Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:10887

2026-09-01 Bestuursrecht ROT 25/8517
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2026-09-01
Publicatiedatum
2026-08-31
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
ROT 25/8517
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiseres, anders dan het college stelt, procesbelang heeft bij deze procedure. Ook was de Stichting Urgentiebepaling Woningzoekenden Rijnmond bevoegd om namens het college op de aanvraag te beslissen. Het college heeft de aanvraag van eiseres terecht afgewezen. Eiseres heeft de woning moeten verlaten omdat zij daarin onrechtmatig verbleef, niet omdat de woning onbewoonbaar is geworden. Het college heeft in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien om de hardheidsclausule toe te passen

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (17.701 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM


Bestuursrecht



zaaknummer: ROT 25/8517


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 september 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit [plaatsnaam], eiseres
(gemachtigde: mr. G.A.S. Maduro),


en


het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college
(gemachtigde: mr. M.A.C. Kooij).


Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een urgentieverklaring. Volgens het college voldoet eiseres niet aan de voorwaarden voor een urgentieverklaring. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiseres, anders dan het college stelt, procesbelang heeft bij deze procedure. Ook was de Stichting Urgentiebepaling Woningzoekenden Rijnmond (SUWR) bevoegd om namens het college op de aanvraag te beslissen. Het college heeft de aanvraag van eiseres terecht afgewezen. Eiseres heeft de woning moeten verlaten omdat zij daarin onrechtmatig verbleef, niet omdat de woning onbewoonbaar is geworden. Het college heeft in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien om de hardheidsclausule toe te passen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop

2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een urgentieverklaring. De manager Urgentie van SUWR heeft deze aanvraag namens het college met het besluit van 5 juni 2025 (primaire besluit) afgewezen.

3. Eiseres heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft het verzoek met een uitspraak van 25 juli 2025 afgewezen.


3.1.
Met het bestreden besluit van 3 oktober 2025 op het bezwaar van eiseres heeft de directeur van SUWR het bezwaar van eiseres namens het college ongegrond verklaard.



3.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.


3.3.
De rechtbank heeft het beroep op 27 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college.




Beoordeling door de rechtbank



Totstandkoming van het bestreden besluit

4. Eiseres is in 2024 met haar dochter van 16 jaar naar Nederland gekomen. Zij woonden in Haarlem, waar eiseres een woning huurde in onderhuur.



4.1.
Eiseres heeft op 1 mei 2025 bij SUWR een aanvraag gedaan voor een urgentieverklaring op de urgentiegrond ‘onbewoonbaarheid’. Eiseres heeft aan haar aanvraag ten grondslag gelegd dat de keuken in de woning in Haarlem in 2023 door een brand is verwoest. Toen eiseres de woning betrok, had de onderverhuurder toegezegd dat de keuken gerenoveerd zou worden, maar dat is nooit gebeurd. In april 2025 heeft de eigenaar van de woning de woning laten ontruimen. De manager Urgentie van SUWR heeft namens het college de aanvraag van eiseres met het primaire besluit afgewezen.



4.2.
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de afwijzing en de directeur van SUWR heeft het bezwaar namens het college ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat eiseres niet voldoet aan de vereisten voor een urgentieverklaring. Zij woonde niet direct voorafgaand aan het onbewoonbaar worden van de woonruimte rechtmatig in een zelfstandige woonruimte. Ook is niet voldaan aan de eis dat de woning feitelijk onbewoonbaar is geworden ten gevolge van een calamiteit waarbij sprake is van acute onbewoonbaarheid. Eiseres woonde op het moment van de aanvraag niet meer in de woning en zij heeft ook niet rechtmatig in de woning gewoond. Uit een brief van de eigenaar van de woning van 10 maart 2025 blijkt namelijk dat eiseres de woning huurde op basis van onrechtmatige onderhuur. Daarnaast was de woning al onbewoonbaar toen eiseres de woning betrok. De onbewoonbaarheid was daarom niet het gevolg van een onverwachte calamiteit. Daarnaast heeft eiseres geen binding met de regio. Volgens de directeur van SUWR is er geen reden om met toepassing van de hardheidsclausule af te wijken van de regelgeving.



Toetsingskader


5. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.



Heeft eiseres procesbelang bij deze procedure?


6. Ter zitting is besproken dat eiseres inmiddels een woning heeft in Groningen. Het college stelt zich op het standpunt dat eiseres daarom geen procesbelang meer heeft en dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.



