Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:10489
2026-07-15
Civiel recht
C/10/703941 / HA ZA 25-619
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verdeling van een investeringsobject. Gedaagde hoeft niet mee te werken aan de splitsing van het pand in afzonderlijke appartementsrechten, omdat daar geen grond voor is. Het pand wordt in de huidige staat verdeeld.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:1998:ZC2631 Hoge Raad 17-04-1998
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (28.780 tekens)
RECHTBANK Rotterdam
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/703941 / HA ZA 25-619
Vonnis van 15 juli 2026
in de zaak van
[eiser]
,
wonend in [woonplaats 1] ,
eisende partij,
advocaat: mr. C. Teiwes,
tegen
[gedaagde]
,
wonend in [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
advocaat: mr. J.G.J. Elslo.
Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd.
1De zaak in het kort
1.1.
Partijen zijn sinds december 2020 samen eigenaar van een voormalige Bed & Breakfast-accommodatie in [plaats] . Dit pand is door hen omgebouwd in vijf appartementen en deze appartementen worden momenteel door hen verhuurd.
1.2.
[eiser] wil niet langer mede-eigenaar van het pand zijn. Hij vordert in deze procedure dat de rechtbank de wijze van verdeling gelast in die zin dat [gedaagde] moet meewerken aan kadastrale splitsing van het pand in afzonderlijke appartementsrechten en aan de verkoop daarvan. Verder heeft hij een bepaalde verdeling van de verkoopopbrengst voor ogen. De rechtbank gaat niet mee in de door [eiser] voorgestane wijze van verdeling. De rechtbank beslist dat het pand in de huidige staat, dat wil zeggen ongesplitst en in verhuurde staat, moet worden getaxeerd en dat [gedaagde] de gelegenheid krijgt het pand voor die waarde over te nemen. Wil hij dat niet, dan moet het pand worden verkocht. De rechtbank neemt in het dictum op hoe de taxatie en verkoop door partijen ter hand moet worden genomen. De verkoopopbrengst komt in beginsel ieder voor de helft toe. Met zijn deel van de opbrengst moet [eiser] zijn schuld aan de houdstervennootschap van [gedaagde] aflossen.
2De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 11 juli 2025, met producties 1 tot en met 22,
de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 9,
de brieven van de rechtbank van 29 oktober 2025, waarbij partijen zijn opgeroepen voor een mondelinge behandeling op 5 maart 2026,
het e-mailbericht van de rechtbank van 6 februari 2026, waarbij een zittingsagenda aan partijen is verstuurd,
de aanvullende productie 10 van [gedaagde] ,
de aanvullende producties 23 tot en met 30 van [eiser] ,
de mondelinge behandeling van 5 maart 2026, waarop mr. Teiwes en mr. Elslo spreekaantekeningen hebben voorgedragen en overgelegd.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
3De feiten
3.1.
[eiser] en [gedaagde] hebben op 15 december 2020 samen een pand en een recht van erfpacht op de bijbehorende grond gekocht, gelegen aan [adres 1] ( [postcode] ) te [plaats] (hierna samen: het pand). Dit pand was destijds in gebruik als Bed & Breakfast-accommodatie.
3.2.
De aankoopsom van het pand bedroeg € 729.000,-. Partijen hebben ieder de helft van de aankoopsom voldaan.
3.3.
[gedaagde] heeft – via zijn persoonlijke houdstervennootschap [bedrijf] B.V. – aan [eiser] een bedrag van € 372.563,- geleend voor die aankoop. Daarvoor zijn [eiser] en (de persoonlijke houdstervennootschap van) [gedaagde] in december 2020 een leningsovereenkomst aangegaan. [eiser] lost sindsdien op de hoofdsom af en betaalt rente over het openstaande deel van 2,5% per jaar.
3.4.
[eiser] en [gedaagde] hebben het pand daarop verbouwd en omgebouwd in vijf afzonderlijke appartementen ( [adres 1] , [adres 2] , [adres 3] , [adres 4] en [adres 5] ). De verbouwingskosten bedroegen ongeveer € 75.000,-. Er is geen sprake van (kadastraal gesplitste) appartementsrechten.
3.5.
Partijen verhuren deze appartementen. De huurinkomsten worden gelijkelijk tussen partijen verdeeld. Partijen hebben een vastgoedbeheerder aangesteld.
3.6.
[eiser] heeft [gedaagde] in het voorjaar van 2024 laten weten dat hij niet langer mede-eigenaar van het pand wil zijn. Hij heeft in het kader van dat voornemen het pand laten taxeren. Hij heeft daarna de volgende waardes opgevraagd en aan [gedaagde] voorgelegd: (i) € 1.183.500,-, gebaseerd op de waarde van het pand na splitsing in afzonderlijke appartementsrechten en vrij van verhuur, (ii) € 1.070.000,-, gebaseerd op de waarde van het pand in ongesplitste en in verhuurde staat, en (iii) een door een makelaar aan hem geadviseerde verkoopprijs van het pand van € 1.355.000,-.
3.7.
Partijen hebben vervolgens met elkaar gesproken en gecorrespondeerd hoe zij de verdeling van het pand voor ogen zien. Zij hebben daarover geen overeenstemming weten te bereiken.
4Het geschil
4.1.
Samengevat vordert [eiser] , bij een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis, dat de rechtbank:
I. de verdeling van het pand vaststelt, onder de voorwaarden als geformuleerd in de punten II tot en met VIII hierna;
II. [gedaagde] veroordeelt mee te werken aan kadastrale splitsing van de appartementen en de daarmee verband houdende oprichting van een VvE;
III. [gedaagde] veroordeelt tot ondertekening van een opdracht tot dienstverlening van [makelaar] ;
IV. [gedaagde] veroordeelt om een afschrift van alle huurovereenkomsten alsmede de beheersovereenkomsten aan de makelaar ter beschikking te stellen;
V. [gedaagde] veroordeelt mee te werken aan de werkzaamheden van de makelaar;
VI. [gedaagde] veroordeelt mee te werken aan de totstandkoming van de koopovereenkomst en de notariële levering van het pand;
VII. bepaalt dat de verkoopopbrengst – na aftrek van de door [gedaagde] aan [eiser] verstrekte lening en de verkoopkosten – wordt verdeeld op de navolgende wijze:
- verdeling bij helfte van de door de taxateur vastgestelde marktwaarde van € 1.070.000,-,
- primair toedeling van een bedrag van € 142.500,- aan [eiser] zijnde 50% van het verschil tussen de (door de makelaar geadviseerde) verkoopprijs (€ 1.355.000,-) en de marktwaarde (€ 1.070.000,-),
- subsidiair toedeling van een bedrag van € 56.750,00 aan [eiser] , zijnde 50% van het verschil tussen de getaxeerde leegwaarde na splitsing en vrij van verhuur (€ 1.183.500,-) en de marktwaarde (€ 1.070.000,-), danwel enige andere verdeling vast te stellen;
VIII. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van een dwangsom, als hij tekortschiet in de nakoming van de afzonderlijke vorderingen hiervoor;
IX. [gedaagde] veroordeelt in de kosten van deze procedure.
4.2.
