Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:10422

2026-07-10 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht ROT 24/4675
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2026-07-10
Publicatiedatum
2026-08-21
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
ROT 24/4675
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Wet WIA. De rechtbank is van oordeel dat het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres per de datum in geding terecht heeft vastgesteld. Het beroep is ongegrond. Omdat eiseres terecht een verzoek tot immateriële schadevergoeding wegens de overschrijding van de redelijke termijn heeft gedaan, ziet de rechtbank aanleiding om zowel het UWV als de Staat der Nederlanden in dezelfde verhouding te veroordelen in de kosten van in dat verband beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (20.400 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM


Bestuursrecht



zaaknummer: ROT 24/4675


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juli 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. J. Marges),


en




de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: [gemachtigde 1] ),



en


de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid).


Als derde-belanghebbende heeft aan het geding deelgenomen:


[werkgever]
, gevestigd te [vestigingsplaats] , werkgever
(gemachtigde: [gemachtigde 2] ).





Procesverloop


1.1.
Eiseres heeft op 25 augustus 2022 een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).



1.2.
Met het besluit van 15 december 2022 (het primaire besluit) heeft het UWV de aanvraag afgewezen, omdat eiseres per 28 november 2022 (de datum in geding) meer dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd. Het arbeidsongeschiktheidspercentage is vastgesteld op 34,51%. Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt.



1.3.
Met het besluit van 25 maart 2024 (het bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar van eiseres gegrond verklaard. Het UWV heeft daarbij het primaire besluit herroepen en beslist dat eiseres met ingang van 28 november 2022 42,79% arbeidsongeschikt is en daardoor recht heeft op een WIA-uitkering.



1.4.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.



1.5.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



1.6.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.



1.7.
Met toepassing van het bepaalde in artikel 8:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank bij beslissing van 3 juli 2025 bepaald dat kennisneming van de medische stukken is voorbehouden aan de gemachtigde van de werkgever, [gemachtigde 2] .



1.8.
De rechtbank heeft het beroep op 1 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het UWV. De derde-belanghebbende heeft voorafgaand aan de zitting kenbaar gemaakt niet ter zitting te zullen verschijnen.





Totstandkoming van het bestreden besluit


2.


2.1.
Eiseres, laatstelijk werkzaam als analist immunologie voor 30,80 uur per week, heeft zich op 30 november 2020 ziek gemeld voor dit werk vanwege gezondheidsklachten. Op 25 augustus 2022 heeft eiseres een WIA-uitkering aangevraagd.



2.2.

In het kader van de beoordeling van deze aanvraag heeft een verzekeringsgeneeskundig onderzoek plaatsgevonden. De verzekeringsarts heeft eiseres op 7 november 2022 op het spreekuur gezien en op 9 december 2022 een Functionele mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld, die geldig is vanaf 7 november 2022. In deze FML zijn beperkingen opgenomen in de rubrieken: 1. Persoonlijk functioneren, 3. Fysieke omgevingseisen, 4. Dynamische handelingen, 5. Statische houdingen en 6. Werktijden.
De arbeidsdeskundige heeft in de rapportage van 15 december 2022, met inachtneming van de mogelijkheden en beperkingen van eiseres, geconcludeerd dat eiseres niet geschikt is voor het verrichten van haar eigen werk, maar wel geschikt is voor de functies Studie- en beroepskeuze adviseur, decaan (SBC-code 763080), Baliemedewerker (service en info) (SBC-code 315150) en Schadecorrespondent (SBC-code 516080). Aanvullend wordt eiseres geschikt geacht voor de functies Medewerker postverzorging (intern) (SBC-code 315140) en Medewerker Bibliotheek (SBC-code 15131). Het loon dat eiseres met de middelste van de drie eerstgenoemde functies (de mediaanfunctie) zou kunnen verdienen, ligt 34,51% lager dan het loon dat eiseres met haar eigen werk zou kunnen verdienen (het maatmaninkomen). Vervolgens heeft het UWV het primaire besluit genomen.




2.3.

