Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:10387

2026-07-21 Civiel recht; Personen- en familierecht C/10/707392 / FA RK 25-7324 EN C/10/712413 / FA RK 25-9861
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2026-07-21
Publicatiedatum
2026-08-21
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Beschikking
Zaaknummer
C/10/707392 / FA RK 25-7324 EN C/10/712413 / FA RK 25-9861
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Echtscheiding, rechtbank benoemt bijzondere curator, beperkte gemeenschap, vergoedingsrechten

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (62.218 tekens)
Rechtbank Rotterdam


Team familie



zaaknummers / rekestnummers: C/10/707392 / FA RK 25-7324 (echtscheiding)
C/10/712413 / FA RK 25-9861 (verdeling)




Beschikking van 21 juli 2026 over de echtscheiding




in de zaak van:





[naam vrouw]
, hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats 1],
advocaat mr. H.J.C. de Waard te Zwijndrecht,



t e g e n





[naam man]
, hierna: de man,
wonende te [woonplaats 2],
advocaat mr. C.K. Visser te Oud-Beijerland.






1De procedure


1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:


het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 25 september 2025;


het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlagen van de man, ingekomen op 10 november 2025;


het verweerschrift op het zelfstandig verzoek met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 22 december 2025;


het aanvullende verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 19 mei 2026;


het verweerschrift tegen het aanvullende verzoekschrift met bijlage van de man, ingekomen op 27 mei 2026;


de berichten met bijlagen van de vrouw van 29 mei 2026 en 2 juni 2026.




Hoewel het bericht van de vrouw van 2 juni 2026 te laat is, wordt deze geaccepteerd omdat daar geen bezwaar tegen is.




1.2
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 8 juni 2026. Daarbij zijn verschenen:


de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;


de man, bijgestaan door zijn advocaat;


de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [naam 1].





1.3
De minderjarige is, gelet op zijn leeftijd, in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft laten dat hij het niet nodig vindt om zijn mening te geven.






2De vaststaande feiten


2.1
Partijen zijn met elkaar gehuwd te [plaatsnaam] op [datum].



2.2

De minderjarige zoon van partijen is:

[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats].




2.3
Bij beschikking van deze rechtbank van 1 september 2025 is in de voorlopige voorzieningenprocedure:
- bepaald dat de regeling over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken zal zijn
zoals opgenomen in 3.1.1., 3.1.2. en 3.1.3, met uitzondering van september 2025. In september 2025 geldt dat de minderjarige van vrijdag 12 september na school tot en met zondag 14 september 20:00 uur bij de man verblijft en van zondag 21 september vanaf 13:00 uur tot en met dinsdag 23 september 20:00 uur;


bepaald dat de minderjarige aan de vrouw wordt toevertrouwd;


bepaald dat de vrouw met ingang van de datum van deze beschikking bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan de [adres];


de man verboden deze woning verder te betreden;


bepaald dat de man met ingang van de datum van deze beschikking met een bedrag van € 443,- per maand zal bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige (hierna: de kinderbijdrage), bij vooruitbetaling te voldoen;


bepaald dat de man met ingang van de datum van deze beschikking een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw zal verstrekken van € 265,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen.





2.4
Bij beschikking van deze rechtbank van 16 april 2026 is de beschikking van 1 september 2025 gewijzigd, in die zin dat:


de daarbij bepaalde voorlopige zorgregeling zal worden gewijzigd in die zin dat er voorlopig geen omgang zal zijn tussen de man en de minderjarige;


de stukken in handen van de raad voor de kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht, zijn gesteld met het verzoek om onderzoek of andere bemoeienis over de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en tegen de datum van een mondelinge behandeling waarop de echtscheidingsprocedure met zaak-/rekestnummer C/10/707392 / FA RK 25-7324 wordt behandeld aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen.








3De beoordeling


3.1

Scheiding



3.1.1
Beide partijen verzoeken de echtscheiding tussen hen uit te spreken. Zij stellen en erkennen over en weer dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.