Ter zitting heeft [eiser] zijn vordering verduidelijkt in de zin dat hij uit zijn deel van de verkoopopbrengst eerst de lening aan [bedrijf] B.V. zal terugbetalen.
4.3.
[gedaagde] concludeert primair tot afwijzing van de vorderingen. Subsidiair voert hij aan dat de rechtbank het pand op een andere wijze moet verdelen dan door [eiser] wordt gevorderd. Een en ander met veroordeling van [eiser] in de proceskosten, uitvoer bij voorraad verklaard.
5De beoordeling
Juridisch kader
5.1.
Tussen partijen, die gemeenschappelijk eigenaar zijn van het pand, bestaat in zoverre een (eenvoudige) gemeenschap als bedoeld in artikel 3:166 lid 1 BW. Deelgenoten moeten zich jegens elkaar gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid (artikel 3:166 lid 2 BW). Ingevolge artikel 3:178 BW kan ieder van de deelgenoten in beginsel te allen tijde verdeling van een gemeenschappelijk goed vorderen omdat niemand kan worden verplicht in een onverdeeldheid te blijven.
5.2.
In artikel 3:185 BW is bepaald dat, als deelgenoten over een verdeling niet tot overeenstemming komen, zij de rechter kunnen benaderen om de wijze van verdeling of de verdeling zelf vast te stellen. De rechter moet naar billijkheid rekening houden met de belangen van partijen en het algemeen belang. De rechter geniet een mate van vrijheid en is niet gebonden aan hetgeen door partijen over en weer is gevorderd. De rechter behoeft ook niet expliciet in te gaan op hetgeen partijen aanvoeren. Partijen moeten er dus in de regel op voorhand rekening mee houden dat de rechter naar eigen inzicht verdeelt.
De stellingen van partijen
5.3.
[eiser] stelt – samengevat – het volgende ter onderbouwing van zijn vordering tot verdeling van het pand. Hij stelt dat hij – in verband met zijn voornemen om een nieuwe woning te kopen en daarvoor een hypotheek af te sluiten – wil beschikken over de liquide middelen die nu in het pand zitten en zijn schuld aan [bedrijf] B.V. in zijn geheel wil aflossen. [eiser] wil daarom het pand aan een derde verkopen en een zo hoog mogelijke verkoopopbrengst realiseren. De hoogste verkoopopbrengst wordt volgens hem bereikt door de vijf appartementen eerst kadastraal te splitsen en de appartementen vervolgens in de verkoop te zetten; [gedaagde] moet aan die splitsing en verkoop meewerken, aldus [eiser] . De verkoopopbrengst moet vervolgens gelijkelijk tussen partijen worden verdeeld. Omdat [gedaagde] de appartementen eerder zonder toestemming van [eiser] heeft verhuurd, kan er niet vrij van huur worden geleverd. Dit drukt de verkoopwaarde, waardoor [eiser] schade lijdt. Die schade bestaat uit het verschil tussen de waarde in verhuurde staat en de waarde in onverhuurde staat. [gedaagde] moet dat verschil aan hem vergoeden, aldus [eiser] .
5.4.
[gedaagde] kan – vanwege het feit dat [eiser] niet langer samen met hem wil verder gaan met het pand – ermee instemmen dat de onverdeeldheid van het pand eindigt. Hij voert evenwel aan dat verdeling van het pand moet plaatsvinden middels verkoop aan een derde in de huidige staat, dat wil zeggen in ongesplitste en niet te splitsen staat, en in verhuurde staat. Die verkoop moet bij openbare inschrijving plaatsvinden, met het recht van gunning. [gedaagde] wil verder in de gelegenheid worden gesteld om het hoogst uitgebrachte bod te evenaren, om aldus de volledige eigendom van het pand te verkrijgen.
5.5.
Ter zitting is met partijen de variant besproken dat het pand eerst wordt getaxeerd en dat [gedaagde] de gelegenheid krijgt om het pand voor die getaxeerde waarde over te nemen. Als [gedaagde] dan besluit het pand niet over te nemen, dan zal het pand aan een derde worden verkocht. [gedaagde] heeft gezegd dat hij de voorkeur geeft aan deze variant, in plaats van de in zijn conclusie van antwoord opgenomen suggestie dat hij het hoogst uitgebrachte bod mag evenaren. Ook [eiser] heeft uitgesproken dat hij liever deze variant wil dan een verkoop met het recht van [gedaagde] om het hoogst uitgebrachte bod te evenaren. Partijen twisten nog wel over de vraag op basis van welke uitgangpunten het pand moet worden getaxeerd en verkocht, waarover meer in 5.7 e.v.
5.6.
De rechtbank gelast in dit vonnis de wijze van verdeling van het pand, overeenkomstig de hiervoor in 5.5 besproken variant. Dus: eerst krijgt [gedaagde] de gelegenheid om het pand voor (de nog te taxeren) waarde over te nemen. Wil hij dat niet, dan wordt het pand in de verkoop gezet. De rechtbank gaat daarbij telkens ervan uit dat het pand niet is gesplitst, ook niet te splitsen is én is verhuurd. Zij licht dat hierna toe.
[gedaagde] behoeft niet mee te werken aan kadastrale splitsing van het pand in afzonderlijke appartementsrechten voorafgaand aan de verdeling
5.7.
Partijen twisten over de vraag of [gedaagde] eraan moet meewerken dat het pand voorafgaand aan de verdeling kadastraal wordt gesplitst in vijf appartementsrechten, zoals [eiser] heeft gevorderd. De rechtbank heeft [eiser] op zitting gevraagd op welke juridische grondslag hij dit deel van zijn vordering baseert, maar hij heeft geen duidelijke grondslag kunnen noemen.
5.8.
De rechtbank ziet – evenals [gedaagde] – niet in op grond waarvan [gedaagde] hiertoe kan worden verplicht. Ook de eisen van redelijkheid en billijkheid [gedaagde] bieden in dit geval geen grondslag om [gedaagde] te verplichten mee te werken aan splitsing van het pand in afzonderlijke appartementsrechten (artikel 3:166 lid 3). Niet is gebleken immers dat kadastrale splitsing van het pand in afzonderlijke appartementsrechten juridisch en feitelijk gezien (op eenvoudige wijze) mogelijk is. Van [gedaagde] als mede-eigenaar kan dan ook niet worden gevergd mee te werken aan een exercitie die, naar de huidige stand van zaken, geen kans van slagen heeft. [gedaagde] heeft in dit verband onder andere onvoldoende weersproken aangevoerd dat voor een kadastrale splitsing:
i) het bestemmingsplan moet worden gewijzigd van horeca naar wonen,
ii) een vergunning van de gemeente voor splitsing is vereist, die wordt geweigerd als de woning die na splitsing ontstaat een gebruiksoppervlakte heeft die kleiner is dan 50 m² wat bij vier van de vijf appartementen het geval is,
iii) elk appartement moet worden voorzien van eigen (technische) installaties, aansluitingen en brandwerende voorzieningen, wat nu niet het geval is.
