Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:10421

2026-07-13 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht ROT 25/1706
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2026-07-13
Publicatiedatum
2026-08-21
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
ROT 25/1706
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Werkloosheidswet (WW). De rechtbank is van oordeel dat het UWV onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de relevante feiten en omstandigheden voordat het bestreden besluit is genomen. Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd. De rechtbank kan zich vinden in het door het UWV ingenomen standpunt dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid, waardoor het niet volledig uitbetalen van de WW-uitkering onevenredig wordt geacht. De rechtbank zal daarom bepalen dat het UWV een nieuwe beslissing op het bezwaar moeten nemen waarin wordt vastgesteld dat aan de ex-werknemer een maatregel wordt opgelegd waarbij de helft van de WW-uitkering in mindering wordt gebracht over ten hoogste een periode van 26 weken.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (16.152 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM


Bestuursrecht



zaaknummer: ROT 25/1706


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 juli 2026 in de zaak tussen
Stichting STC-Group, uit Rotterdam, eiseres
(gemachtigde: mr. J.C. Brökling),


en




de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: mr. S. Roodenburg).



Als derde-belanghebbende heeft aan het geding deelgenomen:


[persoon A]
, uit [woonplaats] , ex-werknemer van eiseres
(gemachtigde: mr. J.R. Kamerling).





Procesverloop


1.1.

[persoon A] , de ex-werknemer van eiseres, is op 25 augustus 2014 bij eiseres in dienst gekomen als Instructeur (S-07) voor gemiddeld 40 uur per week. De ex-werknemer was laatstelijk werkzaam als Instructeur op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.



1.2.
Met de beschikking van 23 mei 2024 heeft de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 juli 2024 ontbonden wegens verwijtbaar handelen dan wel nalaten in de zin van artikel 7:669, derde lid, sub e, van het Burgerlijk Wetboek (BW). Uit deze beschikking blijkt dat de ex-werknemer op 5 februari 2024 een leerling tijdens de les in een klaslokaal een schop of een trap tegen zijn achterwerk heeft gegeven.



1.3.
Op 24 juni 2024 heeft de ex-werknemer een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW).



1.4.
Met het besluit van 18 juli 2024 (het primaire besluit) heeft het UWV voor de periode van 1 juli 2024 tot en met 30 juni 2026 een WW-uitkering aan de ex-werknemer toegekend.



1.5.
Zowel eiseres, als eigenrisicodrager voor de WW, als de ex-werknemer hebben bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Met de brief van 30 september 2024 heeft de ex-werknemer het bezwaar ingetrokken. Met het besluit van 9 januari 2025 (het bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.



1.6.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op dit beroep gereageerd met een verweerschrift.



1.7.
Partijen hebben vervolgens nadere stukken ingediend.



1.8.
De rechtbank heeft het beroep op 1 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [medewerker 1] en [medewerker 2] (medewerkers van eiseres), de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het UWV. De derde-belanghebbende heeft voorafgaand aan de zitting kenbaar gemaakt niet ter zitting te zullen verschijnen.





Standpunt eiseres


2. Eiseres voert in beroep – kort samengevat – aan dat het UWV geen zorgvuldig en zelfstandig onderzoek heeft verricht, waarna het UWV ten onrechte heeft bepaald dat de ex-werknemer recht behoudt op een ongekorte WW-uitkering. Het UWV heeft geen onderzoek gedaan of er eerdere incidenten hebben plaatsgevonden, terwijl hier wel aanknopingspunten voor waren gelet op het gespreksverslag van 4 september 2024. Ook lijkt het UWV haar motivering en het feitenonderzoek volledig te baseren op de beschikking van de kantonrechter. In de beschikking van de kantonrechter wordt verwezen naar de persoonlijke omstandigheden van de ex-werknemer. Het UWV beroept zich op deze persoonlijke omstandigheden en stelt dat dit (mede) maakt dat het niet proportioneel zou zijn om de WW-uitkering te korten, terwijl niet duidelijk wordt gemaakt wat die persoonlijke omstandigheden zijn. Bovendien staat in de beschikking van de kantonrechter dat niet vaststaat wat aan het geven van de schop of trap vooraf is gegaan. Dit had reden moeten zijn voor het UWV om nader feitenonderzoek te doen. Daarnaast heeft het UWV een onjuist juridisch kader toegepast door niet zelfstandig op grond van de WW te toetsen of al dan niet sprake was van een dringende reden voor ontslag en of de ex-werknemer daarvan in overwegende mate (voor meer dan 50%) een verwijt kan worden gemaakt. Eiseres stelt dat van een dergelijke dringende reden sprake is en dat de ex-werknemer in overwegende mate een verwijt kan worden gemaakt. De enkele omstandigheid dat de kantonrechter oordeelt dat geen sprake is van ernstige verwijtbaarheid in de zin van artikel 7:678 van het BW, maakt niet dat geen sprake is van een dringende reden in de zin van artikel 27 van de WW. Volgens eiseres valt de gedraging van de ex-werknemer onder de vierde categorie uit het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten, zodat sprake moet zijn van een blijvende gehele weigering van de WW-uitkering. Overigens heeft het UWV niet gemotiveerd welke nadelige gevolgen dit concreet voor de ex-werknemer heeft. Ook wordt door het UWV voorbijgegaan aan de mogelijke nadelige gevolgen voor eiseres als eigenrisicodrager voor de WW.





