Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:11195
2026-09-07
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
ROT 26/5786
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Omgevingswet. Verzoek om voorlopige voorziening hangende het bezwaar tegen het besluit van 19 mei 2026 tot het opleggen van een (tweede) last onder dwangsom aan verzoeker wegens het realiseren van twee schuilstallen. Verzoek is afgewezen. De last is niet in strijd met artikel 5:6 van de Awb, omdat de eerste last onder dwangsom van rechtswege is verbeurd na afloop van de begunstigingstermijn. Verder heeft het college in redelijkheid een hoger dwangsombedrag en een begunstigingstermijn van drie maanden mogen verbinden aan de last. Tot slot is geen sprake van een punitieve sanctie.
Citeert (4)
- ECLI:NL:RBROT:2024:3900 Rechtbank Rotterdam 25-04-2024
- ECLI:NL:RVS:2019:772 Raad van State 13-03-2019
- ECLI:NL:RVS:2013:2589 Raad van State 24-12-2013
- ECLI:NL:RVS:2022:330 Raad van State 02-02-2022
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (13.726 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM
Zittingsplaats Dordrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/5786
uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 september 2026 in de zaak tussen
[verzoeker], uit [woonplaats 1], verzoeker
en
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam
(gemachtigde: mr. A.M.H. Dellaert).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam 1] en [naam 2] uit [woonplaats 2] (belanghebbenden).
Procesverloop
1. Met het besluit van 19 mei 2026 (bestreden besluit) heeft het college aan verzoeker een last onder dwangsom opgelegd, omdat verzoeker zonder omgevingsvergunning twee schuilstallen heeft gerealiseerd op het perceel aan de [straatnaam] in [locatie 1] (het perceel).
2. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 26 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
3. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Totstandkoming van het bestreden besluit
4. Verzoeker verhuurt het perceel aan derden die daar paarden houden. Ten behoeve van het houden van de paarden zijn twee overkappingen (schuilstallen) gebouwd.
5. Het college heeft eerder op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht een eerste last onder dwangsom opgelegd voor dezelfde overtreding. Het college heeft met het bestreden besluit op grond van de Omgevingswet (Ow) de tweede last onder dwangsom opgelegd voor dezelfde overtreding.
6. Op 1 januari 2024 is de Ow in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Ter plaatse van het perceel geldt het Omgevingsplan gemeente Rotterdam (omgevingsplan). Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Op het perceel was voor zover relevant vóór 1 januari 2024 de bestemmingsplannen “Schieveensepolder” en “Natuur- en recreatiegebied Schieveen” van kracht. Deze bestemmingsplannen maken dus onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Op het voorste perceel aan de wegzijde geldt het eerstgenoemde bestemmingsplan. Dit perceel heeft de bestemming “Groenstrook” (artikel 3 van de planregels van het bestemmingsplan [locatie 2]). Binnen deze bestemming zijn de schuilstallen gelegen.
7. Tussen partijen is niet in geschil dat de schuilstallen in strijd zijn met de bestemming “Groenstrook”. Bovendien heeft deze rechtbank met de uitspraak van 25 april 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:3900, geoordeeld dat het (laten) bouwen van de twee schuilstallen een overtreding is. Tegen deze uitspraak heeft verzoeker geen hoger beroep ingesteld.
8. Het college heeft met de nieuwe last eiser op straffe van een dwangsom van € 7.500,- gelast om de overtreding van artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Ow te beëindigen en beëindigd te houden. Eiser heeft hiervoor één maand na dagtekening van het besluit.
Toetsingskader
9. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Cumulatie
10. Verzoeker betoogt dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 5:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Volgens verzoeker is de begunstigingstermijn van de eerste last onder dwangsom nog van kracht, zodat de eerste last onder dwangsom nog niet is uitgewerkt. Verzoeker verwijst naar zijn beroep tegen de eerste last onder dwangsom (met zaaknummer ROT 26/244).