5.9.
Het opleggen van een dergelijke verplichting aan [gedaagde] valt ook niet onder de vrijheid die de rechtbank heeft bij het gelasten van de wijze van verdeling van een gemeenschappelijk goed.
5.10.
Kortom, het pand zal moeten worden getaxeerd als een ongesplitst en niet te splitsen pand. [gedaagde] is ook niet verplicht om voorafgaand aan een eventuele verkoop, in het geval dat [gedaagde] besluit het pand niet over te nemen, mee te werken aan splitsing van het pand in afzonderlijke appartementsrechten.
[gedaagde] krijgt de gelegenheid om het pand over te nemen voor de nog te taxeren waarde
5.11.
Zoals overwogen krijgt [gedaagde] de gelegenheid om het pand over te nemen voor de nog te taxeren waarde, in de feitelijke – dus verhuurde – staat.
5.12.
Nu partijen het niet met elkaar eens zijn aan welke makelaar een opdracht moet worden gegeven voor die taxatie, zal de rechtbank in het dictum opnemen dat [eiser] drie namen van taxateurs/makelaars aan [gedaagde] moet voorleggen en dat [gedaagde] één daaruit moet kiezen. Daarbij geldt dat [eiser] niet [makelaar] te [plaats] als makelaar mag voorleggen omdat die makelaar immers al eerder door [eiser] is geconsulteerd in dit dossier. De rechtbank zal bepalen dat partijen ieder de helft van de taxatiekosten betalen, dit omdat zij ter zitting allebei deze variant (zie 5.5) hebben aangedragen.
5.13.
De opdracht tot taxatie moet door beide partijen worden verstrekt en getekend. Partijen zullen de taxateur informeren dat alle correspondentie aan hen beiden verstuurd moet worden. Partijen mogen bij de taxatie aanwezig of vertegenwoordigd zijn. Indien een partij aangeeft bij de taxatie aanwezig of vertegenwoordigd te willen zijn, dan zal bij het bepalen van de datum van de taxatie rekening gehouden worden met de verhinderdata van die partij.
5.14.
De rechtbank zal in het dictum termijnen opnemen voor de selectie van de taxateur/makelaar, het verzoek aan die taxateur om een taxatie te verrichten en het realiseren van de notariële overdracht aan [gedaagde] . Dit omdat beide partijen ter zitting hebben laten weten dat zij liefst zo snel mogelijk duidelijkheid willen over de verdeling.
5.15.
De kosten van de notaris in verband met de levering komen voor rekening van degene die de woning wil overnemen, zoals te doen gebruikelijk is, hier: [gedaagde] . Omdat [gedaagde] de kosten van de notaris moet dragen, mag hij bepalen bij welke notaris de levering zal plaatsvinden.
5.16.
Wat de vordering van [eiser] betreft dat [gedaagde] wordt veroordeeld om een afschrift van de beheerovereenkomsten met de vastgoedbeheerder en van alle huurovereenkomsten aan de door hem voorgestelde [makelaar] ter beschikking te stellen (zie 4.1 onder IV.), geldt dat de rechtbank die vordering afwijst, omdat zij niet [makelaar] als taxateur/makelaar aanwijst. De rechtbank gaat er overigens van uit dat partijen aan de door hen aan te wijzen taxateur/makelaar alle documenten zullen verstrekken die die taxateur/makelaar van belang acht. Partijen zijn jegens elkaar verplicht om deze vorm van medewerking aan de taxateur/makelaar te verlenen.
Als [gedaagde] het pand niet wil overnemen, dan wordt het in de verkoop gezet
5.17.
Mocht [gedaagde] besluiten het pand niet voor de nog te taxeren waarde over te nemen, dan zal het pand te koop worden gezet. Het ligt in de rede om daarvoor de makelaar in te schakelen die ook de taxatie heeft verricht, maar het staat partijen uiteraard vrij om daarover andere afspraken te maken.
5.18.
De rechtbank ziet vooralsnog onvoldoende aanleiding voor een verkoop bij openbare inschrijving. Niet alleen vanwege de bezwaren van [eiser] tegen een verkoop bij openbare inschrijving, maar ook omdat die wijze van verkoop juist pleegt te worden ingezet bij veel belangstelling voor een pand (waarbij alle geïnteresseerden de gelegenheid krijgen om gelijktijdig een bod uit te brengen). Noch [eiser] noch [gedaagde] verwacht evenwel dat dit het geval zal zijn. Sterker nog, [gedaagde] verwacht dat er zeer weinig interesse zal zijn. Daarbij merkt de rechtbank op dat als de makelaar besluit dat openbare inschrijving toch de beste verkoopstrategie voor het pand is, partijen de makelaar daarin moeten volgen.
5.19.
Om toekomstige discussies en nieuwe procedures te voorkomen, zal de rechtbank verder opnemen dat de makelaar voor het geval partijen niet in onderling overleg tot overeenstemming komen over de te hanteren verkoopprijs en of de vraag- en laatprijs, de makelaar deze bindend zal vaststellen, net als een eventuele wijziging van de te hanteren vraag- en laatprijs in geval verkoop uitblijft.
Verdeling van de (verkoop)opbrengst
5.20.
De vraag is vervolgens hoe de gerealiseerde (verkoop)opbrengst – ofwel door overname van het pand door [gedaagde] ofwel door verkoop van het pand aan een derde – moet worden verdeeld. De rechtbank is van oordeel dat:
De gerealiseerde verkoopopbrengst – na aftrek van eventuele verkoopkosten (waaronder die van de makelaar) – tussen partijen gelijkelijk moet worden verdeeld. De rechtbank ziet geen aanleiding om alleen [eiser] de verkoopkosten te laten dragen, zoals [gedaagde] heeft voorgesteld. Zoals te doen gebruikelijk is, worden bij een verdeling van een gemeenschap middels een verkoop, de verkoopkosten door partijen ieder voor de helft gedragen, ongeacht wie van partijen het initiatief neemt om over te gaan tot een verdeling.
In geval van een verkoop aan een derde: [eiser] voldoet uit zijn deel van de verkoopopbrengst eerst het nog openstaande deel van zijn schuld aan [bedrijf] B.V., een en ander af te wikkelen via de notaris.
In geval van overname van het pand door [gedaagde] : [gedaagde] voldoet de schuld aan [bedrijf] B.V. ten behoeve van [eiser] waarmee de vordering van [bedrijf] B.V. op [eiser] teniet gaat. [gedaagde] brengt op het aan [eiser] in het kader van de overname te betalen bedrag in mindering het hiervoor door hem ten behoeve van [eiser] betaalde bedrag. Partijen zijn het er overigens ook over eens dat de schuld van [eiser] aan [bedrijf] B.V. ter gelegenheid van de verdeling van het pand door hem moet worden voldaan.
5.21.
