Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:10888
2026-09-02
Bestuursrecht
ROT 25/5391
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Wht; integrale beoordeling, afwijzing aanvraag compensatie 2010 tot en met 2015; de Dienst Toeslagen heeft terecht het verzoek om compensatie afgewezen; beroep ongegrond.
Citeert (5)
- ECLI:NL:RVS:2025:4527 Raad van State 24-09-2025
- ECLI:NL:RVS:2023:84 Raad van State 11-01-2023
- ECLI:NL:CRVB:2025:647 Centrale Raad van Beroep 15-04-2025
- ECLI:NL:RVS:2026:3175 Raad van State 03-06-2026
- ECLI:NL:RVS:2025:1961 Raad van State 30-04-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (25.562 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/5391
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 september 2026 in de zaak tussen
[eiseres], uit [woonplaats], eiseres
(gemachtigde: mr. L.A.E. Timmer),
en
Dienst Toeslagen
(gemachtigde: [gemachtigde]).
Samenvatting
1. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiseres is het niet eens met de afwijzing van haar aanvraag voor compensatie voor de jaren 2010 tot en met 2015. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen terecht het verzoek om compensatie afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dat oordeel komt.
Procesverloop
2. Met twee besluiten van 8 december 2022 heeft de Dienst Toeslagen beslist op de aanvraag van eiseres om compensatie op grond van de Wht.
2.1.
Met het besluit van 30 april 2025 (het bestreden besluit) heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiseres tegen de besluiten van 8 december 2022 ongegrond verklaard.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 8 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de Dienst Toeslagen.
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres heeft een aanvraag gedaan om compensatie op grond van de Wht. Met de twee besluiten van 8 december 2022 heeft de Dienst Toeslagen vastgesteld dat eiseres geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2009 tot en met 2015. Niet is gebleken dat de kinderopvangtoeslag over 2009 tot en met 2015 te laag is vastgesteld. Ook is volgens de Dienst Toeslagen niet gebleken dat zij te streng was bij het uitvoeren van de regels van de kinderopvangtoeslag. Verder heeft eiseres geen recht op compensatie vanwege hardheid van het stelsel. Met het bestreden besluit is de Dienst Toeslagen bij een afwijzing van de aanvraag voor compensatie gebleven.
Wettelijk kader
4. Op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wht kent de Dienst Toeslagen een compensatie toe aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag die schade heeft geleden doordat bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen. In de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 2.1 van de Wht is een niet-limitatieve opsomming van kenmerken genoemd die tot het oordeel kunnen leiden dat sprake is van institutionele vooringenomenheid.
Beoordeling door de rechtbank
5. De rechtbank beoordeelt of de Dienst Toeslagen de toegekende compensatie op juiste wijze heeft vastgesteld. Dit doet zij aan de hand van de beroepsgronden. Voordat de rechtbank toekomt aan de inhoudelijk beoordeling, zal de rechtbank de ontvankelijkheid van het beroep beoordelen.
Ontvankelijkheid beroep
6. De Dienst Toeslagen heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep van eiseres niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. De Dienst Toeslagen heeft namelijk op of rond 29 april 2025 het bestreden besluit verzonden. Ter onderbouwing legt de Dienst Toeslagen een verzendetiket over van PostNL, met een Track & Trace-code. Het beroepschrift dateert van 14 juli 2025 en is daarmee te laat.
7. Eiseres stelt dat zij voor het eerst bekend werd met het bestreden besluit van 30 april 2025 door middel van een e-mail van de Dienst Toeslagen van 2 juli 2025. Het is eiseres niet bekend dat het bestreden besluit op een eerder moment aan haar is toegezonden. Ook betwist eiseres dat de Dienst Toeslagen het bestreden besluit op juiste wijze bekend heeft gemaakt. De termijn voor het indienen van een beroepschrift bij de rechtbank is, aldus eiseres, voor het eerst op 2 juli 2025 gaan lopen.
8. De rechtbank beoordeelt eerst de vraag of de Dienst Toeslagen het bestreden besluit op de voorgeschreven wijze bekend heeft gemaakt, zodat op de dag daarna de beroepstermijn is begonnen. Mocht het bestreden besluit op de juiste wijze bekend zijn gemaakt, zal de rechtbank de vraag beoordelen of het beroepschrift verschoonbaar te laat is ingediend.
Bekendmaking van het besluit
8.1.
Het is vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter dat bekendmaking van een besluit geschied op grond van artikel 3:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) door toezending of uitreiking van het besluit aan de aanvrager. Als de bekendmaking van het besluit geschiedt door toezending van het besluit is als regel de dag van de terpostbezorging van het besluit bepalend voor de aanvang van de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift. De regel dat met de terpostbezorging van het besluit de bekendmaking heeft plaatsgevonden, lijdt echter uitzondering als het poststuk de belanghebbende niet heeft bereikt als gevolg van een fout van het bestuursorgaan, zoals een verkeerde adressering die aan het bestuursorgaan te wijten is. In zo’n geval kan niet worden gezegd dat bekendmaking van het besluit op de voorgeschreven wijze heeft plaatsgevonden.
8.2.
De rechtbank constateert dat het bestreden besluit gedateerd is op 30 april 2025 en dat de Dienst Toeslagen een verzendetiket heeft overgelegd van een aangetekend poststuk. Dit verzendetiket was in het systeem van de Dienst Toeslagen op 29 april 2025 opgeslagen onder de titel ‘Track en trace BOB’. Daarnaast is ook op het verzendetiket genoteerd ‘inzake bob [eiseres]’. De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat het aannemelijk is dat de verzending van het bestreden besluit heeft plaatsgevonden. Nu verder niet is gebleken van een fout aan de zijde van de Dienst Toeslagen is de rechtbank van oordeel dat de bekendmaking van het bestreden besluit op de juiste wijze heeft plaatsgevonden.
Verschoonbaar te laat?
8.3.
