Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:10713
2026-08-27
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
ROT 26/6205
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Varia. Vovo. VOG. Het griffierecht is te laat betaald, maar de voorzieningenrechter acht het verzoek om een voorlopige voorziening bij wijze van uitzondering in dit geval ontvankelijk. Ten aanzien van het spoedeisend belang overweegt de voorzieningenrechter dat dit door verzoeker onvoldoende aannemelijk is gemaakt.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (7.599 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/6205
uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 augustus 2026 in de zaak tussen
[verzoeker], uit [woonplaats], verzoeker
(gemachtigde: mr. S. van der Eijk),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris
(gemachtigde: mr. V.N. Chaudron).
Samenvatting
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoeker voor een verklaring omtrent gedrag (VOG). Verzoeker is het hier niet mee eens en verzoekt daarom om een voorlopige voorziening.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 2 juni 2026 heeft de staatssecretaris verzoekers aanvraag voor een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) afgewezen.
Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De staatssecretaris heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 25 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, mr. T. Westdijk (als waarnemer voor de gemachtigde van verzoeker) en de gemachtigde van de staatssecretaris.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Waar gaat het om in deze zaak?
3. Aan verzoeker is op 3 november 2025 een VOG verleend voor de functie docent Nederlands. Deze VOG is door de staatssecretaris met een besluit van 5 maart 2026 ingetrokken.
Verzoeker heeft op 20 februari 2026 opnieuw een aanvraag ingediend voor een VOG voor de functie van docent VO.
Met het bestreden besluit heeft de staatssecretaris deze aanvraag afgewezen, omdat uit de justitiële documentatie naar voren komt dat verzoeker binnen de terugkijktermijn in aanraking is geweest met justitie en dit gegeven relevant is voor de beoordeling van zijn VOG-aanvraag.
Ter zitting is gebleken dat het Openbaar Ministerie een sepotbeslissing (sepot 02: gebrek aan bewijs) heeft genomen in een zaak tegen verzoeker. Na een artikel 12 Sv-procedure is deze zaak alsnog bij de politierechter aangebracht. Verzoeker is vervolgens bij uitspraak van de politierechter van 27 oktober 2025 van de verdenking in deze zaak vrijgesproken.
Tegen deze uitspraak heeft het Openbaar Ministerie hoger beroep ingesteld. Dit betekent dat de vrijspraak in deze zaak dus niet onherroepelijk is.
Gelet op deze gegevens op de justitiële documentatie voldoet verzoeker volgens de staatssecretaris niet aan het objectieve- en subjectieve criterium voor het toekennen van een VOG.
Ontvankelijkheid van het verzoek
4. Iemand die een verzoek om een voorlopige voorziening indient, moet griffierecht betalen. Dit staat in artikel 8:41 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In zaken als deze is het griffierecht € 200,-. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Het hele bedrag moet binnen die termijn zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dan zijn betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig is betaald, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is. Dat betekent dat er een goede reden moet zijn waarom het griffierecht niet (tijdig) is betaald.
5. De griffier heeft bij aangetekend verzonden brief van 28 juli 2026 verzoeker in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen twee weken na dagtekening van die brief. Deze brief is verstuurd naar verzoekers gemachtigde. Uit informatie van PostNL is gebleken dat de aangetekend verzonden brief op 30 juli 2026 om 08:19 uur is afgehaald en dat voor ontvangst is getekend. De betaling van het griffierecht had uiterlijk 11 augustus 2026 betaald moeten zijn. Het griffierecht is echter pas op 23 augustus 2026 (en daarmee te laat) betaald. Gelet op de door verzoeker gegeven toelichting op zitting is de voorzieningenrechter van oordeel dat in dit geval sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding, nu verzoeker ter zitting heeft verklaard na ontvangst van de nota direct te hebben betaald. Dit neemt niet weg dat het op de weg van de gemachtigde ligt om de nota zo spoedig mogelijk aan verzoeker door te zenden dan wel te voldoen.
Nu de nota door verzoeker is betaald voor aanvang van de zitting, zal de voorzieningenrechter bij wijze van uitzondering het verzoek in dit geval ontvankelijk achten.
Spoedeisend belang
6. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Deze procedure kan alleen worden gevoerd als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. De voorzieningenrechter dient eerst te bezien of er voldoende spoedeisend belang is, voordat de zaak inhoudelijk kan worden behandeld.
7. Verzoeker heeft hierover aangevoerd dat ten aanzien van de intrekking van zijn eerder toegekende VOG een bezwaarprocedure liep, die met het besluit op bezwaar van
8 juli 2026 is geëindigd. Tegen dit besluit van 8 juli 2026 heeft verzoeker beroep ingesteld bij de rechtbank. Deze procedure loopt nog. In deze procedure heeft hij geen voorlopige voorziening aangevraagd.
Verzoeker stelt zich op het standpunt dat hij zich in een benarde financiële situatie bevindt, omdat hij momenteel zonder werk zit. Hij heeft schulden bij verschillende instanties en vreest dat er financieel onomkeerbare gevolgen opdoemen.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker het spoedeisend belang onvoldoende aannemelijk gemaakt, nu niet met stukken is onderbouwd of anderszins is gebleken dat sprake is van een financiële noodsituatie (of een onomkeerbare situatie), waardoor de bezwaarprocedure niet kan worden afgewacht. Verzoeker heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat hij op dit moment niet een andere functie binnen of buiten het onderwijs kan vervullen.