3.1.2
Op grond van artikel 815 lid 2 Rv, voor zover hier van belang, moet een (inleidend) verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan bevatten met afspraken over de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Het ouderschapsplan is in de wet geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding. De rechtbank heeft daarom de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815 lid 6 Rv).



3.1.3
Partijen hebben geen ouderschapsplan overeenkomstig artikel 815 lid 2 Rv overgelegd. Omdat voldoende is gebleken dat het voor hen op dit moment redelijkerwijs niet mogelijk is een door beide partijen akkoord bevonden ouderschapsplan over te leggen, zal de rechtbank partijen ontvangen in hun verzoeken tot echtscheiding.



3.1.4
De verzochte echtscheiding zal, als niet weersproken en op de wet gegrond, worden uitgesproken.




3.2

Gezag en vervangende toestemming



3.2.1
De vrouw verzoekt:


primair te bepalen dat zij wordt belast met het eenhoofdig gezag over de minderjarige;


subsidiair vervangende toestemming te geven voor Centrum voor Gezinsbehandeling en individuele behandeling voor de minderjarige in de vorm van een vertrouwenspersoon, coach of kinderpsycholoog.





3.2.2
De man voert gemotiveerd verweer tegen het verzoek tot eenhoofdig gezag. Als dat verzoek niet direct wordt afgewezen, verzoekt de man dat de raad het onderzoek naar de zorgregeling uitbreidt met een onderzoek naar het ouderlijk gezag. De man refereert zich aan het oordeel van de rechtbank over de vervangende toestemming.



3.2.3
Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de verstandhouding tussen partijen alles behalve goed is en dat de man – naar eigen zeggen tot zijn grote verdriet en spijt – sinds november 2025 nauwelijks betrokken is in het leven van de minderjarige. Op basis van wat partijen hebben verteld lijkt het erop dat de man en de vrouw behoorlijk plotseling maar zeker uit elkaar zijn gedreven en elkaar gaandeweg niet meer hebben teruggevonden. De man heeft uitgelegd dat er veel bij hem speelde maar daar lang niet open over is geweest naar de vrouw. Hij heeft de bij hem ontstane wens om te scheiden onder andere omdat hij zich beknot voelde, een bedrijfsongeval en afhankelijkheid van pijnstillers, waarvoor hij naar een afkickkliniek is gegaan, genoemd. Zijn gevoel op dat moment af te glijden, heeft hem in november 2025 doen besluiten dat zijn contact met de minderjarige voorlopig moest worden gestopt, in de hoop snel weer de oude te zijn en het contact te kunnen hervatten. Zowel de scheiding als de contactstop zijn grote en ingrijpende beslissingen die voor de vrouw uit de lucht kwamen vallen en onbegrijpelijk waren. Hoe de kloof tussen hen voor de minderjarige overbrugd kan worden is een lastige vraag, zeker nu de vrouw zegt dat bepaalde negatieve en belastende gebeurtenissen zoveel indruk hebben gemaakt op de minderjarige, dat hij bang is voor de man en door de weerstand geen ruimte heeft voor contact.



3.2.4

Duidelijk is dat de minderjarige op dit moment klem en verloren zit tussen zijn ouders. Behalve dat de man heeft gehoord dat de minderjarige naar de plusklas gaat heeft hij geen weet van wat er speelt in zijn leven. De man heeft de schoolapp verlaten en tussen partijen is ook geen contact over het wel en wee van de minderjarige. Over hulpverlening voor de minderjarige raken partijen het niet eens, waardoor dit ook niet van de grond komt. Het is voorzichtig positief dat de man tijdens de mondelinge behandeling zijn toestemming heeft gegeven zodat de vrouw en de minderjarige naar de dierentuin in het buitenland kunnen gaan, maar verder geeft de gang van zaken tot nu toe weinig hoop en vertrouwen dat partijen op niet al lange termijn een modus voor minimale samenwerking gaan vinden. Echter is het op dit moment te vroeg om te kunnen vaststellen dat de situatie niet zal gaan verbeteren. Er is in korte tijd zoveel gebeurd, het stof zal moeten neerdalen en dan moet bekeken worden of het partijen alsnog gaat lukken in het belang van hun zoon en met de nodige hulpverlening tot een vorm van gezamenlijk ouderschap te komen. Daar zullen beide partijen zich voor moeten inspannen. Wat daaraan in ieder geval zal bijdragen is dat de man zijn spijt over wat hij de afgelopen periode heeft gedaan of gelaten omzet in een proactieve meewerkstand. Dat houdt in elk geval in dat hij zichzelf weer moet gaan melden om toegang tot de schoolapp te krijgen, om weer meer betrokken te raken.
In de voorlopige voorzieningenprocedure tot wijziging is een raadsonderzoek ten aanzien van de zorgregeling verzocht dat binnenkort van start zal gaan. De rechtbank ziet aanleiding om de raad te verzoeken het onderzoek uit te breiden naar een onderzoek over het ouderlijk gezag met de vraag of de raad aanwijzingen ziet dat partijen binnen afzienbare termijn alsnog in staat zullen zijn samen belangrijke beslissingen over de minderjarige te nemen, zo dat hij niet langer klem zit. De behandeling van het primaire verzoek zal dus worden aangehouden.