De vraag is vervolgens of het beroep verschoonbaar te laat is ingediend. Op grond van vaste rechtspraak geldt dat als een besluit aangetekend is verzonden en de betrokkene de ontvangst ervan ontkent, onderzocht moet worden of in verband met de eventuele verschoonbaarheid van een termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb het stuk door het postvervoerbedrijf op regelmatige wijze aan het adres van de belanghebbende is aangeboden. Wanneer het postvervoerbedrijf bij aanbieding van het stuk niemand thuis treft en daarom een afhaalbericht achterlaat, komen de gevolgen van het niet ophalen van dat stuk bij het postvervoerbedrijf voor risico van de belanghebbende. Stelt de belanghebbende geen afhaalbericht te hebben ontvangen, dan ligt het op zijn weg feiten aannemelijk te maken op grond waarvan redelijkerwijs kan worden betwijfeld dat een afhaalbericht is achtergelaten. Daarbij kan relevant zijn of de betrokkene bij het bestuursorgaan heeft geïnformeerd naar de stand van zaken van de besluitvorming. De gevolgen van het niet afhalen van het stuk bij een afhaalpunt van het postvervoerbedrijf dienen in dit geval niet voor risico van eiseres te worden gelaten.
8.4.
Eiseres heeft betwist dat zij een afhaalbericht heeft ontvangen. De rechtbank acht het aannemelijk dat eiseres het besluit op bezwaar zou hebben afgehaald, als zij een afhaalbericht zou hebben ontvangen. De rechtbank weegt mee dat, vanwege het ontbreken van Track & Trace informatie, niet kan worden vastgesteld of een afhaalbericht is achtergelaten. Eiseres heeft gesteld dat zij het besluit voor het eerst op 2 juli 2025 per e-mail heeft ontvangen. Vervolgens is op 14 juli 2025 beroep ingesteld. De reden waarom de Dienst Toeslagen het bestreden besluit op 2 juli 2025 per e-mail heeft verzonden, is niet meer te achterhalen. Maar niet valt uit te sluiten dat de gemachtigde van eiseres heeft geïnformeerd naar de stand van zaken. De rechtbank acht de termijnoverschrijding van eiseres, alle omstandigheden in samenhang bezien, verschoonbaar en zal de zaak inhoudelijk beoordelen.
Heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag om compensatie voor de toeslagjaren 2009 tot en met 2015 terecht afgewezen?
Toeslagjaar 2009
9. Eiseres heeft tegen de afwijzing van compensatie voor het toeslagjaar 2009 geen gronden ingediend. De rechtbank stelt vast dat de afwijzing van compensatie voor dit jaar niet langer tussen partijen in geschil is.
Toeslagjaar 2010
10. Eiseres voert aan dat de Dienst Toeslagen voor het toeslagjaar 2010 ten onrechte van de gegevens zoals die zijn opgenomen in KOI-viewer is uitgegaan. Daardoor heeft de Dienst Toeslagen vooringenomen gehandeld. In KOI-viewer is opgenomen dat eiseres 104 uur kinderopvang heeft afgenomen. In werkelijkheid heeft eiseres meer uren kinderopvang afgenomen in 2010, namelijk 1240 uur volgens de urenspecificaties. Eiseres heeft niet goed begrepen hoe zij de door de Dienst Toeslagen gestuurde antwoordformulieren moest invullen. Daarnaast is sprake van onmacht, aangezien op de jaaropgave van de kinderopvang geen rekening wordt gehouden met afgenomen, maar onbetaald gebleven uren. Ook is sprake van hardheid van het systeem, omdat de Dienst Toeslagen bij de bewindvoerder van eiseres had moeten navragen hoeveel uur kinderopvang zij had afgenomen.
10.1.
Uit het dossier blijkt dat eiseres op 4 december 2009 een voorschot op de kinderopvangtoeslag is toegekend van € 7.538,-. Op 9 oktober 2013 is het recht op kinderopvangtoeslag definitief vastgesteld op € 485,-. De Dienst Toeslagen heeft zich hierbij gebaseerd op de KOI-viewer.
10.2.
De rechtbank stelt voorop dat uit het Handboek Integrale Beoordeling – Vaktechniek van de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (het Handboek) van de Dienst Toeslagen volgt dat als de kinderopvangtoeslag zonder voorafgaande uitvraag is verlaagd naar aanleiding van de uren zoals opgenomen in de KOI-viewer, dat in beginsel niet vooringenomen is. Dat kan anders zijn als de Dienst Toeslagen in redelijkheid had moeten twijfelen aan de gegevens in de KOI-viewer. De toets of de Dienst Toeslagen had moeten twijfelen aan de KOI-viewer, wordt gedaan met de informatie die op het moment van aanpassing op basis van KOI-viewer beschikbaar was. Ook kan het zo zijn dat weliswaar sprake is van vooringenomen handelen, maar dat achteraf gezien sprake is van evident geen recht of dat er geen sprake is van een onterechte verlaging. De ouder had dan immers ook geen recht op kinderopvangtoeslag.
