Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:11037
2026-09-03
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
ROT 26/1637
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Wet hersteloperatie toeslagen (WHT) – Beroep niet tijdig beslissen. Uitblijvend besluit op aanvraag om aanvullende compensatie voor de werkelijke schade, op grond van artikel 2.1, derde lid, van de Wht, de rechtbank volgt de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 3 juni 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:3192). Bij de huidige stand van zaken werkt het contraproductief om dwangsommen aan verweerder op te leggen, omdat de beschikbare capaciteit moet worden besteed aan de inhoudelijke besluitvorming.
Citeert (6)
- ECLI:NL:RVS:2019:673 Raad van State 08-03-2019
- ECLI:NL:RVS:2025:1301 Raad van State 26-03-2025
- ECLI:NL:RVS:2026:3192 Raad van State 03-06-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:3192 Raad van State 03-06-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:3192 Raad van State 03-06-2026
- ECLI:NL:RVS:2025:1301 Raad van State 26-03-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (7.364 tekens)
Rechtbank Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/1637
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 september 2026 als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres,
gemachtigde: mr. J.F. Cheung,
en
Dienst Toeslagen, verweerder.
Procesverloop
Eiseres heeft een aanvraag gedaan om aanvullende compensatie voor de werkelijke schade op grond van artikel 2.1, derde lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).
Met de uitspraak van 24 juli 2025 (ROT 25/4540) heeft de rechtbank verweerder opgedragen een besluit bekend te maken op de aanvraag van eiseres.
Eiseres heeft opnieuw beroep ingesteld wegens het uitblijven van een besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Overwegingen
De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat zich in deze zaak een van de gevallen voordoet zoals genoemd in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en een zitting daarom niet nodig is.
Verweerder heeft de aanvraag van eiseres om aanvullende compensatie voor de werkelijke schade in behandeling genomen. Verweerder heeft de aanvraag op 13 mei 2024 ontvangen en de beslistermijn met zes maanden verlengd.
Niet in geschil is dat verweerder in gebreke is met het tijdig nemen van een besluit. Omdat de rechtbank verweerder eerder heeft opgedragen een besluit te nemen, hoefde eiseres verweerder niet opnieuw in gebreke te stellen. Het maximum van de eerder door de rechtbank opgelegde dwangsom is bereikt. Het beroep is daarom gegrond.
4. Vanwege de zeer grote omvang van de hersteloperatie toeslagen is sprake van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in de uitspraak van 3 juni 2026 overwogen dat de besluitvorming door verweerder over aanvragen om aanvullende compensatie voor de werkelijke schade volledig is vastgelopen. De ingezette versnellingsmaatregelen staan op gespannen voet met doel en strekking van de Wht. Gegevens over de impact van de alternatieve hersteltrajecten op de te verwachten doorlooptijd ontbreken. In navolging van de Afdeling ziet de rechtbank bij deze stand van zaken geen mogelijkheid om vast te stellen welke nadere beslistermijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort is. Verweerder moet daarom binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden een besluit op de aanvraag van eiseres bekendmaken.
5. Verweerder heeft verzocht te bepalen dat de nadere beslistermijn niet loopt gedurende de periode van een alternatief hersteltraject of gedurende de bedenktijd die eiseres desgewenst krijgt om een keuze voor een alternatief traject te maken. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank daartoe geen aanleiding.
6. Bij de huidige stand van zaken werkt het contraproductief om dwangsommen aan verweerder op te leggen, omdat daardoor overmatig capaciteit wordt besteed aan beroepen die zijn gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, terwijl deze capaciteit moet worden besteed aan de inhoudelijke besluitvorming. De huidige praktijk is dusdanig ontspoord, dat het niet zinvol is om een dwangsom op te leggen. De rechtbank stelt de hoogte van de dwangsom daarom vast op € 0,- per dag dat de nadere beslistermijn wordt overschreden.
7. Het oordeel dat het bij de huidige stand van zaken niet zinvol is een dwangsom op te leggen heeft een tijdelijk karakter. Na 3 juni 2027 kan opnieuw worden bezien of met een dwangsom aan verweerder een effectieve prikkel kan worden opgelegd. De rechtbank wijst eiseres erop dat het indienen van een herhaald beroep tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag om aanvullende compensatie vóór 3 juni 2027 zal leiden tot het kennelijk niet-ontvankelijk verklaren van het beroep omdat het procesbelang bij zo’n herhaald beroep ontbreekt.
8. Eiseres heeft verzocht de hoogte van de verbeurde rechterlijke dwangsom vast te stellen. De bestuursrechter is daartoe niet bevoegd. Ingevolge artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb kan de dwangsom ten uitvoer worden gelegd met toepassing van artikel 611c en 611g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Eiseres kan deze vordering uitsluitend bij de burgerlijke rechter instellen.
9. Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden.
10. De rechtbank veroordeelt verweerder verder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Bpb, is niet gebleken.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart zich onbevoegd ten aanzien van het verzoek de hoogte van de verbeurde rechterlijke dwangsom vast te stellen;
verklaart het beroep voor het overige gegrond;
vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
draagt verweerder op binnen twee weken na de dagtekening van de verzending van deze uitspraak een besluit over de aanvullende compensatie voor de werkelijke schade bekend te maken;
bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 0,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt;
bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 54,- aan eiseres vergoedt;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.G.L. de Vette, rechter, in aanwezigheid van
I.G. Nugteren, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 3 september 2026.
