Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:11086

2026-06-01 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht ROT 24/11708
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2026-06-01
Publicatiedatum
2026-09-03
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
ROT 24/11708
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Socialezekerheidsrecht. Intrekking en terugvordering WW- en Ziektewetuitkering vanwege fictief dienstverband. Niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een arbeidsovereenkomst. Beroep ongegrond.

Citeert (6)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (26.052 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM


Bestuursrecht



zaaknummer: ROT 24/11708


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juni 2026 in de zaak tussen

[naam eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. A. Dinç),


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(gemachtigde: [persoon A] ).


Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over de intrekking en terugvordering van eerder toegekende uitkeringen onder de sociale zekerheidswetten. Het UWV stelt dat sprake is van een gefingeerd dienstverband en eiseres geen aanspraak maakt op uitkeringen onder de Werkloosheidswet (WW) en de Ziektewet (ZW). Eiseres is het niet eens met de intrekking en de terugvordering van de uitkeringen. Aan de hand van de beroepsgronden van eiseres beoordeelt de rechtbank het beroep.



1.1.
De rechtbank oordeelt dat eiseres niet met objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt dat sprake is van een arbeidsovereenkomst. Eiseres is dus geen werknemer is in de zin van de WW en de ZW. Het UWV heeft de uitkeringen terecht ingetrokken en kan de te veel ontvangen uitkering terugvorderen. Eiseres krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop


2. Eiseres heeft op 2 mei 2023 een WW-uitkering aangevraagd. Met het besluit van 13 juni 2023 is aan eiseres een WW-uitkering toegekend per 1 februari 2023 met als einddatum 30 april 2023.



2.1.
Eiseres heeft zich op 13 juli 2023 met terugwerkende kracht ziek gemeld bij het UWV. De eerste ziektedag was 16 maart 2023. Met het besluit van 4 augustus 2023 is aan eiseres een ZW-uitkering toegekend per 1 mei 2023.



2.2.
Met twee afzonderlijke besluiten van 8 en 10 april 2024 is aan eiseres kenbaar gemaakt dat zij ten onrechte een WW- respectievelijk ZW-uitkering heeft ontvangen en dat het teveel betaalde zal worden teruggevorderd. Met twee afzonderlijke besluiten van 10 april 2024 heeft het UWV de WW-uitkering en de ZW-uitkering met terugwerkende kracht ingetrokken. Met twee afzonderlijke besluiten van 11 april 2024 is de teveel ontvangen uitkering daadwerkelijk ingevorderd. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen deze besluiten.


2.3.
Met het bestreden besluit van 12 november 2024 is het UWV bij de besluiten als genoemd in 2.2. gebleven.



2.4.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 11 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, [persoon B] als tolk en de gemachtigde van het UWV.




Beoordeling door de rechtbank



Totstandkoming van het bestreden besluit




3. Eiseres stelt van 1 mei 2022 tot haar ontslag zes dagen per week te hebben gewerkt in een kledingwinkel in Rotterdam. Deze winkel is van haar schoonmoeder. De werkzaamheden bestaan onder meer uit schoonmaken, de winkel klaarmaken, openen, klanten helpen met de verkoop, kleding ordenen en de winkel sluiten. Zij heeft hiervoor een netto maandloon van € 2.800,- (bruto € 3787,92) ontvangen. Op 31 december 2022 is eiseres ontslagen vanwege de slechte financiële situatie van de winkel.



3.1.
Op 8 augustus 2023 heeft een medewerker van het UWV vanwege het hoge loon (€ 3787,92 bruto) in relatie tot de functie (winkelmedewerker in en kledingzaak) intern melding gemaakt van een vermoedelijke overtreding. Naar aanleiding van de melding is het UWV een rechtmatigheidsonderzoek gestart. Vanwege het onderzoek is met het besluit van 22 februari 2024 de ZW-uitkering per 1 februari 2024 stopgezet.