In het kader van de heroverweging in bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de rapportage van 1 februari 2024 geconcludeerd dat de ingebrachte bezwaren van eiseres leiden tot een gedeeltelijke aanpassing van het ingenomen standpunt door de primaire verzekeringsarts. Deze aanpassing is neergelegd in een gewijzigde FML van 1 februari 2024, geldig vanaf 7 november 2022.
De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens in de rapportage van 21 februari 2024, met inachtneming van de mogelijkheden en beperkingen als vermeld in de gewijzigde FML, geconcludeerd dat er aanleiding bestaat om af te wijken van de conclusie van de primair arbeidsdeskundige. De functie Studentendecaan (binnen de SBC-code 763080) is komen te vervallen. Binnen deze SBC-code heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geen andere passende functie kunnen duiden. De functie Schadeadviseur (binnen SBC-code 516080) is ook komen te vervallen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft binnen deze SBC-code wel een andere passende functie weten te duiden, namelijk Medewerker contactcenter claimbehandeling. De overige geduide functies blijven passend. Het loon dat eiseres vervolgens zou kunnen verdienen, ligt 42,79% hoger dan het loon dat eiseres met haar eigen werk zou kunnen verdienen. Vervolgens heeft het UWV het bestreden besluit genomen.

Standpunt eiseres




3. Eiseres voert in beroep – kort samengevat – aan dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende rekening heeft gehouden met haar beperkingen en dat zij meer beperkt is dan eerder is aangenomen. Volgens eiseres had een verdergaande urenbeperking moeten worden aangenomen. Ook is eiseres van mening dat de functie Baliemedewerker, mede gelet op wat de ergotherapeut heeft aangegeven, niet geschikt is. Verder voert eiseres aan dat zij zich per 13 juli 2023 toegenomen arbeidsongeschikt heeft gemeld, waardoor het UWV de situatie per die datum had moeten beoordelen. Bovendien verzoekt eiseres om immateriële schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn.






Toepasselijke wet- en regelgeving


4. De toepasselijke wet- en regelgeving voor de beoordeling in het kader van de Wet WIA is als volgt.



Op grond van artikel 4 van de Wet WIA is volledig en duurzaam arbeidsongeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.



Op grond van artikel 5 van de Wet WIA is gedeeltelijk arbeidsgeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, doch die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.



Op grond van artikel 6, derde lid, van de Wet WIA wordt onder de genoemde arbeid verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.





Beoordeling door de rechtbank

5. Eiseres heeft de rechtbank geen toestemming gegeven om gedingstukken die medische gegevens bevatten ter kennisname aan de werkgever te brengen. Gelet hierop zal de rechtbank de motivering van haar oordeel voor zover nodig beperken om te voorkomen dat die gegevens langs deze weg alsnog in de openbaarheid worden gebracht.

6. De rechtbank dient te beoordelen of het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres per de datum in geding van 28 november 2022 terecht heeft vastgesteld op 42,79%. De rechtbank beoordeelt dit aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.



Medische beoordeling



7.1.
Wat eiseres in beroep aanvoert, geeft geen reden om het medisch oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt voor onjuist te houden. Het is de specifieke deskundigheid van de verzekeringsarts bezwaar en beroep om op grond van de beschikbare medische gegevens de beperkingen tot het verrichten van arbeid vast te stellen. Het is de rechtbank niet gebleken dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onvolledig of onjuist beeld heeft gehad van de medische situatie van eiseres.



7.2.
De stelling van eiseres dat er beperkingen hadden moeten worden aangenomen op de specifiek door eiseres genoemde items kan de rechtbank niet volgen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft afdoende toegelicht dat er onvoldoende grond is om voor die items beperkingen op te nemen in de FML. In de rapportage van 1 februari 2024 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep op pagina 7 toegelicht dat een medische basis ontbreekt voor het door eiseres gestelde. In de aanvullende rapportage van 21 augustus 2024 op pagina 1 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep daaraan toegevoegd dat wat door de fysiotherapeut in de brief van 23 januari 2024 werd benoemd, heeft plaatsgevonden na de datum in geding. In deze brief wordt ook verwezen naar de eerdere brief van de fysiotherapeut van 22 augustus 2022. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft afdoende rekening gehouden met de medische situatie van eiseres zoals deze in de brieven naar voren komt. Ook heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep toegelicht dat uit de anamnese van de primaire verzekeringsarts de gevolgtrekking kan worden gemaakt dat eiseres in staat moet zijn om handelingen uit te voeren, waarvan eiseres van mening is dat zij hiertoe niet in staat is. De rechtbank begrijpt dit zo dat naar aanleiding van de anamnese van de primaire verzekeringsarts aanleiding bestaat om beperkingen op die desbetreffende items aan te nemen.