11. Op grond van artikel 5:6 van de Awb legt het bestuursorgaan geen herstelsanctie op zolang een andere wegens dezelfde overtreding opgelegde herstelsanctie van kracht is. Anders dan verzoeker betoogt is de eerste last onder dwangsom echter uitgewerkt, omdat de dwangsom van € 2000,- van rechtswege is verbeurd na afloop van de begunstigingstermijn, die eindigde op 2 maart 2026, die aan die last is verbonden. Aan de last was een dwangsom van één bedrag ineens verbonden, zodat op basis van de eerste last geen nieuwe dwangsommen kunnen worden verbeurd, ook al blijft de overtreding bestaan. De eerste last was daarom niet meer van kracht ten tijde van het bestreden besluit, zodat het college bevoegd was een nieuwe last onder dwangsom op te leggen om opnieuw verzoeker aan te sporen om de overtreding te beëindigen. Het college heeft daarom niet in strijd met artikel 5:6 van de Awb gehandeld.
Hoogte dwangsom
12. Verzoeker betoogt dat het college de hoogte van de dwangsom onvoldoende heeft gemotiveerd. De hoogte van de eerste last onder dwangsom zou een voldoende prikkel voor verzoeker zijn geweest om de last uit te voeren indien hij van de rechtmatigheid van de eerste last onder dwangsom was uitgegaan.
13. Op grond van artikel 5:32b, derde lid, van de Awb staan de bedragen in redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom. Een bestuursorgaan komt daarom bij het bepalen van de hoogte van de dwangsom en het maximum van het te verbeuren bedrag een ruime mate van beleidsruimte toe. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) eerder heeft overwogen heeft het opleggen van een last onder dwangsom ten doel de overtreder te bewegen tot naleving van de voor hem geldende regels. Om dit doel te bereiken kan de hoogte van het bedrag worden afgestemd op het financiële voordeel dat een overtreder kan verwachten bij het niet naleven van deze regels. Van de dwangsom moet een zodanige prikkel uitgaan, dat de opgelegde last wordt uitgevoerd zonder dat een dwangsom wordt verbeurd.
13.1.
Omdat verzoeker de overtreding niet heeft beëindigd, heeft het college er in dit geval in redelijkheid voor kunnen kiezen om een hoger dwangsombedrag vast te stellen, om te bewerkstelligen dat daarvan een zodanige prikkel uitgaat, dat de opgelegde last wordt uitgevoerd zonder dat een dwangsom wordt verbeurd. Verbeurte van de dwangsom die is verbonden aan het eerste dwangsombesluit was immers niet voldoende om verzoeker tot het afbreken van de schuilstallen te bewegen. In wat verzoeker heeft aangevoerd ziet de voorzieningenrechter verder geen grond voor het oordeel dat de hoogte van de nu gekozen dwangsom onredelijk hoog is.
Begunstigingstermijn
14. Verzoeker betoogt dat het college de begunstigingstermijn onvoldoende heeft gemotiveerd. Eerder was de termijn drie maanden en deze termijn is in het besluit ingekort tot vier weken. De motivering van het college dat de overtreding nog niet is beëindigd, is volgens verzoeker niet relevant.
15. Op grond van artikel 5:32a, tweede lid, van de Awb wordt bij een last onder dwangsom die strekt tot het ongedaan maken van een overtreding of het voorkomen van verdere overtreding, een termijn gesteld gedurende welke de overtreder de last kan uitvoeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd. Aan het college komt bij het bepalen van de lengte van de begunstigingstermijn enige vrijheid toe. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling, geldt bij het bepalen van de lengte van de begunstigingstermijn echter als uitgangspunt dat deze termijn niet wezenlijk langer mag worden gesteld dan noodzakelijk is om de overtreding te kunnen opheffen. Voor de vraag of een begunstigingstermijn in redelijkheid kan worden gesteld, is slechts van belang of binnen die termijn aan de last kan worden voldaan. De begunstigingstermijn dient er toe de overtreder in de gelegenheid te stellen de last uit te voeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd.
15.1.
De voorzieningenrechter ziet gelet op wat verzoeker aanvoert geen aanleiding voor het oordeel dat de termijn van één maand onvoldoende gelegenheid biedt om de last uit te kunnen voeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd. Verzoeker kan binnen deze termijn de schuilstallen afbreken. Dat het lastig is een aannemer te vinden, is daarvoor onvoldoende. Bovendien zijn deze bouwwerken niet complex.
Punitieve sanctie
16. Verzoeker betoogt dat gelet op de hoogte van de dwangsom en de lengte van de begunstigingstermijn de nieuwe dwangsom een punitief karakter heeft.