3.2.
In het onderzoeksrapport van 8 maart 2024 concludeert de themaonderzoeker dat sprake is van een gefingeerd dienstverband omdat niet wordt voldaan aan de eisen van een arbeidsovereenkomst: arbeid en loon. De onderzoeker legt daar – samengevat – de volgende bevindingen aan ten grondslag:



De verklaring van de werkgever / schoonmoeder van eiseres van 20 november 2024 dat eiseres (of iemand anders) niet bij haar in de winkel heeft gewerkt;


Getuigenverklaringen van omwonenden die verklaren dat zij alleen de schoonmoeder in de winkel hebben zien werken;


Het hoge loon van € 3787,92 bruto (€ 2800,- netto) per maand afgezet tegen de CAO-norm en de beperkte werkervaring van eiseres;


De beperkte jaaromzet in 2022 van € 45.567,- van de winkel in verhouding tot het salaris van eiseres (in totaal € 30.271,36 voor een periode van 8 maanden); en


De maandelijkse contante storting ter hoogte van het nettosalaris op de rekening van de winkel, vlak voordat het salaris wordt overgemaakt aan eiseres.





3.3.
In het document ‘Motivering objectief verwijtbaar’ van 14 maart 2024 stelt de handhavingsdeskundige van het UWV vast dat eiseres objectief verwijtbaar is. Het UWV heeft aan de hand van deze onderzoeksbevindingen vastgesteld dat eiseres geen werknemer is en niet in aanmerking komt voor een WW- en een ZW-uitkering. Dit heeft geleid tot de besluiten als opgenomen onder 2.2. Eiseres moet € 8.554,59 aan teveel ontvangen WW-uitkering en € 29.145,65 aan te veel ontvangen ZW-uitkering terugbetalen aan het UWV.


3.4.
In bezwaar heeft eiseres ter ondersteuning van de stelling dat zij werkte in de kledingwinkel filmpjes ingebracht van posts op social media waarin zij kleding showt. Naar aanleiding hiervan heeft het UWV na de hoorzitting nog nader onderzoek laten doen. Dit heeft geresulteerd in een rapport internetonderzoek van 11 november 2024. Het UWV heeft geconcludeerd dat de online bronnen (en de door eiseres ingebrachte foto’s/filmpjes) niet ondersteunen dat eiseres van 1 mei 2022 tot en met 1 januari 2023 werkzaam was in de kledingwinkel en hiervoor loon heeft ontvangen. Er is wel gebleken dat eiseres kleding aan het showen was, maar niet is aangetoond of aannemelijk gemaakt dat dit in te betreffende periode gebeurde en dat dit (en het plaatsen op social media) plaatsvond in het kader het uitvoeren van werkzaamheden in loondienst.



3.5.
Met het bestreden besluit blijven de eerdere beslissingen in stand. Het UWV stelt zich onder meer op het standpunt dat met het onderzoek aannemelijk is gemaakt dat sprake is van een gefingeerd dienstverband en dat eiseres daar onvoldoende tegenover heeft gezet om aan de onderzoeksbevindingen te twijfelen. Het UWV ziet ook geen dringende redenen om af te zien van terugvordering van de te veel ontvangen uitkeringen.



Toetsingskader



4. Om in aanmerking te komen voor een WW- of ZW-uitkering moet sprake zijn van een werknemer die werkzaam is geweest op basis van een arbeidsovereenkomst. Er is een arbeidsovereenkomst als sprake is van arbeid, loon en een gezagsverhouding tussen de werknemer en de werkgever.Daarbij moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien.Het UWV trekt een WW-uitkering of een ZW-uitkering in als de uitkering ten onrechte is verleend bijvoorbeeld omdat sprake is van een gefingeerd dienstverband. In geval van dringende redenen kan van intrekking worden afgezien. Onverschuldigd betaalde uitkeringen worden teruggevorderd. In geval van dringende redenen kan van terugvordering worden afgezien.



Had het UWV het internetonderzoek aan eiseres moeten voorleggen?



5. Eiseres voert aan dat sprake is van een procedurele tekortkoming. Zij stelt dat het internetonderzoek van 11 november 2024 niet voorafgaand aan het bestreden besluit is gedeeld met eiseres. Zij heeft hier niet op kunnen reageren en is daardoor in haar belangen geschaad.



