Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:11384
2026-09-07
Strafrecht
10-230900-24
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Veroordeling voor belaging (stalking) van een ex-collega, haar moeder en haar zus gedurende de periode van één jaar. Het feit kan in verminderde mate aan de verdachte worden toegerekend. Oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden en tbs-maatregel met dwangverpleging (gemaximeerd).
Citeert (2)
- ECLI:NL:RBZWB:2022:2559 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 26-04-2022
- ECLI:NL:RBROT:2025:2978 Rechtbank Rotterdam 27-02-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (33.690 tekens)
Rechtbank Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-230900-24
Datum uitspraak: 7 september 2026
Datum zitting: 24 augustus 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte]
,
geboren op [geboortedatum] 1988 in [geboorteland] ,
niet ingeschreven in de basisregistratie personen,
preventief gedetineerd in [naam PI] .
Advocaat van de verdachte: mr. R. Tetteroo, waarnemend voor mr. A. Aïssal
Officier van justitie: mr. I. Barendregt
Benadeelde partijen: [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3]
Advocaat van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 3] : mr. M.S.L. Leeflang
Advocaat van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] : mr. M.S.L. Leeflang, waarnemend voor mr. A.C. Göçmen
Kern van het vonnis
De verdachte wordt veroordeeld voor belaging (stalking) van een ex-collega, haar moeder en haar zus. Het feit kan in verminderde mate aan de verdachte worden toegerekend. De rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf op van twaalf maanden met aftrek van het voorarrest. Daarnaast legt de rechtbank de maatregel van terbeschikkingstelling (tbs) met dwangverpleging op.
1Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij - samengevat - [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] gedurende een periode van bijna drie jaar heeft gestalkt. De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juli 2021 tot en met 22 juni 2024 te Rotterdam, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] , door
veelvuldig, althans meermalen (dreigende) e-mails/berichten naar die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] te sturen,
veelvuldig, althans meermalen handgeschreven brieven naar die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] te sturen,
meermalen ongevraagd en/of onaangekondigd bij/in de woning van die [slachtoffer 1] te komen, en/of
(een) seksspeeltje(s) te bestellen en/of te laten bezorgen op het (voormalige) adres
van die [slachtoffer 1] ,
met het oogmerk die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] , te dwingen iets
te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen.
2Bewijs
2.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor het ten laste gelegde feit.
2.2.
Conclusie van de verdediging
De verdediging refereert zich ten aanzien van de bewezenverklaring van het feit voor de periode vanaf het stopgesprek op 3 mei 2023 tot aan de aanhouding van de verdachte op 22 juni 2024 aan het oordeel van de rechtbank. Voor de periode daarvoor dient de verdachte te worden vrijgesproken, nu in die periode niet duidelijk was aangegeven dat de bezoeken, berichten of brieven van de verdachte als ongewenst werden beschouwd en er mogelijk wederzijds contact is geweest.
2.3.
Oordeel van de rechtbank
2.3.1.
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat:
hij in de periode van 3 mei 2023 tot en met 22 juni 2024 in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , door
veelvuldig (dreigende) e-mails/berichten naar die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] te sturen,
meermalen handgeschreven brieven naar die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] te sturen, en
een seksspeeltje te bestellen en te laten bezorgen op het (voormalige) adres
van die [slachtoffer 1] ,
met het oogmerk die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , te dwingen iets
te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen.
De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft het feit bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor dit feit de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven.
1. Proces-verbaal van de rechter-commissaris, verklaring van de verdachte
2. Proces-verbaal van de politie, verklaring [slachtoffer 1]
3. Proces-verbaal van de politie, verklaring [slachtoffer 2]
4. Proces-verbaal van de politie, verklaring [slachtoffer 3]
5. Proces-verbaal van de politie
6. Proces-verbaal van de politie
7. Schriftelijk stuk
3Kwalificatie en strafbaarheid
3.1.
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
belaging, meermalen gepleegd.
3.2.
Strafbaarheid van het feit en van de verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.
4Straf en maatregel
4.1.
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor het feit worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest. Daarnaast moet de tbs-maatregel met dwangverpleging, gemaximeerd tot 4 jaar, worden opgelegd, evenals een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht.
4.2.
Standpunt van de verdediging
Aan de verdachte kan geen tbs-maatregel met dwangverpleging worden opgelegd, omdat niet wordt voldaan aan het gevaarscriterium. Het Pieter Baan Centrum en de reclassering hebben een onvoldoende concrete risicotaxatie uitgevoerd. Daarnaast hebben geweld of bedreigingen niet de boventoon gevoerd bij de tenlastegelegde belaging. Hierbij verwijst de verdediging naar de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 26 april 2022 (ECLI:NL:RBZWB:2022:2559) en de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 27 februari 2025 (ECLI:NL:RBROT:2025:2978).
Indien de rechtbank hierin meegaat, dient te worden volstaan met een kale gevangenisstraf. Het feit kan in verminderde mate aan de verdachte worden toegerekend. Hier dient rekening mee te worden gehouden in de strafmaat. Bij bewezenverklaring verzoekt de verdediging een gevangenisstraf op te leggen gelijk aan het voorarrest.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
4.3.1.
