoon A] met haar echtgenoot en haar vader, bijgestaan door de gemachtigde.







2De beoordeling



Waar gaat de zaak over?




2.1.

[v.o.f.] eist in deze zaak betaling van € 10.296,73,- met bijkomende kosten. Daarvoor heeft zij het volgende aangevoerd. [v.o.f.] en [persoon A] hebben met elkaar samengewerkt op basis van een overeenkomst van opdracht. [vennoot 1] en [vennoot 2] handelden daarbij als vennoten van [v.o.f.] . Uit hoofde van de overeenkomst heeft [persoon A] als zzp’er (met haar toenmalige eenmanszaak) detectiewerkzaamheden met een diensthond voor [v.o.f.] verricht. Tijdens de samenwerking heeft [v.o.f.] diverse bedragen in het kader van de opleiding van [persoon A] voorgeschoten en een lening van € 3.000,- verstrekt aan [persoon A] . Op 21 januari 2025 heeft [persoon A] de samenwerking per direct beëindigd. [v.o.f.] eist nu terugbetaling van de voorgeschoten bedragen, het restant van de lening, een beëindigingsvergoeding en transportkosten voor materiaal dat ingeleverd had moeten worden, te vermeerderen met rente en buitengerechtelijke kosten.



2.2.

[persoon A] is het niet eens met de eis. Volgens haar is er geen sprake van een overeenkomst van opdracht, maar van een arbeidsovereenkomst. Ook is er geen sprake van een lening, maar van een voorschot. Zij vindt dat zij niets aan [v.o.f.] hoeft terug te betalen. [persoon A] heeft bovendien een tegeneis ingesteld die ertoe strekt dat [v.o.f.] , en bij gebrek aan verhaal [vennoot 1] en [vennoot 2] (hoofdelijk aansprakelijk), primair achterstallig loon, vakantietoeslag, vakantiedagen en wettelijke verhoging dan wel subsidiair het restant van haar factuur van 21 januari 2025 aan haar moeten betalen.



Uitkomst





2.3.

[v.o.f.] is niet-ontvankelijk in haar vorderingen. De subsidiaire tegeneis van [persoon A] wordt toegewezen. Hierna wordt dit toegelicht.



In conventie






[v.o.f.] is niet ontvankelijk





2.4.
Op basis van de stellingen en stukken wordt aangenomen dat [v.o.f.] met ingang van 27 maart 2026 is voortgezet door [bedrijf] B.V. en dat alle activa en passiva van [v.o.f.] zijn ingebracht in de B.V. Dit staat ook in de notariële akte van inbreng van 27 maart 2026. Daarmee staat vast dat eventuele vorderingen van [v.o.f.] op [persoon A] zijn overgegaan op [bedrijf] B.V. [v.o.f.] is op die dag ontbonden, zoals blijkt uit een door [persoon A] overgelegd uittreksel KvK.



2.5.

[bedrijf] B.V. is geen partij in deze procedure en namens [v.o.f.] is niet uitgelegd, ook niet nadat daartoe gelegenheid is geboden door het nemen van een nadere akte, waarom zij of haar (ex-)vennoten op dit moment nog bevoegd zijn de vermeende vordering op [persoon A] te innen. [v.o.f.] heeft geen antwoord gegeven op de nadrukkelijke vraag, op zitting en in de rolbeslissing van 28 mei 2026, van de kantonrechter wat de gevolgen van de overgang van de onderneming zijn voor deze procedure. Tegen deze achtergrond verklaart de kantonrechter [v.o.f.] niet-ontvankelijk in haar vorderingen, zoals door [persoon A] gevorderd. Daar komt nog bij dat de kantonrechter volgt de bedenkingen van [persoon A] bij de geldigheid van de (ook op nader verzoek van de kantonrechter) overgelegde procesmachtiging van [vennoot 2] , omdat zij op basis van het overgelegde stuk onvoldoende kan verifiëren of deze volmacht is opgesteld en ondertekend door of met instemming van [vennoot 2] .



2.6.
Gelet op de niet-ontvankelijkheid van [v.o.f.] komt de kantonrechter niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de vorderingen in conventie.





In reconventie





Kwalificatie van de overeenkomst





2.7.
Voor het beoordelen van de tegeneis is van belang of de rechtsverhouding tussen de partijen moet worden gekwalificeerd als een arbeidsovereenkomst of een overeenkomst van opdracht.



2.8.
Een arbeidsovereenkomst is een overeenkomst waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten (artikel 7:610 BW). Een overeenkomst van opdracht is een overeenkomst waarbij iemand zich verbindt werkzaamheden te verrichten voor een ander, maar niet op grond van een arbeidsovereenkomst (artikel 7:400 BW). De Hoge Raad heeft met betrekking het toetsingskader in het Deliveroo-arrest hierover het volgende overwogen:


“(…) 3.2.3 Om te kunnen beoordelen of een overeenkomst als een arbeidsovereenkomst moet worden aangemerkt, moet door uitleg aan de hand van de Haviltexmaatstaf worden vastgesteld welke rechten en verplichtingen partijen zijn overeengekomen.


3.2.4.
Als de overeengekomen rechten en verplichtingen voldoen aan de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst, moet de overeenkomst als zodanig worden aangemerkt. Voor deze kwalificatie is niet van belang of partijen de bedoeling hadden de overeenkomst onder de wettelijke regeling van de arbeidsovereenkomst te laten vallen.


3.2.5.
Of een overeenkomst moet worden aangemerkt als arbeidsovereenkomst, hangt af van alle omstandigheden van het geval in onderling verband bezien. Van belang kunnen onder meer zijn de aard en duur van de werkzaamheden, de wijze waarop de werkzaamheden en de werktijden worden bepaald, de inbedding van het werk en degene die de werkzaamheden verricht in de organisatie en de bedrijfsvoering van degene voor wie de werkzaamheden worden verricht, het al dan niet bestaan van een verplichting het werk persoonlijk uit te voeren, de wijze waarop de contractuele regeling van de verhouding van partijen is tot stand gekomen, de wijze waarop de beloning wordt bepaald en waarop deze wordt uitgekeerd, de hoogte van deze beloningen, en de vraag of degene die de werkzaamheden verricht daarbij commercieel risico loopt. Ook kan van belang zijn of degene die de werkzaamheden verricht zich in het economisch verkeer als ondernemer gedraagt of kan gedragen, bijvoorbeeld bij het verwerven van een reputatie, bij acquisitie, wat betreft fiscale behandeling, en gelet op het aantal opdrachtgevers voor wie hij werkt of heeft gewerkt en de duur waarvoor hij zich doorgaans aan een bepaalde opdrachtgever verbindt. (…)”




2.9.
Op basis van dit toetsingskader gaat het met name om hoe de uitvoering van de overeenkomst is vormgegeven. Naar het oordeel van de kantonrechter wijzen in dit geval onmiskenbaar de intentie van de partijen maar ook de daarop gebaseerde en afgestelde uitvoering van de overeenkomst op het bestaan van een overeenkomst van opdracht. Hierna wordt dit toegelicht.



2.10.
Niet doorslaggevend, maar wel van belang is dat het contract dat [v.o.f.] heeft aangeboden wordt aangeduid als overeenkomst van opdracht. De opgenomen bepalingen sluiten daar ook bij aan. De bewoordingen in het contract wijzen evident op het aangaan van een overeenkomst van opdracht. Zo wordt er gesproken over een vergoeding van € 35,- per uur die maandelijks door [persoon A] wordt gefactureerd. Ook wordt aangegeven dat [persoon A] de werkzaamheden volledig zelfstandig en op eigen verantwoordelijkheid verricht en dat zij ook voor andere opdrachtgevers mag werken zolang dit geen klanten of relaties van [v.o.f.] zijn. De opleidingskosten van [persoon A] zouden enkel worden voorgeschoten en mocht zij in termijnen terugbetalen door te verrekenen met haar facturen. Deze versie van de overeenkomst is weliswaar niet door de partijen ondertekend, maar sluit wel aan bij wat partijen via WhatsApp met elkaar besproken hebben.



2.11.

[persoon A] heeft ten tijde van het aangaan van de overeenkomst juridisch advies ingewonnen en ook daaruit blijkt zij een overeenkomst van opdracht wilde en uitdrukkelijk niet een arbeidsovereenkomst en dat ook tijdens de gehele duur van de samenwerking heeft volgehouden. Op 7 november 2024 schrijft [persoon A] via WhatsApp aan [vennoot 1] :


“ [vennoot 1] , ik lees net de mail van de jurist maar ik kan het contract zo nog niet tekenen. Er zijn een paar zaken die aangepast moeten worden om het risico voor mij te beperken. Denk aan een schijnzelfstandigheid etc. (…)”




2.12.
Per mail van diezelfde datum stuurt [persoon A] de opmerkingen van de jurist aan [v.o.f.] door. De kantonrechter leidt hieruit af dat de door [vennoot 1] c.s. toegezonden overeenkomst voor [persoon A] nog teveel elementen bevatte die zouden kunnen duiden op het bestaan van een arbeidsovereenkomst en dat dit niet de bedoeling was. De opmerkingen van de jurist luiden, voor zover van belang, als volgt:


“(…) Kijkend naar de overeenkomst, dan zie ik aanknopingspunten om van een schijnzelfstandigheid te spreken, al zijn er ook gezichtspunten die naar een overeenkomst van Opdracht neigen. Momenteel ligt het risico van schijnzelfstandigheid (…) bij jouw zusje (…). Ze loopt daarmee het risico dat als de belastingdienst deze ‘constructie’ als een dienstbetrekking bestempelt, ze alle sociale premies en loonheffing moet betalen. Dat lijkt mij niet wenselijk.



Advies
Om het risico op schijnzelfstandigheid zo klein mogelijk te maken, is aan te raden om het model van de belastingdienst te hanteren, zie bijlage. (…)



Artikel 1: Opdracht
Overweeg toevoegingen in lijn met het Belastingdienst-model om zelfstandigheid te benadrukken zoals het zelfstandig kunnen inrichten van werkzaamheden en het ontbreken van direct toezicht door de opdrachtgever. (…)”




2.13.
Verder staat vast dat [persoon A] een eenmanszaak heeft ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, dat zij voor de eenmanszaak verzekeringen had afgesloten en dat zij zelf een (lease)auto heeft aangeschaft om haar werkzaamheden te kunnen uitvoeren. Ook deze omstandigheden wijzen op het bestaan van een overeenkomst van opdracht.



2.14.
Tot slot staat weliswaar vast dat [persoon A] voor [v.o.f.] heeft gewerkt en daarvoor een geldelijke vergoeding heeft ontvangen, maar daar heeft zij zelf facturen voor gestuurd. Die facturen zijn vervolgens ook door [v.o.f.] betaald. Bij de facturatie heeft [persoon A] rekening gehouden met de afbetaling van de opleidingskosten. Dit zijn contra-indicaties voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst. Dat [persoon A] alleen voor [v.o.f.] heeft gewerkt en niet voor andere opdrachtgevers, maakt niet dat er daarmee automatisch sprake is van een arbeidsovereenkomst. Gelet op de inschrijving bij de Kamer van Koophandel en de bepalingen in het door [v.o.f.] voorgelegde samenwerkingscontract waarover [persoon A] geen bezwaren heeft geuit kon zij ook voor andere opdrachtgevers werken. Dat zij dat niet heeft gedaan komt voor haar risico.





Het gevolg van het bestaan van een overeenkomst van opdracht





2.15.
Nu de overeenkomst van partijen wordt gekwalificeerd als een overeenkomst van opdracht, wordt aan de primaire eis van [persoon A] voorbij gegaan. De subsidiaire eis tot betaling van het achterstallige loon van € 591,55 inclusief btw, welke vordering door [v.o.f.] is erkend, wordt toegewezen.



2.16.
De rente wordt eveneens toegewezen, omdat [persoon A] genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en dat niet is betwist.



In conventie en in reconventie






[v.o.f.] moet de proceskosten betalen





2.17.
De proceskosten komen voor rekening van [v.o.f.] , omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv).



2.18.
Omdat de vorderingen in conventie en in reconventie met elkaar zijn verweven (de vordering in conventie was al verminderd met de erkende vordering in reconventie) ziet de kantonrechter geen aanleiding om in reconventie aparte proceskosten toe te kennen. De proceskosten worden voor de gehele procedure begroot op € 864,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten × € 432,-) en € 144,- aan nakosten. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen.



Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad





2.19.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [persoon A] dat eist en [v.o.f.] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.





3De beslissing
De kantonrechter:



In conventie




3.1.
verklaart [v.o.f.] niet-ontvankelijk in haar eis;



In reconventie





3.2.
veroordeelt [v.o.f.] om aan [persoon A] te betalen € 591,55 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf 1 februari 2025 tot de dag dat volledig is betaald;



In conventie en in reconventie





3.3.
veroordeelt [v.o.f.] in de proceskosten, die aan de kant van [persoon A] worden begroot op € 1008,- met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald;



3.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;



3.5.
wijst al het andere af.


Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. W.P.M. Jurgens en in het openbaar uitgesproken.
43416





HR 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:443