17. De aan verzoeker opgelegde last onder dwangsom is een herstelsanctie als bedoeld in artikel 5:21 van de Awb. Ingevolge artikel 5:2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb wordt onder herstelsanctie verstaan: een bestuurlijke sanctie die strekt tot het geheel of gedeeltelijk ongedaan maken of beëindigen van een overtreding, tot het voorkomen van herhaling van een overtreding, dan wel tot het wegnemen of beperken van de gevolgen van een overtreding. Dat is precies wat hier aan de orde is en niet meer. In hetgeen verzoeker aanvoert is geen grond gelegen voor het oordeel dat in dit geval geen sprake is van een herstelsanctie, maar van een punitieve sanctie.
Conclusie en gevolgen
18. Gelet op het voorgaande vindt de voorzieningenrechter dat verzoeker het besluit op zijn bezwaar gewoon kan afwachten. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V. van Dorst, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Regenboog, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 7 september 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 5:6
Het bestuursorgaan legt geen herstelsanctie op zolang een andere wegens dezelfde overtreding opgelegde herstelsanctie van kracht is.
Artikel 5:32a
[…].
Bij een last onder dwangsom die strekt tot het ongedaan maken van een overtreding of het voorkomen van verdere overtreding, wordt een termijn gesteld gedurende welke de overtreder de last kan uitvoeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd.
Artikel 5:32b
Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast hetzij op een bedrag ineens, hetzij op een bedrag per tijdseenheid waarin de last niet is uitgevoerd, dan wel per overtreding van de last.
Het bestuursorgaan stelt tevens een bedrag vast waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd.
De bedragen staan in redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom.
Omgevingswet
Artikel 5.1. (omgevingsvergunningplichtige activiteiten wet)
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:
a. een omgevingsplanactiviteit,
[…],
tenzij het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval.
[…].
Bestemmingsplan Schieveensepolder
Artikel 3 - Groenstrook
De gronden, aangewezen voor groenstrook, zijn bestemd voor begroeiing en/of beplanting met bomen, heesters en kruiden, voor daarin op te nemen paden t.b.v. fietsers, ruiters en wandelaars, voor waterpartijen, grasbermen, picknickplaatsen en parkeergelegenheid, voor waterlopen en overige in het kader van de waterhuishouding nodige voorzieningen, zoals kaden en beschoeiingen, zomede voor kruisingen met landbouw- ontsluitingswegen en - paden.
Op de in het eerste lid bedoelde gronden mogen slechts in de bestemming passende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd als een brug, een vlonder, een duiker, bouwwerken t.b.v. picknickgelegenheden als banken en tafels.
Zie artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Omgevingswet in samenhang met artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet.
Zie artikel 5:33 van de Awb.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 13 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:772.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2589
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:330.
Zittingsplaats Dordrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/5786
uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 september 2026 in de zaak tussen
[verzoeker], uit [woonplaats 1], verzoeker
en
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam
(gemachtigde: mr. A.M.H. Dellaert).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam 1] en [naam 2] uit [woonplaats 2] (belanghebbenden).
Procesverloop
1. Met het besluit van 19 mei 2026 (bestreden besluit) heeft het college aan verzoeker een last onder dwangsom opgelegd, omdat verzoeker zonder omgevingsvergunning twee schuilstallen heeft gerealiseerd op het perceel aan de [straatnaam] in [locatie 1] (het perceel).
2. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 26 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
3. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Totstandkoming van het bestreden besluit
4. Verzoeker verhuurt het perceel aan derden die daar paarden houden. Ten behoeve van het houden van de paarden zijn twee overkappingen (schuilstallen) gebouwd.
5. Het college heeft eerder op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht een eerste last onder dwangsom opgelegd voor dezelfde overtreding. Het college heeft met het bestreden besluit op grond van de Omgevingswet (Ow) de tweede last onder dwangsom opgelegd voor dezelfde overtreding.
6. Op 1 januari 2024 is de Ow in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Ter plaatse van het perceel geldt het Omgevingsplan gemeente Rotterdam (omgevingsplan). Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Op het perceel was voor zover relevant vóór 1 januari 2024 de bestemmingsplannen “Schieveensepolder” en “Natuur- en recreatiegebied Schieveen” van kracht. Deze bestemmingsplannen maken dus onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Op het voorste perceel aan de wegzijde geldt het eerstgenoemde bestemmingsplan. Dit perceel heeft de bestemming “Groenstrook” (artikel 3 van de planregels van het bestemmingsplan [locatie 2]). Binnen deze bestemming zijn de schuilstallen gelegen.