5.1.
Het UWV stelt ter zitting dat in het internetonderzoek voor eiseres geen nieuwe feiten en omstandigheden aan het licht zijn gekomen, omdat het onderzoek is gebaseerd op stukken die door eiseres zelf zijn ingebracht. Om die reden is het niet eerst voorgelegd.


5.3.
Uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt dat wanneer na het horen aan het bestuursorgaan feiten of omstandigheden bekend worden die voor de op het bezwaar te nemen beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn, dit aan belanghebbenden wordt meegedeeld en zij in de gelegenheid worden gesteld daarover te worden gehoord. Het is vaste rechtspraak dat als informatie niet leidt tot een wijziging van een standpunt of beslissing, er geen sprake is van een feit of omstandigheid van aanmerkelijk belang. De rechtbank is van oordeel dat – hoewel het internetonderzoek wordt genoemd in de onderbouwing van het bestreden besluit – het bestreden besluit daarop niet is gebaseerd. Het UWV geeft naar hetgeen hiervoor onder 3.4 is opgenomen, uitsluitend aan dat uit het internetonderzoek (nog) volgt dat eiseres niet de enige persoon is geweest die op social media kleding heeft geshowd voor de kledingwinkel. Het UWV verwijst naar dit onderzoek naar aanleiding van de stelling van eiseres dat het showen van kleding onderdeel was van haar werkzaamheden. Daarmee is geen sprake van nieuwe feiten of omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het oordeel dat sprake was van een gefingeerd dienstverband, die voorafgaand aan het bestreden besluit aan eiseres had moeten worden voorgelegd.



5.4.
Deze beroepsgrond slaagt niet.



Heeft het UWV aannemelijk gemaakt dat sprake is van een gefingeerd dienstverband?




6. Het intrekken en terugvorderen van uitkeringen op grond van sociale verzekeringswetten zijn belastende besluiten. Het is aan het UWV om met feiten en omstandigheden aannemelijk te maken dat geen sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen eiseres en de eigenaresse van de kledingwinkel. Als het UWV daarin slaagt, is het aan eiseres om de onjuistheid daarvan met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk te maken.




6.1.
De rechtbank overweegt dat het UWV met het onderzoeksrapport van 8 maart 2024 voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat geen sprake is geweest van een dienstverband. Het UWV heeft dat onder meer kunnen afleiden uit de volgende omstandigheden:



Het feit dat eiseres in verhouding tot de CAO, de gestelde werkzaamheden en de beperkte omzet van de kledingwinkel in 2022 een zeer hoog loon ontving;


De eerste verklaring van de eigenaresse van de kledingwinkel op 20 november 2023 dat eiseres niet in de winkel heeft gewerkt; en


De grote contante stortingen op de bankrekening van de kledingwinkel die van gelijke omvang waren als het salaris dat eiseres heeft ontvangen vlak voordat eiseres werd uitbetaald.





6.2.
Het UWV heeft hiermee voldaan aan de bewijslast als bedoeld onder 6. In die situatie moet worden beoordeeld of eiseres de onjuistheid van het standpunt van het UWV met objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk heeft gemaakt.



Heeft eiseres aangetoond dat wel sprake is van een arbeidsovereenkomst?




7. Eiseres stelt dat wel sprake is van een arbeidsovereenkomst en dat zij dit heeft onderbouwd met objectieve en verifieerbare gegevens. In dat kader stelt eiseres dat het UWV had moeten uitgaan van de verklaring van 6 december 2023 van de eigenaresse van de kledingwinkel, omdat bij het eerste gesprek op 20 november 2023 geen tolk aanwezig was en de eigenaresse de Nederlandse taal niet machtig is. Uit dat tweede gesprek volgt dat eiseres in 2022 in de kledingwinkel heeft gewerkt. Eiseres wijst verder op het feit dat het UWV anonieme verklaringen heeft ingebracht. Daarbij is het eiseres niet duidelijk waarom die verklaringen wel en de door haar (niet-anonieme) verklaringen van andere winkeliers uit de omgeving, een vaste klant, en een intern begeleider van de basisschool van haar kinderen die allemaal verklaren dat eiseres (regelmatig) in de winkel aanwezig was, niet als bewijs van haar arbeidsovereenkomst kunnen dienen. Verder stelt eiseres dat uit de foto’s en filmpjes, die zij op social media heeft gepost, ook volgt dat zij bij de kledingwinkel heeft gewerkt en dat zij meer verantwoordelijkheden had dan door het UWV wordt aangegeven. Dat rechtvaardigt volgens eiseres ook het hoge loon. Dat voorafgaand aan de uitbetaling van het loon steeds een grote contante storting van dezelfde omvang is gedaan, raakt eiseres niet, omdat zij daarbij niet betrokken was. Dat de omzet in 2022 laag was, is volgens eiseres aanleiding geweest de arbeidsovereenkomst te eindigen, maar zegt niet dat haar loon te hoog was, waarbij de eigenaresse ook heeft ingestemd met het loon en het loon ook steeds heeft kunnen betalen.