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan stalking van zijn ex-collega, haar zus en haar moeder. Hij heeft zijn ex-collega en haar moeder gedurende ruim een jaar, en de zus van zijn ex-collega gedurende ongeveer drie weken, talloze e-mails, brieven en WhatsAppberichten gestuurd. De inhoud hiervan was vrijwel steeds (indirect) gericht op zijn ex-collega en de toon werd met het verstrijken van de tijd steeds dreigender. De verdachte heeft ook een seksspeeltje besteld en dit op het (voormalige) adres van deze ex-collega laten bezorgen. De combinatie van het grote aantal berichten, de inhoud hiervan en de hardnekkigheid van het stalkingsgedrag is heel beangstigend geweest voor de slachtoffers. Ook uit de ter zitting voorgedragen slachtofferverklaringen blijkt dat dit veel impact heeft gehad. De verdachte heeft met zijn handelen een grove inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers. Dit rekent de rechtbank de verdachte aan.
4.3.2.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 4 juni 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.
Pro Justitia rapportage Pieter Baan Centrum
In het rapport dat op 16 januari 2026 is uitgebracht door [persoon A] (klinisch psycholoog) en [persoon B] (psychiater) van het Pieter Baan Centrum (PBC) staat het volgende.
Het onderzoek kent, gelet op de zeer beperkte medewerking van de verdachte, beperkingen. Desondanks zijn de onderzoekers op basis van observaties, individuele gesprekken en beschikbare informatie tot een diagnose gekomen: een ongespecificeerde psychotische stoornis. De stoornis was ook aanwezig in de periode van de beschuldiging. Onderzoekers hebben op basis van de brieven en berichten uit het dossier de indruk dat de verdachte zijn ex-collega in zijn beleving exclusief maakte en dat er geen wederkerig, afgestemd en realiteitsgetoetst contact met haar was. Ook komt uit deze brieven en berichten een psychotische desorganisatie van het denken naar voren. Ook in het PBC is gezien dat de verdachte met enige regelmaat onafgestemd contact maakt en in gesprek met onderzoekers is sprake van een sterke mate van desorganisatie van het denken. Hoewel de aard en etiologie van de psychotische stoornis door de beperkingen van het onderzoek niet volledig vastgesteld konden worden, is het duidelijk dat elementen van deze stoornis terug te zien zijn in het ten laste gelegde. De stoornis beïnvloedde het denken, voelen en handelen van de verdachte in zekere mate, maar de mate van doorwerking kan gelet op de onderzoeksbeperkingen niet volledig worden vastgesteld. Het advies is om de beschuldigingen in ten minste verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. Het voortbestaan van psychotische klachten en ook het gebrek aan respons van de verdachte op behandeling is zorgelijk. Op grond van de risicotaxatie-instrumenten kan worden gesproken van een hoog risico op geweld in de brede zin van het woord waarbij ook aangeefster doelwit kan zijn gezien de psychotische belevingen. Ook het gevaar op herhaling van vergelijkbare feiten wordt als hoog ingeschat. Verdachte is na het stopgesprek niet gestopt met het sturen van berichten. Het stalkinggedrag is hardnekkig en is tot dusver niet te beïnvloeden geweest.
Wil dit gevaar omlaag worden gebracht dan is behandeling - en daarvoor nadere diagnostiek - noodzakelijk. De hardnekkigheid van de stalking en de zorgen over het gebrek aan respons op eerdere (dwang)behandelingen maken dat een stevig kader is vereist. De tbs-maatregel is geïndiceerd, omdat er garanties nodig zijn dat de verdachte de behandeling ondergaat en deze uiteindelijk leidt tot een aanzienlijke vermindering van het recidiverisico. De onderzoekers achten het de moeite waard om te onderzoeken of tbs met voorwaarden mogelijk is. Als de verdachte blijft volharden in het weigeren van medewerking aan behandeling, rest het onderzoekend team niets anders dan een tbs-maatregel met dwangverpleging te adviseren.
De rechtbank stelt op basis van de bevindingen van de psychiater en psycholoog vast dat bij de verdachte een psychische stoornis bestond en dat deze het gedrag van de verdachte tijdens het begaan van het strafbare feit beïnvloedde. Het feit wordt daarom in verminderde mate aan de verdachte toegerekend.
Reclasseringsrapport
In het rapport van de reclassering van 17 april 2026 staat het volgende.
De verdachte heeft zich in het contact met de reclassering terughoudend opgesteld, waardoor zij de risico’s niet kan inschatten. De verdachte heeft expliciet aangegeven dat hij niet bereid is om mee te werken aan voorwaarden, behandeling of verdere begeleiding. Het is gebleken dat eerder toezicht, in het kader van schorsing van de voorlopige hechtenis, niet goed is verlopen; de verdachte kwam de voorwaarden niet na. Dit alles maakt dat de reclassering negatief adviseert over tbs met voorwaarden. Zij zien geen mogelijkheden om met voorwaarden de risico’s te beperken of het gedrag te veranderen.
4.3.3.
Oplegging straf en maatregel
Straf
Gelet op de ernst van het strafbare feit is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd, het aantal slachtoffers en de duur en frequentie van de belaging. Daarnaast houdt de rechtbank er rekening mee dat het feit in verminderde mate aan de verdachte kan worden toegerekend. Daarom wordt een gevangenisstraf van 12 maanden opgelegd. De rechtbank wijkt af van de door de officier van justitie geëiste straf, omdat zij een substantieel kortere pleegperiode bewezen acht.
Terbeschikkingstelling
De rechtbank oordeelt verder dat de verdachte ter beschikking moet worden gesteld en dat hij onder dwang moet worden verpleegd.