7. Tussen partijen is niet in geschil dat de schuilstallen in strijd zijn met de bestemming “Groenstrook”. Bovendien heeft deze rechtbank met de uitspraak van 25 april 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:3900, geoordeeld dat het (laten) bouwen van de twee schuilstallen een overtreding is. Tegen deze uitspraak heeft verzoeker geen hoger beroep ingesteld.
8. Het college heeft met de nieuwe last eiser op straffe van een dwangsom van € 7.500,- gelast om de overtreding van artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Ow te beëindigen en beëindigd te houden. Eiser heeft hiervoor één maand na dagtekening van het besluit.
Toetsingskader
9. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Cumulatie
10. Verzoeker betoogt dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 5:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Volgens verzoeker is de begunstigingstermijn van de eerste last onder dwangsom nog van kracht, zodat de eerste last onder dwangsom nog niet is uitgewerkt. Verzoeker verwijst naar zijn beroep tegen de eerste last onder dwangsom (met zaaknummer ROT 26/244).
11. Op grond van artikel 5:6 van de Awb legt het bestuursorgaan geen herstelsanctie op zolang een andere wegens dezelfde overtreding opgelegde herstelsanctie van kracht is. Anders dan verzoeker betoogt is de eerste last onder dwangsom echter uitgewerkt, omdat de dwangsom van € 2000,- van rechtswege is verbeurd na afloop van de begunstigingstermijn, die eindigde op 2 maart 2026, die aan die last is verbonden. Aan de last was een dwangsom van één bedrag ineens verbonden, zodat op basis van de eerste last geen nieuwe dwangsommen kunnen worden verbeurd, ook al blijft de overtreding bestaan. De eerste last was daarom niet meer van kracht ten tijde van het bestreden besluit, zodat het college bevoegd was een nieuwe last onder dwangsom op te leggen om opnieuw verzoeker aan te sporen om de overtreding te beëindigen. Het college heeft daarom niet in strijd met artikel 5:6 van de Awb gehandeld.
Hoogte dwangsom
12. Verzoeker betoogt dat het college de hoogte van de dwangsom onvoldoende heeft gemotiveerd. De hoogte van de eerste last onder dwangsom zou een voldoende prikkel voor verzoeker zijn geweest om de last uit te voeren indien hij van de rechtmatigheid van de eerste last onder dwangsom was uitgegaan.
13. Op grond van artikel 5:32b, derde lid, van de Awb staan de bedragen in redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom. Een bestuursorgaan komt daarom bij het bepalen van de hoogte van de dwangsom en het maximum van het te verbeuren bedrag een ruime mate van beleidsruimte toe. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) eerder heeft overwogen heeft het opleggen van een last onder dwangsom ten doel de overtreder te bewegen tot naleving van de voor hem geldende regels. Om dit doel te bereiken kan de hoogte van het bedrag worden afgestemd op het financiële voordeel dat een overtreder kan verwachten bij het niet naleven van deze regels. Van de dwangsom moet een zodanige prikkel uitgaan, dat de opgelegde last wordt uitgevoerd zonder dat een dwangsom wordt verbeurd.
13.1.
Omdat verzoeker de overtreding niet heeft beëindigd, heeft het college er in dit geval in redelijkheid voor kunnen kiezen om een hoger dwangsombedrag vast te stellen, om te bewerkstelligen dat daarvan een zodanige prikkel uitgaat, dat de opgelegde last wordt uitgevoerd zonder dat een dwangsom wordt verbeurd. Verbeurte van de dwangsom die is verbonden aan het eerste dwangsombesluit was immers niet voldoende om verzoeker tot het afbreken van de schuilstallen te bewegen. In wat verzoeker heeft aangevoerd ziet de voorzieningenrechter verder geen grond voor het oordeel dat de hoogte van de nu gekozen dwangsom onredelijk hoog is.
Begunstigingstermijn
14. Verzoeker betoogt dat het college de begunstigingstermijn onvoldoende heeft gemotiveerd. Eerder was de termijn drie maanden en deze termijn is in het besluit ingekort tot vier weken. De motivering van het college dat de overtreding nog niet is beëindigd, is volgens verzoeker niet relevant.
