Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:10889

2026-08-27 Civiel recht C/10/723103 / KG ZA 26-720
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2026-08-27
Publicatiedatum
2026-08-31
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Kort geding
Zaaknummer
C/10/723103 / KG ZA 26-720
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Kort geding. Ontruiming woonruimte. Afwijzing. De voorzieningenrechter is van oordeel dat eiseres de met gedaagde gesloten huurovereenkomst niet kon opzeggen. Er is op dit moment naar voorlopig oordeel geen sprake van een situatie waarin een aan gedaagde toe te rekenen omstandigheid heeft geleid tot de beëindiging van de zorg c.q. begeleiding die eiseres hem biedt, zodat geen sprake is van die in de huurovereenkomst genoemde opzeggingsgrond.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (14.342 tekens)
RECHTBANK Rotterdam


Team handel en haven




Zaaknummer: C/10/723103 / KG ZA 26-720




Vonnis in kort geding van 27 augustus 2026




in de zaak van




STICHTING CENTRUM VOOR VRIJWILLIGE EN PROFESSIONELE MAATSCHAPPELIJKE DIENSTVERLENING,
vestigingsplaats: Rotterdam,
eisende partij,
advocaat: mr. T. Abbo,



tegen





[gedaagde]
,
woonplaats: [woonplaats],
gedaagde partij,
advocaat: mr. D.A. IJpelaar.




Partijen worden hierna de Stichting en [gedaagde] genoemd.






1De zaak in het kort


1.1.

[gedaagde] huurt sinds 4 februari 2021 een woning van de Stichting in het project Skaeve Huse. Daarnaast ontvangt [gedaagde] vanaf diezelfde datum ambulante zorg c.q. begeleiding van de Stichting. De Stichting stelt zich in deze zaak op het standpunt dat zij de huurovereenkomst heeft kunnen opzeggen tegen 31 december 2026. Daarom vordert de Stichting dat [gedaagde] wordt veroordeeld om de woning op 1 januari 2027 te verlaten en te ontruimen. [gedaagde] voert verweer. De voorzieningenrechter wijst de vordering af. Dit oordeel wordt hierna uitgelegd.






2De procedure


2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:


de dagvaarding van 16 juli 2026, met bijlagen 1 tot en met 14;


de aanvullende bijlagen 15 en 16 van de Stichting;


bijlage 1 van [gedaagde];


de mondelinge behandeling op 17 augustus 2026;


de pleitnota van mr. IJpelaar.







3De vordering


3.1.
De Stichting vordert – na intrekking van haar primaire vordering ter zitting – om bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen om er op 1 januari 2027, althans binnen een door de voorzieningenrechter te bepalen termijn, voor zorg te dragen dat hij de woonruimte aan de [adres] zal verlaten en ontruimen met de zijnen en het zijne en vervolgens ter vrije beschikking van de Stichting te stellen en de woonruimte verder niet meer te betreden, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van dit geding.






4De beoordeling


4.1.
De Stichting verleent [gedaagde] zorg c.q. begeleiding op grond van een aan [gedaagde] toegekende maatwerkvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo). Nadat de Stichting in 2025 en begin 2026 drie officiële waarschuwingen aan [gedaagde] had gegeven, heeft de Stichting het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam verzocht om de Wmo-voorziening van [gedaagde] te beëindigen. Dat college heeft daar op 28 mei 2026 positief op beslist. De Stichting heeft [gedaagde] vervolgens een brief gestuurd, waarin zij heeft geschreven dat de zorg c.q. begeleiding die de Stichting aan [gedaagde] verleent – als gevolg van de beëindiging van de Wmo-voorziening – met ingang van 31 mei 2026 geëindigd.



4.2.

[gedaagde] heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het college om de aan hem verleende Wmo-voorziening te beëindigen. De voorzieningenrechter in deze rechtbank (afdeling bestuursrecht) heeft het beëindigingsbesluit bij beslissing van 15 juli 2026 geschorst tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op het bezwaar van [gedaagde]. Die beslissing luidt – voor zover van belang – als volgt:


“(…) Beoordeling door de voorzieningenrechter (…)




7. Dit neemt echter niet weg dat het hier gaat om een (zeer) kwetsbare persoon die niet zelfredzaam is. De gemachtigde van het college heeft dit op de zitting ook erkend en bevestigd dat verzoeker nog steeds aanspraak kan maken op een Wmo maatwerkvoorziening, zoals hem eerder is toegekend, met daaraan gekoppeld een woonvoorziening. Binnen de gemeentelijke organisatie wordt er daarom hard aan gewerkt om te onderzoeken welke alternatieven passend zijn voor verzoeker. In dat kader wordt ook gekeken naar de mogelijkheid van beschermd wonen. De gemachtigde van het college benadrukt wel dat dit onderzoek zorgvuldig moet gebeuren en daarom tijd kost. Ook speelt mee dat er overal wachtlijsten zijn. Mocht verzoeker uit de woning van Skaeve Huse worden gezet voordat een passend alternatief is gevonden, dan kan hij zich melden bij de nachtopvang. De gemachtigde van het college heeft daarbij toegezegd dat zij zich zal inspannen om ervoor te zorgen dat binnen de betreffende afdeling van de gemeente met de nodige voortvarendheid aan het onderzoek wordt gewerkt.





