Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:10485

2026-03-04 Civiel recht; Insolventierecht NL:TZ:2504766:R-RK
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2026-03-04
Publicatiedatum
2026-08-24
Rechtsgebied
Civiel recht; Insolventierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL:TZ:2504766:R-RK
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Toelating tot de Wsnp. Daarbij wordt geen eerdere ingangsdatum bepaald. Verzoeker heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij niet heeft kunnen solliciteren of niet fulltime heeft kunnen werken. Althans de wijze waarop invulling is gegeven aan de inspanningsplicht in het minnelijk traject is onvoldoende vergelijkbaar met de inspanningsplicht die geldt tijdens de Wsnp.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (10.902 tekens)
RECHTBANK Rotterdam


Team Insolventie



Rekestnummer: [nummer]




Vonnis van 4 maart 2026




op het verzoek van:





[verzoeker]
,
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,
wonende te [straatnaam] , [postcode] [woonplaats] ,
verzoeker, hierna te noemen [verzoeker] ,



tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.




Waar deze zaak over gaat

De heer [verzoeker] bevindt zich in een problematische schuldensituatie. Om tot een oplossing voor zijn schulden te komen heeft de heer [verzoeker] een verzoek gedaan te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp).
Dit verzoek wordt toegewezen.



Daarnaast verzoekt de heer [verzoeker] een eerdere ingangsdatum van de Wsnp vast te stellen. Dit verzoek wordt afgewezen.



De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist.





1De procedure

1.1.
De heer [verzoeker] heeft een verzoek ingediend om te worden toegelaten tot de Wsnp en om een eerdere ingangsdatum te bepalen.



1.2.
De rechtbank heeft voorafgaand aan de zitting aanvullende stukken van mevrouw [naam] , schuldhulpverlener van de Sociale Dienst Drechtsteden, ontvangen.



1.3.

Het verzoek is behandeld op de zitting van 24 februari 2026. Op de zitting zijn verschenen:
- de heer [verzoeker] ,
- mevrouw A.A. de Jong-Timmer, beschermingsbewindvoerder van de Sociale
Dienst Drechtsteden.




1.4.
De rechtbank heeft kort na de zitting van 24 februari 2026 van de beschermingsbewindvoerder nadere stukken ontvangen.



1.5.
De rechtbank heeft bepaald om op 4 maart 2026 uitspraak te doen.








2De beoordeling



De toelating




2.1.
De heer [verzoeker] kan worden toegelaten tot de Wsnp als hij zich in een problematische schuldensituatie bevindt en hij te goeder trouw was bij het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden. De rechtbank kijkt daarbij vooral naar de afgelopen drie jaar. De rechtbank is van oordeel dat de heer [verzoeker] hieraan voldoet.



2.2.
Daarnaast moet de verwachting bestaan dat de heer [verzoeker] aan de verplichtingen van de Wsnp zal voldoen. Met de heer [verzoeker] is op zitting besproken dat van hem verwacht wordt dat hij solliciteert (naar een fulltime baan) dan wel (fulltime) werkt zolang hij niet op medische gronden is vrijgesteld van de arbeidsverplichting. De heer [verzoeker] heeft op zitting verklaard dat hij zich ervan bewust is dat hij gedurende de Wsnp zich maximaal moet inspannen om fulltime (36 uur per week) te werken. De heer [verzoeker] is klaar voor de arbeidsmarkt. In de afgelopen periode waarin hij niet werkte, heeft hij diverse certificaten behaald en opleidingen gevolgd (waaronder VCA en betontechniek). Dit zal het solliciteren naar een (fulltime) baan vergemakkelijken. Hoewel de heer [verzoeker] (nog) niet werkt en ook (nog) geen sollicitatiebewijzen heeft overgelegd, is bij de rechtbank wel het vertrouwen ontstaan dat de heer [verzoeker] vanaf nu de sollicitatieverplichting zoals die in de Wsnp geldt, naar behoren zal nakomen.



2.3.
De heer [verzoeker] wordt daarom toegelaten tot de Wsnp.



Bevoegdheid





2.4.
De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van de heer [verzoeker] in Nederland ligt.



Duur





2.5.
De rechtbank stelt de termijn van de Wsnp-regeling ex artikel 349a Fw (hierna: looptijd) vast op 18 maanden.



De ingangsdatum





2.6.
De Faillissementswet bepaalt dat de looptijd in beginsel ingaat op de dag van dit vonnis, tenzij er aanleiding is de looptijd eerder te laten ingaan.



2.7.
Een eerdere ingangsdatum kan worden bepaald als vanaf die eerdere datum de verplichtingen die volgen uit het voorafgaande schuldhulpverleningstraject zijn nagekomen. Als uitgangspunt geldt daarbij dat de schuldenaar tijdens het minnelijke voortraject maximaal, op basis van de normen die gelden voor berekening van het vrij te laten bedrag (het vtlb), moet aflossen op zijn schulden en dat hij zich moet inspannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven. Die inspanningsplicht houdt in beginsel in dat er bij arbeidsgeschiktheid fulltime gewerkt moet worden of dat er aantoonbaar gesolliciteerd moet worden naar een fulltime baan.