15. Op grond van artikel 5:32a, tweede lid, van de Awb wordt bij een last onder dwangsom die strekt tot het ongedaan maken van een overtreding of het voorkomen van verdere overtreding, een termijn gesteld gedurende welke de overtreder de last kan uitvoeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd. Aan het college komt bij het bepalen van de lengte van de begunstigingstermijn enige vrijheid toe. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling, geldt bij het bepalen van de lengte van de begunstigingstermijn echter als uitgangspunt dat deze termijn niet wezenlijk langer mag worden gesteld dan noodzakelijk is om de overtreding te kunnen opheffen. Voor de vraag of een begunstigingstermijn in redelijkheid kan worden gesteld, is slechts van belang of binnen die termijn aan de last kan worden voldaan. De begunstigingstermijn dient er toe de overtreder in de gelegenheid te stellen de last uit te voeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd.
15.1.
De voorzieningenrechter ziet gelet op wat verzoeker aanvoert geen aanleiding voor het oordeel dat de termijn van één maand onvoldoende gelegenheid biedt om de last uit te kunnen voeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd. Verzoeker kan binnen deze termijn de schuilstallen afbreken. Dat het lastig is een aannemer te vinden, is daarvoor onvoldoende. Bovendien zijn deze bouwwerken niet complex.
Punitieve sanctie
16. Verzoeker betoogt dat gelet op de hoogte van de dwangsom en de lengte van de begunstigingstermijn de nieuwe dwangsom een punitief karakter heeft.
17. De aan verzoeker opgelegde last onder dwangsom is een herstelsanctie als bedoeld in artikel 5:21 van de Awb. Ingevolge artikel 5:2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb wordt onder herstelsanctie verstaan: een bestuurlijke sanctie die strekt tot het geheel of gedeeltelijk ongedaan maken of beëindigen van een overtreding, tot het voorkomen van herhaling van een overtreding, dan wel tot het wegnemen of beperken van de gevolgen van een overtreding. Dat is precies wat hier aan de orde is en niet meer. In hetgeen verzoeker aanvoert is geen grond gelegen voor het oordeel dat in dit geval geen sprake is van een herstelsanctie, maar van een punitieve sanctie.
Conclusie en gevolgen
18. Gelet op het voorgaande vindt de voorzieningenrechter dat verzoeker het besluit op zijn bezwaar gewoon kan afwachten. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V. van Dorst, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Regenboog, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 7 september 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 5:6
Het bestuursorgaan legt geen herstelsanctie op zolang een andere wegens dezelfde overtreding opgelegde herstelsanctie van kracht is.
Artikel 5:32a
[…].
Bij een last onder dwangsom die strekt tot het ongedaan maken van een overtreding of het voorkomen van verdere overtreding, wordt een termijn gesteld gedurende welke de overtreder de last kan uitvoeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd.
Artikel 5:32b
Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast hetzij op een bedrag ineens, hetzij op een bedrag per tijdseenheid waarin de last niet is uitgevoerd, dan wel per overtreding van de last.
Het bestuursorgaan stelt tevens een bedrag vast waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd.
De bedragen staan in redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom.
Omgevingswet
Artikel 5.1. (omgevingsvergunningplichtige activiteiten wet)
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:
a. een omgevingsplanactiviteit,
[…],
tenzij het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval.
[…].
Bestemmingsplan Schieveensepolder
Artikel 3 - Groenstrook
De gronden, aangewezen voor groenstrook, zijn bestemd voor begroeiing en/of beplanting met bomen, heesters en kruiden, voor daarin op te nemen paden t.b.v. fietsers, ruiters en wandelaars, voor waterpartijen, grasbermen, picknickplaatsen en parkeergelegenheid, voor waterlopen en overige in het kader van de waterhuishouding nodige voorzieningen, zoals kaden en beschoeiingen, zomede voor kruisingen met landbouw- ontsluitingswegen en - paden.
Op de in het eerste lid bedoelde gronden mogen slechts in de bestemming passende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd als een brug, een vlonder, een duiker, bouwwerken t.b.v. picknickgelegenheden als banken en tafels.
Zie artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Omgevingswet in samenhang met artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet.
Zie artikel 5:33 van de Awb.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 13 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:772.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2589
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:330.