De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.
ABRvS 8 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:673.
ABRvS 26 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1301.
ABRvS 3 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3192, r.o. 16.
Artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb.
ABRvS 3 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3192, r.o. 17.
ABRvS 3 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3192, r.o. 20.
ABRvS 26 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1301.
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/1637
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 september 2026 als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres,
gemachtigde: mr. J.F. Cheung,
en
Dienst Toeslagen, verweerder.
Procesverloop
Eiseres heeft een aanvraag gedaan om aanvullende compensatie voor de werkelijke schade op grond van artikel 2.1, derde lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).
Met de uitspraak van 24 juli 2025 (ROT 25/4540) heeft de rechtbank verweerder opgedragen een besluit bekend te maken op de aanvraag van eiseres.
Eiseres heeft opnieuw beroep ingesteld wegens het uitblijven van een besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Overwegingen
De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat zich in deze zaak een van de gevallen voordoet zoals genoemd in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en een zitting daarom niet nodig is.
Verweerder heeft de aanvraag van eiseres om aanvullende compensatie voor de werkelijke schade in behandeling genomen. Verweerder heeft de aanvraag op 13 mei 2024 ontvangen en de beslistermijn met zes maanden verlengd.
Niet in geschil is dat verweerder in gebreke is met het tijdig nemen van een besluit. Omdat de rechtbank verweerder eerder heeft opgedragen een besluit te nemen, hoefde eiseres verweerder niet opnieuw in gebreke te stellen. Het maximum van de eerder door de rechtbank opgelegde dwangsom is bereikt. Het beroep is daarom gegrond.
4. Vanwege de zeer grote omvang van de hersteloperatie toeslagen is sprake van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in de uitspraak van 3 juni 2026 overwogen dat de besluitvorming door verweerder over aanvragen om aanvullende compensatie voor de werkelijke schade volledig is vastgelopen. De ingezette versnellingsmaatregelen staan op gespannen voet met doel en strekking van de Wht. Gegevens over de impact van de alternatieve hersteltrajecten op de te verwachten doorlooptijd ontbreken. In navolging van de Afdeling ziet de rechtbank bij deze stand van zaken geen mogelijkheid om vast te stellen welke nadere beslistermijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort is. Verweerder moet daarom binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden een besluit op de aanvraag van eiseres bekendmaken.
5. Verweerder heeft verzocht te bepalen dat de nadere beslistermijn niet loopt gedurende de periode van een alternatief hersteltraject of gedurende de bedenktijd die eiseres desgewenst krijgt om een keuze voor een alternatief traject te maken. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank daartoe geen aanleiding.
6. Bij de huidige stand van zaken werkt het contraproductief om dwangsommen aan verweerder op te leggen, omdat daardoor overmatig capaciteit wordt besteed aan beroepen die zijn gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, terwijl deze capaciteit moet worden besteed aan de inhoudelijke besluitvorming. De huidige praktijk is dusdanig ontspoord, dat het niet zinvol is om een dwangsom op te leggen. De rechtbank stelt de hoogte van de dwangsom daarom vast op € 0,- per dag dat de nadere beslistermijn wordt overschreden.
7. Het oordeel dat het bij de huidige stand van zaken niet zinvol is een dwangsom op te leggen heeft een tijdelijk karakter. Na 3 juni 2027 kan opnieuw worden bezien of met een dwangsom aan verweerder een effectieve prikkel kan worden opgelegd. De rechtbank wijst eiseres erop dat het indienen van een herhaald beroep tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag om aanvullende compensatie vóór 3 juni 2027 zal leiden tot het kennelijk niet-ontvankelijk verklaren van het beroep omdat het procesbelang bij zo’n herhaald beroep ontbreekt.
8. Eiseres heeft verzocht de hoogte van de verbeurde rechterlijke dwangsom vast te stellen. De bestuursrechter is daartoe niet bevoegd. Ingevolge artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb kan de dwangsom ten uitvoer worden gelegd met toepassing van artikel 611c en 611g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Eiseres kan deze vordering uitsluitend bij de burgerlijke rechter instellen.
9. Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden.
10. De rechtbank veroordeelt verweerder verder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Bpb, is niet gebleken.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart zich onbevoegd ten aanzien van het verzoek de hoogte van de verbeurde rechterlijke dwangsom vast te stellen;
verklaart het beroep voor het overige gegrond;
vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
draagt verweerder op binnen twee weken na de dagtekening van de verzending van deze uitspraak een besluit over de aanvullende compensatie voor de werkelijke schade bekend te maken;
bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 0,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt;
bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 54,- aan eiseres vergoedt;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.G.L. de Vette, rechter, in aanwezigheid van
I.G. Nugteren, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 3 september 2026.
De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.
ABRvS 8 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:673.
ABRvS 26 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1301.
ABRvS 3 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3192, r.o. 16.
Artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb.
ABRvS 3 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3192, r.o. 17.
ABRvS 3 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3192, r.o. 20.
ABRvS 26 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1301.