3.2.5
Omdat de rechtbank het primaire verzoek van de vrouw nu niet toewijst, komt zij toe aan de beoordeling van het subsidiaire verzoek. De rechtbank is echter onvoldoende concreet geïnformeerd om te kunnen beslissen over dit verzoek en de raad onthoudt zich van advies over deze onderwerpen totdat het onderzoek is gedaan. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de vrouw enerzijds toestemming verzoekt voor systeemtherapie en anderzijds individuele behandeling voor de minderjarige. Systeemtherapie is meestal een behoorlijk ingrijpend traject en het is de vraag of dat, zeker in deze fase, samengaat met een raadsonderzoek. Er zijn door de vrouw geen stukken overgelegd waaruit voor de rechtbank voldoende concreet blijkt wat maakt, op basis van gesprekken met alle betrokkenen, dat systeemtherapie in deze situatie het meest wenselijk is. Als het gaat om de individuele behandeling voor de minderjarige heeft de vrouw onvoldoende geconcretiseerd welke persoon of organisatie zij op het oog heeft voor individuele hulpverlening. Er zijn ook geen stukken van bijvoorbeeld het Wijkteam overgelegd waaruit blijkt welke hulpverlener zij concreet op het oog hebben. Het moet voor de rechtbank wel duidelijk zijn waarvoor zij vervangende toestemming geeft, en dat is nu niet zo. Bovendien is tijdens de mondelinge behandeling gebleken dat de eerdere vertrouwenspersoon van de minderjarige voor de man onvoldoende onafhankelijk was. Dat maakt de rechtbank alert op dit punt. De rechtbank voorziet dat hulpverlening partijen en de minderjarige zeker verder kan helpen. Het voorgaande betekent dat de rechtbank de raad verzoekt om het onderzoek tevens uit te breiden naar een onderzoek over de benodigde hulpverlening en/of behandeling voor de minderjarige. De behandeling van dit verzoek zal dus ook worden aangehouden.




3.3

Verblijfplaats



3.3.1
De vrouw verzoekt te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij haar zal zijn.



3.3.2
De man refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.



3.3.3
De rechtbank beslist volgens het verzoek, omdat dit verzoek niet is weersproken en op de wet is gegrond. Niet is gebleken dat het belang van de minderjarige zich hiertegen verzet.




3.4

Zorgregeling en bijzondere curator



3.4.1
De vrouw verzoekt te bepalen dat zorgvuldig contactherstel tussen de man en de minderjarige zal plaatsvinden, waarna zal worden toegewerkt naar een zorgregeling die inhoudt dat:



reguliere regeling




de minderjarige zes dagen bij de vrouw is en daarna vier dagen bij de man, zoals het werkschema van de man is vastgesteld;


waarbij de man de minderjarige doordeweeks uit school ophaalt en om 20.00 uur bij de vrouw terugbrengt en in het weekend om 12.00 uur bij de vrouw ophaalt en om 20.00 uur terugbrengt;





vakanties




zomervakantie: even jaren de eerste drie weken bij de vrouw en de tweede drie weken bij de man, oneven jaren andersom;


herfstvakantie: even jaren bij de vrouw, oneven jaren bij de man;


kerstvakantie:



