Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:11023
2026-09-03
Bestuursrecht
ROT 26/5754
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verzoek om een voorlopige voorziening. Het college heeft de maatschappelijke opvang van verzoeker beëindigd, omdat verzoeker geen rechtmatig verblijf meer heeft in Nederland. Het college mocht daarbij afgaan op de informatie van de IND. Er is niet gebleken dat de informatie van de IND onjuist is. Het college is niet verplicht om aan verzoeker een alternatief aan te bieden. Het verzoek wordt afgewezen.
Citeert (3)
- ECLI:EU:C:2017:821
- ECLI:EU:C:2018:465
- ECLI:NL:CRVB:2023:1929 Centrale Raad van Beroep 18-10-2023
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (6.709 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/5754
uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 september 2026 in de zaak tussen
[verzoeker], uit [woonplaats], verzoeker
(gemachtigde: mr. S. Karkache),
en
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam
(gemachtigde: mr. S. Duinhouwer).
Procesverloop
1. Met een besluit van 29 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft het college de maatschappelijke opvang van verzoeker beëindigd met ingang van 29 juni 2026.
2. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
3. Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
4. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 21 augustus 2026 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Feiten en omstandigheden
5. Verzoeker is 58 jaar en heeft de Algerijnse nationaliteit. Hij is op 19-jarige leeftijd naar Nederland gekomen. Hij heeft sinds 1992 meermaals zonder succes geprocedeerd over een verblijfsvergunning. Verzoeker is in 2020 gescheiden van zijn toenmalige partner en is toen dakloos geraakt. In december 2024 heeft verzoeker bij de IND een EU/EER-verblijfsvergunning aangevraagd voor verblijf bij zijn meerderjarige zoon.
6. Het college heeft verzoeker met een besluit van 19 september 2025 toegelaten tot de maatschappelijke opvang.
7. De IND heeft verzoekers aanvraag op 13 november 2025 afgewezen. Met een besluit van 23 februari 2026 op het bezwaar van verzoeker heeft de IND deze afwijzing gehandhaafd. In dit besluit is vermeld dat de eerder (bij besluit van 5 juli 2013) opgelegde plicht om, kort gezegd, Nederland en de Europese Unie te verlaten, nog steeds geldt. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld. Deze procedure loopt nog.
Waar gaat het in deze zaak om?
8. Het college heeft de maatschappelijke opvang van verzoeker beëindigd met ingang van 29 juni 2026. Feitelijk heeft verzoeker nog tot 5 juli 2026 in de opvanglocatie verbleven. De reden voor de beëindiging is dat verzoekers verblijfstitel is ingetrokken en hij geen recht meer heeft om in Nederland te zijn. Hierdoor heeft hij ook geen recht meer op opvang en hulp vanuit de Wmo 2015. Verzoeker is het niet met het bestreden besluit eens. Hij wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat de maatschappelijke opvang wordt voortgezet.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af
9. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Dit oordeel wordt als volgt toegelicht.
10. Het college heeft navraag gedaan bij de IND over de verblijfsstatus van verzoeker. Verweerder mag op de door de IND verstrekte informatie in beginsel afgaan. Volgens de IND heeft verzoeker code 98. Dit betekent dat hij geen rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8 van de Vreemdelingenwet (meer) heeft. Dat betekent dat verzoeker niet langer op grond van artikel 1.2.2, eerste lid, van de Wmo 2015 in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening. Dat de van de IND verkregen informatie niet juist is, is niet gebleken. De voorzieningenrechter merkt daarbij op dat de IND de laatste aanvraag van verzoeker om een EU/EER-verblijfsvergunning inmiddels in twee instanties heeft afgewezen. Niet gesteld of gebleken is verder dat verzoeker met een Nederlander kan worden gelijkgesteld op grond van artikel 2.1, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Het beroep van verzoeker op het feit dat hij een aanvraag als bedoeld in artikel 64 van de Vreemdelingenwet heeft gedaan, slaagt niet. De IND heeft nog niet beslist op deze aanvraag. Bovendien zou een toewijzing door de IND leiden tot rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, onderdeel j, van de Vreemdelingenwet, wat geen recht geeft op opvang gelet op artikel 1.2.2, eerste lid, van de Wmo 2015. Verzoeker heeft een beroep gedaan op het arrest Gnandi maar uit dat arrest kan naar voorlopig oordeel in de situatie van verzoeker geen recht op maatschappelijke opvang worden afgeleid. Verzoeker heeft tot slot aangevoerd dat het college niet tot beëindiging van de maatschappelijke opvang had mogen overgaan wegens de medische situatie van verzoeker. De voorzieningenrechter volgt verzoeker hierin niet. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat hij geen ruimte heeft opvang te verlenen aan vreemdelingen die daarop geen recht hebben. Tot het bieden van een alternatief is het college niet verplicht.
11. Verzoeker heeft aangevoerd dat hij ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. Dit betoog kan, ook als het terecht zou zijn aangevoerd, niet tot toewijzing van het verzoek leiden. Hierbij is van belang dat verzoeker zijn belangen in deze procedure naar voren heeft kunnen brengen en de voorzieningenrechter geen aanleiding heeft voor het oordeel dat het bestreden inhoudelijk onjuist is.
Conclusie en gevolgen
12. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat het college verzoeker geen toegang hoeft te geven tot de maatschappelijke opvang. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Veling, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 3 september 2026.
de griffier is verhinderd
de uitspraak te tekenen
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Immigratie- en Naturalisatiedienst.
Hij heeft daarbij een beroep gedaan op het arrest K.A. van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 mei 2018, ECLI:EU:C:2017:821.
Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.
ECLI:EU:C:2018:465.
Zie ECLI:NL:CRVB:2023:1929.
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/5754
uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 september 2026 in de zaak tussen
[verzoeker], uit [woonplaats], verzoeker
(gemachtigde: mr. S. Karkache),
en
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam
(gemachtigde: mr. S. Duinhouwer).
Procesverloop
1. Met een besluit van 29 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft het college de maatschappelijke opvang van verzoeker beëindigd met ingang van 29 juni 2026.
2. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
3. Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
4. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 21 augustus 2026 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Feiten en omstandigheden
5. Verzoeker is 58 jaar en heeft de Algerijnse nationaliteit. Hij is op 19-jarige leeftijd naar Nederland gekomen. Hij heeft sinds 1992 meermaals zonder succes geprocedeerd over een verblijfsvergunning. Verzoeker is in 2020 gescheiden van zijn toenmalige partner en is toen dakloos geraakt. In december 2024 heeft verzoeker bij de IND een EU/EER-verblijfsvergunning aangevraagd voor verblijf bij zijn meerderjarige zoon.
6. Het college heeft verzoeker met een besluit van 19 september 2025 toegelaten tot de maatschappelijke opvang.
7. De IND heeft verzoekers aanvraag op 13 november 2025 afgewezen. Met een besluit van 23 februari 2026 op het bezwaar van verzoeker heeft de IND deze afwijzing gehandhaafd. In dit besluit is vermeld dat de eerder (bij besluit van 5 juli 2013) opgelegde plicht om, kort gezegd, Nederland en de Europese Unie te verlaten, nog steeds geldt. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld. Deze procedure loopt nog.
Waar gaat het in deze zaak om?
8. Het college heeft de maatschappelijke opvang van verzoeker beëindigd met ingang van 29 juni 2026. Feitelijk heeft verzoeker nog tot 5 juli 2026 in de opvanglocatie verbleven. De reden voor de beëindiging is dat verzoekers verblijfstitel is ingetrokken en hij geen recht meer heeft om in Nederland te zijn. Hierdoor heeft hij ook geen recht meer op opvang en hulp vanuit de Wmo 2015. Verzoeker is het niet met het bestreden besluit eens. Hij wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat de maatschappelijke opvang wordt voortgezet.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af
9. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Dit oordeel wordt als volgt toegelicht.
10. Het college heeft navraag gedaan bij de IND over de verblijfsstatus van verzoeker. Verweerder mag op de door de IND verstrekte informatie in beginsel afgaan. Volgens de IND heeft verzoeker code 98. Dit betekent dat hij geen rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8 van de Vreemdelingenwet (meer) heeft. Dat betekent dat verzoeker niet langer op grond van artikel 1.2.2, eerste lid, van de Wmo 2015 in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening. Dat de van de IND verkregen informatie niet juist is, is niet gebleken. De voorzieningenrechter merkt daarbij op dat de IND de laatste aanvraag van verzoeker om een EU/EER-verblijfsvergunning inmiddels in twee instanties heeft afgewezen. Niet gesteld of gebleken is verder dat verzoeker met een Nederlander kan worden gelijkgesteld op grond van artikel 2.1, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Het beroep van verzoeker op het feit dat hij een aanvraag als bedoeld in artikel 64 van de Vreemdelingenwet heeft gedaan, slaagt niet. De IND heeft nog niet beslist op deze aanvraag. Bovendien zou een toewijzing door de IND leiden tot rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, onderdeel j, van de Vreemdelingenwet, wat geen recht geeft op opvang gelet op artikel 1.2.2, eerste lid, van de Wmo 2015. Verzoeker heeft een beroep gedaan op het arrest Gnandi maar uit dat arrest kan naar voorlopig oordeel in de situatie van verzoeker geen recht op maatschappelijke opvang worden afgeleid. Verzoeker heeft tot slot aangevoerd dat het college niet tot beëindiging van de maatschappelijke opvang had mogen overgaan wegens de medische situatie van verzoeker. De voorzieningenrechter volgt verzoeker hierin niet. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat hij geen ruimte heeft opvang te verlenen aan vreemdelingen die daarop geen recht hebben. Tot het bieden van een alternatief is het college niet verplicht.
11. Verzoeker heeft aangevoerd dat hij ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. Dit betoog kan, ook als het terecht zou zijn aangevoerd, niet tot toewijzing van het verzoek leiden. Hierbij is van belang dat verzoeker zijn belangen in deze procedure naar voren heeft kunnen brengen en de voorzieningenrechter geen aanleiding heeft voor het oordeel dat het bestreden inhoudelijk onjuist is.
Conclusie en gevolgen
12. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat het college verzoeker geen toegang hoeft te geven tot de maatschappelijke opvang. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Veling, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 3 september 2026.
de griffier is verhinderd
de uitspraak te tekenen
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Immigratie- en Naturalisatiedienst.
Hij heeft daarbij een beroep gedaan op het arrest K.A. van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 mei 2018, ECLI:EU:C:2017:821.
Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.
ECLI:EU:C:2018:465.
Zie ECLI:NL:CRVB:2023:1929.