Toepasselijke wet- en regelgeving


3.


3.1.
Op grond van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW rust op de werknemer de verplichting om te voorkomen dat hij verwijtbaar werkloos wordt. Volgens artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW is de werknemer verwijtbaar werkloos geworden als aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 7:678 van het BW en de werknemer daarvan een verwijt kan worden gemaakt.



3.2.

Artikel 7:677, eerste lid, van het BW luidt:
Ieder der partijen is bevoegd de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen om een dringende reden, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij.




3.3.
In artikel 7:678, eerste lid, van het BW is het volgende opgenomen: Voor de werkgever worden als dringende redenen in de zin van lid 1 van artikel 677 beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.


3.4.
Op grond van artikel 27, eerste lid, van de WW brengt het UWV een bedrag blijvend op de uitkering in mindering indien de werknemer een verplichting als bedoeld in artikel 24, eerste lid, onderdeel a, van de WW niet is nagekomen, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten. In dat geval brengt het UWV de helft van het bedrag in mindering over ten hoogste een periode van 26 weken. In het achtste lid is neergelegd dat het UWV kan afzien van het opleggen van een maatregel indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. In het elfde lid is neergelegd hoe het bedrag, bedoeld in het eerste en tweede lid, moet worden berekend.





Beoordeling door de rechtbank


4.


4.1.
De rechtbank stelt vast dat het UWV het bestreden besluit heeft gewijzigd door in beroep een ander standpunt in te nemen. Anders dan in het bestreden besluit, stelt het UWV in beroep dat sprake is van een dringende reden om het dienstverband te beëindigen, maar dat de ex-werknemer niet in overwegende mate een verwijt kan worden gemaakt. Volgens het UWV is daarom sprake van een verminderde verwijtbaarheid. Bij de ex-werknemer was sprake van persoonlijke omstandigheden, zoals de situatie rondom zijn dochter en zoon, het bericht van de ziekte van zijn schoonzoon, het gegeven dat hij zich na het incident ziek heeft moeten melden, dat hij in een GGZ-traject zit, hij indertijd 63 jaar was en zich door zijn gezondheidstoestand waarschijnlijk niet (meer) beschikbaar kan stellen voor de arbeidsmarkt, waardoor de ex-werknemer verminderd verwijtbaar moet worden geacht, aldus het UWV. Daarbij benadrukt het UWV dat de ex-werknemer een dienstverband van bijna 10 jaar had bij eiseres. Verder voert het UWV aan dat niet vastgesteld kan worden dat de ex-werknemer eerder een officiële waarschuwing heeft gehad, omdat de ex-werknemer de door eiseres overgelegde brief niet heeft ondertekend en de ontvangst daarvan betwist. Daarnaast stelt het UWV dat eiseres ook niet heeft betwist dat de ex-werknemer gedurende het dienstverband goed gefunctioneerd heeft. Gezien de aard van de gedraging, het verdere dienstverband van de werknemer, de door hem meegemaakte gebeurtenissen in de privésfeer, zijn leeftijd en zijn positie op de arbeidsmarkt, acht het UWV een volledige weigering van de WW-uitkering in strijd met het evenredigheidsbeginsel en stelt zij zich op het standpunt dat een maatregel moet worden opgelegd van 35% van het WW-dagloon gedurende 26 weken. Het UWV verwijst hiervoor naar een uitspraak van de rechtbank Overijssel van 12 september 2025. Gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep mede betrekking op dit gewijzigde standpunt van het UWV.

5. Gezien het gewijzigde standpunt van het UWV is tussen het UWV en eiseres niet langer in geschil dat sprake is van verwijtbare werkloosheid. De rechtbank overweegt dat aan de werkloosheid van de ex-werknemer een dringende reden ten grondslag ligt, omdat uit het dossier naar voren komt dat de ex-werknemer een leerling een trap of een schop(je) zou hebben gegeven. De rechtbank is met het UWV en eiseres van oordeel dat een dergelijke gedraging onacceptabel is. Van een werkgever kan in een dergelijk geval niet gevergd worden dat de arbeidsovereenkomst wordt voortgezet. De persoonlijke omstandigheden waar de ex-werknemer mee te maken heeft (gehad), maken dit niet anders.