6.1.
Het doel van een urgentieverklaring is huisvesting. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres op dit moment over zelfstandige huisvesting beschikt. Daarmee komt zij niet meer in aanmerking voor de door haar gevraagde urgentieverklaring. Het procesbelang van eiseres is daarmee in beginsel komen te vervallen. Echter, als iemand stelt schade te hebben geleden, kan dat betekenen dat diegene alsnog belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. Het moet wel enigszins aannemelijk zijn dat schade is geleden als gevolg van het besluit. Eiseres heeft ter zitting verklaard dat zij schade heeft geleden omdat zij heeft moeten verhuizen naar Groningen en niet met een urgentieverklaring een woning in de regio Rotterdam kon zoeken. De dochter van eiseres moest vanwege de verhuizing opnieuw beginnen met haar opleiding, waardoor zij één jaar studievertraging heeft opgelopen. De rechtbank sluit niet uit dat de dochter van eiseres vanwege de verhuizing studievertraging heeft opgelopen en daardoor schade heeft geleden. Dat (de dochter van) eiseres door de afwijzing van de aanvraag schade heeft geleden, vindt de rechtbank daarom enigszins aannemelijk. Eiseres heeft daarom belang bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep.



Was SUWR bevoegd om het besluit te nemen?

7. Eiseres stelt zich op het standpunt dat SUWR niet bevoegd is om urgentiebesluiten te nemen namens het college.




7.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Gelet op artikel 5.26, eerste lid, van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging Rotterdam 2021 dat geldend was ten tijde van het primaire besluit, was de manager van SUWR bevoegd tot het beslissen op aanvragen voor urgentie, bedoeld in artikel 2.3.8 en bijlage 1 van de Verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2024 (de Verordening). De manager van SUWR was dus bevoegd om namens het college de aanvraag van eiseres af te wijzen. Op grond van hetzelfde artikel, tweede lid, was de directeur van SUWR bevoegd om namens het college te beslissen op het bezwaar van eiseres. In het vervolg van deze uitspraak zal ervan worden uitgegaan dat het bestreden besluit door het college is genomen.



Heeft het college de aanvraag van eiseres terecht afgewezen?

8. Eiseres voert aan dat het college haar aanvraag ten onrechte heeft afgewezen op de grond dat de onbewoonbaarheid van haar woning al bekend was toen zij in de woning ging wonen. Volgens eiseres is de onbewoonbaarheid erin gelegen dat de eigenaar van de woning de woning onbewoonbaar heeft gemaakt toen hij de woning heeft ontruimd. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft eiseres een aantal foto’s van de woning overgelegd. Verder voert eiseres aan dat zij wel degelijk een binding met de regio Rotterdam heeft.




8.1.
Op grond van artikel 2.3, derde lid, van Bijlage I bij de Verordening (de Bijlage) weigert het college een aanvraag om urgentieverklaring indien geen van de in artikel 5.1 tot en met 5.8 van de Bijlage genoemde urgentiegronden zich voordoet. Op grond van artikel 5.2 van de Bijlage doet de urgentiegrond onbewoonbaarheid zich voor als de aanvrager direct voorafgaand aan het onbewoonbaar worden van de zelfstandige woonruimte die woonruimte rechtmatig bewoonde en de woonruimte feitelijk onbewoonbaar is, dan wel ten gevolge van een calamiteit acuut feitelijk onbewoonbaar is geworden en redelijkerwijs niet binnen drie maanden te herstellen is.



8.2.
De rechtbank is van oordeel dat het college de aanvraag van eiseres terecht heeft afgewezen. De reden dat eiseres de woning heeft verlaten is namelijk niet dat de woning onbewoonbaar is geworden, maar dat de eigenaar de woning heeft ontruimd omdat eiseres daarin onrechtmatig verbleef en hij de woning wilde herstellen. Voor zover al uit de foto’s zou blijken dat (een deel van) de schade aan de woning is veroorzaakt door de eigenaar (en dus niet door de brand in 2023), staat die schade los van de reden waarom eiseres de woning heeft moeten verlaten. Immers, ook zonder die schade had eiseres de woning moeten verlaten omdat de eigenaar toegang tot de woning wilde hebben. Eiseres voldoet daarom niet aan de vereisten van de urgentiegrond onbewoonbaarheid. Het college heeft reeds hierom de aanvraag terecht afgewezen. Wat eiseres heeft aangevoerd over haar binding met de regio Rotterdam, behoeft daarom geen bespreking meer.



Had het college de hardheidsclausule moeten toepassen?

9. Eiseres voert aan dat het college aan haar een urgentieverklaring had moeten geven met toepassing van de hardheidsclausule. Eiseres is dakloos geraakt buiten haar eigen schuld en is, met een minderjarige dochter, afhankelijk geworden van tijdelijke opvang. Volgens eiseres heeft het college de belangen van haar minderjarige dochter onvoldoende meegewogen. Daarnaast voert eiseres in dit verband aan dat zij te goeder trouw was. Zij wist namelijk niet dat zij onrechtmatig in de woning verbleef. Zij is door de onderverhuurder opgelicht.




9.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Eiseres heeft tijdens de hoorzitting in de bezwaarprocedure verklaard dat zij bij kennissen verbleef en dat zij op dat moment op één adres woonde. Het college heeft zich daarom in het bestreden besluit in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eiseres en haar minderjarige dochter een dak boven het hoofd hadden en dat haar situatie niet dusdanig schrijnend was dat zij op grond van de hardheidsclausule een urgentieverklaring had moeten krijgen. Eiseres heeft geen omstandigheden aangevoerd die maken dat haar situatie afwijkt van die van andere woningzoekenden. Dat eiseres niet wist dat zij onrechtmatig in de woning verbleef, leidt niet tot een ander oordeel. Die omstandigheid laat namelijk onverlet dat eiseres tijdelijk onderdak heeft kunnen vinden.