Aan de voorwaarden voor oplegging van deze maatregel is voldaan. Er bestond bij de verdachte tijdens het plegen van het strafbare feit een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, namelijk een ongespecificeerde psychotische stoornis. Daarnaast is belaging een in de wet vermeld misdrijf waarvoor de tbs-maatregel mogelijk is. Ook is de rechtbank van oordeel dat, anders dan de verdediging heeft bepleit, de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen oplegging van de tbs-maatregel vereist, zodat aan het gevaarscriterium zoals opgenomen in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht is voldaan. Het PBC heeft in haar rapport geconcludeerd dat sprake is van een hoog risico op geweld in de brede zin van het woord, waarbij ook de ex-collega van de verdachte doelwit kan zijn. De verdachte heeft in een aanzienlijk aantal berichten ook daadwerkelijk gedreigd met geweld jegens haar. Bovendien moet onder gevaar voor de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen, naast direct fysiek gevaar, ook worden begrepen gevaar voor psychische schade van een of meer anderen. De aard en de ernst van de belaging waaraan de verdachte zich schuldig heeft gemaakt hebben geleid tot psychische schade bij de ex-collega van de verdachte en ook op de andere slachtoffers heeft het bijzonder veel impact gehad, zo is gebleken uit de slachtofferverklaringen op de zitting. Het risico op recidive wordt door de deskundigen ingeschat als hoog, zodat nog steeds gevaar bestaat voor de psychische gezondheid van de slachtoffers dan wel voor de algemene veiligheid van personen.
Hoewel de rechtbank zich realiseert dat terbeschikkingstelling met dwangverpleging een verstrekkende en ingrijpende maatregel is, ziet zij met het oog op het gebrek aan ziekte-inzicht bij de verdachte en zijn aanhoudende weigering om mee te werken aan diagnostiek en behandeling, geen mogelijkheid om de noodzakelijke behandeling en inperking van het recidiverisico in een lichter kader te realiseren.
Het strafbare feit ter zake waarvan de terbeschikkingstelling met dwangverpleging zal worden opgelegd betreft geen misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen. Daarom kan de totale duur van de terbeschikkingstelling met dwangverpleging niet langer duren dan vier jaar.
Gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (38z Wetboek van Strafrecht)
De rechtbank ziet, anders dan door de officier van justitie is geëist, geen aanleiding om naast de tbs met dwangverpleging een maatregel tot gedragsbeïnvloeding en/of vrijheidsbeperking op te leggen.
5Voorlopige hechtenis
Omdat de rechtbank aan de verdachte een tbs-maatregel met dwangverpleging oplegt, zal zij de voorlopige hechtenis niet opheffen.
6Vordering van de benadeelde partijen
6.1.
Vordering [benadeelde partij 1]
6.1.1.
Vordering
[benadeelde partij 1] heeft als benadeelde partij voor het feit € 2.155,- als vergoeding voor materiële schade, bestaande uit € 1.000,- aan verhuiskosten en € 1.155,- aan verbruikt eigen risico, en € 6.000,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
6.1.2.
Standpunt officier van justitie
De vordering van de benadeelde partij kan ten aanzien van de materiële schade worden toegewezen tot een bedrag van € 1.805,- aan materiële schade, bestaande uit € 650,- aan verhuiskosten en € 1.155,- aan verbruikt eigen risico. De benadeelde partij moet voor het overige in haar materiële schadevergoedingsvordering niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij heeft daarnaast recht op vergoeding van de immateriële schade. Ten aanzien van de hoogte van het toe te wijzen bedrag refereert de officier van justitie zich aan het oordeel van de rechtbank. Het toegewezen bedrag moet worden vermeerderd met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel moet worden opgelegd.
6.1.3.
Standpunt verdediging
De verdediging sluit zich aan bij het standpunt van de officier van justitie en refereert zich verder aan het oordeel van de rechtbank.
6.1.4.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het gepleegde strafbare feit.
Het deel van de vordering van de benadeelde partij dat ziet op het eigen risico, is door de verdediging niet betwist. Voor zover dit onderdeel ziet op de jaren 2023 en 2024, komt de rechtbank de vordering gelet op de bewezenverklaarde pleegperiode niet onrechtmatig of ongegrond voor. Dit deel van de vordering wordt daarom voor die periode toegewezen. Dit betekent dat de verdachte € 770,- als vergoeding van materiële schade aan de benadeelde partij moet betalen.
Het deel van de vordering van de benadeelde partij dat ziet op de verhuiskosten, is door de verdediging niet betwist voor zover het bedrag door de offerte wordt onderbouwd. De rechtbank stelt vast dat dit deel van de vordering is onderbouwd met een offerte van een verhuisbedrijf ter hoogte van € 650,-. Het meerdere is onvoldoende onderbouwd. Daarom wordt dit deel van de vordering toegewezen tot een bedrag van € 650,-.
Het voorgaande betekent dat de verdachte € 1.420,- als vergoeding van materiële schade aan de benadeelde partij moet betalen. De benadeelde partij wordt in het resterende deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij is namelijk op andere wijze in haar persoon aangetast.
Die schade wordt naar billijkheid begroot op € 5.000,-. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt. Verder is bij de begroting rekening gehouden met bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, waarbij in het bijzonder acht is geslagen op de categorieën van de Rotterdamse schaal in de hoofdstukken 14.2 (posttraumatische stressstoornis) onder d en 17 (belaging) onder b. De vordering wordt tot dit bedrag toegewezen. De vordering wordt voor het overige afgewezen. Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 5.000,- als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen.
Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 22 juni 2024.
De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die zij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij (grotendeels) wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0,-.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 57 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
6.2.
Vordering [benadeelde partij 2]
6.2.1.
Vordering
[benadeelde partij 2] heeft als benadeelde partij voor het feit € 2.500,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
6.2.2.
Standpunt officier van justitie
De benadeelde partij heeft recht op vergoeding van de immateriële schade. Ten aanzien van de hoogte van het toe te wijzen bedrag refereert de officier van justitie zich aan het oordeel van de rechtbank. Het toegewezen bedrag moet worden vermeerderd met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel moet worden opgelegd.
6.2.3.
Standpunt verdediging
De verdediging sluit zich aan bij het standpunt van de officier van justitie en refereert zich verder aan het oordeel van de rechtbank.
6.2.4.
Oordeel van de rechtbank
Immateriële schade
De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van de belaging in dit geval niet met zich meebrengen dat de nadelige gevolgen daarvan voor de hand liggen. De rechtbank begrijpt dat de belaging een zekere impact heeft gehad op de benadeelde partij, maar hieruit volgt niet zonder meer dat zij in juridische zin in haar persoon is aangetast. Dit maakt dat de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van de immateriële schade wordt afgewezen.
Proceskosten
De rechtbank veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten die de verdachte heeft gemaakt bij de verdediging van de vordering, omdat de vordering van de benadeelde partij wordt afgewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0,-.
6.3.
Vordering [benadeelde partij 3]
6.3.1.
Vordering
[benadeelde partij 3] heeft als benadeelde partij voor het feit € 3.223,47 als vergoeding voor materiële schade en € 3.000,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
6.3.2.
Standpunt officier van justitie
De vordering van de benadeelde partij kan ten aanzien van de materiële schade worden toegewezen. De benadeelde partij heeft recht op vergoeding van de immateriële schade. Ten aanzien van de hoogte van het toe te wijzen bedrag refereert de officier van justitie zich aan het oordeel van de rechtbank. Het toegewezen bedrag moet worden vermeerderd met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel moet worden opgelegd.
6.3.3.
Standpunt verdediging
De verdediging sluit zich aan bij het standpunt van de officier van justitie en refereert zich verder aan het oordeel van de rechtbank.
6.3.4.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het gepleegde strafbare feit. De verdediging heeft de vordering niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor. De vordering wordt daarom toegewezen. Dit betekent dat de verdachte € 3.223,47 als vergoeding van materiële schade aan de benadeelde partij moet betalen.
Immateriële schade
De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van de belaging in dit geval niet met zich meebrengen dat de nadelige gevolgen daarvan voor de hand liggen. De rechtbank begrijpt dat de belaging een zekere impact heeft gehad op de benadeelde partij, maar hieruit volgt niet zonder meer dat zij in juridische zin in haar persoon is aangetast. Dit maakt dat de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van de immateriële schade wordt afgewezen.
Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 22 juni 2024.
De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die zij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij grotendeels wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0,-.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 32 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
7Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straf en maatregel is gebaseerd op de artikelen 36f, 37a, 37b, 57 en 285b van het Wetboek van Strafrecht.
8Beslissingen
De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte het feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf en maatregelen
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 12 maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
TBS-maatregel
beveelt dat de verdachte voor het feit ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de terbeschikkinggestelde van overheidswege wordt verpleegd;
bepaalt dat de totale duur van de tbs-maatregel is gemaximeerd tot 4 jaren;
Vorderingen benadeelde partijen
[benadeelde partij 1]
veroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde partij 1] te betalen een bedrag van € 6.420,-, bestaande uit € 1.420,- als vergoeding van materiële schade en € 5.000,- als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 22 juni 2024 tot de dag van volledige betaling;
verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ten aanzien van de materiële schade niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
wijst af het door de benadeelde partij [benadeelde partij 1] meer of anders gevorderde ten aanzien van de immateriële schade;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij [benadeelde partij 1] gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0,- en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
legt aan de verdachte voor het feit de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] aan de staat € 6.420,- te betalen, en de wettelijke rente vanaf 22 juni 2024 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 57 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij [benadeelde partij 1] of aan de staat heeft vergoed;
[benadeelde partij 2]
wijst af de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ;
veroordeelt de benadeelde partij [benadeelde partij 2] in de door de verdachte gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0,-;
[benadeelde partij 3]
veroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde partij 3] te betalen een bedrag van € 3.233,47, bestaande uit materiële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 22 juni 2024 tot de dag van volledige betaling;
wijst af het door de benadeelde partij [benadeelde partij 3] meer of anders gevorderde;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij [benadeelde partij 3] gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0,- en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
legt aan de verdachte voor het feit de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] aan de staat € 3.233,47 te betalen, en de wettelijke rente vanaf 22 juni 2024 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 32 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij [benadeelde partij 3] of aan de staat heeft vergoed.
9Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. E. IJspeerd, voorzitter,
en mrs. H.J. de Kraker en L. den Teuling, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.D. Bijl, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 7 september 2026.
De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het zaaksdossier met het zaakregistratienummer PL1700-2024210606.
Proces-verbaal van de rechter-commissaris van 18 juli 2024.
Pagina’s 244 tot en met 250, met bijlagen pagina’s 251 tot en met 388.
Pagina’s 44 tot en met 47, met bijlagen pagina’s 48 tot en met 157.
Pagina’s 160 tot en met 163, met bijlagen pagina’s 164 tot en met 241.