Uit het hiervoor genoemde volgt dat de rechtbank niet meegaat in de door [eiser] in het petitum voorgestelde wijze van verdeling en verdeling van de opbrengst (zie hiervoor 4.1 onder VII.). In de wijze van verdeling zoals de rechtbank die gelast zijn de eerder door [eiser] opgevraagde taxatiewaardes en de door een makelaar geadviseerde verkoopprijs immers niet relevant.
Overige vorderingen van [eiser] worden afgewezen
5.22.
De rechtbank is verder van oordeel dat [gedaagde] niet verplicht is aan [eiser] een eventueel verschil tussen de gerealiseerde opbrengst (in verhuurde staat) en de getaxeerde waarde in onverhuurde staat te vergoeden, zoals [eiser] vordert (zie 4.1 onder VII.). Los van het feit dat [eiser] niet duidelijk heeft gemaakt wat de waarde van het pand in ongesplitste en onverhuurde staat dan is en om die reden de vordering al moet worden afgewezen, ziet de rechtbank ook niet in op grond waarvan [gedaagde] daartoe verplicht zou zijn. [eiser] heeft dit ook niet onderbouwd. Gebleken is immers dat partijen van meet af aan de bedoeling hebben gehad om de appartementen te verhuren; daarom zijn zij samen in 2020 dit project aangegaan. Op enig moment is het [eiser] geweest die om hem moverende redenen van het pand af wil. Hij stelt – naar de rechtbank begrijpt – op zitting dat het pand per 1 juli 2025 vrij van verhuur had kunnen zijn (vanwege aflopende contracten), maar dat [gedaagde] daarna toch huurovereenkomsten met nieuwe huurders is aangegaan, zonder toestemming van [eiser] . [gedaagde] heeft dat niet weersproken. Met [gedaagde] is de rechtbank evenwel van oordeel dat van [gedaagde] – gelet op de bedoeling waarmee destijds het pand gezamenlijk is aangekocht – niet kon worden verlangd om geen nieuwe huurovereenkomsten meer aan te gaan en daarmee huurinkomsten mis te lopen, dit terwijl op dat moment nog verre van duidelijk was hoe partijen het pand zouden verdelen. Dit geldt te meer nu die huurinkomsten ook aan [eiser] ten goede zijn gekomen. [eiser] heeft overigens destijds ook geen aanbod aan [gedaagde] gedaan om misgelopen huurinkomsten aan [gedaagde] te vergoeden.
5.23.
Nu de rechtbank verwacht dat [gedaagde] zal meewerken aan deze wijze van verdeling, ziet zij geen grond om aan [gedaagde] een dwangsom op te leggen, zoals [eiser] heeft gevorderd.
5.24.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zoals is gevorderd en waarop niet is gereageerd (artikel 233 Rv).
[eiser] wordt in de proceskosten veroordeeld
5.25.
Omdat [eiser] – na vergelijking van wat hij in de dagvaarding vordert en wat uiteindelijk wordt beslist – grotendeels in het ongelijk is gesteld, zal hij in de proceskosten worden veroordeeld (artikel 237 Rv). Daarbij weegt de rechtbank mee dat [eiser] voorafgaand aan en tijdens deze procedure steeds is blijven vasthouden aan zijn standpunt dat het pand moest worden gesplitst en vrij van huur moest worden verkocht, althans dat [gedaagde] hem een schadevergoeding moest betalen omdat het pand niet vrij van verhuur kan worden verkocht. Hij is op die punten in het ongelijk gesteld.
5.26.
De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht: € 331,00
- salaris advocaat: € 1.306,00 (2 punten x € 653,-, tarief II)
- nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 1.826,00
5.27.
De proceskostenveroordeling wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zoals [gedaagde] heeft gevorderd en waarop niet is gereageerd door [eiser] (artikel 233 Rv).
6De beslissing
De rechtbank
6.1.
gelast de volgende wijze van verdeling van het pand:
overname door [gedaagde]
6.1.1.
bepaalt dat [eiser] binnen twee weken na de datum van dit vonnis drie taxateurs/makelaars aandraagt, waarna [gedaagde] twee weken de tijd krijgt om uit deze taxateurs/makelaars één taxateur/makelaar aan te wijzen. De opdracht aan de taxateur/makelaar geschiedt zoals in 5.13 is uiteengezet,
6.1.2.
bepaalt dat partijen de taxateur verzoeken – na verstrekking van de opdracht en ingevolge hetgeen in 5.13 is overwogen – binnen zes weken een waardebepaling van het pand te verrichten tegen de actuele waarde in het economisch verkeer, in ongesplitste en niet te splitsen staat, alsmede in verhuurde staat,
6.1.3.
bepaalt dat de kosten van de taxatie door partijen ieder voor de helft gedragen worden,
6.1.4.
bepaalt dat [gedaagde] de gelegenheid krijgt om het pand uiterlijk binnen vier maanden na de datum van ontvangst van het taxatierapport over te nemen onder de verplichting om de helft van de getaxeerde waarde aan [eiser] te vergoeden,
6.1.5.
de notariële levering aan [gedaagde] moet uiterlijk binnen vier maanden na het uitgebrachte taxatierapport plaatsvinden bij een door [gedaagde] te kiezen notaris,
6.1.6.
uiterlijk ten tijde van de notariële levering moet [gedaagde] ervoor zorgen dat een bedrag gelijk aan de helft van de getaxeerde waarde minus het nog openstaande deel van de schuld (inclusief nog te betalen rente) van [eiser] aan [bedrijf] B.V. op de rekening van de notaris staat, zodat de notaris dit bedrag na het passeren van de akte aan [eiser] kan uitkeren,
6.1.7.
bepaalt dat de kosten van de notariële levering door [gedaagde] gedragen worden,
verkoop aan een derde
6.1.8.
als levering van het pand niet uiterlijk binnen vier maanden na het uitgebrachte taxatierapport aan [gedaagde] plaatsvindt, zoals hiervoor is bepaald, moet het pand aan een derde worden verkocht,
6.1.9.
partijen moeten samen binnen vier weken nadat de termijn voor notariële levering van het pand aan [gedaagde] is verstreken, een opdracht tot verkoop aan de in 5.17 genoemde makelaar geven,
6.1.10.
indien partijen over enige kwestie in verband met de verkoop van het pand (zoals de wijze van verkoop, de verkoopprijs en de vraag- en de laatprijs) geen overeenstemming kunnen bereiken, dan zal het advies van de verkoopmakelaar bindend zijn en moet dat worden opgevolgd,
6.1.11.
de netto-verkoopopbrengst (dat wil zeggen de opbrengst na aftrek van eventuele (verkoop)kosten) dient gelijkelijk tussen partijen te worden verdeeld,
6.1.12.
[eiser] zal uit zijn deel van de netto-verkoopopbrengst het openstaande deel van zijn schuld (inclusief nog te betalen rente) aan [bedrijf] B.V. in één keer aflossen, een en ander af te wikkelen via de notaris,
6.2.
veroordeelt [eiser] in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 1.826,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser] niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet hij € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening,
6.3.
verklaart 6.1 en 6.2 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
6.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.A. Cnossen en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026.