Conclusie en gevolgen


10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college de aanvraag van eiseres terecht heeft afgewezen. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.






Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.






Deze uitspraak is gedaan door mr. G.B. Plomp, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Blokhuis, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 1 september 2026.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving



Besluit mandaat, volmacht en machtiging Rotterdam 2021





Artikel 5.26 Collegemandaten en -machtigingen aan de manager en de directeur van de Stichting Urgentiebepaling Woningzoekenden Rijnmond


1. Aan de manager van de Stichting Urgentiebepaling Woningzoekenden Rijnmond wordt door het college mandaat respectievelijk machtiging verleend tot het beslissen op aanvragen voor urgentie, bedoeld in artikel 2.3.8 en bijlage 1 van de Verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2024 en het in het kader hiervan verrichten van alle benodigde feitelijke handelingen.
2. Aan de directeur van de Stichting Urgentiebepaling Woningzoekenden Rijnmond wordt mandaat respectievelijk machtiging verleend tot het beslissen op bezwaarschriften gericht tegen besluiten die op grond van het eerste lid zijn genomen, inclusief het beslissen op verzoeken om vergoeding van de proceskosten op grond van artikel 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht en het in het kader hiervan verrichten van alle benodigde feitelijke handelingen.



Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025





Artikel 6.1.2. Overgangsbepaling ingeval van bezwaar, beroep of hoger beroep


1. Indien bezwaar is gemaakt, beroep is ingesteld of hoger beroep is ingesteld tegen een besluit dat genomen is met toepassing van de Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2024, blijft die verordening van toepassing totdat het besluit onherroepelijk is.
[…]



Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2024





Artikel 2.3.8. Voorrang voor bezitters van een urgentie- of herhuisvestingsverklaring


1. Een huishouden dat wegens een persoonlijke noodsituatie of wegens sloop of ingrijpende verbetering van zijn woonruimte een (andere) woonruimte nodig heeft en geen gebruik kan maken van een voorliggende voorziening, kan in aanmerking komen voor een urgentieverklaring, dan wel een herhuisvestingsverklaring.
2. In Bijlage I bij deze verordening is aangegeven:
a. door wie, bij wie en de wijze waarop de in het vorige lid bedoelde verklaringen kunnen worden aangevraagd,
b. door wie en de gronden waarop deze verklaringen worden verstrekt,
c. de inhoud van deze verklaringen en
d. de gevolgen die deze verklaringen hebben voor de positie op de woningmarkt van de bezitter ervan.



Bijlage I bij de Verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2024





Artikel 2.3. Weigeringsgronden urgentieverklaring

[…]

3. Het bestuursorgaan dat bevoegd is te beslissen op een aanvraag om urgentieverklaring weigert het aangevraagde indien geen van de in artikel 5.1 tot en met 5.8 van deze Bijlage genoemde urgentiegronden zich voordoet.
[…]s



Artikel 2.5. Hardheidsclausule


1. Het bestuursorgaan dat belast is met het beslissen op aanvragen om een urgentieverklaring is, indien strikte toepassing van deze verordening zou leiden tot weigering van een urgentieverklaring, bevoegd om toch een urgentieverklaring toe te kennen indien:
a. weigering van een urgentieverklaring leidt tot een schrijnende situatie; en,
b. sprake is van bijzondere, bij het vaststellen van de verordening onvoorziene, omstandigheden die gelet op het doel van de verordening redelijkerwijs toch tot een grond voor de verlening van een urgentieverklaring zouden kunnen zijn.
2. Het in het eerste lid bedoelde bestuursorgaan registreert de gevallen waarin met toepassing van het in het eerste lid bepaalde een urgentieverklaring wordt verleend. De registratie bevat ten minste de datum waarop de urgentieverklaring wordt verleend en de specifieke omstandigheden van het geval die leiden tot de verlening van de urgentieverklaring. De registraties worden besproken in het in artikel 2.5.2 van de verordening bedoelde overleg.



Artikel 5.2. Onbewoonbaarheid

De in de titel van dit artikel bedoelde urgentiegrond doet zich voor als de aanvrager:

a. bewoonde direct voorafgaand aan het onbewoonbaar worden van die woonruimte rechtmatig zelfstandige woonruimte; en
b. zijn woonruimte feitelijk onbewoonbaar is, dan wel ten gevolge van een calamiteit acuut feitelijk onbewoonbaar is geworden en redelijkerwijs niet binnen drie maanden te herstellen is.


Zie de uitspraak van deze rechtbank van 25 juli 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:9163.


Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 15 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:238.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 4 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1235.


Artikel 2.5, eerste lid, van de Verordening.


Eiseres doet een beroep op artikel 3, eerste lid, van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind.