Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:11024
2026-09-02
Bestuursrecht
ROT 26/6335
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verzoek om een voorlopige voorziening. Verzoekers hebben verzocht om een tijdelijk reisdocument (laissez-passer) voor twee meisjes die in het buitenland geboren zijn uit een draagmoeder. Volgens de minister bestaat voor het verstrekken van zo’n document geen grondslag en moet de draagmoederschapsconstructie eerst beoordeeld worden door de Nederlandse civiele rechter. Hoewel soortgelijke verzoeken eerder door de voorzieningenrechter zijn toegewezen, wordt het verzoek in deze zaak afgewezen. Hierbij is onder meer van belang dat er geen DNA-rapport voorhanden is waaruit blijkt dat verzoeker de biologische vader van de twee meisjes is.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RBROT:2025:12335 Rechtbank Rotterdam 20-10-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (11.399 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/6335
uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 september 2026 in de zaak tussen
[verzoeker 1] en [verzoeker 2] , uit [plaats] , verzoekers
(gemachtigde: mr. E.E.M. Bezem),
en
de minister van Buitenlandse Zaken, Directie Juridische Zaken
(gemachtigde: mr. D. Cazander).
Samenvatting
1. Verzoekers hebben verzocht om een tijdelijk reisdocument (laissez-passer) voor twee meisjes die op 12 maart 2025 in Nigeria geboren zijn uit een draagmoeder. Volgens de minister bestaat voor het verstrekken van zo’n document geen grondslag en moet de draagmoederschapsconstructie eerst beoordeeld worden door de Nederlandse civiele rechter. Hoewel soortgelijke verzoeken eerder door de voorzieningenrechter zijn toegewezen, wordt het verzoek in deze zaak afgewezen. Hierbij is onder meer van belang dat er geen DNA-rapport voorhanden is waaruit blijkt dat verzoeker de biologische vader van de twee meisjes is.
Procesverloop
2. Verzoekers hebben bij de Nederlandse ambassade te Lagos (Nigeria) een aanvraag ingediend voor een Nederlands reisdocument voor [persoon A] en [persoon B] (de meisjes). De minister heeft verzoekers met een besluit van 30 maart 2026 laten weten dat deze aanvraag niet in behandeling wordt genomen. Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
3. De minister heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
4. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 21 augustus 2026 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker [verzoeker 1] (verzoeker), de gemachtigde van verzoekers, de gemachtigde van de minister en mr. I. Wisseburg (namens de minister).
Beoordeling door de voorzieningenrechter
De besluitvorming en de achtergronden daarvan
5. Verzoekers hebben een affectieve relatie, wonen in Nederland en hebben de Nederlandse nationaliteit. Zij hebben geen kinderen kunnen krijgen. Verzoekers hebben daarom, nadat zij daarover informatie hadden ingewonnen, gekozen voor een draagmoederschapsconstructie in Nigeria. Deze constructie hield in dat eicellen van een donor zouden worden bevrucht met zaad van verzoeker, waarna de embryo’s in de baarmoeder van een draagmoeder zouden worden geplaatst.
6. Op 12 maart 2025 is [persoon C] (de draagmoeder) bevallen van de meisjes. Op 27 maart 2025 is van beide meisjes een ‘Certificate of Birth’ opgemaakt. Hierop staan verzoekers vermeld als de ouders van de meisjes. Op 16 september 2025 heeft de draagmoeder schriftelijk verklaard, kort gezegd, dat zij afziet van haar rechten als ouder van de meisjes en dat zij verzoekers erkent als hun ouders.
7. Nadat de kinderen – na een aantal dagen – uit het ziekenhuis waren ontslagen, hebben zij met verzoekster verbleven in een huurappartement in Lagos. Vanaf oktober 2025 verblijven de meisjes met verzoekster in een driekamerappartement in Ibadan, Oyo, met een nanny en een beveiliger. Verzoeker reist heen en weer tussen Nederland en Nigeria.