2334/1980
Hoge Raad 17 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2631.
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/703941 / HA ZA 25-619
Vonnis van 15 juli 2026
in de zaak van
[eiser]
,
wonend in [woonplaats 1] ,
eisende partij,
advocaat: mr. C. Teiwes,
tegen
[gedaagde]
,
wonend in [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
advocaat: mr. J.G.J. Elslo.
Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd.
1De zaak in het kort
1.1.
Partijen zijn sinds december 2020 samen eigenaar van een voormalige Bed & Breakfast-accommodatie in [plaats] . Dit pand is door hen omgebouwd in vijf appartementen en deze appartementen worden momenteel door hen verhuurd.
1.2.
[eiser] wil niet langer mede-eigenaar van het pand zijn. Hij vordert in deze procedure dat de rechtbank de wijze van verdeling gelast in die zin dat [gedaagde] moet meewerken aan kadastrale splitsing van het pand in afzonderlijke appartementsrechten en aan de verkoop daarvan. Verder heeft hij een bepaalde verdeling van de verkoopopbrengst voor ogen. De rechtbank gaat niet mee in de door [eiser] voorgestane wijze van verdeling. De rechtbank beslist dat het pand in de huidige staat, dat wil zeggen ongesplitst en in verhuurde staat, moet worden getaxeerd en dat [gedaagde] de gelegenheid krijgt het pand voor die waarde over te nemen. Wil hij dat niet, dan moet het pand worden verkocht. De rechtbank neemt in het dictum op hoe de taxatie en verkoop door partijen ter hand moet worden genomen. De verkoopopbrengst komt in beginsel ieder voor de helft toe. Met zijn deel van de opbrengst moet [eiser] zijn schuld aan de houdstervennootschap van [gedaagde] aflossen.
2De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 11 juli 2025, met producties 1 tot en met 22,
de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 9,
de brieven van de rechtbank van 29 oktober 2025, waarbij partijen zijn opgeroepen voor een mondelinge behandeling op 5 maart 2026,
het e-mailbericht van de rechtbank van 6 februari 2026, waarbij een zittingsagenda aan partijen is verstuurd,
de aanvullende productie 10 van [gedaagde] ,
de aanvullende producties 23 tot en met 30 van [eiser] ,
de mondelinge behandeling van 5 maart 2026, waarop mr. Teiwes en mr. Elslo spreekaantekeningen hebben voorgedragen en overgelegd.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
3De feiten
3.1.
[eiser] en [gedaagde] hebben op 15 december 2020 samen een pand en een recht van erfpacht op de bijbehorende grond gekocht, gelegen aan [adres 1] ( [postcode] ) te [plaats] (hierna samen: het pand). Dit pand was destijds in gebruik als Bed & Breakfast-accommodatie.
3.2.
De aankoopsom van het pand bedroeg € 729.000,-. Partijen hebben ieder de helft van de aankoopsom voldaan.
3.3.
[gedaagde] heeft – via zijn persoonlijke houdstervennootschap [bedrijf] B.V. – aan [eiser] een bedrag van € 372.563,- geleend voor die aankoop. Daarvoor zijn [eiser] en (de persoonlijke houdstervennootschap van) [gedaagde] in december 2020 een leningsovereenkomst aangegaan. [eiser] lost sindsdien op de hoofdsom af en betaalt rente over het openstaande deel van 2,5% per jaar.
3.4.
[eiser] en [gedaagde] hebben het pand daarop verbouwd en omgebouwd in vijf afzonderlijke appartementen ( [adres 1] , [adres 2] , [adres 3] , [adres 4] en [adres 5] ). De verbouwingskosten bedroegen ongeveer € 75.000,-. Er is geen sprake van (kadastraal gesplitste) appartementsrechten.
3.5.
Partijen verhuren deze appartementen. De huurinkomsten worden gelijkelijk tussen partijen verdeeld. Partijen hebben een vastgoedbeheerder aangesteld.
3.6.
[eiser] heeft [gedaagde] in het voorjaar van 2024 laten weten dat hij niet langer mede-eigenaar van het pand wil zijn. Hij heeft in het kader van dat voornemen het pand laten taxeren. Hij heeft daarna de volgende waardes opgevraagd en aan [gedaagde] voorgelegd: (i) € 1.183.500,-, gebaseerd op de waarde van het pand na splitsing in afzonderlijke appartementsrechten en vrij van verhuur, (ii) € 1.070.000,-, gebaseerd op de waarde van het pand in ongesplitste en in verhuurde staat, en (iii) een door een makelaar aan hem geadviseerde verkoopprijs van het pand van € 1.355.000,-.
3.7.
Partijen hebben vervolgens met elkaar gesproken en gecorrespondeerd hoe zij de verdeling van het pand voor ogen zien. Zij hebben daarover geen overeenstemming weten te bereiken.
4Het geschil
4.1.
Samengevat vordert [eiser] , bij een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis, dat de rechtbank:
I. de verdeling van het pand vaststelt, onder de voorwaarden als geformuleerd in de punten II tot en met VIII hierna;
II. [gedaagde] veroordeelt mee te werken aan kadastrale splitsing van de appartementen en de daarmee verband houdende oprichting van een VvE;
III. [gedaagde] veroordeelt tot ondertekening van een opdracht tot dienstverlening van [makelaar] ;
IV. [gedaagde] veroordeelt om een afschrift van alle huurovereenkomsten alsmede de beheersovereenkomsten aan de makelaar ter beschikking te stellen;
V. [gedaagde] veroordeelt mee te werken aan de werkzaamheden van de makelaar;
VI. [gedaagde] veroordeelt mee te werken aan de totstandkoming van de koopovereenkomst en de notariële levering van het pand;
VII. bepaalt dat de verkoopopbrengst – na aftrek van de door [gedaagde] aan [eiser] verstrekte lening en de verkoopkosten – wordt verdeeld op de navolgende wijze:
- verdeling bij helfte van de door de taxateur vastgestelde marktwaarde van € 1.070.000,-,
- primair toedeling van een bedrag van € 142.500,- aan [eiser] zijnde 50% van het verschil tussen de (door de makelaar geadviseerde) verkoopprijs (€ 1.355.000,-) en de marktwaarde (€ 1.070.000,-),
- subsidiair toedeling van een bedrag van € 56.750,00 aan [eiser] , zijnde 50% van het verschil tussen de getaxeerde leegwaarde na splitsing en vrij van verhuur (€ 1.183.500,-) en de marktwaarde (€ 1.070.000,-), danwel enige andere verdeling vast te stellen;
VIII. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van een dwangsom, als hij tekortschiet in de nakoming van de afzonderlijke vorderingen hiervoor;
IX. [gedaagde] veroordeelt in de kosten van deze procedure.
4.2.
Ter zitting heeft [eiser] zijn vordering verduidelijkt in de zin dat hij uit zijn deel van de verkoopopbrengst eerst de lening aan [bedrijf] B.V. zal terugbetalen.
4.3.
[gedaagde] concludeert primair tot afwijzing van de vorderingen. Subsidiair voert hij aan dat de rechtbank het pand op een andere wijze moet verdelen dan door [eiser] wordt gevorderd. Een en ander met veroordeling van [eiser] in de proceskosten, uitvoer bij voorraad verklaard.
5De beoordeling
Juridisch kader
5.1.
Tussen partijen, die gemeenschappelijk eigenaar zijn van het pand, bestaat in zoverre een (eenvoudige) gemeenschap als bedoeld in artikel 3:166 lid 1 BW. Deelgenoten moeten zich jegens elkaar gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid (artikel 3:166 lid 2 BW). Ingevolge artikel 3:178 BW kan ieder van de deelgenoten in beginsel te allen tijde verdeling van een gemeenschappelijk goed vorderen omdat niemand kan worden verplicht in een onverdeeldheid te blijven.
5.2.
In artikel 3:185 BW is bepaald dat, als deelgenoten over een verdeling niet tot overeenstemming komen, zij de rechter kunnen benaderen om de wijze van verdeling of de verdeling zelf vast te stellen. De rechter moet naar billijkheid rekening houden met de belangen van partijen en het algemeen belang. De rechter geniet een mate van vrijheid en is niet gebonden aan hetgeen door partijen over en weer is gevorderd. De rechter behoeft ook niet expliciet in te gaan op hetgeen partijen aanvoeren. Partijen moeten er dus in de regel op voorhand rekening mee houden dat de rechter naar eigen inzicht verdeelt.
De stellingen van partijen
5.3.
[eiser] stelt – samengevat – het volgende ter onderbouwing van zijn vordering tot verdeling van het pand. Hij stelt dat hij – in verband met zijn voornemen om een nieuwe woning te kopen en daarvoor een hypotheek af te sluiten – wil beschikken over de liquide middelen die nu in het pand zitten en zijn schuld aan [bedrijf] B.V. in zijn geheel wil aflossen. [eiser] wil daarom het pand aan een derde verkopen en een zo hoog mogelijke verkoopopbrengst realiseren. De hoogste verkoopopbrengst wordt volgens hem bereikt door de vijf appartementen eerst kadastraal te splitsen en de appartementen vervolgens in de verkoop te zetten; [gedaagde] moet aan die splitsing en verkoop meewerken, aldus [eiser] . De verkoopopbrengst moet vervolgens gelijkelijk tussen partijen worden verdeeld. Omdat [gedaagde] de appartementen eerder zonder toestemming van [eiser] heeft verhuurd, kan er niet vrij van huur worden geleverd. Dit drukt de verkoopwaarde, waardoor [eiser] schade lijdt. Die schade bestaat uit het verschil tussen de waarde in verhuurde staat en de waarde in onverhuurde staat. [gedaagde] moet dat verschil aan hem vergoeden, aldus [eiser] .
5.4.
[gedaagde] kan – vanwege het feit dat [eiser] niet langer samen met hem wil verder gaan met het pand – ermee instemmen dat de onverdeeldheid van het pand eindigt. Hij voert evenwel aan dat verdeling van het pand moet plaatsvinden middels verkoop aan een derde in de huidige staat, dat wil zeggen in ongesplitste en niet te splitsen staat, en in verhuurde staat. Die verkoop moet bij openbare inschrijving plaatsvinden, met het recht van gunning. [gedaagde] wil verder in de gelegenheid worden gesteld om het hoogst uitgebrachte bod te evenaren, om aldus de volledige eigendom van het pand te verkrijgen.
5.5.
Ter zitting is met partijen de variant besproken dat het pand eerst wordt getaxeerd en dat [gedaagde] de gelegenheid krijgt om het pand voor die getaxeerde waarde over te nemen. Als [gedaagde] dan besluit het pand niet over te nemen, dan zal het pand aan een derde worden verkocht. [gedaagde] heeft gezegd dat hij de voorkeur geeft aan deze variant, in plaats van de in zijn conclusie van antwoord opgenomen suggestie dat hij het hoogst uitgebrachte bod mag evenaren. Ook [eiser] heeft uitgesproken dat hij liever deze variant wil dan een verkoop met het recht van [gedaagde] om het hoogst uitgebrachte bod te evenaren. Partijen twisten nog wel over de vraag op basis van welke uitgangpunten het pand moet worden getaxeerd en verkocht, waarover meer in 5.7 e.v.
5.6.
De rechtbank gelast in dit vonnis de wijze van verdeling van het pand, overeenkomstig de hiervoor in 5.5 besproken variant. Dus: eerst krijgt [gedaagde] de gelegenheid om het pand voor (de nog te taxeren) waarde over te nemen. Wil hij dat niet, dan wordt het pand in de verkoop gezet. De rechtbank gaat daarbij telkens ervan uit dat het pand niet is gesplitst, ook niet te splitsen is én is verhuurd. Zij licht dat hierna toe.
[gedaagde] behoeft niet mee te werken aan kadastrale splitsing van het pand in afzonderlijke appartementsrechten voorafgaand aan de verdeling
5.7.
Partijen twisten over de vraag of [gedaagde] eraan moet meewerken dat het pand voorafgaand aan de verdeling kadastraal wordt gesplitst in vijf appartementsrechten, zoals [eiser] heeft gevorderd. De rechtbank heeft [eiser] op zitting gevraagd op welke juridische grondslag hij dit deel van zijn vordering baseert, maar hij heeft geen duidelijke grondslag kunnen noemen.
5.8.
De rechtbank ziet – evenals [gedaagde] – niet in op grond waarvan [gedaagde] hiertoe kan worden verplicht. Ook de eisen van redelijkheid en billijkheid [gedaagde] bieden in dit geval geen grondslag om [gedaagde] te verplichten mee te werken aan splitsing van het pand in afzonderlijke appartementsrechten (artikel 3:166 lid 3). Niet is gebleken immers dat kadastrale splitsing van het pand in afzonderlijke appartementsrechten juridisch en feitelijk gezien (op eenvoudige wijze) mogelijk is. Van [gedaagde] als mede-eigenaar kan dan ook niet worden gevergd mee te werken aan een exercitie die, naar de huidige stand van zaken, geen kans van slagen heeft. [gedaagde] heeft in dit verband onder andere onvoldoende weersproken aangevoerd dat voor een kadastrale splitsing:
i) het bestemmingsplan moet worden gewijzigd van horeca naar wonen,
ii) een vergunning van de gemeente voor splitsing is vereist, die wordt geweigerd als de woning die na splitsing ontstaat een gebruiksoppervlakte heeft die kleiner is dan 50 m² wat bij vier van de vijf appartementen het geval is,
iii) elk appartement moet worden voorzien van eigen (technische) installaties, aansluitingen en brandwerende voorzieningen, wat nu niet het geval is.
5.9.