10.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag om compensatie voor het toeslagjaar 2010 terecht afgewezen. De rechtbank constateert dat in het dossier zich een eerste antwoordformulier, ondertekend door eiseres op 11 mei 2010, bevindt. Hierin wordt gevraagd naar de naam van de opvanglocatie of gastouder. Verder heeft eiseres op 30 september 2011 een antwoordformulier voor het toeslagjaar 2010 retour gestuurd waarbij zij heeft aangegeven € 600,- aan opvang voor haar kind te hebben betaald en 0 uur kinderopvangtoeslag te hebben afgenomen. Eiseres heeft daarbij een factuur van maart 2011 overgelegd. Bij de definitieve vaststelling is op basis van de KOI-viewer de kinderopvangtoeslag op 9 oktober 2013 vastgesteld op 104 uren. Naar het oordeel van de rechtbank was er geen aanleiding voor de Dienst Toeslagen om te twijfelen aan de gegevens in de KOI-viewer. De gegevens komen vrijwel overeen met wat eiseres op het antwoordformulier zelf heeft ingevuld. Daarnaast bestond er de mogelijkheid om bezwaar en beroep in te stellen tegen de beslissing voor zover eiseres het niet eens was met de vaststelling van de kinderopvangtoeslag. Eiseres heeft ook bezwaar gemaakt tegen het besluit van 9 oktober 2013 waarin haar kinderopvangtoeslag voor het jaar 2010 definitief werd vastgesteld. Met het besluit van 16 januari 2014 op het bezwaar van eiseres heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar ongegrond verklaard. Eiseres heeft geen beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar. Uit de beslissing op bezwaar van 16 januari 2014 volgt dat de Dienst Toeslagen eiseres met een brief met dagtekening 23 december 2013 heeft verzocht om kopieën van het contract, jaaropgaven en betalingsbewijzen. Eiseres is hiermee nader in de gelegenheid gesteld om aanvullende informatie in te dienen. Dit heeft eiseres, zoals volgt uit de beslissing op bezwaar, niet gedaan. Het bezwaar is daarom ongegrond verklaard. De rechtbank constateert wel dat de brief van 23 december 2013 zelf niet in het dossier zit. Maar gezien het feit dat de datum van de brief wordt genoemd, de verzochte stukken worden genoemd en het feit dat vergelijkbare brieven voor de jaren 2012 tot en met 2014 (zie overweging 12.2) wel in het dossier zitten, acht de rechtbank het aannemelijk dat de Dienst Toeslagen deze brief wel degelijk heeft verstuurd. Eiseres heeft ook niet aangevoerd dat deze brief niet is verstuurd. Hiermee staat ook achteraf vast dat de verlaging terecht is geweest. Nu de Dienst Toeslagen uit mocht gaan van de gegevens in de KOI-viewer, heeft de Dienst Toeslagen terecht de kinderopvangtoeslag over het jaar 2010 verlaagd. Daarnaast is, ten overvloede, achteraf in bezwaar ook gebleken dat de verlaging terecht was. Eiseres heeft in bezwaar onvoldoende gerespondeerd op de gevraagde informatie.
10.4.
Dat de Dienst Toeslagen navraag had moeten doen bij de bewindvoerder van eiseres, kan de rechtbank niet volgen. Op het antwoordformulier is het adres van de bewindvoerder genoteerd, zodat de rechtbank aanneemt dat het antwoordformulier naar de bewindvoerder is verzonden. Daarnaast heeft de bewindvoerder geen invloed op het invullen van de gegevens in de KOI-viewer. De beroepsgrond slaagt niet.
10.5.
Voor zover eiseres een beroep heeft gedaan op de hardheidsclausule van artikel 9.1 van de Wht, slaagt dit evenmin. Eiseres heeft naar voren gebracht dat, omdat zij in een schuldsaneringstraject zat, er sprake is van een bijzondere omstandigheid die haar recht geeft op compensatie. De rechtbank volgt dit standpunt van eiseres niet. Niet valt in te zien waarom het volgen van een schuldsaneringstraject reden is voor het toepassen van de hardheidsclausule. Bovendien is de vordering van de Dienst Toeslagen meegenomen in het schuldsaneringstraject en is bij het verkrijgen van de schone lei het grootste deel van de vordering komen te vervallen. Het beroep op de hardheidsclausule slaagt niet.
Toeslagjaar 2011
11. Eiseres stelt dat de Dienst Toeslagen vooringenomen tegenover haar heeft gehandeld, omdat haar niet is gevraagd hoeveel uren opvang zij heeft afgenomen. Tijdens dit toeslagjaar zat eiseres in de schuldsanering en had zij een bewindvoerder, waardoor de reële kans bestaat dat niet alle uren zijn meegenomen. Het is onredelijk om onder die omstandigheden mee te wegen dat geen bezwaar is gemaakt tegen de vaststelling van de kinderopvangtoeslag van het toeslagjaar 2011.
11.1.
Uit het dossier blijkt dat eiseres op 3 december 2010 een voorschot op de kinderopvangtoeslag heeft ontvangen van € 7.319,-. Als gevolg van een hoger toetsingsinkomen van eiseres, is de kinderopvangtoeslag met de beschikking van 14 mei 2011 bijgesteld naar € 7.269,-. Bij beschikking van 25 februari 2014 is de definitieve kinderopvangtoeslag voor toeslagjaar 2011 vastgesteld op € 6.018,-. Dit bedrag is gebaseerd op 116 opvanguren per maand, in overeenstemming met de gegevens uit de KOI-viewer.
11.2.
De rechtbank oordeelt dat de Dienst Toeslagen over toeslagjaar 2011 terecht heeft geconcludeerd dat eiseres geen recht had op compensatie vanwege vooringenomenheid. Zij overweegt daartoe als volgt.
11.3.
De rechtbank benadrukt dat de Dienst Toeslagen in beginsel mag uitgaan van hetgeen in KOI-viewer staat vermeld, tenzij eiseres (met bewijsstukken) voldoende aannemelijk maakt dat er aan die gegevens in redelijkheid moet worden getwijfeld of als de Dienst Toeslagen zelf in redelijkheid had moeten twijfelen aan de juistheid van de gegevens in KOI-viewer. Daarvan kan sprake zijn als er stukken bekend zijn bij Dienst Toeslagen die niet overeenkomen met wat er in KOI-viewer staat, zoals een verklaring van een kinderopvanginstelling dat er kinderopvang bij hen is afgenomen, terwijl dit niet in KOI-viewer staat vermeld.
11.4.
De Dienst Toeslagen is voor het vaststellen van de kinderopvangtoeslag uitgegaan van de KOI-viewer die 116 opvanguren per maand aangaf (1382,25 uren in totaal). Op het antwoordformulier dat eiseres heeft opgestuurd voorafgaand aan de definitieve vaststelling van de kinderopvangtoeslag, heeft eiseres ingevuld dat zij tussen 1 januari 2009 en 31 december 2009 144 uur per maand opvang heeft afgenomen. Eiseres heeft daarbij een urenregistratieformulier van de opvang meegestuurd van september 2011. De rechtbank begrijpt dat de Dienst Toeslagen dit antwoordformulier heeft betrokken bij het vaststellen van de kinderopvangtoeslag voor het jaar 2011. Hoewel het aantal uren per maand uit de KOI-viewer (116 uur) afwijkt van wat eiseres op het antwoordformulier heeft ingevuld (144 uur), had de Dienst Toeslagen in dit geval niet hoeven twijfelen aan de gegevens in de KOI-viewer. Eiseres heeft bij haar antwoordformulier de urenspecificatie van slechts één maand meegestuurd. Het is niet-onaannemelijk dat 116 uur per maand een juist gemiddelde was van de kinderopvangtoeslag die eiseres in 2011 heeft afgenomen. In ieder geval was het geen reden voor twijfel. Daarnaast is de verlaging een gevolg van een gewijzigd toetsingsinkomen.