7.1.
De rechtbank is van oordeel dat het UWV zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in loondienst heeft gewerkt in de kledingwinkel. Het UWV heeft daarbij waarde kunnen toekennen aan de verklaring van de eigenaresse van 20 november 2023. Daarin zegt zij dat eiseres niet werkzaam is geweest in haar winkel. Dat dit eerste gesprek zonder tolk en het tweede gesprek met een tolk heeft plaatsgevonden, maakt niet dat aan de eerste verklaring geen waarde toekomt. Het UWV heeft daarover aangegeven dat de onderzoeker uit oogpunt van zorgvuldigheid nog een keer zijn teruggegaan met een (telefonische) tolk om nogmaals een verklaring af te nemen. Hoewel de eigenaresse daarin terugkomt op het eerdere standpunt dat eiseres niet in de winkel heeft gewerkt, heeft het UWV daarover terecht opgemerkt dat zij dit pas heeft gezegd nadat het UWV eiseres heeft gehoord. In dat verband heeft het UWV ook waarde kunnen hechten aan het feit dat de eigenaresse niet kon verklaren wanneer eiseres in de winkel had gewerkt. De eigenaresse zegt in december 2023 dat zij enkele maanden daarvoor met eiseres heeft gewerkt, terwijl eiseres per 1 januari 2023 al was ontslagen. Verder wist de eigenaresse niet of eiseres in mei of december had gewerkt, maar dat het zes maanden zijn geweest en dat de boekhouder verder alles regelde. Deze uitlatingen kloppen niet met de verklaring van eiseres dat zij acht maanden in de kledingwinkel heeft gewerkt. Verder heeft eiseres aangegeven zes dagen per week te hebben gewerkt, zodat de rechtbank het niet waarschijnlijk vindt dat de eigenaresse zich niet meer kan herinneren wanneer eiseres in de kledingwinkel heeft gewerkt.



7.2.
Ook met de andere verklaringen, die eiseres heeft ingebracht, heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat zij wel in de kledingwinkel heeft gewerkt. Hoewel de rechtbank het standpunt van eiseres volgt dat uit de verklaringen van de winkeliers die het UWV heeft ingebracht, niet onomstotelijk volgt dat eiseres in de periode mei tot december 2022 niet in de kledingwinkel heeft gewerkt, heeft eiseres het tegendeel ook niet aannemelijk gemaakt. Uit de verklaringen volgt wel dat eiseres in de winkel aanwezig is geweest, maar dat zegt niets over het feit of zij daar ook acht maanden lang zes dagen in de week heeft gewerkt. Daar voegt de rechtbank aan toe dat – ook ter zitting – niet is gebleken dat eiseres in opdracht van de eigenaresse pakketjes heeft verzonden of met betrekking tot een andere verklaring inderdaad sprake is van een vaste klant die regelmatig kleding heeft gekocht bij eiseres. De rechtbank wijst in dat verband op het feit dat de eigenaresse van de kledingwinkel de schoonmoeder is van eiseres en de kinderen van eiseres om de hoek bij de kledingwinkel op school zaten. Gegeven die omstandigheden is het niet vreemd dat eiseres vaak in de winkel aanwezig is geweest en daar ook is gezien door de begeleider van de school van haar kinderen, zoals volgt uit een andere verklaring van eiseres.