7.3.
Ten aanzien van de urenbeperking heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gemotiveerd toegelicht dat er uitgaande van de verzekeringsgeneeskundige standaard “Duurbelastbaarheid in Arbeid” geen medische indicatie is om een verdergaande beperking van de duurbelastbaarheid aan te nemen bij passende arbeid rekening houdend met de beperkingen. In de aanvullende rapportage van 21 augustus 2024 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep afdoende toegelicht dat uit het dagverhaal van eiseres op een niet-werkdag blijkt dat zij geen extra rustbehoefte heeft en dat uit het dagverhaal van een werkdag blijkt dat eiseres na ruim zes uur achtereen actief te zijn geweest een rustbehoefte heeft van een uur, waarna zij vervolgens weer activiteiten verricht totdat zij gaat slapen. Soms betreft één van die activiteiten een behandeling bij de fysiotherapeut. Hieruit blijkt volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat eiseres op een werkdag zes uur per dag achtereen actief kan zijn en daarna nog voldoende mogelijkheid heeft voor het volgen van een behandelafspraak. De verzekeringsarts bezwaar en beroep licht verder toe dat het de expertise van een verzekeringsarts is om de belastbaarheid voor werk vast te stellen, waarbij hij voor het aannemen van een (verdergaande) urenbeperking is gebonden aan de standaard “Duurbelastbaarheid in arbeid”, terwijl een bedrijfsarts, een ergotherapeut en een longarts hier niet aan zijn gebonden. Ook heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep nog toegelicht dat de bedrijfsarts in de e-mail van 5 januari 2023 geen adequate onderbouwing heeft gegeven waarom een verdergaande urenbeperking noodzakelijk zou zijn en dat het gestelde door de bedrijfsarts, dat een urenbeperking is aangenomen op energetische gronden en er geen rekening is gehouden met de behandeling die eiseres volgt, onjuist is. Uit de beschouwing van de primaire verzekeringsarts blijkt namelijk dat de aangegeven beperking van de duurbelastbaarheid is aangegeven vanwege een verminderde energetische belastbaarheid, maar dat hiermee ook rekening is gehouden met de behandelingen van eiseres. De primaire verzekeringsarts heeft aangegeven dat de urenbeperking van 30 uur per week eiseres onder andere de mogelijkheid geeft om haar behandelingen voort te zetten. Ten aanzien van het gestelde over de urenbeperking door de ergotherapeut, merkt de rechtbank op dat de ergotherapeut niet heeft onderbouwd waarom van een verdergaande urenbeperking moet worden uitgegaan. Daarentegen merkt de rechtbank op dat de longarts wel heeft onderbouwd waarom volgens hem een verdergaande urenbeperking noodzakelijk is. De rechtbank stelt echter vast dat de primaire verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep hier rekening mee hebben gehouden door in hun rapportages toe te lichten dat het volgen van de behandelingen mogelijk is bij een werkweek van 30 uur.



7.4.
In de aanvullende rapportage van 21 augustus 2024 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep ook afdoende toegelicht dat er medisch gezien geen reden is om aan te nemen dat eiseres niet in staat is om de werkzaamheden in de functie van Baliemedewerker te verrichten. Deze functie overschrijdt immers de belastbaarheid van eiseres, zoals vastgesteld in de FML, niet.



7.5.
Voor zover eiseres stelt dat bij het medisch onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep slechts de situatie is beoordeeld per 28 november 2022 en niet per 13 juli 2023, overweegt de rechtbank dat onderhavige procedure ziet op de datum in geding van 28 november 2022 zodat de situatie per die datum moet worden beoordeeld. Omdat eiseres zich per 13 juli 2023 toegenomen arbeidsongeschikt heeft gemeld, volgt hieruit een nieuwe beoordeling met als datum in geding 13 juli 2023. Die beoordeling per 13 juli 2023 heeft geen betekenis voor deze procedure.