Conclusie en gevolgen
8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af vanwege het ontbreken van spoedeisend belang. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Rutten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
ROT 26/6773
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/6205
uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 augustus 2026 in de zaak tussen
[verzoeker], uit [woonplaats], verzoeker
(gemachtigde: mr. S. van der Eijk),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris
(gemachtigde: mr. V.N. Chaudron).
Samenvatting
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoeker voor een verklaring omtrent gedrag (VOG). Verzoeker is het hier niet mee eens en verzoekt daarom om een voorlopige voorziening.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 2 juni 2026 heeft de staatssecretaris verzoekers aanvraag voor een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) afgewezen.
Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De staatssecretaris heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 25 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, mr. T. Westdijk (als waarnemer voor de gemachtigde van verzoeker) en de gemachtigde van de staatssecretaris.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Waar gaat het om in deze zaak?
3. Aan verzoeker is op 3 november 2025 een VOG verleend voor de functie docent Nederlands. Deze VOG is door de staatssecretaris met een besluit van 5 maart 2026 ingetrokken.
Verzoeker heeft op 20 februari 2026 opnieuw een aanvraag ingediend voor een VOG voor de functie van docent VO.
Met het bestreden besluit heeft de staatssecretaris deze aanvraag afgewezen, omdat uit de justitiële documentatie naar voren komt dat verzoeker binnen de terugkijktermijn in aanraking is geweest met justitie en dit gegeven relevant is voor de beoordeling van zijn VOG-aanvraag.
Ter zitting is gebleken dat het Openbaar Ministerie een sepotbeslissing (sepot 02: gebrek aan bewijs) heeft genomen in een zaak tegen verzoeker. Na een artikel 12 Sv-procedure is deze zaak alsnog bij de politierechter aangebracht. Verzoeker is vervolgens bij uitspraak van de politierechter van 27 oktober 2025 van de verdenking in deze zaak vrijgesproken.
Tegen deze uitspraak heeft het Openbaar Ministerie hoger beroep ingesteld. Dit betekent dat de vrijspraak in deze zaak dus niet onherroepelijk is.
Gelet op deze gegevens op de justitiële documentatie voldoet verzoeker volgens de staatssecretaris niet aan het objectieve- en subjectieve criterium voor het toekennen van een VOG.
Ontvankelijkheid van het verzoek
4. Iemand die een verzoek om een voorlopige voorziening indient, moet griffierecht betalen. Dit staat in artikel 8:41 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In zaken als deze is het griffierecht € 200,-. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Het hele bedrag moet binnen die termijn zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dan zijn betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig is betaald, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is. Dat betekent dat er een goede reden moet zijn waarom het griffierecht niet (tijdig) is betaald.
5. De griffier heeft bij aangetekend verzonden brief van 28 juli 2026 verzoeker in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen twee weken na dagtekening van die brief. Deze brief is verstuurd naar verzoekers gemachtigde. Uit informatie van PostNL is gebleken dat de aangetekend verzonden brief op 30 juli 2026 om 08:19 uur is afgehaald en dat voor ontvangst is getekend. De betaling van het griffierecht had uiterlijk 11 augustus 2026 betaald moeten zijn. Het griffierecht is echter pas op 23 augustus 2026 (en daarmee te laat) betaald. Gelet op de door verzoeker gegeven toelichting op zitting is de voorzieningenrechter van oordeel dat in dit geval sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding, nu verzoeker ter zitting heeft verklaard na ontvangst van de nota direct te hebben betaald. Dit neemt niet weg dat het op de weg van de gemachtigde ligt om de nota zo spoedig mogelijk aan verzoeker door te zenden dan wel te voldoen.
Nu de nota door verzoeker is betaald voor aanvang van de zitting, zal de voorzieningenrechter bij wijze van uitzondering het verzoek in dit geval ontvankelijk achten.
Spoedeisend belang
6. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Deze procedure kan alleen worden gevoerd als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. De voorzieningenrechter dient eerst te bezien of er voldoende spoedeisend belang is, voordat de zaak inhoudelijk kan worden behandeld.
7. Verzoeker heeft hierover aangevoerd dat ten aanzien van de intrekking van zijn eerder toegekende VOG een bezwaarprocedure liep, die met het besluit op bezwaar van
8 juli 2026 is geëindigd. Tegen dit besluit van 8 juli 2026 heeft verzoeker beroep ingesteld bij de rechtbank. Deze procedure loopt nog. In deze procedure heeft hij geen voorlopige voorziening aangevraagd.
Verzoeker stelt zich op het standpunt dat hij zich in een benarde financiële situatie bevindt, omdat hij momenteel zonder werk zit. Hij heeft schulden bij verschillende instanties en vreest dat er financieel onomkeerbare gevolgen opdoemen.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker het spoedeisend belang onvoldoende aannemelijk gemaakt, nu niet met stukken is onderbouwd of anderszins is gebleken dat sprake is van een financiële noodsituatie (of een onomkeerbare situatie), waardoor de bezwaarprocedure niet kan worden afgewacht. Verzoeker heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat hij op dit moment niet een andere functie binnen of buiten het onderwijs kan vervullen.
Conclusie en gevolgen
8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af vanwege het ontbreken van spoedeisend belang. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Rutten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
ROT 26/6773