Pagina 389.
Proces-verbaalnummer PL1700-2023051088-26 (niet doorgenummerd).
Pagina 363, e-mail van ‘ [verdachte] ’ van 4 juni (de rechtbank begrijpt: 4 juni 2024) om 14.33 uur.
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-230900-24
Datum uitspraak: 7 september 2026
Datum zitting: 24 augustus 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte]
,
geboren op [geboortedatum] 1988 in [geboorteland] ,
niet ingeschreven in de basisregistratie personen,
preventief gedetineerd in [naam PI] .
Advocaat van de verdachte: mr. R. Tetteroo, waarnemend voor mr. A. Aïssal
Officier van justitie: mr. I. Barendregt
Benadeelde partijen: [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3]
Advocaat van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 3] : mr. M.S.L. Leeflang
Advocaat van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] : mr. M.S.L. Leeflang, waarnemend voor mr. A.C. Göçmen
Kern van het vonnis
De verdachte wordt veroordeeld voor belaging (stalking) van een ex-collega, haar moeder en haar zus. Het feit kan in verminderde mate aan de verdachte worden toegerekend. De rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf op van twaalf maanden met aftrek van het voorarrest. Daarnaast legt de rechtbank de maatregel van terbeschikkingstelling (tbs) met dwangverpleging op.
1Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij - samengevat - [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] gedurende een periode van bijna drie jaar heeft gestalkt. De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juli 2021 tot en met 22 juni 2024 te Rotterdam, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] , door
veelvuldig, althans meermalen (dreigende) e-mails/berichten naar die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] te sturen,
veelvuldig, althans meermalen handgeschreven brieven naar die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] te sturen,
meermalen ongevraagd en/of onaangekondigd bij/in de woning van die [slachtoffer 1] te komen, en/of
(een) seksspeeltje(s) te bestellen en/of te laten bezorgen op het (voormalige) adres
van die [slachtoffer 1] ,
met het oogmerk die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] , te dwingen iets
te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen.
2Bewijs
2.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor het ten laste gelegde feit.
2.2.
Conclusie van de verdediging
De verdediging refereert zich ten aanzien van de bewezenverklaring van het feit voor de periode vanaf het stopgesprek op 3 mei 2023 tot aan de aanhouding van de verdachte op 22 juni 2024 aan het oordeel van de rechtbank. Voor de periode daarvoor dient de verdachte te worden vrijgesproken, nu in die periode niet duidelijk was aangegeven dat de bezoeken, berichten of brieven van de verdachte als ongewenst werden beschouwd en er mogelijk wederzijds contact is geweest.
2.3.
Oordeel van de rechtbank
2.3.1.
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat:
hij in de periode van 3 mei 2023 tot en met 22 juni 2024 in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , door
veelvuldig (dreigende) e-mails/berichten naar die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] te sturen,
meermalen handgeschreven brieven naar die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] te sturen, en
een seksspeeltje te bestellen en te laten bezorgen op het (voormalige) adres
van die [slachtoffer 1] ,
met het oogmerk die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , te dwingen iets
te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen.
De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft het feit bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor dit feit de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven.
1. Proces-verbaal van de rechter-commissaris, verklaring van de verdachte
2. Proces-verbaal van de politie, verklaring [slachtoffer 1]
3. Proces-verbaal van de politie, verklaring [slachtoffer 2]
4. Proces-verbaal van de politie, verklaring [slachtoffer 3]
5. Proces-verbaal van de politie
6. Proces-verbaal van de politie
7. Schriftelijk stuk
3Kwalificatie en strafbaarheid
3.1.
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
belaging, meermalen gepleegd.
3.2.
Strafbaarheid van het feit en van de verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.
4Straf en maatregel
4.1.
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor het feit worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest. Daarnaast moet de tbs-maatregel met dwangverpleging, gemaximeerd tot 4 jaar, worden opgelegd, evenals een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht.
4.2.
Standpunt van de verdediging
Aan de verdachte kan geen tbs-maatregel met dwangverpleging worden opgelegd, omdat niet wordt voldaan aan het gevaarscriterium. Het Pieter Baan Centrum en de reclassering hebben een onvoldoende concrete risicotaxatie uitgevoerd. Daarnaast hebben geweld of bedreigingen niet de boventoon gevoerd bij de tenlastegelegde belaging. Hierbij verwijst de verdediging naar de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 26 april 2022 (ECLI:NL:RBZWB:2022:2559) en de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 27 februari 2025 (ECLI:NL:RBROT:2025:2978).
Indien de rechtbank hierin meegaat, dient te worden volstaan met een kale gevangenisstraf. Het feit kan in verminderde mate aan de verdachte worden toegerekend. Hier dient rekening mee te worden gehouden in de strafmaat. Bij bewezenverklaring verzoekt de verdediging een gevangenisstraf op te leggen gelijk aan het voorarrest.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
4.3.1.
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan stalking van zijn ex-collega, haar zus en haar moeder. Hij heeft zijn ex-collega en haar moeder gedurende ruim een jaar, en de zus van zijn ex-collega gedurende ongeveer drie weken, talloze e-mails, brieven en WhatsAppberichten gestuurd. De inhoud hiervan was vrijwel steeds (indirect) gericht op zijn ex-collega en de toon werd met het verstrijken van de tijd steeds dreigender. De verdachte heeft ook een seksspeeltje besteld en dit op het (voormalige) adres van deze ex-collega laten bezorgen. De combinatie van het grote aantal berichten, de inhoud hiervan en de hardnekkigheid van het stalkingsgedrag is heel beangstigend geweest voor de slachtoffers. Ook uit de ter zitting voorgedragen slachtofferverklaringen blijkt dat dit veel impact heeft gehad. De verdachte heeft met zijn handelen een grove inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers. Dit rekent de rechtbank de verdachte aan.
4.3.2.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 4 juni 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.
Pro Justitia rapportage Pieter Baan Centrum
In het rapport dat op 16 januari 2026 is uitgebracht door [persoon A] (klinisch psycholoog) en [persoon B] (psychiater) van het Pieter Baan Centrum (PBC) staat het volgende.
Het onderzoek kent, gelet op de zeer beperkte medewerking van de verdachte, beperkingen. Desondanks zijn de onderzoekers op basis van observaties, individuele gesprekken en beschikbare informatie tot een diagnose gekomen: een ongespecificeerde psychotische stoornis. De stoornis was ook aanwezig in de periode van de beschuldiging. Onderzoekers hebben op basis van de brieven en berichten uit het dossier de indruk dat de verdachte zijn ex-collega in zijn beleving exclusief maakte en dat er geen wederkerig, afgestemd en realiteitsgetoetst contact met haar was. Ook komt uit deze brieven en berichten een psychotische desorganisatie van het denken naar voren. Ook in het PBC is gezien dat de verdachte met enige regelmaat onafgestemd contact maakt en in gesprek met onderzoekers is sprake van een sterke mate van desorganisatie van het denken. Hoewel de aard en etiologie van de psychotische stoornis door de beperkingen van het onderzoek niet volledig vastgesteld konden worden, is het duidelijk dat elementen van deze stoornis terug te zien zijn in het ten laste gelegde. De stoornis beïnvloedde het denken, voelen en handelen van de verdachte in zekere mate, maar de mate van doorwerking kan gelet op de onderzoeksbeperkingen niet volledig worden vastgesteld. Het advies is om de beschuldigingen in ten minste verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. Het voortbestaan van psychotische klachten en ook het gebrek aan respons van de verdachte op behandeling is zorgelijk. Op grond van de risicotaxatie-instrumenten kan worden gesproken van een hoog risico op geweld in de brede zin van het woord waarbij ook aangeefster doelwit kan zijn gezien de psychotische belevingen. Ook het gevaar op herhaling van vergelijkbare feiten wordt als hoog ingeschat. Verdachte is na het stopgesprek niet gestopt met het sturen van berichten. Het stalkinggedrag is hardnekkig en is tot dusver niet te beïnvloeden geweest.
Wil dit gevaar omlaag worden gebracht dan is behandeling - en daarvoor nadere diagnostiek - noodzakelijk. De hardnekkigheid van de stalking en de zorgen over het gebrek aan respons op eerdere (dwang)behandelingen maken dat een stevig kader is vereist. De tbs-maatregel is geïndiceerd, omdat er garanties nodig zijn dat de verdachte de behandeling ondergaat en deze uiteindelijk leidt tot een aanzienlijke vermindering van het recidiverisico. De onderzoekers achten het de moeite waard om te onderzoeken of tbs met voorwaarden mogelijk is. Als de verdachte blijft volharden in het weigeren van medewerking aan behandeling, rest het onderzoekend team niets anders dan een tbs-maatregel met dwangverpleging te adviseren.
De rechtbank stelt op basis van de bevindingen van de psychiater en psycholoog vast dat bij de verdachte een psychische stoornis bestond en dat deze het gedrag van de verdachte tijdens het begaan van het strafbare feit beïnvloedde. Het feit wordt daarom in verminderde mate aan de verdachte toegerekend.
Reclasseringsrapport
In het rapport van de reclassering van 17 april 2026 staat het volgende.
De verdachte heeft zich in het contact met de reclassering terughoudend opgesteld, waardoor zij de risico’s niet kan inschatten. De verdachte heeft expliciet aangegeven dat hij niet bereid is om mee te werken aan voorwaarden, behandeling of verdere begeleiding. Het is gebleken dat eerder toezicht, in het kader van schorsing van de voorlopige hechtenis, niet goed is verlopen; de verdachte kwam de voorwaarden niet na. Dit alles maakt dat de reclassering negatief adviseert over tbs met voorwaarden. Zij zien geen mogelijkheden om met voorwaarden de risico’s te beperken of het gedrag te veranderen.
4.3.3.
Oplegging straf en maatregel
Straf
Gelet op de ernst van het strafbare feit is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd, het aantal slachtoffers en de duur en frequentie van de belaging. Daarnaast houdt de rechtbank er rekening mee dat het feit in verminderde mate aan de verdachte kan worden toegerekend. Daarom wordt een gevangenisstraf van 12 maanden opgelegd. De rechtbank wijkt af van de door de officier van justitie geëiste straf, omdat zij een substantieel kortere pleegperiode bewezen acht.
Terbeschikkingstelling
De rechtbank oordeelt verder dat de verdachte ter beschikking moet worden gesteld en dat hij onder dwang moet worden verpleegd.
Aan de voorwaarden voor oplegging van deze maatregel is voldaan. Er bestond bij de verdachte tijdens het plegen van het strafbare feit een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, namelijk een ongespecificeerde psychotische stoornis. Daarnaast is belaging een in de wet vermeld misdrijf waarvoor de tbs-maatregel mogelijk is. Ook is de rechtbank van oordeel dat, anders dan de verdediging heeft bepleit, de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen oplegging van de tbs-maatregel vereist, zodat aan het gevaarscriterium zoals opgenomen in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht is voldaan. Het PBC heeft in haar rapport geconcludeerd dat sprake is van een hoog risico op geweld in de brede zin van het woord, waarbij ook de ex-collega van de verdachte doelwit kan zijn. De verdachte heeft in een aanzienlijk aantal berichten ook daadwerkelijk gedreigd met geweld jegens haar. Bovendien moet onder gevaar voor de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen, naast direct fysiek gevaar, ook worden begrepen gevaar voor psychische schade van een of meer anderen. De aard en de ernst van de belaging waaraan de verdachte zich schuldig heeft gemaakt hebben geleid tot psychische schade bij de ex-collega van de verdachte en ook op de andere slachtoffers heeft het bijzonder veel impact gehad, zo is gebleken uit de slachtofferverklaringen op de zitting. Het risico op recidive wordt door de deskundigen ingeschat als hoog, zodat nog steeds gevaar bestaat voor de psychische gezondheid van de slachtoffers dan wel voor de algemene veiligheid van personen.
Hoewel de rechtbank zich realiseert dat terbeschikkingstelling met dwangverpleging een verstrekkende en ingrijpende maatregel is, ziet zij met het oog op het gebrek aan ziekte-inzicht bij de verdachte en zijn aanhoudende weigering om mee te werken aan diagnostiek en behandeling, geen mogelijkheid om de noodzakelijke behandeling en inperking van het recidiverisico in een lichter kader te realiseren.
Het strafbare feit ter zake waarvan de terbeschikkingstelling met dwangverpleging zal worden opgelegd betreft geen misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen. Daarom kan de totale duur van de terbeschikkingstelling met dwangverpleging niet langer duren dan vier jaar.
Gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (38z Wetboek van Strafrecht)
De rechtbank ziet, anders dan door de officier van justitie is geëist, geen aanleiding om naast de tbs met dwangverpleging een maatregel tot gedragsbeïnvloeding en/of vrijheidsbeperking op te leggen.
5Voorlopige hechtenis
Omdat de rechtbank aan de verdachte een tbs-maatregel met dwangverpleging oplegt, zal zij de voorlopige hechtenis niet opheffen.
6Vordering van de benadeelde partijen
6.1.
Vordering [benadeelde partij 1]
6.1.1.
Vordering
[benadeelde partij 1] heeft als benadeelde partij voor het feit € 2.155,- als vergoeding voor materiële schade, bestaande uit € 1.000,- aan verhuiskosten en € 1.155,- aan verbruikt eigen risico, en € 6.000,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
6.1.2.
Standpunt officier van justitie
De vordering van de benadeelde partij kan ten aanzien van de materiële schade worden toegewezen tot een bedrag van € 1.805,- aan materiële schade, bestaande uit € 650,- aan verhuiskosten en € 1.155,- aan verbruikt eigen risico. De benadeelde partij moet voor het overige in haar materiële schadevergoedingsvordering niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij heeft daarnaast recht op vergoeding van de immateriële schade. Ten aanzien van de hoogte van het toe te wijzen bedrag refereert de officier van justitie zich aan het oordeel van de rechtbank. Het toegewezen bedrag moet worden vermeerderd met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel moet worden opgelegd.
6.1.3.
Standpunt verdediging
De verdediging sluit zich aan bij het standpunt van de officier van justitie en refereert zich verder aan het oordeel van de rechtbank.
6.1.4.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het gepleegde strafbare feit.
Het deel van de vordering van de benadeelde partij dat ziet op het eigen risico, is door de verdediging niet betwist. Voor zover dit onderdeel ziet op de jaren 2023 en 2024, komt de rechtbank de vordering gelet op de bewezenverklaarde pleegperiode niet onrechtmatig of ongegrond voor. Dit deel van de vordering wordt daarom voor die periode toegewezen. Dit betekent dat de verdachte € 770,- als vergoeding van materiële schade aan de benadeelde partij moet betalen.
Het deel van de vordering van de benadeelde partij dat ziet op de verhuiskosten, is door de verdediging niet betwist voor zover het bedrag door de offerte wordt onderbouwd. De rechtbank stelt vast dat dit deel van de vordering is onderbouwd met een offerte van een verhuisbedrijf ter hoogte van € 650,-. Het meerdere is onvoldoende onderbouwd. Daarom wordt dit deel van de vordering toegewezen tot een bedrag van € 650,-.
Het voorgaande betekent dat de verdachte € 1.420,- als vergoeding van materiële schade aan de benadeelde partij moet betalen. De benadeelde partij wordt in het resterende deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij is namelijk op andere wijze in haar persoon aangetast.
Die schade wordt naar billijkheid begroot op € 5.000,-. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt. Verder is bij de begroting rekening gehouden met bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, waarbij in het bijzonder acht is geslagen op de categorieën van de Rotterdamse schaal in de hoofdstukken 14.2 (posttraumatische stressstoornis) onder d en 17 (belaging) onder b. De vordering wordt tot dit bedrag toegewezen. De vordering wordt voor het overige afgewezen. Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 5.000,- als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen.
Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 22 juni 2024.
De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die zij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij (grotendeels) wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0,-.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 57 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
6.2.
Vordering [benadeelde partij 2]
6.2.1.
Vordering
[benadeelde partij 2] heeft als benadeelde partij voor het feit € 2.500,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
6.2.2.