2.8.
De rechtbank kan niet vaststellen dat aan de vereiste inspanningsplicht is voldaan. Daarbij is van belang dat de heer [verzoeker] in het voorafgaande schuldhulpverleningstraject niet fulltime (36 uur per week) heeft gewerkt en ook niet aantoonbaar naar een fulltime baan heeft gesolliciteerd. Ook is hij in die periode niet (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt geweest, althans de heer [verzoeker] heeft dat niet aangetoond (met stukken). De heer [verzoeker] heeft weliswaar een ontheffing van de arbeidsverplichting van de Sociale Dienst Drechtsteden van 1 maart 2025 tot en met 31 juli 2026 overgelegd, maar die ontheffing ziet op sociale (gezins)omstandigheden. Verzoeker heeft ter zitting toegelicht dat hij een zware periode heeft doorgemaakt nadat hij begin 2022 uit detentie kwam. Eerst heeft hij anderhalf jaar geen woning gehad en vervolgens verbleef hij in een tijdelijke woning waar tot twee keer toe brand is uitgebroken. Gebleken is echter ook dat de heer [verzoeker] de afgelopen twee jaar in een stabielere situatie heeft verkeerd. Zo heeft hij al twee jaar een vaste woning en in die periode heeft hij ook verschillende opleidingen gevolgd. Zijn kinderen verblijven grotendeels in [locatie] , maar hebben bij hem ook een veilig onderkomen sinds hij verhuisd is. Naar het oordeel van de rechtbank is onder deze omstandigheden onvoldoende aannemelijk dat verzoeker gedurende het minnelijke traject niet in staat was om te solliciteren. De rechtbank stelt voorts vast dat onder de geschetste omstandigheden in de Wsnp in beginsel geen vrijstelling van de sollicitatieplicht geldt. Naar het oordeel van de rechtbank is de wijze waarop invulling is gegeven aan de inspanningsverplichting in het minnelijk voortraject in dit geval dan ook onvoldoende vergelijkbaar met de inspanningsplicht die geldt tijdens de schuldsaneringsregeling (vergelijk Hoge Raad 20 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1913, r.o. 3.12.2). Niet kan worden vastgesteld dat de heer [verzoeker] zich in dat traject maximaal heeft inspannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven.



2.9.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank dan ook tot de conclusie dat er geen eerdere ingangsdatum zal worden bepaald.





3De (controle van) verplichtingen in de Wsnp

3.1.
De verplichtingen waaraan de heer [verzoeker] tijdens de Wsnp moet voldoen zijn: de informatieverplichting, de inspanningsverplichting, de verplichting geen nieuwe schulden te maken, de verplichting om schuldeisers niet te benadelen en de afdrachtverplichting (van inkomen boven het vtlb en van goederen die in de boedel vallen).



3.2.
Er wordt een bewindvoerder benoemd. Deze bewindvoerder controleert in de eerste plaats of de heer [verzoeker] de verplichtingen van de Wsnp nakomt.



3.3.
De taak van de bewindvoerder is in de tweede plaats om de zogenaamde boedel van de schuldenaar te beheren en te vereffenen (artikel 316 Fw). De boedel omvat alle bezittingen die de heer [verzoeker] nu heeft en wat hij tijdens de toepassing van de regeling verkrijgt (artikel 295 Fw). De heer [verzoeker] heeft de verplichting om tot de boedel behorende bezittingen aan de bewindvoerder af te staan (artikel 296 Fw). De bewindvoerder zal de opbrengsten hiervan verdelen onder de schuldeisers.



3.4.
Er wordt ook een rechter-commissaris benoemd. De taak van de rechter-commissaris is om toezicht te houden op de bewindvoerder.



3.5.
De eerste dertien maanden van het traject geldt in beginsel een postblokkade. Dat betekent dat in die periode alle post naar de bewindvoerder gaat. De bewindvoerder stuurt de post na controle door aan de heer [verzoeker] .



3.6.
Als de heer [verzoeker] zich tijdens de Wsnp houdt aan alle verplichtingen van de Wsnp eindigt het traject met de zogenoemde “schone lei”. Dit betekent dat schuldeisers hun vorderingen ten aanzien waarvan de Wsnp werkt niet meer op de heer [verzoeker] kunnen verhalen. De “schone lei” geldt vanaf het moment dat de bewindvoerder klaar is met zijn afwikkelingstaak. Dat is als de slotuitdelingslijst verbindend is geworden.





4De beslissing


De rechtbank:


- spreekt de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:



[verzoeker],
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,
wonende te [straatnaam] , [postcode] [woonplaats] ;

- benoemt tot rechter-commissaris mr. C.G.E. Prenger

en tot bewindvoerder J.M. Hoogland,
gevestigd te Postbus 81145
3009 GC Rotterdam,


- stelt de ingangsdatum van de schuldsaneringsregeling vast op 4 maart 2026 en de duur op achttien maanden, en bepaalt de einddatum van de looptijd daarmee op
4 september 2027;
- draagt de bewindvoerder op de post van de heer [verzoeker] in te zien;

- bepaalt dat de bewindvoerder een voorschot op de vergoeding mag nemen volgens het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering. Dit kan alleen voor zover de boedel toereikend is.


Dit is de beslissing van mr. C.G.E. Prenger, rechter, in samenwerking met mr. C. Hulsegge, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026.





Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.