Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:10919

2026-08-25 Civiel recht; Verbintenissenrecht 12320643 VV EXPL 26-441
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2026-08-25
Publicatiedatum
2026-09-01
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Kort geding
Zaaknummer
12320643 VV EXPL 26-441
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Kort geding. Verstek. Gedaagde moet huurwoning ontruimen, vanwege huurachterstand, overlast en illegale onderverhuur. Lagere huurachterstand toegewezen, vanwege oneerlijk opslagbeding.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (8.491 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM


locatie Rotterdam



zaaknummer: 12320643 VV EXPL 26-441



datum uitspraak: 25 augustus 2026




Vonnis in kort geding van de kantonrechter




in de zaak van





[eiser]
,
woonplaats: [woonplaats 1],
eiser,
gemachtigde: mr. K.W. Cazemier,



tegen





[gedaagde]
,
woonplaats: [woonplaats 2],
gedaagde,
die niet is verschenen.





1De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:


de dagvaardingen van 31 juli 2026 en 3 augustus 2026, met bijlagen;


de akte met een vermindering van de eis, met bijlagen.





1.2.
Op 11 augustus 2026 is de zaak tijdens een zitting met [eiser] en mr. Cazemier besproken. [gedaagde] is niet verschenen. Tegen hem is verstek verleend.





2De beoordeling



Waar gaat het om?




2.1.

[eiser] verhuurt een woning aan [gedaagde]. Volgens [eiser] is er sprake van een huurachterstand, zorgt [gedaagde] voor overlast en verhuurt hij de woning illegaal onder. [eiser] eist daarom dat [gedaagde] wordt veroordeeld om de woning te ontruimen. Daarnaast wil hij dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt om de huurachterstand te betalen en boetes voor de overlast en onderverhuur.



Kort geding





2.2.
Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de eisende partij hierbij zoveel spoed heeft dat die de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten (artikel 254 lid 1 Rv). Uit de stellingen van [eiser] volgt dat deze spoed aanwezig is.




[gedaagde] moet een huurachterstand van € 3.555,45 betalen





2.3.

[eiser] stelt dat er sprake is van een huurachterstand van drie maanden. Hij eist dat [gedaagde] wordt veroordeeld om die achterstand te betalen. Die eis wordt toegewezen, omdat die niet onrechtmatig of ongegrond lijkt (artikel 139 Rv).



2.4.
De huurachterstand wordt vastgesteld op een lager bedrag. In de huurovereenkomst (artikel 5.2) en de daarbij behorende algemene voorwaarden (artikel 16) is namelijk bepaald dat de huurprijs jaarlijks kan worden geïndexeerd volgens de consumentenprijsindex (CPI) met daarbovenop een opslag van maximaal 5%. De kantonrechter oordeelt voorlopig dat het opslagbeding oneerlijk is, omdat zo’n hoge opslag niet nodig is om kostenstijgingen die uitgaan boven de inflatie te compenseren en om de huurprijs in de pas te laten lopen met de waardeontwikkeling van de woning. Een jaarlijkse huurstijging met dit opslagpercentage blijft niet binnen aanvaardbare grenzen. De kantonrechter vindt het daarom aannemelijk dat dit opslagbeding in een gewone procedure vernietigd zal worden.



2.5.
Dit betekent dat [eiser] de huurprijs alleen mocht verhogen op grond van het indexatiebeding. [eiser] heeft tijdens de zitting aangegeven dat de huur één keer is verhoogd. De kantonrechter gaat ervan uit dat dit op 1 juli 2025 is geweest. Voor dat moment gold de huurprijs uit de huurovereenkomst van € 950,- per maand. De toepassing van het indexatiebeding leidt op die datum tot een verhoging van 3,7% oftewel tot een huurprijs van € 985,15. Inclusief het servicekostenvoorschot van € 200,- is dat dus € 1.185,15. [eiser] wordt daarom veroordeeld om een huurachterstand van € 3.555,45 te betalen (3 x € 1.185,15).



2.6.
De geëiste wettelijke rente over de huurachterstand wordt toegewezen vanaf de dag van de dagvaarding.




[gedaagde] moet de woning ontruimen





2.7.
Het is voldoende aannemelijk dat in een bodemprocedure de huurovereenkomst zal worden ontbonden. Er is namelijk een huurachterstand van drie maanden. Bovendien heeft [eiser] gesteld dat [gedaagde] overlast veroorzaakt en illegaal onderverhuurt. Het is daarom gerechtvaardigd om in deze procedure vooruit te lopen op de ontbinding en [gedaagde] te veroordelen het gehuurde te ontruimen.



2.8.
De kantonrechter bepaalt dat [gedaagde] vanaf de betekening van dit vonnis veertien dagen de tijd heeft om de woning te ontruimen.



2.9.

[eiser] eist dat [gedaagde] wordt veroordeeld om de woning te ontruimen ‘op de wijze zoals overeengekomen in de huurovereenkomst’. Dat deel van de eis wordt afgewezen, omdat het onvoldoende concreet is.



2.10.
De geëiste dwangsom wordt afgewezen. [eiser] kan met deze uitspraak namelijk zelf een gedwongen ontruiming laten uitvoeren. Er zijn geen bijzondere omstandigheden gesteld die het nodig maken dat er daarnaast een extra prikkel voor [gedaagde] moet zijn om het gehuurde te ontruimen.





[gedaagde] moet boetes betalen





2.11.

[eiser] eist dat [gedaagde] wordt veroordeeld om boetes van € 1.500,- en € 225,- te betalen, omdat hij de woning illegaal heeft onderverhuurd en overlast heeft veroorzaakt. Die eisen worden toegewezen, omdat dit niet onrechtmatig of ongegrond lijken.




[gedaagde] moet € 480,55 aan incassokosten betalen





2.12.
Als vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt € 480,55 toegewezen. In de mail van 12 maart 2026 waarmee [gedaagde] de kans heeft gekregen om alsnog zonder extra kosten te betalen (artikel 6:96 lid 6 BW) staat een bedrag van € 488,90. Omdat [eiser] voor de andere maanden niet zo’n mail heeft gestuurd, bestaat in ieder geval geen recht op een hogere vergoeding. Verder is aan alle voorwaarden voldaan om een vergoeding te krijgen. Wel zijn de buitengerechtelijke incassokosten alleen berekend over de toewijsbare achterstand.




[gedaagde] moet de proceskosten betalen





2.13.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde], omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eiser] moet betalen op € 323,13 aan dagvaardingskosten, € 93,- aan griffierecht, € 577,- aan salaris voor de gemachtigde en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.137,13. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen vanaf de vijftiende dag nadat dit vonnis is betekend.



Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad





2.14.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiser] dat eist (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.





3De beslissing
De kantonrechter:


3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen € 5.761,- met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over € 3.555,45 vanaf 3 augustus 2026 tot de dag dat volledig is betaald;



3.2.
veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na de datum waarop dit vonnis is betekend de woning op het adres [adres] te ontruimen met alle personen die zich daarin bevinden en het gehuurde met alle sleutels ter beschikking van [eiser] te stellen;



3.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiser] worden begroot op € 1.137,13 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag nadat dit vonnis is betekend tot de dag dat volledig is betaald;



3.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;



3.5.
wijst al het andere af.


Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. M. Fiege en in het openbaar uitgesproken.
33394




Hoge Raad 29 november 2024: ECLI:NL:HR:2024:1780