Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:10483

2026-09-11 Civiel recht; Goederenrecht 11745669 CV EXPL 25-13529
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2026-09-11
Publicatiedatum
2026-08-24
Rechtsgebied
Civiel recht; Goederenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
11745669 CV EXPL 25-13529
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Lekkage vanuit bovenwoning. Aansprakelijkheid ogv 7:174 BW.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (6.983 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM


locatie Rotterdam



zaaknummer: 11745669 CV EXPL 25-13529



datum uitspraak: 11 september 2026




Vonnis van de kantonrechter




in de zaak van





[eiseres]
,
vestigingsplaats [vestigingsplaats] ,
eiseres,
gemachtigde: [persoon A] ,



tegen





[gedaagde]
,
vestigingsplaats [vestigingsplaats] ,
gedaagde,
vertegenwoordigd door: [persoon B] , voorzitter.



De partijen worden hierna ‘de Maatschappij’ en ‘de Stichting’ genoemd.





1De procedure


1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:



de dagvaarding van 4 juni 2025, met bijlagen;


het antwoord, met bijlagen;





1.2.
Op 11 augustus 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig de gemachtigde van de Maatschappij en de heer [persoon C] , werkzaam bij de [onderneming C] waarvan de Maatschappij onderdeel uitmaakt. Namens de Stichting was niemand aanwezig.





2De beoordeling



Wat is de kern?




2.1.
De Maatschappij is eigenaar van een benedenwoning aan de Frans Bekkerstraat te Rotterdam. De Stichting is eigenaar van de bovenwoning in hetzelfde pand. Beide woningen worden verhuurd. In september 2022 is er een lekkage geweest vanuit de bovenwoning waardoor schade is ontstaan aan het plafond van de keuken van de benedenwoning. De Maatschappij heeft de oorzaak van de lekkage onderzocht en vervolgens de schade laten herstellen. De Maatschappij eist in deze procedure dat de Stichting de kosten hiervan vergoedt van in totaal € 777,88 met rente en incassokosten. De Stichting is het hier niet mee eens en stelt dat partijen hebben afgesproken dat de Stichting de schade zou laten herstellen.



2.2.
De kantonrechter oordeelt dat de Stichting aansprakelijk is voor de schade als gevolg van de lekkage en dat zij de kosten van het onderzoek en het herstel moet vergoeden met rente en kosten. Dit wordt hierna uitgelegd.



De Stichting is aansprakelijk voor de schade





2.3.
De Stichting erkent dat er in de periode vóór 25 september 2022 een lekkage is geweest vanuit de badkamer van de bovenwoning. De Stichting is als eigenaar van de bovenwoning aansprakelijk voor de schade die hierdoor is ontstaan aan de kant van de Maatschappij (artikel 6:174 BW). De Maatschappij heeft de facturen van de kosten die zij heeft moeten maken in verband met de lekkage bij de dagvaarding gevoegd. Het gaat om een bedrag van € 243,51 voor onderzoek en € 543,37 voor herstel van het plafond.



2.4.
De Stichting betwist niet dat de Maatschappij kosten heeft gemaakt voor het onderzoek en ook niet dat zij deze moet vergoeden. De kantonrechter zal het bedrag van € 243,51 daarom toewijzen.



2.5.
De Stichting betwist wel dat zij de kosten voor het herstel van het plafond moet vergoeden. De Stichting stelt dat zij met de Maatschappij heeft afgesproken dat de Stichting de schade zou herstellen en dat de Maatschappij zich niet aan de afspraak heeft gehouden. De stelplicht en bewijslast ten aanzien van het bestaan van deze afspraak rust op de Stichting (artikel 150 Rv). De Stichting heeft haar stelling niet onderbouwd en de Maatschappij heeft gemotiveerd betwist dat er een afspraak is gemaakt. Daardoor staat niet vast dat die afspraak bestond. Ook op grond van de wet bestaat er geen verplichting voor de Maatschappij om de schade door de Stichting te laten herstellen. De Stichting heeft de gemaakte kosten onderbouwd. Daarom moet de Stichting deze kosten vergoeden. Ook het bedrag van € 543,37 zal daarom worden toegewezen.



De Stichting moet incassokosten betalen





2.6.
De kantonrechter wijst de incassokosten van € 116,68 toe, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om deze kosten vergoed te krijgen (artikel 6:96 BW).



2.7.
Dit betekent dat de Stichting in totaal € 777,88 + € 116,68 = 894,56 aan de Maatschappij moet betalen.



De Stichting moet rente betalen





2.8.
De Maatschappij heeft wettelijke handelsrente gevorderd over de hoofdsom. Wettelijke handelsrente kan alleen worden gevorderd in geval van een handelsovereenkomst (artikel 6:119a BW). Daarvan is hier geen sprake. Daarom kan alleen de gewone wettelijke rente worden toegewezen (artikel 6:119 BW). De Stichting heeft niet betwist dat wettelijke rente verschuldigd is vanaf het verstrijken van de betalingstermijn die is genoemd in de facturen die De Maatschappij aan de Stichting heeft gestuurd. Daarom zal de kantonrechter de rente over € 243,51 toewijzen vanaf 6 december 2023 en over € 534,37 vanaf 29 mei 2024.



De Stichting moet de proceskosten betalen





2.9.
De proceskosten komen voor rekening van de Stichting, omdat zij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die de Stichting aan de Maatschappij moet betalen op € 122,35 aan dagvaardingskosten, € 340,- aan griffierecht, € 288,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 144,-) en € 72,- aan nakosten. Dat is in totaal € 822,35. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.



Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad





2.10.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat de Maatschappij dat eist en de Stichting daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.





3De beslissing


De kantonrechter:



3.1.
veroordeelt de Stichting om aan de Maatschappij te betalen € 894,56 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over € 243,51 vanaf 6 december 2023 en over € 534,37 vanaf 29 mei 2024 tot de dag dat volledig is betaald;



3.2.
veroordeelt de Stichting in de proceskosten, die aan de kant van de Maatschappij worden begroot op € 822,35;



3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;



3.4.
wijst al het andere af.


Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. I. van Drongelen en in het openbaar uitgesproken.
68254