8. De voorzieningenrechter begrijpt dat het onderzoek naar een passend alternatief


zorgvuldig moet gebeuren en tijd kost en dat er wachtlijsten zijn. Dit neemt echter niet weg dat verzoeker een kwetsbare persoon is die opvang en begeleiding nodig heeft. Niet is in geschil dat hij nog steeds in aanmerking komt voor een Wmo-voorziening met daaraan gekoppeld een woning. Als gevolg van het bestreden besluit dreigt hij nu op straat te komen staan, terwijl partijen het er beide over eens zijn dat dat een verre van wenselijke situatie is. Om te bewerkstelligen dat het college met voldoende voortvarendheid aan het onderzoek naar een passende alternatieve oplossing blijft werken, zal de voorzieningenrechter daarom het verzoek toewijzen en bepalen dat verzoeker hangende de bezwaarprocedure in de woning van Skaeve Huse mag blijven tot voor hem een passend alternatief is gevonden. (…)





Conclusie en gevolgen





11. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en schorst het besluit van 28 mei 2026. Dat betekent dat verzoeker in de woning van Skaeve Huse mag blijven wonen, tot uiterlijk zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar. Mocht een passende alternatieve oplossing worden gevonden voordat de beslissing op bezwaar aan verzoeker bekend is gemaakt, dan vervalt daarmee de getroffen voorlopige voorziening. (…)”.




4.3.
Dit is voor de Stichting aanleiding geweest om haar primaire vordering in deze zaak, die er in de kern op was gegrond dat de Wmo-voorziening van [gedaagde] was beëindigd, in te trekken. Als gevolg hiervan hoeft de voorzieningenrechter in deze zaak alleen nog te beoordelen of de Stichting de met [gedaagde] gesloten huurovereenkomst kon opzeggen tegen 31 december 2026. Dat is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet het geval. Daarvoor is het volgend redengevend.



4.4.
De Stichting beroept zich op de artikelen 4.3.2 en 4.3.3 van de huurovereenkomst. Die artikelen luiden – voor zover van belang – als volgt:


“4.3. Verhuurder is gerechtigd de huurovereenkomst op te zeggen:

(…)


4.3.2: (…) wanneer de zorg- of begeleidingsovereenkomst door de verhuurder is opgezegd;


4.3.3: op grond van enige andere omstandigheid die leidt tot de beëindiging van de


zorg/begeleiding en die in de risicosfeer van cliënt ligt.”.




4.5.
De voorzieningenrechter heeft in het dossier geen brief van de Stichting aangetroffen, waarin de Stichting een zorg- en begeleidingsovereenkomst met [gedaagde] heeft opgezegd. Sterker nog, de voorzieningenrechter heeft ook geen zorg- en begeleidingsovereenkomst aangetroffen in het dossier. De opzegging van de huurovereenkomst kan dus niet op artikel 4.3.2 worden gegrond.



4.6.
De opzegging van de huurovereenkomst kan naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter ook niet op artikel 4.3.3 worden gegrond. De Stichting koppelt het eindigen van het recht van [gedaagde] om gebruik te maken van de woning steeds aan het eindigen van de Wmo-voorziening (en daarmee het eindigen van de zorg c.q. begeleiding die de Stichting uit hoofde van die voorziening aan [gedaagde] verleent). Dat blijkt in de eerste plaats uit de dagvaarding:


“(…) 5. (…) CVD wijst verder nog op de koppeling zoals die staat weergegeven in artikel 1.5 waar staat dat de duur van de overeenkomst verbonden is aan de indicatie die ten behoeve van [gedaagde] is afgegeven. (…)




13. CVD zag zich uiteindelijk genoodzaakt om zorgbeëindiging aan te vragen bij de


gemeente. Dit verzoek tot beëindiging wordt hierbij als
productie 10
overgelegd. De


gemeente heeft vervolgens bij besluit van 28 mei 2026 besloten tot zorgbeëindiging,


zulks met ingang van 31 mei 2026 (
productie 11
). (…)