Standpunt officier van justitie
De benadeelde partij heeft recht op vergoeding van de immateriële schade. Ten aanzien van de hoogte van het toe te wijzen bedrag refereert de officier van justitie zich aan het oordeel van de rechtbank. Het toegewezen bedrag moet worden vermeerderd met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel moet worden opgelegd.
6.2.3.
Standpunt verdediging
De verdediging sluit zich aan bij het standpunt van de officier van justitie en refereert zich verder aan het oordeel van de rechtbank.
6.2.4.
Oordeel van de rechtbank
Immateriële schade
De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van de belaging in dit geval niet met zich meebrengen dat de nadelige gevolgen daarvan voor de hand liggen. De rechtbank begrijpt dat de belaging een zekere impact heeft gehad op de benadeelde partij, maar hieruit volgt niet zonder meer dat zij in juridische zin in haar persoon is aangetast. Dit maakt dat de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van de immateriële schade wordt afgewezen.
Proceskosten
De rechtbank veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten die de verdachte heeft gemaakt bij de verdediging van de vordering, omdat de vordering van de benadeelde partij wordt afgewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0,-.
6.3.
Vordering [benadeelde partij 3]
6.3.1.
Vordering
[benadeelde partij 3] heeft als benadeelde partij voor het feit € 3.223,47 als vergoeding voor materiële schade en € 3.000,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
6.3.2.
Standpunt officier van justitie
De vordering van de benadeelde partij kan ten aanzien van de materiële schade worden toegewezen. De benadeelde partij heeft recht op vergoeding van de immateriële schade. Ten aanzien van de hoogte van het toe te wijzen bedrag refereert de officier van justitie zich aan het oordeel van de rechtbank. Het toegewezen bedrag moet worden vermeerderd met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel moet worden opgelegd.
6.3.3.
Standpunt verdediging
De verdediging sluit zich aan bij het standpunt van de officier van justitie en refereert zich verder aan het oordeel van de rechtbank.
6.3.4.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het gepleegde strafbare feit. De verdediging heeft de vordering niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor. De vordering wordt daarom toegewezen. Dit betekent dat de verdachte € 3.223,47 als vergoeding van materiële schade aan de benadeelde partij moet betalen.
Immateriële schade
De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van de belaging in dit geval niet met zich meebrengen dat de nadelige gevolgen daarvan voor de hand liggen. De rechtbank begrijpt dat de belaging een zekere impact heeft gehad op de benadeelde partij, maar hieruit volgt niet zonder meer dat zij in juridische zin in haar persoon is aangetast. Dit maakt dat de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van de immateriële schade wordt afgewezen.
Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 22 juni 2024.
De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die zij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij grotendeels wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0,-.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 32 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
7Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straf en maatregel is gebaseerd op de artikelen 36f, 37a, 37b, 57 en 285b van het Wetboek van Strafrecht.
8Beslissingen
De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte het feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf en maatregelen
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 12 maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
TBS-maatregel
beveelt dat de verdachte voor het feit ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de terbeschikkinggestelde van overheidswege wordt verpleegd;
bepaalt dat de totale duur van de tbs-maatregel is gemaximeerd tot 4 jaren;
Vorderingen benadeelde partijen
[benadeelde partij 1]
veroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde partij 1] te betalen een bedrag van € 6.420,-, bestaande uit € 1.420,- als vergoeding van materiële schade en € 5.000,- als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 22 juni 2024 tot de dag van volledige betaling;
verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ten aanzien van de materiële schade niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
wijst af het door de benadeelde partij [benadeelde partij 1] meer of anders gevorderde ten aanzien van de immateriële schade;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij [benadeelde partij 1] gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0,- en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
legt aan de verdachte voor het feit de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] aan de staat € 6.420,- te betalen, en de wettelijke rente vanaf 22 juni 2024 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 57 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij [benadeelde partij 1] of aan de staat heeft vergoed;
[benadeelde partij 2]
wijst af de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ;
veroordeelt de benadeelde partij [benadeelde partij 2] in de door de verdachte gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0,-;
[benadeelde partij 3]
veroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde partij 3] te betalen een bedrag van € 3.233,47, bestaande uit materiële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 22 juni 2024 tot de dag van volledige betaling;
wijst af het door de benadeelde partij [benadeelde partij 3] meer of anders gevorderde;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij [benadeelde partij 3] gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0,- en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
legt aan de verdachte voor het feit de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] aan de staat € 3.233,47 te betalen, en de wettelijke rente vanaf 22 juni 2024 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 32 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij [benadeelde partij 3] of aan de staat heeft vergoed.
9Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. E. IJspeerd, voorzitter,
en mrs. H.J. de Kraker en L. den Teuling, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.D. Bijl, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 7 september 2026.
De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het zaaksdossier met het zaakregistratienummer PL1700-2024210606.
Proces-verbaal van de rechter-commissaris van 18 juli 2024.
Pagina’s 244 tot en met 250, met bijlagen pagina’s 251 tot en met 388.
Pagina’s 44 tot en met 47, met bijlagen pagina’s 48 tot en met 157.
Pagina’s 160 tot en met 163, met bijlagen pagina’s 164 tot en met 241.
Pagina 389.
Proces-verbaalnummer PL1700-2023051088-26 (niet doorgenummerd).
Pagina 363, e-mail van ‘ [verdachte] ’ van 4 juni (de rechtbank begrijpt: 4 juni 2024) om 14.33 uur.