- even jaren: tweede kerstdag, tweede week, oud- en nieuwjaarsdag bij de vrouw, eerste kerstdag en eerste week bij de man;
- oneven jaren: tweede kerstdag, tweede week en oud- en nieuw-jaarsdag bij de man, eerste kerstdag en eerste week bij de vrouw;
- kerstavond altijd bij de vrouw;



voorjaarsvakantie: oneven jaren bij de vrouw, even jaren bij de man;


meivakantie: eerste week bij de man, tweede week bij de vrouw;





feestdagen




Pasen: oneven jaren bij de vrouw, even jaren bij de man;


Hemelvaartsdag: in onderling overleg;


Pinksteren: even jaren bij de vrouw, oneven jaren bij de man;


Koningsdag: oneven jaren bij de vrouw, even jaren bij de man;


Sinterklaas: oneven jaren 5 december bij de vrouw, even jaren 5 december bij de man;





bijzondere dagen




verjaardag minderjarige: even jaren of dag van viering bij de vrouw, oneven jaren of dag van viering bij de man;


verjaardag ouders: bij eigen verjaardag of dag van viering bij de ouders;


verjaardag zus [naam 2]: 8 november of dag van viering bij de vrouw;


Vaderdag: bij de man;


Moederdag: bij de vrouw.





3.4.2
De man voert gemotiveerd verweer en verzoekt over het verblijf van de minderjarige vast te stellen dat:



basisregeling


- van elke vier dagen dat de man achtereen vrij is van zijn werk, de minderjarige de middelste twee dagen bij hem verblijft zoals weergegeven in randnummer 13 van zijn verzoekschrift;




vakanties




voorjaarsvakantie: even jaren bij de man, oneven jaren bij de vrouw;


meivakantie: conform basisregeling;


zomervakantie:



- drie weken achtereen bij de vrouw en drie weken achtereen bij de man;
- oneven jaren: man heeft eerste keuze;
- even jaren: vrouw heeft eerste keuze;
- de keuze wordt in de maand januari aan de andere ouder bekend gemaakt;



herfstvakantie: even jaren bij de man, oneven jaren bij de vrouw;


kerstvakantie: conform basisregeling met als extra afspraken dat:



- a: elk jaar één kerstdag bij de man en één kerstdag bij de vrouw;
- b. even jaren: Oud- en Nieuwjaar bij de man, oneven jaren: Oud- en Nieuwjaar bij de vrouw;




feestdagen


- conform basisregeling, behalve de kerstdagen.



3.4.3
Tijdens de mondelinge behandeling is uitgebreid stilgestaan bij de vraag of en zo ja welke voorlopige zorgregeling kan worden uitgevoerd totdat de raad zijn onderzoek heeft voltooid. De vrouw meent dat er op dit moment geen ruimte is bij de minderjarige. De man wil heel graag weer contact, al is het maar een halfuurtje basketballen. Het is tijdens de mondelinge behandeling niet gelukt om in onderling overleg tot een regeling te komen. Aangezien er zoveel strijd en zeer tussen partijen is en de vrouw zegt dat de minderjarige nu geen contact wil met de man, is het dilemma waarvoor de rechtbank zich ziet gesteld wanneer de minderjarige beter af is: als de zorgregeling nu wordt geforceerd in de hoop dat het contact positief bevalt maar met het risico dat de minderjarige daar niet klaar voor is, waardoor de situatie alleen maar moeilijker wordt tussen de minderjarige en de man, of als nu wordt gewacht met een zorgregeling met het risico dat de drempel voor de minderjarige alleen maar hoger wordt. De rechtbank deelt uiteraard het uitgangspunt dat het in het belang van een kind is om met beide ouders positief contact te hebben. Daarbij komt ook dat niet in twijfel wordt getrokken dat de man altijd een goede vader is geweest voor de minderjarige en dat de minderjarige ook altijd dol op hem is geweest. Het lijkt er echter op dat die band is overschaduwd door de zware periode rondom de scheiding en dat de minderjarige daarin steun en begeleiding heeft gemist en het gevoel dat hij bij de man op nummer 1 staat. Het voorgaande betekent dat de rechtbank nu geen voorlopige zorgregeling zal vaststellen, om een averechts effect te voorkomen.