8. Verzoekers hebben op 16 december 2025 een aanvraag ingediend voor een Nederlands reisdocument voor de meisjes. De minister heeft deze aanvraag niet in behandeling genomen, omdat de identiteit en de Nederlandse nationaliteit van de meisjes niet vastgesteld kunnen worden. Het besluit is als volgt gemotiveerd:
“Er bestaat geen Nederlandse wet- en regelgeving die het erkennen van een afstammingsrelatie uit een (buitenlandse) draagmoederschapsconstructie mogelijk
maken. Uit de rechtspraktijk blijkt dat voor het kunnen erkennen ervan achtereenvolgend de volgende voorwaarden gelden:
l) De biologische verwantschap met (tenminste één van de) Nederlandse wensouders moet met een rechtsgeldig DNA-onderzoek worden aangetoond;
2) Er dient in het buitenland een rechtsgeldige afstammingsrelatie tussen het
kind en (tenminste één van) de biologische wensouders tot stand te zijn gekomen;
3) Er moet zijn getoetst of de erkenning van de afstammingsrelatie, zoals neergelegd in de bevoegd opgemaakte buitenlandse geboorteakte, verenigbaar is met de Nederlandse openbare orde. Dit kan alleen door een Nederlandse rechter.
Als niet aan al deze voorwaarden wordt voldaan, kunnen de identiteit en daarmee
het Nederlanderschap van een uit een draagmoederschapsconstructie geboren kind niet worden vastgesteld.
Uit de bij de paspoortaanvragen overgelegde documenten blijkt dat:
• geen rechtsgeldig DNA-onderzoeksrapport is overgelegd;
• niet kan worden vastgesteld dat in het buitenland een rechtsgeldige afstammingsrelatie tussen de Nederlandse biologische wensouder en [persoon A] en [persoon B] tot stand is gekomen die is neergelegd in de buitenlandse geboorteakte;
• niet is gebleken dat de afstammingsrelatie van [persoon A] en [persoon B] met de vader en moeder die zijn opgenomen in de buitenlandse akte door de Nederlandse rechter voor erkenning is getoetst op verenigbaarheid met de openbare orde.”
Standpunt verzoekers
9. Verzoekers zijn het niet eens met het niet in behandeling nemen van hun aanvraag. Zij willen met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat de meisjes met een tijdelijk reisdocument (laissez-passer) naar Nederland kunnen reizen. Verzoekers hebben – samengevat – het volgende aan hun verzoek ten grondslag gelegd. Verzoekers zijn via een draagmoederschapsconstructie ouders geworden van de meisjes. Verzoekers willen graag dat hun normale gezinsleven in Nederland zo snel mogelijk kan beginnen. Op dit moment verblijft verzoekster weliswaar bij de meisjes maar verzoeker reist heen en weer tussen Nederland en Nigeria. In Nederland is er betere gezondheidszorg voor de meisjes. Ook bestaat in Nigeria het risico op ontvoering. Verzoekers hebben dus een spoedeisend belang om de meisjes zo snel mogelijk naar Nederland te laten komen.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af
10. De minister heeft het spoedeisend belang betwist. De minister heeft er onder meer op gewezen dat verzoekster al sinds maart 2025 met de meisjes in Nigeria verblijft. De voorzieningenrechter is van oordeel verzoekers voldoende spoedeisend belang hebben bij hun verzoek. Het is namelijk goed te begrijpen dat verzoekers graag zo spoedig mogelijk met de meisjes naar Nederland willen komen.
11. De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat het verzoek niet toewijsbaar is. Hierbij is het volgende van belang.
12. De minister heeft erop gewezen dat er geen Nederlandse wet- en regelgeving bestaat die het erkennen van een afstammingsrelatie uit een (buitenlandse) draagmoederschapsconstructie mogelijk maakt. Dat kan tot juridische problemen leiden. Volgens de Nederlandse wet is de vrouw uit wie het kind is geboren, de juridische moeder. In dit geval staat op de geboorteakten echter verzoekster als de moeder vermeld. Volgens de minister is dit in strijd met de Nederlandse openbare orde (en waarschijnlijk ook met de Nigeriaanse wetgeving). Volgens de minister kunnen de Nigeriaanse geboorteakten daarom in Nederland niet worden erkend. Het is volgens de minister aan de civiele rechter om zich uit te laten over de vraag of de geboorteakten toch erkend kunnen worden of om de geboortegegevens opnieuw vast te stellen.
13. De voorzieningenrechter overweegt dat duidelijk is dat op dit moment de familierechtelijke relatie tussen verzoekers en de meisjes en hun Nederlandse nationaliteit niet vaststaan. Verder is duidelijk dat de meisjes op dit moment niet voldoen aan de geldende criteria voor de afgifte van een (tijdelijk) reisdocument. Dit laatste hebben verzoekers op zichzelf ook niet betwist.