11.5.
De rechtbank maakt uit de opmaak van het antwoordformulier op dat het antwoordformulier aan eiseres zelf is verzonden en niet aan haar bewindvoerder. De rechtbank ziet hierin echter geen aanleiding om te oordelen dat sprake is van institutioneel vooringenomen handelen van de Dienst Toeslagen. Dat de Dienst Toeslagen toentertijd ten onrechte eiseres zelf heeft aangeschreven, acht de rechtbank niet meer dan een administratieve fout. Van enige vooringenomenheid bij de adressering van de post is de rechtbank niet gebleken.
Toeslagjaren 2012 tot en met 2015
12. Eiseres stelt dat de Dienst Toeslagen in de jaren 2012 tot en met 2015 vooringenomen tegenover haar heeft gehandeld door geen contact op te nemen met haar bewindvoerder maar enkel met haarzelf. De Dienst Toeslagen had aanleiding moeten zien navraag te doen bij de bewindvoerder, naar aanleiding van de door haar ingevulde antwoordformulieren. Eiseres had namelijk op de antwoordformulieren aangekruist dat er opvang was geweest, maar zij heeft vervolgens 0 uur genoteerd. Daarnaast heeft eiseres in het toeslagjaar 2012 daadwerkelijk opvang afgenomen. Ook heeft Dienst Toeslagen ten onrechte geoordeeld dat het ontbreken van de beslissing op het bezwaar van eiseres voor de definitieve toeslag voor het jaar 2013 geen vooringenomen handelen betreft. Op de zitting heeft eiseres aangegeven dat zij zelf de opvang in 2015 heeft stopgezet, zodat enkel de toeslagjaren 2012 tot en met 2014 besproken dienen te worden.
12.1.
Ten aanzien van de toeslagjaren 2012 tot en met 2014 is de rechtbank van oordeel dat de Dienst Toeslagen terecht heeft vastgesteld dat eiseres geen recht had op compensatie vanwege vooringenomenheid. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
12.2.
De rechtbank stelt voorop dat voor de verlagingen van 2013 geen sprake is van vooringenomen handelen omdat er tweemaal is uitgevraagd voor de verlaging dan wel nihilstelling. Op 4 november 2014 en op 15 december 2014 is een uitvraag om informatie gedaan voor het jaar 2013. Voor de jaren 2012 en 2014 is, naar het oordeel van de rechtbank, voldoende gebleken dat achteraf gezien sprake is van een terechte nihilstelling op grond van de contra-informatie. Zo heeft de ouder in het antwoordformulier op 9 mei 2015 voor het jaar 2014 aangegeven dat zij 0 uur opvang heeft afgenomen. Ook in de KOI-viewer is geen informatie over opvang te vinden voor het feit dat eiseres in 2014 opvang heeft afgenomen. Uit het dossier blijkt verder dat eiseres tegen de definitieve toekenning van de kinderopvangtoeslag in de jaren 2012 tot en met 2014 bezwaar heeft gemaakt. In het dossier zitten brieven van 15 september 2015, 19 oktober 2015 en 9 november 2015 waarin eiseres voor alle jaren is gevraagd nadere informatie aan de Dienst Toeslagen te sturen. Nadat eiseres hierop niet heeft gereageerd, is de Dienst Toeslagen bij de eerder vastgestelde toekenningen gebleven. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank geen reden om aan te nemen dat sprake was van vooringenomen handelen, dan wel is, voor zover sprake is van vooringenomen handelen, achteraf op basis van contra-informatie voldoende gebleken dat de kinderopvangtoeslag terecht is verlaagd. In bezwaar is eiseres immers voldoende in de gelegenheid gesteld om haar recht op kinderopvangtoeslag aannemelijk te maken. Niet is gebleken dat eiseres hierop heeft gereageerd. Zij heeft destijds niet aannemelijk gemaakt dat zij kinderopvang heeft afgenomen en dat zij recht had op kinderopvangtoeslag over de jaren 2012 tot en met 2014. In zoverre heeft het instrument van bezwaar zijn functie vervuld. De beroepsgrond dat recht bestaat op compensatie omdat sprake is van vooringenomen handelen, slaagt daarmee niet.
12.3.
De rechtbank ziet ook in de omstandigheid dat het besluit op bezwaar over het jaar 2013 ontbreekt, geen aanleiding om aan te nemen dat tegenover eiseres vooringenomen is gehandeld. Hoewel het slordig is dat de Dienst Toeslagen dit besluit kennelijk niet meer heeft (genomen), kwalificeert dit naar het oordeel van de rechtbank niet als een vooringenomen handeling. Ten aanzien van het standpunt van eiseres over het ten onrechte verzenden van brieven aan eiseres in plaats van haar bewindvoerder, verwijst de rechtbank naar overweging 11.5. De rechtbank merkt daarbij als bijkomende omstandigheid op dat een groot aantal van de verzonden correspondentie in deze toeslagjaren buiten de periode van bewind viel.
Conclusie en gevolgen
13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen recht heeft op compensatie voor de toeslagjaren 2010 tot en met 2015. Eiseres krijgt het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A. Hage, rechter, in aanwezigheid van mr. W.D.F. Oskam, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 2 september 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Kamerstukken II 2021/22, 36 151, nr. 3 (herdruk), blz. 70-71.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 24 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4527.
Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 11 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:84 en de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 15 april 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:647.
Dat is een systeem waarin wordt geregistreerd door de kinderopvanginstelling voor welke periode er bij hen kinderopvang wordt afgenomen, voor hoeveel uren en tegen welk tarief.
Dit staat in paragraaf 3.1.1 van het Handboek.