3.4.4

Wel zal de rechtbank ambtshalve een bijzondere curator benoemen op grond van artikel 1:250 BW. Dat artikel bepaalt dat als over de verzorging en opvoeding/het vermogen van de minderjarige een belangenstrijd ontstaat tussen de belangen van de met het gezag belaste ouders of één van hen en die van de minderjarige, de rechtbank een bijzondere curator kan benoemen om de minderjarige zowel in als buiten rechte te vertegenwoordigen, als de rechtbank dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk vindt.
Duidelijk is dat er sprake is van zo een belangenstrijd. De strijd gaat over de voor de minderjarige benodigde hulpverlening en het contactherstel van de minderjarige met zijn vader. De ouders blijken niet in staat daarover onderling overeenstemming te bereiken. De minderjarige heeft daar last van. Daarbij komt ook dat de rechtbank inschat dat de minderjarige belang en behoefte heeft bij/aan ondersteuning van iemand die er helemaal voor hem is, zodat hij een stem krijgt en wordt ondersteund in het contactherstel met zijn vader en tijdens het raadsonderzoek dat binnenkort van start zal gaan. Zo voelde de minderjarige zich volgens de vrouw eerder niet gehoord door de kinderrechter en lijkt hij een beetje verloren te zijn geraakt tussen zijn ouders. Het is duidelijk dat zijn ouders allebei van hem houden en het allerbeste met hem voor hebben, maar zij zijn beiden ook opgeslokt door de emotionele impact van de echtscheiding. Daarom vindt de rechtbank het in het belang van de minderjarige noodzakelijk dat een onafhankelijke persoon het belang van de minderjarige zowel in als buiten rechte gaat vertegenwoordigen.




3.4.5
De rechtbank geeft de man de opdracht om de minderjarige, via de bijzondere curator, binnenkort een kaartje te sturen waarin hij een leuke herinnering met de minderjarige ophaalt, waar hij onder schrijft: “Zullen we dat binnenkort weer gaan doen?” Het is belangrijk dat de man dat initiatief neemt. De rechtbank hoopt dat de bijzondere curator de minderjarige daar verder in kan enthousiasmeren en een vorm van contact kan bewerkstelligen, in de vorm van een kaartje terug of videobellen. Als dat contact plaatsvindt, is het niet verstandig dat de partner van de man daar meteen bij betrokken is. Zoals eerder gezegd moet de man ook regelen dat hij weer wordt geïnformeerd door school, zodat hij kan aansluiten bij de minderjarige aan de hand van gebeurtenissen waarover hij heeft gelezen. Dan kan de minderjarige denken: “Hey, papa weet dat ik dit of dat heb gedaan”. Hopelijk zal dat voor de minderjarige een vertrouwd gevoel geven en zal dat gespreksonderwerpen geven om de eerste contactmomenten mee te beginnen. Als het contactherstel positief verloopt, kan in samenspraak tussen de ouders en de bijzondere curator de zorgregeling verder opgebouwd worden in de aanloop naar het raadsonderzoek.



3.4.6
De rechtbank zal ook de vrouw een opdracht geven, ook al staat zij er op dit moment alleen voor als het gaat om de minderjarige. De rechtbank acht het van belang dat de vrouw de minderjarige positief blijft stimuleren als het gaat om het contact met zijn vader en dat zij bijvoorbeeld af en toe, in overleg met de bijzondere curator, foto’s met de minderjarige bekijkt die zien op de periode dat het contact tussen de man en de minderjarige nog goed was.