14. Er zijn vaker spoedprocedures gevoerd bij de bestuursrechter over het verkrijgen van een laissez-passer voor kinderen die geboren zijn uit een buitenlandse draagmoeder. Het is de voorzieningenrechter ambtshalve bekend dat de minister in sommige van die zaken, hoewel hij ook daarin het standpunt had ingenomen dat voor het verstrekken van een laissez- passer geen grondslag bestaat, zich niet tegen het verstrekken daarvan heeft verzet. Voor de minister was daarbij van belang dat er een deugdelijk DNA-rapport voorhanden was en dus over de afstammingsrelatie tussen de vader en het kind geen onzekerheid bestond. Ook in de rechtspraak van voorzieningenrechters komt dit naar voren als een belangrijke omstandigheid, naast de omstandigheid dat de wensvader het (ongeboren) kind had erkend.
15. In deze zaak ontbreekt een DNA-rapport. Evenmin is sprake van een erkenning van de meisjes door verzoeker. Verzoekers hebben verklaard dat zij om praktische redenen nog geen DNA-onderzoek hebben laten doen. Zij hebben echter gewezen op een ‘IVF laboratory report’ van de kliniek St. Ives Hospital van 31 maart 2025 met een beschrijving van de IVF-procedure die heeft plaatsgevonden. De voorzieningenrechter is van oordeel dat deze verklaring niet met een DNA-rapport kan worden gelijkgesteld. Niet gezegd kan daarom worden dat er geen onzekerheid meer bestaat over de afstammingsrelatie tussen de meisjes en verzoeker. De voorzieningenrechter kan de minister volgen in zijn standpunt dat een DNA-rapport van wezenlijk belang is, ook om een situatie van verkapte adoptie te voorkomen. Onder deze omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat het verzoek moet worden afgewezen.
Conclusie en gevolgen
16. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de minister vooralsnog geen laissez-passer hoeft af te geven voor de meisjes. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Veling, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 2 september 2026.
de griffier is verhinderd de uitspraak
te ondertekenen
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Deze aanduiding is overgenomen uit het bestreden besluit.
Verzoeker heeft daarnaast ook de Nigeriaanse nationaliteit.
Zie artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Hiervoor wordt gewaarschuwd op de website van de Rijksoverheid: https://www.rijksoverheid.nl/themas/familie-zorg-en-gezondheid/draagmoeder/draagmoederschap-buitenland
Zie artikel 1:198, eerste lid en onder a, van het Burgerlijk Wetboek.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak met het kenmerk ECLI:NL:RBROT:2025:12335.
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/6335
uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 september 2026 in de zaak tussen
[verzoeker 1] en [verzoeker 2] , uit [plaats] , verzoekers
(gemachtigde: mr. E.E.M. Bezem),
en
de minister van Buitenlandse Zaken, Directie Juridische Zaken
(gemachtigde: mr. D. Cazander).
Samenvatting
1. Verzoekers hebben verzocht om een tijdelijk reisdocument (laissez-passer) voor twee meisjes die op 12 maart 2025 in Nigeria geboren zijn uit een draagmoeder. Volgens de minister bestaat voor het verstrekken van zo’n document geen grondslag en moet de draagmoederschapsconstructie eerst beoordeeld worden door de Nederlandse civiele rechter. Hoewel soortgelijke verzoeken eerder door de voorzieningenrechter zijn toegewezen, wordt het verzoek in deze zaak afgewezen. Hierbij is onder meer van belang dat er geen DNA-rapport voorhanden is waaruit blijkt dat verzoeker de biologische vader van de twee meisjes is.
Procesverloop
2. Verzoekers hebben bij de Nederlandse ambassade te Lagos (Nigeria) een aanvraag ingediend voor een Nederlands reisdocument voor [persoon A] en [persoon B] (de meisjes). De minister heeft verzoekers met een besluit van 30 maart 2026 laten weten dat deze aanvraag niet in behandeling wordt genomen. Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
3. De minister heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
4. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 21 augustus 2026 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker [verzoeker 1] (verzoeker), de gemachtigde van verzoekers, de gemachtigde van de minister en mr. I. Wisseburg (namens de minister).
Beoordeling door de voorzieningenrechter
De besluitvorming en de achtergronden daarvan
5. Verzoekers hebben een affectieve relatie, wonen in Nederland en hebben de Nederlandse nationaliteit. Zij hebben geen kinderen kunnen krijgen. Verzoekers hebben daarom, nadat zij daarover informatie hadden ingewonnen, gekozen voor een draagmoederschapsconstructie in Nigeria. Deze constructie hield in dat eicellen van een donor zouden worden bevrucht met zaad van verzoeker, waarna de embryo’s in de baarmoeder van een draagmoeder zouden worden geplaatst.
6. Op 12 maart 2025 is [persoon C] (de draagmoeder) bevallen van de meisjes. Op 27 maart 2025 is van beide meisjes een ‘Certificate of Birth’ opgemaakt. Hierop staan verzoekers vermeld als de ouders van de meisjes. Op 16 september 2025 heeft de draagmoeder schriftelijk verklaard, kort gezegd, dat zij afziet van haar rechten als ouder van de meisjes en dat zij verzoekers erkent als hun ouders.
7. Nadat de kinderen – na een aantal dagen – uit het ziekenhuis waren ontslagen, hebben zij met verzoekster verbleven in een huurappartement in Lagos. Vanaf oktober 2025 verblijven de meisjes met verzoekster in een driekamerappartement in Ibadan, Oyo, met een nanny en een beveiliger. Verzoeker reist heen en weer tussen Nederland en Nigeria.
8. Verzoekers hebben op 16 december 2025 een aanvraag ingediend voor een Nederlands reisdocument voor de meisjes. De minister heeft deze aanvraag niet in behandeling genomen, omdat de identiteit en de Nederlandse nationaliteit van de meisjes niet vastgesteld kunnen worden. Het besluit is als volgt gemotiveerd:
“Er bestaat geen Nederlandse wet- en regelgeving die het erkennen van een afstammingsrelatie uit een (buitenlandse) draagmoederschapsconstructie mogelijk
maken. Uit de rechtspraktijk blijkt dat voor het kunnen erkennen ervan achtereenvolgend de volgende voorwaarden gelden:
l) De biologische verwantschap met (tenminste één van de) Nederlandse wensouders moet met een rechtsgeldig DNA-onderzoek worden aangetoond;
2) Er dient in het buitenland een rechtsgeldige afstammingsrelatie tussen het
kind en (tenminste één van) de biologische wensouders tot stand te zijn gekomen;
3) Er moet zijn getoetst of de erkenning van de afstammingsrelatie, zoals neergelegd in de bevoegd opgemaakte buitenlandse geboorteakte, verenigbaar is met de Nederlandse openbare orde. Dit kan alleen door een Nederlandse rechter.
Als niet aan al deze voorwaarden wordt voldaan, kunnen de identiteit en daarmee
het Nederlanderschap van een uit een draagmoederschapsconstructie geboren kind niet worden vastgesteld.
Uit de bij de paspoortaanvragen overgelegde documenten blijkt dat:
• geen rechtsgeldig DNA-onderzoeksrapport is overgelegd;
• niet kan worden vastgesteld dat in het buitenland een rechtsgeldige afstammingsrelatie tussen de Nederlandse biologische wensouder en [persoon A] en [persoon B] tot stand is gekomen die is neergelegd in de buitenlandse geboorteakte;
• niet is gebleken dat de afstammingsrelatie van [persoon A] en [persoon B] met de vader en moeder die zijn opgenomen in de buitenlandse akte door de Nederlandse rechter voor erkenning is getoetst op verenigbaarheid met de openbare orde.”
Standpunt verzoekers
9. Verzoekers zijn het niet eens met het niet in behandeling nemen van hun aanvraag. Zij willen met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat de meisjes met een tijdelijk reisdocument (laissez-passer) naar Nederland kunnen reizen. Verzoekers hebben – samengevat – het volgende aan hun verzoek ten grondslag gelegd. Verzoekers zijn via een draagmoederschapsconstructie ouders geworden van de meisjes. Verzoekers willen graag dat hun normale gezinsleven in Nederland zo snel mogelijk kan beginnen. Op dit moment verblijft verzoekster weliswaar bij de meisjes maar verzoeker reist heen en weer tussen Nederland en Nigeria. In Nederland is er betere gezondheidszorg voor de meisjes. Ook bestaat in Nigeria het risico op ontvoering. Verzoekers hebben dus een spoedeisend belang om de meisjes zo snel mogelijk naar Nederland te laten komen.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af
10. De minister heeft het spoedeisend belang betwist. De minister heeft er onder meer op gewezen dat verzoekster al sinds maart 2025 met de meisjes in Nigeria verblijft. De voorzieningenrechter is van oordeel verzoekers voldoende spoedeisend belang hebben bij hun verzoek. Het is namelijk goed te begrijpen dat verzoekers graag zo spoedig mogelijk met de meisjes naar Nederland willen komen.
11. De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat het verzoek niet toewijsbaar is. Hierbij is het volgende van belang.
12. De minister heeft erop gewezen dat er geen Nederlandse wet- en regelgeving bestaat die het erkennen van een afstammingsrelatie uit een (buitenlandse) draagmoederschapsconstructie mogelijk maakt. Dat kan tot juridische problemen leiden. Volgens de Nederlandse wet is de vrouw uit wie het kind is geboren, de juridische moeder. In dit geval staat op de geboorteakten echter verzoekster als de moeder vermeld. Volgens de minister is dit in strijd met de Nederlandse openbare orde (en waarschijnlijk ook met de Nigeriaanse wetgeving). Volgens de minister kunnen de Nigeriaanse geboorteakten daarom in Nederland niet worden erkend. Het is volgens de minister aan de civiele rechter om zich uit te laten over de vraag of de geboorteakten toch erkend kunnen worden of om de geboortegegevens opnieuw vast te stellen.
13. De voorzieningenrechter overweegt dat duidelijk is dat op dit moment de familierechtelijke relatie tussen verzoekers en de meisjes en hun Nederlandse nationaliteit niet vaststaan. Verder is duidelijk dat de meisjes op dit moment niet voldoen aan de geldende criteria voor de afgifte van een (tijdelijk) reisdocument. Dit laatste hebben verzoekers op zichzelf ook niet betwist.
14. Er zijn vaker spoedprocedures gevoerd bij de bestuursrechter over het verkrijgen van een laissez-passer voor kinderen die geboren zijn uit een buitenlandse draagmoeder. Het is de voorzieningenrechter ambtshalve bekend dat de minister in sommige van die zaken, hoewel hij ook daarin het standpunt had ingenomen dat voor het verstrekken van een laissez- passer geen grondslag bestaat, zich niet tegen het verstrekken daarvan heeft verzet. Voor de minister was daarbij van belang dat er een deugdelijk DNA-rapport voorhanden was en dus over de afstammingsrelatie tussen de vader en het kind geen onzekerheid bestond. Ook in de rechtspraak van voorzieningenrechters komt dit naar voren als een belangrijke omstandigheid, naast de omstandigheid dat de wensvader het (ongeboren) kind had erkend.
15. In deze zaak ontbreekt een DNA-rapport. Evenmin is sprake van een erkenning van de meisjes door verzoeker. Verzoekers hebben verklaard dat zij om praktische redenen nog geen DNA-onderzoek hebben laten doen. Zij hebben echter gewezen op een ‘IVF laboratory report’ van de kliniek St. Ives Hospital van 31 maart 2025 met een beschrijving van de IVF-procedure die heeft plaatsgevonden. De voorzieningenrechter is van oordeel dat deze verklaring niet met een DNA-rapport kan worden gelijkgesteld. Niet gezegd kan daarom worden dat er geen onzekerheid meer bestaat over de afstammingsrelatie tussen de meisjes en verzoeker. De voorzieningenrechter kan de minister volgen in zijn standpunt dat een DNA-rapport van wezenlijk belang is, ook om een situatie van verkapte adoptie te voorkomen. Onder deze omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat het verzoek moet worden afgewezen.
Conclusie en gevolgen
16. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de minister vooralsnog geen laissez-passer hoeft af te geven voor de meisjes. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Veling, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 2 september 2026.
de griffier is verhinderd de uitspraak
te ondertekenen
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Deze aanduiding is overgenomen uit het bestreden besluit.
Verzoeker heeft daarnaast ook de Nigeriaanse nationaliteit.
Zie artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Hiervoor wordt gewaarschuwd op de website van de Rijksoverheid: https://www.rijksoverheid.nl/themas/familie-zorg-en-gezondheid/draagmoeder/draagmoederschap-buitenland
Zie artikel 1:198, eerste lid en onder a, van het Burgerlijk Wetboek.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak met het kenmerk ECLI:NL:RBROT:2025:12335.