Dit staat in paragraaf 2.3.4 en 3.2.2 van het Handboek. Vergelijk ook het schema op p. 10 van het Handboek.
Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 3 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3175.
Dit volgt uit paragraaf 3.2.5 van het Handboek.
Vergelijk paragraaf 2.3.4 en 3.2.2 van het Handboek. Zie ook het schema op p. 10 van het Handboek.
Vergelijk bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 30 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1961.
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/5391
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 september 2026 in de zaak tussen
[eiseres], uit [woonplaats], eiseres
(gemachtigde: mr. L.A.E. Timmer),
en
Dienst Toeslagen
(gemachtigde: [gemachtigde]).
Samenvatting
1. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiseres is het niet eens met de afwijzing van haar aanvraag voor compensatie voor de jaren 2010 tot en met 2015. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen terecht het verzoek om compensatie afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dat oordeel komt.
Procesverloop
2. Met twee besluiten van 8 december 2022 heeft de Dienst Toeslagen beslist op de aanvraag van eiseres om compensatie op grond van de Wht.
2.1.
Met het besluit van 30 april 2025 (het bestreden besluit) heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiseres tegen de besluiten van 8 december 2022 ongegrond verklaard.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 8 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de Dienst Toeslagen.
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres heeft een aanvraag gedaan om compensatie op grond van de Wht. Met de twee besluiten van 8 december 2022 heeft de Dienst Toeslagen vastgesteld dat eiseres geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2009 tot en met 2015. Niet is gebleken dat de kinderopvangtoeslag over 2009 tot en met 2015 te laag is vastgesteld. Ook is volgens de Dienst Toeslagen niet gebleken dat zij te streng was bij het uitvoeren van de regels van de kinderopvangtoeslag. Verder heeft eiseres geen recht op compensatie vanwege hardheid van het stelsel. Met het bestreden besluit is de Dienst Toeslagen bij een afwijzing van de aanvraag voor compensatie gebleven.
Wettelijk kader
4. Op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wht kent de Dienst Toeslagen een compensatie toe aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag die schade heeft geleden doordat bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen. In de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 2.1 van de Wht is een niet-limitatieve opsomming van kenmerken genoemd die tot het oordeel kunnen leiden dat sprake is van institutionele vooringenomenheid.
Beoordeling door de rechtbank
5. De rechtbank beoordeelt of de Dienst Toeslagen de toegekende compensatie op juiste wijze heeft vastgesteld. Dit doet zij aan de hand van de beroepsgronden. Voordat de rechtbank toekomt aan de inhoudelijk beoordeling, zal de rechtbank de ontvankelijkheid van het beroep beoordelen.
Ontvankelijkheid beroep
6. De Dienst Toeslagen heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep van eiseres niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. De Dienst Toeslagen heeft namelijk op of rond 29 april 2025 het bestreden besluit verzonden. Ter onderbouwing legt de Dienst Toeslagen een verzendetiket over van PostNL, met een Track & Trace-code. Het beroepschrift dateert van 14 juli 2025 en is daarmee te laat.
7. Eiseres stelt dat zij voor het eerst bekend werd met het bestreden besluit van 30 april 2025 door middel van een e-mail van de Dienst Toeslagen van 2 juli 2025. Het is eiseres niet bekend dat het bestreden besluit op een eerder moment aan haar is toegezonden. Ook betwist eiseres dat de Dienst Toeslagen het bestreden besluit op juiste wijze bekend heeft gemaakt. De termijn voor het indienen van een beroepschrift bij de rechtbank is, aldus eiseres, voor het eerst op 2 juli 2025 gaan lopen.
8. De rechtbank beoordeelt eerst de vraag of de Dienst Toeslagen het bestreden besluit op de voorgeschreven wijze bekend heeft gemaakt, zodat op de dag daarna de beroepstermijn is begonnen. Mocht het bestreden besluit op de juiste wijze bekend zijn gemaakt, zal de rechtbank de vraag beoordelen of het beroepschrift verschoonbaar te laat is ingediend.
Bekendmaking van het besluit
8.1.
Het is vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter dat bekendmaking van een besluit geschied op grond van artikel 3:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) door toezending of uitreiking van het besluit aan de aanvrager. Als de bekendmaking van het besluit geschiedt door toezending van het besluit is als regel de dag van de terpostbezorging van het besluit bepalend voor de aanvang van de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift. De regel dat met de terpostbezorging van het besluit de bekendmaking heeft plaatsgevonden, lijdt echter uitzondering als het poststuk de belanghebbende niet heeft bereikt als gevolg van een fout van het bestuursorgaan, zoals een verkeerde adressering die aan het bestuursorgaan te wijten is. In zo’n geval kan niet worden gezegd dat bekendmaking van het besluit op de voorgeschreven wijze heeft plaatsgevonden.
8.2.
De rechtbank constateert dat het bestreden besluit gedateerd is op 30 april 2025 en dat de Dienst Toeslagen een verzendetiket heeft overgelegd van een aangetekend poststuk. Dit verzendetiket was in het systeem van de Dienst Toeslagen op 29 april 2025 opgeslagen onder de titel ‘Track en trace BOB’. Daarnaast is ook op het verzendetiket genoteerd ‘inzake bob [eiseres]’. De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat het aannemelijk is dat de verzending van het bestreden besluit heeft plaatsgevonden. Nu verder niet is gebleken van een fout aan de zijde van de Dienst Toeslagen is de rechtbank van oordeel dat de bekendmaking van het bestreden besluit op de juiste wijze heeft plaatsgevonden.
Verschoonbaar te laat?
8.3.
De vraag is vervolgens of het beroep verschoonbaar te laat is ingediend. Op grond van vaste rechtspraak geldt dat als een besluit aangetekend is verzonden en de betrokkene de ontvangst ervan ontkent, onderzocht moet worden of in verband met de eventuele verschoonbaarheid van een termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb het stuk door het postvervoerbedrijf op regelmatige wijze aan het adres van de belanghebbende is aangeboden. Wanneer het postvervoerbedrijf bij aanbieding van het stuk niemand thuis treft en daarom een afhaalbericht achterlaat, komen de gevolgen van het niet ophalen van dat stuk bij het postvervoerbedrijf voor risico van de belanghebbende. Stelt de belanghebbende geen afhaalbericht te hebben ontvangen, dan ligt het op zijn weg feiten aannemelijk te maken op grond waarvan redelijkerwijs kan worden betwijfeld dat een afhaalbericht is achtergelaten. Daarbij kan relevant zijn of de betrokkene bij het bestuursorgaan heeft geïnformeerd naar de stand van zaken van de besluitvorming. De gevolgen van het niet afhalen van het stuk bij een afhaalpunt van het postvervoerbedrijf dienen in dit geval niet voor risico van eiseres te worden gelaten.
8.4.
Eiseres heeft betwist dat zij een afhaalbericht heeft ontvangen. De rechtbank acht het aannemelijk dat eiseres het besluit op bezwaar zou hebben afgehaald, als zij een afhaalbericht zou hebben ontvangen. De rechtbank weegt mee dat, vanwege het ontbreken van Track & Trace informatie, niet kan worden vastgesteld of een afhaalbericht is achtergelaten. Eiseres heeft gesteld dat zij het besluit voor het eerst op 2 juli 2025 per e-mail heeft ontvangen. Vervolgens is op 14 juli 2025 beroep ingesteld. De reden waarom de Dienst Toeslagen het bestreden besluit op 2 juli 2025 per e-mail heeft verzonden, is niet meer te achterhalen. Maar niet valt uit te sluiten dat de gemachtigde van eiseres heeft geïnformeerd naar de stand van zaken. De rechtbank acht de termijnoverschrijding van eiseres, alle omstandigheden in samenhang bezien, verschoonbaar en zal de zaak inhoudelijk beoordelen.
Heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag om compensatie voor de toeslagjaren 2009 tot en met 2015 terecht afgewezen?
Toeslagjaar 2009
9. Eiseres heeft tegen de afwijzing van compensatie voor het toeslagjaar 2009 geen gronden ingediend. De rechtbank stelt vast dat de afwijzing van compensatie voor dit jaar niet langer tussen partijen in geschil is.
Toeslagjaar 2010
10. Eiseres voert aan dat de Dienst Toeslagen voor het toeslagjaar 2010 ten onrechte van de gegevens zoals die zijn opgenomen in KOI-viewer is uitgegaan. Daardoor heeft de Dienst Toeslagen vooringenomen gehandeld. In KOI-viewer is opgenomen dat eiseres 104 uur kinderopvang heeft afgenomen. In werkelijkheid heeft eiseres meer uren kinderopvang afgenomen in 2010, namelijk 1240 uur volgens de urenspecificaties. Eiseres heeft niet goed begrepen hoe zij de door de Dienst Toeslagen gestuurde antwoordformulieren moest invullen. Daarnaast is sprake van onmacht, aangezien op de jaaropgave van de kinderopvang geen rekening wordt gehouden met afgenomen, maar onbetaald gebleven uren. Ook is sprake van hardheid van het systeem, omdat de Dienst Toeslagen bij de bewindvoerder van eiseres had moeten navragen hoeveel uur kinderopvang zij had afgenomen.
10.1.
Uit het dossier blijkt dat eiseres op 4 december 2009 een voorschot op de kinderopvangtoeslag is toegekend van € 7.538,-. Op 9 oktober 2013 is het recht op kinderopvangtoeslag definitief vastgesteld op € 485,-. De Dienst Toeslagen heeft zich hierbij gebaseerd op de KOI-viewer.
10.2.
De rechtbank stelt voorop dat uit het Handboek Integrale Beoordeling – Vaktechniek van de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (het Handboek) van de Dienst Toeslagen volgt dat als de kinderopvangtoeslag zonder voorafgaande uitvraag is verlaagd naar aanleiding van de uren zoals opgenomen in de KOI-viewer, dat in beginsel niet vooringenomen is. Dat kan anders zijn als de Dienst Toeslagen in redelijkheid had moeten twijfelen aan de gegevens in de KOI-viewer. De toets of de Dienst Toeslagen had moeten twijfelen aan de KOI-viewer, wordt gedaan met de informatie die op het moment van aanpassing op basis van KOI-viewer beschikbaar was. Ook kan het zo zijn dat weliswaar sprake is van vooringenomen handelen, maar dat achteraf gezien sprake is van evident geen recht of dat er geen sprake is van een onterechte verlaging. De ouder had dan immers ook geen recht op kinderopvangtoeslag.
10.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag om compensatie voor het toeslagjaar 2010 terecht afgewezen. De rechtbank constateert dat in het dossier zich een eerste antwoordformulier, ondertekend door eiseres op 11 mei 2010, bevindt. Hierin wordt gevraagd naar de naam van de opvanglocatie of gastouder. Verder heeft eiseres op 30 september 2011 een antwoordformulier voor het toeslagjaar 2010 retour gestuurd waarbij zij heeft aangegeven € 600,- aan opvang voor haar kind te hebben betaald en 0 uur kinderopvangtoeslag te hebben afgenomen. Eiseres heeft daarbij een factuur van maart 2011 overgelegd. Bij de definitieve vaststelling is op basis van de KOI-viewer de kinderopvangtoeslag op 9 oktober 2013 vastgesteld op 104 uren. Naar het oordeel van de rechtbank was er geen aanleiding voor de Dienst Toeslagen om te twijfelen aan de gegevens in de KOI-viewer. De gegevens komen vrijwel overeen met wat eiseres op het antwoordformulier zelf heeft ingevuld. Daarnaast bestond er de mogelijkheid om bezwaar en beroep in te stellen tegen de beslissing voor zover eiseres het niet eens was met de vaststelling van de kinderopvangtoeslag. Eiseres heeft ook bezwaar gemaakt tegen het besluit van 9 oktober 2013 waarin haar kinderopvangtoeslag voor het jaar 2010 definitief werd vastgesteld. Met het besluit van 16 januari 2014 op het bezwaar van eiseres heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar ongegrond verklaard. Eiseres heeft geen beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar. Uit de beslissing op bezwaar van 16 januari 2014 volgt dat de Dienst Toeslagen eiseres met een brief met dagtekening 23 december 2013 heeft verzocht om kopieën van het contract, jaaropgaven en betalingsbewijzen. Eiseres is hiermee nader in de gelegenheid gesteld om aanvullende informatie in te dienen. Dit heeft eiseres, zoals volgt uit de beslissing op bezwaar, niet gedaan. Het bezwaar is daarom ongegrond verklaard. De rechtbank constateert wel dat de brief van 23 december 2013 zelf niet in het dossier zit. Maar gezien het feit dat de datum van de brief wordt genoemd, de verzochte stukken worden genoemd en het feit dat vergelijkbare brieven voor de jaren 2012 tot en met 2014 (zie overweging 12.2) wel in het dossier zitten, acht de rechtbank het aannemelijk dat de Dienst Toeslagen deze brief wel degelijk heeft verstuurd. Eiseres heeft ook niet aangevoerd dat deze brief niet is verstuurd. Hiermee staat ook achteraf vast dat de verlaging terecht is geweest. Nu de Dienst Toeslagen uit mocht gaan van de gegevens in de KOI-viewer, heeft de Dienst Toeslagen terecht de kinderopvangtoeslag over het jaar 2010 verlaagd. Daarnaast is, ten overvloede, achteraf in bezwaar ook gebleken dat de verlaging terecht was. Eiseres heeft in bezwaar onvoldoende gerespondeerd op de gevraagde informatie.
10.4.
Dat de Dienst Toeslagen navraag had moeten doen bij de bewindvoerder van eiseres, kan de rechtbank niet volgen. Op het antwoordformulier is het adres van de bewindvoerder genoteerd, zodat de rechtbank aanneemt dat het antwoordformulier naar de bewindvoerder is verzonden. Daarnaast heeft de bewindvoerder geen invloed op het invullen van de gegevens in de KOI-viewer. De beroepsgrond slaagt niet.
10.5.
Voor zover eiseres een beroep heeft gedaan op de hardheidsclausule van artikel 9.1 van de Wht, slaagt dit evenmin. Eiseres heeft naar voren gebracht dat, omdat zij in een schuldsaneringstraject zat, er sprake is van een bijzondere omstandigheid die haar recht geeft op compensatie. De rechtbank volgt dit standpunt van eiseres niet. Niet valt in te zien waarom het volgen van een schuldsaneringstraject reden is voor het toepassen van de hardheidsclausule. Bovendien is de vordering van de Dienst Toeslagen meegenomen in het schuldsaneringstraject en is bij het verkrijgen van de schone lei het grootste deel van de vordering komen te vervallen. Het beroep op de hardheidsclausule slaagt niet.
Toeslagjaar 2011
11. Eiseres stelt dat de Dienst Toeslagen vooringenomen tegenover haar heeft gehandeld, omdat haar niet is gevraagd hoeveel uren opvang zij heeft afgenomen. Tijdens dit toeslagjaar zat eiseres in de schuldsanering en had zij een bewindvoerder, waardoor de reële kans bestaat dat niet alle uren zijn meegenomen. Het is onredelijk om onder die omstandigheden mee te wegen dat geen bezwaar is gemaakt tegen de vaststelling van de kinderopvangtoeslag van het toeslagjaar 2011.
11.1.
Uit het dossier blijkt dat eiseres op 3 december 2010 een voorschot op de kinderopvangtoeslag heeft ontvangen van € 7.319,-. Als gevolg van een hoger toetsingsinkomen van eiseres, is de kinderopvangtoeslag met de beschikking van 14 mei 2011 bijgesteld naar € 7.269,-. Bij beschikking van 25 februari 2014 is de definitieve kinderopvangtoeslag voor toeslagjaar 2011 vastgesteld op € 6.018,-. Dit bedrag is gebaseerd op 116 opvanguren per maand, in overeenstemming met de gegevens uit de KOI-viewer.
11.2.
De rechtbank oordeelt dat de Dienst Toeslagen over toeslagjaar 2011 terecht heeft geconcludeerd dat eiseres geen recht had op compensatie vanwege vooringenomenheid. Zij overweegt daartoe als volgt.
11.3.
De rechtbank benadrukt dat de Dienst Toeslagen in beginsel mag uitgaan van hetgeen in KOI-viewer staat vermeld, tenzij eiseres (met bewijsstukken) voldoende aannemelijk maakt dat er aan die gegevens in redelijkheid moet worden getwijfeld of als de Dienst Toeslagen zelf in redelijkheid had moeten twijfelen aan de juistheid van de gegevens in KOI-viewer. Daarvan kan sprake zijn als er stukken bekend zijn bij Dienst Toeslagen die niet overeenkomen met wat er in KOI-viewer staat, zoals een verklaring van een kinderopvanginstelling dat er kinderopvang bij hen is afgenomen, terwijl dit niet in KOI-viewer staat vermeld.
11.4.
De Dienst Toeslagen is voor het vaststellen van de kinderopvangtoeslag uitgegaan van de KOI-viewer die 116 opvanguren per maand aangaf (1382,25 uren in totaal). Op het antwoordformulier dat eiseres heeft opgestuurd voorafgaand aan de definitieve vaststelling van de kinderopvangtoeslag, heeft eiseres ingevuld dat zij tussen 1 januari 2009 en 31 december 2009 144 uur per maand opvang heeft afgenomen. Eiseres heeft daarbij een urenregistratieformulier van de opvang meegestuurd van september 2011. De rechtbank begrijpt dat de Dienst Toeslagen dit antwoordformulier heeft betrokken bij het vaststellen van de kinderopvangtoeslag voor het jaar 2011. Hoewel het aantal uren per maand uit de KOI-viewer (116 uur) afwijkt van wat eiseres op het antwoordformulier heeft ingevuld (144 uur), had de Dienst Toeslagen in dit geval niet hoeven twijfelen aan de gegevens in de KOI-viewer. Eiseres heeft bij haar antwoordformulier de urenspecificatie van slechts één maand meegestuurd. Het is niet-onaannemelijk dat 116 uur per maand een juist gemiddelde was van de kinderopvangtoeslag die eiseres in 2011 heeft afgenomen. In ieder geval was het geen reden voor twijfel. Daarnaast is de verlaging een gevolg van een gewijzigd toetsingsinkomen.