7.3.
Dat eiseres aanwezig is geweest in de kledingwinkel staat verder niet ter discussie. Dit volgt immers ook uit de verklaring van ‘winkelier 1’ die door het UWV is ingebracht. Winkelier 1 heeft aangegeven dat er vaak een jonge vrouw met een witte Mercedes en twee jonge kinderen komt. Ter zitting heeft eiseres aangegeven dat zij dit inderdaad kan zijn. Anders dan eiseres aangeeft, is het daarmee nog niet aannemelijk dat zij op die momenten ook werkte. Zo staat dit op gespannen voet met de verklaring van eiseres dat zij steeds van 9 tot 18 uur werkte. Dat deze en andere verklaringen van het UWV anoniem zijn opgenomen in het onderzoeksrapport – zoals eiseres opmerkt – doet niet af aan de bewijswaarde van de verklaringen. Het UWV wijst erop dat het UWV in beginsel van de juistheid van op ambtseed opgemaakte rapporten en de daarin opgenomen verklaringen mag uitgaan.Omdat het niet gaat om een punitieve sanctie geldt dat ook voor zover die verklaringen anoniem zijn opgenomen. Daarbij is verder van belang – zoals het UWV heeft aangegeven – dat de verklaringen als steunbewijs zijn gebruikt en het standpunt dat sprake is van een gefingeerd dienstverband niet uitsluitend op deze verklaringen zijn gebaseerd (zie verder onder 3.2).



7.4.
Voor zover eiseres heeft verwezen naar de social media posts overweegt de rechtbank dat uit de verschillende berichten niet zonder meer kan worden afgeleid dat eiseres in de kledingwinkel werkte. Het UWV heeft in dat verband gewezen op vergelijkbare posts van derden waarvan niet is gebleken of gesteld dat zij ook betaald arbeid hebben verricht. Het enkele feit dat bij een bericht ‘at work’ staat vermeld, vormt een onvoldoende aanknopingspunt voor de stelling dat eiseres acht maanden lang, zes dagen per week heeft gewerkt. De rechtbank wijst er verderop dat de kinderen van eiseres regelmatig te zien zijn in de berichten. Opnieuw is het daardoor niet aannemelijk dat eiseres op die momenten ook aan het werk was, maar is dat enkel bewijs voor het feit dat zij in de kledingwinkel van haar schoonmoeder en de oma van haar kinderen aanwezig was.



7.5.
Omdat eiseres geen andere feiten of omstandigheden heeft aangedragen waaruit kan worden afgeleid dat zij in de winkel heeft gewerkt, oordeelt de rechtbank dat het UWV zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van arbeid. Omdat voor een dienstverband aan alle onderdelen (arbeid, loon en gezagsverhouding) moet worden voldaan, behoeven de overige onderdelen geen bespreking meer.



7.6.
De beroepsgrond slaagt niet.



Is er sprake van een dringende reden om van terugvordering af te zien?




8. Eiseres stelt tot slot dat zij door de terugvordering ernstig wordt geschaad omdat zij langdurig onderworpen zal blijven aan het terugbetalen van een onterechte vordering. Ter zitting heeft eiseres daaraan toegevoegd dat het UWV al bij de aanvraag van de ZW-uitkering bekend was met de hoogte van het loon en daarom al eerder had kunnen en moeten beoordelen of sprake was van een gefingeerd dienstverband.




8.1.
Over de voortgang van het onderzoek heeft het UWV ter zitting aangegeven dat de meeste aanvragen geautomatiseerd worden afgehandeld. Vanwege de hoogte van het loon is aangegeven dat de aanvraag handmatig moest worden beoordeeld. Tussen de aanvraag van de ZW-uitkering op 13 juli 2023 en de interne melding van 8 augustus 2023 zit minder dan een maand. Vervolgens is het onderzoek opgestart. Het UWV heeft aangegeven dat gelet op de belangen het onderzoek zorgvuldig moet worden uitgevoerd en dat dit enige tijd vergt.



8.2.
Terugvordering van onterecht uitbetaalde uitkeringen is uitgangspunt. De rechtbank overweegt dat uit rechtspraak volgt dat van die terugvordering moet worden afgezien als sprake is van dringende redenen. Daarbij is het aan eiseres om feiten en omstandigheden aan te voeren die maken dat sprake is van dringende redenen. De enkele stelling dat eiseres langdurig zal moeten terugbetalen is daarvoor onvoldoende.