3.4.7
De ouders hebben op 12 juni 2026 schriftelijk ingestemd met het benoemen van een bijzondere curator.



3.4.8
De rechtbank heeft bij de keuze voor de bijzondere curator gekeken naar de fysieke afstand tussen de woonplaats van de minderjarige en de praktijk van de bijzondere curator, de beschikbaarheid, de inzet en kunde. [naam 3], advocaat, is bereid gevonden om in deze procedure als bijzondere curator op te treden en zal hiertoe ambtshalve door de rechtbank worden benoemd met als opdracht de belangen van de minderjarige te behartigen en:



te onderzoeken wat de wensen en behoeften zijn van de minderjarige ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en of de verzoeken van partijen op deze onderdelen in het belang zijn te achten van de minderjarige;




te onderzoeken waarin de weerstand, die de minderjarige volgens zijn moeder heeft ten opzichte van (het contact met) zijn vader, is gelegen. Ook wil de rechtbank graag dat de bijzondere curator onderzoekt of er nu of in de toekomst mogelijkheden zijn voor contacten tussen de minderjarige en de vader. Als dit mogelijk is, zou de bijzondere curator de minderjarige wellicht kunnen ondersteunen bij het hervatten van dit contact zoals hiervoor is overwogen;




te onderzoeken wat de mogelijkheden voor contact tussen de minderjarige en zijn vader zijn voor de toekomst;




in kaart te brengen wat de minderjarige nodig heeft om uit het loyaliteitsconflict waarin hij lijkt te verkeren, te komen en niet langer last te hebben van de onderlinge strijd, waarin de ouders verkeren;




een advies uit te brengen over eventueel benodigde hulpverlening voor de minderjarige;




te onderzoeken hoe de communicatie tussen de ouders verloopt en als deze voor verbetering vatbaar is, op welke manier dit kan worden bewerkstelligd;




te onderzoeken of een minnelijke regeling tot de mogelijkheden behoort.






3.4.9

De bijzondere curator wordt daarbij verzocht gesprekken te voeren met de minderjarige, de vrouw en de man individueel en bij voorkeur ook met de ouders gezamenlijk en zo mogelijk de ouders en de minderjarige gezamenlijk.
Het staat de bijzondere curator vrij gesprekken te voeren met anderen die informatie over de minderjarige kunnen verstrekken.




3.4.10
Verder verzoekt de rechtbank de bijzondere curator de leidraad werkwijze en verslag bijzondere curatoren ex artikel 1:250 BW in acht te nemen.



3.4.11
Het staat de bijzondere curator vrij het onderzoek in te richten zoals haar dat in het belang van de minderjarige lijkt. Voor het uitvoeren van de opdracht is het noodzakelijk dat de ouders meewerken aan het onderzoek van de bijzondere curator. Als de ouders niet meewerken, kan het gebeuren dat de rechtbank daaruit conclusies trekt die ongunstiger zijn dan wanneer de ouders wel hadden meegewerkt.



3.4.12
Ook moet de bijzondere curator onderzoeken of een minnelijke regeling tot de mogelijkheden behoort. Als de bijzondere curator niet buiten rechte een oplossing weet te bereiken, dan kan zij de minderjarige in rechte vertegenwoordigen en met betrekking tot het verzoek een advies aan de rechtbank uitbrengen in de vorm van een verslag van bevindingen. Wanneer de bijzondere curator het nodig vindt kan zij als vertegenwoordiger van de minderjarige een zelfstandig verzoek indienen.



3.4.13
Omdat de minderjarige, bij monde van zijn moeder, heeft aangegeven dat hij zich eerder niet gehoord voelde door de kinderrechter en er de komende periode ook wel wat van hem verwacht wordt, zal de kinderrechter de volgende brief per post aan de minderjarige sturen.



‘Beste [minderjarige],





Wij hebben, al weer bijna een jaar geleden, met elkaar gepraat op de rechtbank. Weet je dat nog? Papa en mama waren pas weer op de rechtbank om met mij te praten. Ik heb begrepen dat er in de tussentijd heel veel is gebeurd. Je hebt mij een briefje gestuurd dat je niet wilt praten. Das helemaal goed. Dat moet ook niet.