11.5.
De rechtbank maakt uit de opmaak van het antwoordformulier op dat het antwoordformulier aan eiseres zelf is verzonden en niet aan haar bewindvoerder. De rechtbank ziet hierin echter geen aanleiding om te oordelen dat sprake is van institutioneel vooringenomen handelen van de Dienst Toeslagen. Dat de Dienst Toeslagen toentertijd ten onrechte eiseres zelf heeft aangeschreven, acht de rechtbank niet meer dan een administratieve fout. Van enige vooringenomenheid bij de adressering van de post is de rechtbank niet gebleken.
Toeslagjaren 2012 tot en met 2015
12. Eiseres stelt dat de Dienst Toeslagen in de jaren 2012 tot en met 2015 vooringenomen tegenover haar heeft gehandeld door geen contact op te nemen met haar bewindvoerder maar enkel met haarzelf. De Dienst Toeslagen had aanleiding moeten zien navraag te doen bij de bewindvoerder, naar aanleiding van de door haar ingevulde antwoordformulieren. Eiseres had namelijk op de antwoordformulieren aangekruist dat er opvang was geweest, maar zij heeft vervolgens 0 uur genoteerd. Daarnaast heeft eiseres in het toeslagjaar 2012 daadwerkelijk opvang afgenomen. Ook heeft Dienst Toeslagen ten onrechte geoordeeld dat het ontbreken van de beslissing op het bezwaar van eiseres voor de definitieve toeslag voor het jaar 2013 geen vooringenomen handelen betreft. Op de zitting heeft eiseres aangegeven dat zij zelf de opvang in 2015 heeft stopgezet, zodat enkel de toeslagjaren 2012 tot en met 2014 besproken dienen te worden.
12.1.
Ten aanzien van de toeslagjaren 2012 tot en met 2014 is de rechtbank van oordeel dat de Dienst Toeslagen terecht heeft vastgesteld dat eiseres geen recht had op compensatie vanwege vooringenomenheid. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
12.2.
De rechtbank stelt voorop dat voor de verlagingen van 2013 geen sprake is van vooringenomen handelen omdat er tweemaal is uitgevraagd voor de verlaging dan wel nihilstelling. Op 4 november 2014 en op 15 december 2014 is een uitvraag om informatie gedaan voor het jaar 2013. Voor de jaren 2012 en 2014 is, naar het oordeel van de rechtbank, voldoende gebleken dat achteraf gezien sprake is van een terechte nihilstelling op grond van de contra-informatie. Zo heeft de ouder in het antwoordformulier op 9 mei 2015 voor het jaar 2014 aangegeven dat zij 0 uur opvang heeft afgenomen. Ook in de KOI-viewer is geen informatie over opvang te vinden voor het feit dat eiseres in 2014 opvang heeft afgenomen. Uit het dossier blijkt verder dat eiseres tegen de definitieve toekenning van de kinderopvangtoeslag in de jaren 2012 tot en met 2014 bezwaar heeft gemaakt. In het dossier zitten brieven van 15 september 2015, 19 oktober 2015 en 9 november 2015 waarin eiseres voor alle jaren is gevraagd nadere informatie aan de Dienst Toeslagen te sturen. Nadat eiseres hierop niet heeft gereageerd, is de Dienst Toeslagen bij de eerder vastgestelde toekenningen gebleven. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank geen reden om aan te nemen dat sprake was van vooringenomen handelen, dan wel is, voor zover sprake is van vooringenomen handelen, achteraf op basis van contra-informatie voldoende gebleken dat de kinderopvangtoeslag terecht is verlaagd. In bezwaar is eiseres immers voldoende in de gelegenheid gesteld om haar recht op kinderopvangtoeslag aannemelijk te maken. Niet is gebleken dat eiseres hierop heeft gereageerd. Zij heeft destijds niet aannemelijk gemaakt dat zij kinderopvang heeft afgenomen en dat zij recht had op kinderopvangtoeslag over de jaren 2012 tot en met 2014. In zoverre heeft het instrument van bezwaar zijn functie vervuld. De beroepsgrond dat recht bestaat op compensatie omdat sprake is van vooringenomen handelen, slaagt daarmee niet.
12.3.
De rechtbank ziet ook in de omstandigheid dat het besluit op bezwaar over het jaar 2013 ontbreekt, geen aanleiding om aan te nemen dat tegenover eiseres vooringenomen is gehandeld. Hoewel het slordig is dat de Dienst Toeslagen dit besluit kennelijk niet meer heeft (genomen), kwalificeert dit naar het oordeel van de rechtbank niet als een vooringenomen handeling. Ten aanzien van het standpunt van eiseres over het ten onrechte verzenden van brieven aan eiseres in plaats van haar bewindvoerder, verwijst de rechtbank naar overweging 11.5. De rechtbank merkt daarbij als bijkomende omstandigheid op dat een groot aantal van de verzonden correspondentie in deze toeslagjaren buiten de periode van bewind viel.
Conclusie en gevolgen
13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen recht heeft op compensatie voor de toeslagjaren 2010 tot en met 2015. Eiseres krijgt het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A. Hage, rechter, in aanwezigheid van mr. W.D.F. Oskam, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 2 september 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Kamerstukken II 2021/22, 36 151, nr. 3 (herdruk), blz. 70-71.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 24 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4527.
Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 11 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:84 en de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 15 april 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:647.
Dat is een systeem waarin wordt geregistreerd door de kinderopvanginstelling voor welke periode er bij hen kinderopvang wordt afgenomen, voor hoeveel uren en tegen welk tarief.
Dit staat in paragraaf 3.1.1 van het Handboek.
Dit staat in paragraaf 2.3.4 en 3.2.2 van het Handboek. Vergelijk ook het schema op p. 10 van het Handboek.
Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 3 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3175.
Dit volgt uit paragraaf 3.2.5 van het Handboek.
Vergelijk paragraaf 2.3.4 en 3.2.2 van het Handboek. Zie ook het schema op p. 10 van het Handboek.
Vergelijk bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 30 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1961.