8.3.
Met betrekking tot de ter zitting aan de orde gestelde (te) lange doorlooptijd van het onderzoek, overweegt de rechtbank dat het UWV voortvarend dient te handelen om te voorkomen dat de terugvordering onnodig oploopt. De rechtbank is van oordeel dat het UWV heeft voldaan aan de vereiste voortvarendheid. Uit het onderzoeksrapport van 8 maart 2024 volgt dat er na de melding meerdere onderzoekshandelingen zijn verricht. Zo heeft het UWV op 3 oktober 2023 onderzoek gedaan naar de kledingwinkel, is op 9 oktober 2023 informatie opgevraagd bij de Belastingdienst en is op 23 oktober 2023 een internetonderzoek uitgevoerd. Op 20 november 2023 heeft het UWV vervolgens een bezoek gebracht aan de kledingwinkel en is de eigenaresse gehoord. Begin december 2023 zijn zowel eiseres als de eigenaresse gehoord. Er hebben toen ook gesprekken plaatsgevonden met getuigen. Later in december 2023 is er informatie opgevraagd bij de wijkagent. In december 2023 en januari 2024 is verder onderzoek gedaan naar het bankverkeer van de kledingwinkel en eiseres. In februari 2024 heeft het UWV vervolgens navraag gedaan over de toepasselijke CAO. Op 22 februari 2024 heeft het UWV uiteindelijk aan eiseres laten weten dat de uitbetaling van de ZW-uitkering per 1 februari 2024 is gestopt. Tussen de melding van de vermoedelijke overtreding op 8 augustus 2023 en de feitelijke stopzetting van de uitkering zit minder dan een half jaar. Gelet op de hiervoor beschreven onderzoeksactiviteiten is geen sprake van stilzitten door het UWV en is voldaan aan de vereiste voortvarendheid. Dat de terugvordering hoger is dan een half jaar ZW-uitkering is gelegen in het feit dat eiseres zelf op 13 juli 2023 een ZW-uitkering heeft aangevraagd met terugwerkende kracht tot 16 maart 2023 (eerste ziektedag), waarbij de uitkering uiteindelijk per 1 mei 2023 is toegekend.



8.4.
Deze grond slaagt niet.




Conclusie en gevolgen


9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres terecht niet is aangemerkt als werknemer in de zin van de WW en de ZW. Eiseres is daarom gehouden de te veel te ontvangen uitkeringen onder deze wetten terug te betalen. Eiseres krijgt dus geen gelijk. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.





Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.






Deze uitspraak is gedaan door mr. F.P. Heijne, rechter, in aanwezigheid van E.J. van den Doel, griffier.



Uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2026.



De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.












griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.



Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.




Dit volgt voor de WW-uitkering uit artikel 15, eerste lid, en artikel 3, eerste lid van de WW en voor de ZW-uitkering uit artikel 19, eerste lid, en artikel 20 van de Zw.


Zie artikel 7:610, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek.


Zie de uitspraak van de Raad van 30 april 2025 (ECLI:NL:CRVB:2025:676), onder 4.3.


Dit volgt voor de WW-uitkering uit artikel 22a, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW en voor de ZW-uitkering uit artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder b, van de ZW.


Zie artikel 22a, tweede lid, van de WW en artikel 30a, tweede lid, van de ZW.


Zie artikel 36, eerste lid, van de WW en artikel 33, eerste lid, van de ZW.


Zie artikel 36, zesde lid, van de WW en artikel 33, zesde lid, van de ZW.


Dit volgt uit artikel 7:9 van de Awb.


Zie de uitspraak van de Raad van 24 april 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:BZ8641), onder 4.2.


Zie de uitspraak van de Raad van 9 augustus 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:2793), onder 4.3.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 mei 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BW5983).


Zie de uitspraak van de Raad van 18 april 2024 (ECLI:NL:CRVB:2024:726).


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 10 december 2024 (ECLI:NL:CRVB:2024:2195 (https://pi.rechtspraak.minjus.nl/)).