Het opleggen van een dergelijke verplichting aan [gedaagde] valt ook niet onder de vrijheid die de rechtbank heeft bij het gelasten van de wijze van verdeling van een gemeenschappelijk goed.
5.10.
Kortom, het pand zal moeten worden getaxeerd als een ongesplitst en niet te splitsen pand. [gedaagde] is ook niet verplicht om voorafgaand aan een eventuele verkoop, in het geval dat [gedaagde] besluit het pand niet over te nemen, mee te werken aan splitsing van het pand in afzonderlijke appartementsrechten.
[gedaagde] krijgt de gelegenheid om het pand over te nemen voor de nog te taxeren waarde
5.11.
Zoals overwogen krijgt [gedaagde] de gelegenheid om het pand over te nemen voor de nog te taxeren waarde, in de feitelijke – dus verhuurde – staat.
5.12.
Nu partijen het niet met elkaar eens zijn aan welke makelaar een opdracht moet worden gegeven voor die taxatie, zal de rechtbank in het dictum opnemen dat [eiser] drie namen van taxateurs/makelaars aan [gedaagde] moet voorleggen en dat [gedaagde] één daaruit moet kiezen. Daarbij geldt dat [eiser] niet [makelaar] te [plaats] als makelaar mag voorleggen omdat die makelaar immers al eerder door [eiser] is geconsulteerd in dit dossier. De rechtbank zal bepalen dat partijen ieder de helft van de taxatiekosten betalen, dit omdat zij ter zitting allebei deze variant (zie 5.5) hebben aangedragen.
5.13.
De opdracht tot taxatie moet door beide partijen worden verstrekt en getekend. Partijen zullen de taxateur informeren dat alle correspondentie aan hen beiden verstuurd moet worden. Partijen mogen bij de taxatie aanwezig of vertegenwoordigd zijn. Indien een partij aangeeft bij de taxatie aanwezig of vertegenwoordigd te willen zijn, dan zal bij het bepalen van de datum van de taxatie rekening gehouden worden met de verhinderdata van die partij.
5.14.
De rechtbank zal in het dictum termijnen opnemen voor de selectie van de taxateur/makelaar, het verzoek aan die taxateur om een taxatie te verrichten en het realiseren van de notariële overdracht aan [gedaagde] . Dit omdat beide partijen ter zitting hebben laten weten dat zij liefst zo snel mogelijk duidelijkheid willen over de verdeling.
5.15.
De kosten van de notaris in verband met de levering komen voor rekening van degene die de woning wil overnemen, zoals te doen gebruikelijk is, hier: [gedaagde] . Omdat [gedaagde] de kosten van de notaris moet dragen, mag hij bepalen bij welke notaris de levering zal plaatsvinden.
5.16.
Wat de vordering van [eiser] betreft dat [gedaagde] wordt veroordeeld om een afschrift van de beheerovereenkomsten met de vastgoedbeheerder en van alle huurovereenkomsten aan de door hem voorgestelde [makelaar] ter beschikking te stellen (zie 4.1 onder IV.), geldt dat de rechtbank die vordering afwijst, omdat zij niet [makelaar] als taxateur/makelaar aanwijst. De rechtbank gaat er overigens van uit dat partijen aan de door hen aan te wijzen taxateur/makelaar alle documenten zullen verstrekken die die taxateur/makelaar van belang acht. Partijen zijn jegens elkaar verplicht om deze vorm van medewerking aan de taxateur/makelaar te verlenen.
Als [gedaagde] het pand niet wil overnemen, dan wordt het in de verkoop gezet
5.17.
Mocht [gedaagde] besluiten het pand niet voor de nog te taxeren waarde over te nemen, dan zal het pand te koop worden gezet. Het ligt in de rede om daarvoor de makelaar in te schakelen die ook de taxatie heeft verricht, maar het staat partijen uiteraard vrij om daarover andere afspraken te maken.
5.18.
De rechtbank ziet vooralsnog onvoldoende aanleiding voor een verkoop bij openbare inschrijving. Niet alleen vanwege de bezwaren van [eiser] tegen een verkoop bij openbare inschrijving, maar ook omdat die wijze van verkoop juist pleegt te worden ingezet bij veel belangstelling voor een pand (waarbij alle geïnteresseerden de gelegenheid krijgen om gelijktijdig een bod uit te brengen). Noch [eiser] noch [gedaagde] verwacht evenwel dat dit het geval zal zijn. Sterker nog, [gedaagde] verwacht dat er zeer weinig interesse zal zijn. Daarbij merkt de rechtbank op dat als de makelaar besluit dat openbare inschrijving toch de beste verkoopstrategie voor het pand is, partijen de makelaar daarin moeten volgen.
5.19.
Om toekomstige discussies en nieuwe procedures te voorkomen, zal de rechtbank verder opnemen dat de makelaar voor het geval partijen niet in onderling overleg tot overeenstemming komen over de te hanteren verkoopprijs en of de vraag- en laatprijs, de makelaar deze bindend zal vaststellen, net als een eventuele wijziging van de te hanteren vraag- en laatprijs in geval verkoop uitblijft.
Verdeling van de (verkoop)opbrengst
5.20.
De vraag is vervolgens hoe de gerealiseerde (verkoop)opbrengst – ofwel door overname van het pand door [gedaagde] ofwel door verkoop van het pand aan een derde – moet worden verdeeld. De rechtbank is van oordeel dat:
De gerealiseerde verkoopopbrengst – na aftrek van eventuele verkoopkosten (waaronder die van de makelaar) – tussen partijen gelijkelijk moet worden verdeeld. De rechtbank ziet geen aanleiding om alleen [eiser] de verkoopkosten te laten dragen, zoals [gedaagde] heeft voorgesteld. Zoals te doen gebruikelijk is, worden bij een verdeling van een gemeenschap middels een verkoop, de verkoopkosten door partijen ieder voor de helft gedragen, ongeacht wie van partijen het initiatief neemt om over te gaan tot een verdeling.
In geval van een verkoop aan een derde: [eiser] voldoet uit zijn deel van de verkoopopbrengst eerst het nog openstaande deel van zijn schuld aan [bedrijf] B.V., een en ander af te wikkelen via de notaris.
In geval van overname van het pand door [gedaagde] : [gedaagde] voldoet de schuld aan [bedrijf] B.V. ten behoeve van [eiser] waarmee de vordering van [bedrijf] B.V. op [eiser] teniet gaat. [gedaagde] brengt op het aan [eiser] in het kader van de overname te betalen bedrag in mindering het hiervoor door hem ten behoeve van [eiser] betaalde bedrag. Partijen zijn het er overigens ook over eens dat de schuld van [eiser] aan [bedrijf] B.V. ter gelegenheid van de verdeling van het pand door hem moet worden voldaan.
5.21.
Uit het hiervoor genoemde volgt dat de rechtbank niet meegaat in de door [eiser] in het petitum voorgestelde wijze van verdeling en verdeling van de opbrengst (zie hiervoor 4.1 onder VII.). In de wijze van verdeling zoals de rechtbank die gelast zijn de eerder door [eiser] opgevraagde taxatiewaardes en de door een makelaar geadviseerde verkoopprijs immers niet relevant.