14. Aangezien hier sprake is van een gemengde overeenkomst en de zorg nadrukkelijk gekoppeld is aan het WMO-arrangement kwam ook de begeleiding door CVD tot een einde. Dit leidde ertoe dat CVD op grond van de zorgbeëindiging [gedaagde] heeft aangeschreven bij brief van 4 juni 2026 en dat in deze brief staat aangegeven dat [gedaagde] niet langer voldoet aan de voorwaarden om gebruik te kunnen maken van de door hem betrokken woonruimte en dat hij gesommeerd wordt om uiterlijk 1 juli 2026 de woning te verlaten. (…)





16. CVD stelt zich op het standpunt dat hier sprake is van een zogenoemde gemengde overeenkomst waarbij het zorgelement overheerst. De woning is aan [gedaagde] verstrekt in het kader van woonbegeleiding. [gedaagde] had de woning ook nooit verkregen zonder deze begeleiding. Aangezien de zorg is komen te vervallen, is daarmee ook het recht op gebruik van de woonruimte vervallen. Onderdeel van de zorg is namelijk het aanbieden van woonruimte, zodat er sprake kan zijn van begeleiding naar een normaal functioneren in de maatschappij. (…)





18. Gelet op het gegeven dat er sprake is van een beëindiging van de zorg per 31 mei 2026 en er sprake is van een koppeling in de gemengde overeenkomst wil dat zeggen dat vanaf deze datum [gedaagde] derhalve zonder recht en titel in de woning verblijft. (…)”.



Het blijkt ook uit het verzoek van de Stichting aan het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam om de Wmo-voorziening van [gedaagde] te beëindigen:



“(…) Bij beëindiging van ondersteuning vervalt woonruimte (…)”.



Tot slot blijkt het ook uit de brief van 4 juni 2026 van de Stichting aan [gedaagde] over de gevolgen van de beëindiging van de Wmo-voorziening:



“(…) De gemeente Rotterdam heeft (…) bij besluit van 19 mei 2026 besloten tot zorgbeëindiging met ingang van 31 mei 2026. (…) In de met u gesloten overeenkomst is vastgelegd dat de woonruimte aan de Soesterbergstraat 42 alleen beschikbaar is in combinatie met begeleiding vanuit CVD. Nu er sprake is van een zorgbeëindiging is derhalve de begeleiding stopgezet en eindigt ook uw recht op het gebruik van de woning. Immers, het gebruik van de woning en begeleiding vanuit CVD zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. (…)”.




4.7.
De beëindiging van de Wmo-voorziening is echter geschorst door de beslissing van de voorzieningenrechter in deze rechtbank (afdeling bestuursrecht) van 15 juli 2026. Dit betekent, zo begrijpt de voorzieningenrechter de stellingen van de Stichting, dat de zorg c.q. begeleiding die de Stichting aan [gedaagde] verleent weer wordt gecontinueerd, althans moet worden gecontinueerd. Er is daarom op dit moment naar voorlopig oordeel geen sprake van een situatie waarin een aan [gedaagde] toe te rekenen omstandigheid heeft geleid tot de beëindiging van de zorg c.q. begeleiding die de Stichting hem biedt. De Stichting kan de met [gedaagde] gesloten huurovereenkomst dan ook niet op die grond opzeggen. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter ook dat de voorzieningenrechter in deze rechtbank (afdeling bestuursrecht) in haar beslissing van 15 juli 2026 expliciet heeft overwogen dat [gedaagde] “hangende de bezwaarprocedure in de woning van Skaeve Huse mag blijven tot voor hem een passend alternatief is gevonden”. Met dit oordeel is niet, althans zeer moeilijk verenigbaar dat de voorzieningenrechter in deze zaak zou oordelen dat [gedaagde] de woning toch moet verlaten en ontruimen. Hoewel de Stichting in de bestuursrechtelijke procedure geen partij was en de voorzieningenrechter haar oordeel strikt genomen niet hoeft af te stemmen op dat van de bestuursrechter, leiden de aldus opgewekte verwachtingen tot het oordeel dat (ook) de belangenafweging in het voordeel van [gedaagde] moet uitvallen.



4.8.
De conclusie is dat de gevorderde ontruiming van de woning wordt afgewezen.



4.9.
De Stichting is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht € 93,00
- salaris advocaat € 760,00 (tarief eenvoudige zaak)
- nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 1.042,00



4.10.
De proceskostenveroordeling wordt ambtshalve uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 258 Rv).






5De beslissing


De voorzieningenrechter:



5.1.
wijst de vordering af;



5.2.
veroordeelt de Stichting in de proceskosten van € 1.042,00, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend;



5.3.
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.


Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2026.
3349 / 2009