6. Het UWV en eiseres blijven nog wel verdeeld over de vraag of het UWV zorgvuldig onderzoek heeft verricht en of het UWV de WW-uitkering van de ex-werknemer volledig had moeten weigeren of dat een maatregel (35% van het WW-dagloon) had moeten worden toegepast.



7.1.
Ten aanzien van het door het UWV verrichte onderzoek, overweegt de rechtbank als volgt. Het UWV heeft toegelicht dat voor de feiten en omstandigheden voornamelijk is uitgegaan van de beschikking van de kantonrechter van 23 mei 2024, voor zover geen reden bestaat daaraan te twijfelen. Zoals het UWV zelf ook onderschrijft beschikte het UWV ten tijde van het bestreden besluit nog niet over de brief met een officiële eerste waarschuwing van 1 juli 2021 en het verweerschrift van de ex-werknemer in de ontslagprocedure bij de kantonrechter van 11 april 2025, waaruit de persoonlijke omstandigheden van de ex-werknemer en zijn visie op het incident blijken. Hieruit kan geconcludeerd worden dat het UWV niet over alle voor het nemen van het besluit relevante gegevens beschikte. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het UWV onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de relevante feiten en omstandigheden voordat het bestreden besluit is genomen. Het UWV heeft ook aanleiding gezien om het standpunt in beroep te wijzigen. Het beroep is reeds daarom gegrond en het bestreden besluit zal worden vernietigd. De rechtbank zal nader ingaan op de overige gronden van eiseres, zodat de rechtbank het UWV kan opdragen om een nieuw besluit op het bezwaar van eiseres te nemen met inachtneming van deze uitspraak.



7.2.
De rechtbank moet vervolgens beoordelen of de ex-werknemer in overwegende mate een verwijt kan worden gemaakt. Uit het verweerschrift van de ex-werknemer, zoals dat eerder is ingebracht bij de procedure bij de kantonrechter, blijkt dat hij voorafgaand aan het incident op 5 februari 2024 meerdere tegenslagen heeft gehad in zijn privésfeer. Hieruit zou volgens het UWV afgeleid kunnen worden dat de opeenhoping van die tegenslagen meespeelden bij het incident op 5 februari 2024. Het UWV neemt daarbij ook in aanmerking dat de ex-werknemer een dienstverband van onbepaalde tijd had, zijn dienstverband nagenoeg 10 jaar heeft geduurd en hij gedurende dat dienstverband over het algemeen goed heeft gefunctioneerd. Daarentegen heeft eiseres aangegeven dat eerder een incident van andere aard heeft plaatsgevonden waarvoor de ex-werknemer een waarschuwing heeft gekregen. De ex-werknemer betwist de ontvangst van de waarschuwingsbrief. De rechtbank kan daarom met het UWV niet vaststellen of de ex-werknemer een officiële waarschuwing heeft gehad of niet.


7.3.
Gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden kan de rechtbank zich vinden in het door het UWV in beroep ingenomen standpunt dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid waardoor het niet volledig uitbetalen van de WW-uitkering onevenredig wordt geacht. De rechtbank zal daarom bepalen dat het UWV een nieuwe beslissing op het bezwaar moeten nemen waarin wordt vastgesteld dat aan de ex-werknemer een maatregel wordt opgelegd waarbij de helft van de WW-uitkering in mindering wordt gebracht over ten hoogste een periode van 26 weken.




Conclusie en gevolgen


8.


8.1.
Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:2 van de Awb. Dat betekent dat het bestreden besluit wordt vernietigd. De rechtbank draagt het UWV op grond van artikel 8:72, vierde lid, onder b, van de Awb op om uiterlijk binnen vier weken een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank kan in dit geval niet zelf in de zaak voorzien, omdat het UWV ook de hoogte en de duur van de WW-uitkering zal moeten berekenen.



8.2.
De rechtbank bepaalt dat het UWV het door eiseres betaalde griffierecht van € 385,- moet vergoeden. De rechtbank zal het UWV ook veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).





Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt het UWV op om uiterlijk binnen vier weken een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 385,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,-.


Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Zoethout, rechter, in aanwezigheid van mr. S. de Bloois, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2026.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.



Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.




Deze beschikking van de rechtbank Rotterdam van 23 mei 2024 is bekend onder het nummer VERZ 24-1453.


ECLI:NL:RBOVE:2025:5537.


Artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).