7.6.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep naar het oordeel van de rechtbank uitdrukkelijk en afdoende rekening gehouden met de geobjectiveerde beperkingen van eiseres. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit.



Arbeidsdeskundige beoordeling


8. Gelet op wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen, gaat de rechtbank ervan uit dat de beperkingen in de FML van 1 februari 2024 juist zijn vastgesteld. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat de belasting van de voorgehouden functies de mogelijkheden en beperkingen van eiseres uit de FML overschrijdt. Om die reden kan dat wat eiseres heeft aangevoerd over de geschiktheid van de geduide functies niet slagen, omdat dit is gebaseerd op het standpunt dat eiseres minder functionele mogelijkheden heeft dan het UWV heeft aangenomen.

9. Vergelijking van het inkomen dat eiseres in de voorgehouden functies zou kunnen verdienen met het inkomen dat zij in haar eigen werk zou hebben verdiend als zij niet arbeidsongeschikt was geworden, geeft een verlies aan verdienvermogen van 42,79%.



Overschrijding redelijke termijn




10.1.
Eiseres heeft een verzoek gedaan om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Volgens vaste rechtspraak moet de vraag of de redelijke termijn is overschreden worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. De behandeling van zaken als deze, waarin van een bezwaar- en beroepsprocedure sprake is, mag maximaal twee jaar in beslag nemen. De hoofdregel is dat de bezwaarfase een half jaar in beslag mag nemen en de beroepsfase anderhalf jaar, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur als deze in haar geheel niet meer dan twee jaar heeft geduurd. De te beoordelen periode begint met de datum waarop het bezwaarschrift is ingediend en loopt door tot de datum waarop de rechtbank (eind)uitspraak heeft gedaan. De omstandigheden van het geval kunnen maken dat een langere behandelduur gerechtvaardigd is. Als de redelijke termijn is overschreden, geldt voor de schadevergoeding als uitgangspunt een tarief van € 500,- per half jaar waarmee die termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. De rechtbank moet beoordelen of er sprake is van een termijnoverschrijding en zo ja, of deze moet worden toegerekend aan de bezwaar- en/of aan de beroepsfase.



10.2.
De rechtbank stelt vast dat de totale procedure, de bezwaarfase gecombineerd met de beroepsfase, drie jaar en zes maanden heeft geduurd, te weten vanaf 9 januari 2023 (de ontvangstdatum van het bezwaarschrift) tot aan de uitspraak van heden. Hiermee is de redelijke termijn met (afgerond naar boven) 18 maanden overschreden. De overschrijding van de redelijke termijn leidt in dit geval derhalve tot een schadevergoeding van € 1.500,-. De beslissing op bezwaar is door het UWV genomen op 25 maart 2024. Dat houdt in dat het UWV negen maanden te laat heeft beslist. Het resterende deel van negen maanden moet aan de beroepsfase worden toegerekend. Zowel het UWV als de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) moeten 9/18e deel van € 1.500,- = € 750,- betalen. Zij worden elk veroordeeld tot betaling van dit bedrag aan eiseres.





Conclusie en gevolgen


11.


11.1.
Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Omdat eiseres terecht een verzoek tot immateriële schadevergoeding wegens de overschrijding van de redelijke termijn heeft gedaan, ziet de rechtbank aanleiding om zowel het UWV als de Staat in dezelfde verhouding te veroordelen in de kosten van in dat verband beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Dit komt neer op veroordeling van het UWV en de Staat tot elk een bedrag van € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5).









Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt het UWV om aan eiseres een vergoeding voor immateriële schade te betalen van € 750,-;
- veroordeelt de Staat om aan eiseres een vergoeding voor immateriële schade te betalen van € 750,-;
- veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 467,-;
- veroordeelt de Staat in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 467,-.



Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Zoethout, rechter, in aanwezigheid van mr. S. de Bloois, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2026.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.



Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.




Zie bijvoorbeeld de uitspraken ABRvS van 24 december 2008, (ECLI:NL:RVS:2008:BG8294) en 29 januari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:188).


ECLI:NL:RVS:2025:5294.