Overige vorderingen van [eiser] worden afgewezen
5.22.
De rechtbank is verder van oordeel dat [gedaagde] niet verplicht is aan [eiser] een eventueel verschil tussen de gerealiseerde opbrengst (in verhuurde staat) en de getaxeerde waarde in onverhuurde staat te vergoeden, zoals [eiser] vordert (zie 4.1 onder VII.). Los van het feit dat [eiser] niet duidelijk heeft gemaakt wat de waarde van het pand in ongesplitste en onverhuurde staat dan is en om die reden de vordering al moet worden afgewezen, ziet de rechtbank ook niet in op grond waarvan [gedaagde] daartoe verplicht zou zijn. [eiser] heeft dit ook niet onderbouwd. Gebleken is immers dat partijen van meet af aan de bedoeling hebben gehad om de appartementen te verhuren; daarom zijn zij samen in 2020 dit project aangegaan. Op enig moment is het [eiser] geweest die om hem moverende redenen van het pand af wil. Hij stelt – naar de rechtbank begrijpt – op zitting dat het pand per 1 juli 2025 vrij van verhuur had kunnen zijn (vanwege aflopende contracten), maar dat [gedaagde] daarna toch huurovereenkomsten met nieuwe huurders is aangegaan, zonder toestemming van [eiser] . [gedaagde] heeft dat niet weersproken. Met [gedaagde] is de rechtbank evenwel van oordeel dat van [gedaagde] – gelet op de bedoeling waarmee destijds het pand gezamenlijk is aangekocht – niet kon worden verlangd om geen nieuwe huurovereenkomsten meer aan te gaan en daarmee huurinkomsten mis te lopen, dit terwijl op dat moment nog verre van duidelijk was hoe partijen het pand zouden verdelen. Dit geldt te meer nu die huurinkomsten ook aan [eiser] ten goede zijn gekomen. [eiser] heeft overigens destijds ook geen aanbod aan [gedaagde] gedaan om misgelopen huurinkomsten aan [gedaagde] te vergoeden.
5.23.
Nu de rechtbank verwacht dat [gedaagde] zal meewerken aan deze wijze van verdeling, ziet zij geen grond om aan [gedaagde] een dwangsom op te leggen, zoals [eiser] heeft gevorderd.
5.24.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zoals is gevorderd en waarop niet is gereageerd (artikel 233 Rv).
[eiser] wordt in de proceskosten veroordeeld
5.25.
Omdat [eiser] – na vergelijking van wat hij in de dagvaarding vordert en wat uiteindelijk wordt beslist – grotendeels in het ongelijk is gesteld, zal hij in de proceskosten worden veroordeeld (artikel 237 Rv). Daarbij weegt de rechtbank mee dat [eiser] voorafgaand aan en tijdens deze procedure steeds is blijven vasthouden aan zijn standpunt dat het pand moest worden gesplitst en vrij van huur moest worden verkocht, althans dat [gedaagde] hem een schadevergoeding moest betalen omdat het pand niet vrij van verhuur kan worden verkocht. Hij is op die punten in het ongelijk gesteld.
5.26.
De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht: € 331,00
- salaris advocaat: € 1.306,00 (2 punten x € 653,-, tarief II)
- nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 1.826,00
5.27.
De proceskostenveroordeling wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zoals [gedaagde] heeft gevorderd en waarop niet is gereageerd door [eiser] (artikel 233 Rv).
6De beslissing
De rechtbank
6.1.
gelast de volgende wijze van verdeling van het pand:
overname door [gedaagde]
6.1.1.
bepaalt dat [eiser] binnen twee weken na de datum van dit vonnis drie taxateurs/makelaars aandraagt, waarna [gedaagde] twee weken de tijd krijgt om uit deze taxateurs/makelaars één taxateur/makelaar aan te wijzen. De opdracht aan de taxateur/makelaar geschiedt zoals in 5.13 is uiteengezet,
6.1.2.
bepaalt dat partijen de taxateur verzoeken – na verstrekking van de opdracht en ingevolge hetgeen in 5.13 is overwogen – binnen zes weken een waardebepaling van het pand te verrichten tegen de actuele waarde in het economisch verkeer, in ongesplitste en niet te splitsen staat, alsmede in verhuurde staat,
6.1.3.
bepaalt dat de kosten van de taxatie door partijen ieder voor de helft gedragen worden,
6.1.4.
bepaalt dat [gedaagde] de gelegenheid krijgt om het pand uiterlijk binnen vier maanden na de datum van ontvangst van het taxatierapport over te nemen onder de verplichting om de helft van de getaxeerde waarde aan [eiser] te vergoeden,
6.1.5.
de notariële levering aan [gedaagde] moet uiterlijk binnen vier maanden na het uitgebrachte taxatierapport plaatsvinden bij een door [gedaagde] te kiezen notaris,
6.1.6.
uiterlijk ten tijde van de notariële levering moet [gedaagde] ervoor zorgen dat een bedrag gelijk aan de helft van de getaxeerde waarde minus het nog openstaande deel van de schuld (inclusief nog te betalen rente) van [eiser] aan [bedrijf] B.V. op de rekening van de notaris staat, zodat de notaris dit bedrag na het passeren van de akte aan [eiser] kan uitkeren,
6.1.7.
bepaalt dat de kosten van de notariële levering door [gedaagde] gedragen worden,
verkoop aan een derde
6.1.8.
als levering van het pand niet uiterlijk binnen vier maanden na het uitgebrachte taxatierapport aan [gedaagde] plaatsvindt, zoals hiervoor is bepaald, moet het pand aan een derde worden verkocht,
6.1.9.
partijen moeten samen binnen vier weken nadat de termijn voor notariële levering van het pand aan [gedaagde] is verstreken, een opdracht tot verkoop aan de in 5.17 genoemde makelaar geven,
6.1.10.
indien partijen over enige kwestie in verband met de verkoop van het pand (zoals de wijze van verkoop, de verkoopprijs en de vraag- en de laatprijs) geen overeenstemming kunnen bereiken, dan zal het advies van de verkoopmakelaar bindend zijn en moet dat worden opgevolgd,
6.1.11.
de netto-verkoopopbrengst (dat wil zeggen de opbrengst na aftrek van eventuele (verkoop)kosten) dient gelijkelijk tussen partijen te worden verdeeld,
6.1.12.
[eiser] zal uit zijn deel van de netto-verkoopopbrengst het openstaande deel van zijn schuld (inclusief nog te betalen rente) aan [bedrijf] B.V. in één keer aflossen, een en ander af te wikkelen via de notaris,
6.2.
veroordeelt [eiser] in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 1.826,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser] niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet hij € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening,
6.3.
verklaart 6.1 en 6.2 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
6.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.A. Cnossen en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026.
2334/1980
Hoge Raad 17 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2631.