Met deze brief laat ik je weten wat ik heb beslist. Ik heb beslist dat er iemand komt die jou gaat helpen. Die iemand noemen we ‘bijzondere curator’. Ze, het is een mevrouw, heet [naam 3]. Zij gaat jou helpen door met jou te praten en te kijken wat jij nodig hebt. Dat gaat ze dan met papa en mama bespreken. Zij mag van mij namelijk ook met mama en met papa praten en ook met andere mensen die zij belangrijk vindt. Maar zij is er speciaal voor jou! Zij gaat het ook met jou hebben over contact met papa. Niet meteen bij hem slapen hoor! Als het goed is gaat papa een kaartje aan jou sturen. [naam 3] kan dat dan met jou bespreken en bijvoorbeeld samen met jou een kaartje terugschrijven. Of een videoboodschap opnemen. Als je dat wilt. [naam 3] gaat kijken wat jij wilt en wat kan en wat niet.

Ik heb ook, net als een andere rechter al eerder, beslist, dat er iemand anders gaat onderzoeken wat voor jou belangrijk is als het gaat om de scheiding van papa en mama. Dat gaat iemand van de Raad voor de kinderbescherming doen. Het kan zijn dat die persoon dan ook met jou wil praten. [naam 3] kan jou daarbij helpen.


En [minderjarige]: je hoeft niet je best te doen. Je kunt gewoon jezelf zijn. Das meer dan genoeg!


Als het herfstvakantie is, ergens ervoor of erna of er middenin, dan komen papa en mama weer met mij praten en dan komt [naam 3] ook en ook iemand van de Raad. En dan gaan we alles weer bespreken. Als jij dan ook met mij wilt komen praten (en je mag [naam 3] meenemen), dan kan dat. Natuurlijk doen we dat dan weer zonder papa en mama erbij. Moet niet, mag wel.



[minderjarige], ik wens je een mooie zomer met veel plezier!






3.5

Spaarrekening minderjarige



3.5.1
De vrouw verzoekt te bepalen dat de man de helft van het bedrag dat de man van de spaarrekening van de minderjarige heeft opgenomen – de helft van € 1.547,54 zijnde een bedrag van € 773,77 – aan de vrouw zal overmaken voor de minderjarige.



3.5.2
Anders dan de vrouw aanvoert valt de spaarrekening van de minderjarige buiten de huwelijksgemeenschap, zodat de spaarrekening niet in dat kader verdeeld kan worden. De rechtbank vult de rechtsgrond voor het verzoek van de vrouw aan met artikel 1:253a BW in samenhang gelezen met artikel 1:253i BW, waaruit volgt dat een gezag geschil tussen ouders over de manier waarop gezamenlijk het bewind over het vermogen van een kind wordt gevoerd, aan de rechtbank kan worden voorgelegd. Het geschil tussen partijen over de spaarrekening van de minderjarige gaat over de wijze waarop deze rekening wordt beheerd. De man heeft erkend dat alleen hij, zonder de vrouw, bij het saldo op deze spaarrekening kan én dat hij bedragen heeft afgeschreven toen hij krap bij kas zat. De rechtbank is van oordeel dat de man binnen twee weken een bedrag van € 1.547,54,- moet terugstorten op de Groei Groter Rekening van de minderjarige én dat partijen beiden hun medewerking moeten verlenen om ervoor te zorgen dat partijen voortaan alleen samen het bewind en beheer over het vermogen van de minderjarige kunnen voeren omdat zij samen belast zijn met het ouderlijk gezag.




3.6

Huurrecht woning



3.6.1
De vrouw verzoekt het huurrecht van de woning.



3.6.2
De man heeft tijdens de mondelinge behandeling zijn verzoek over het huurrecht ingetrokken en ingestemd met het verzoek van de vrouw.



3.6.3
De rechtbank zal het verzoek van de vrouw, als niet weersproken en op de wet gegrond, toewijzen.




3.7

Onderhoudsbijdragen



3.7.1
De vrouw verzoekt tijdens de mondelinge behandeling een door de man vooruit te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige (hierna ook: kinderbijdrage) van € 463,38 per maand en een vooruit te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (hierna ook: partnerbijdrage) van € 277,19 bruto per maand vast te stellen. Omdat dit hogere bedragen zijn dan de bedragen die de vrouw in haar verzoekschrift verzocht, geldt dit als een vermeerdering van haar verzoek.



3.7.2
De man maakt geen bezwaar tegen behandeling van haar vermeerderde verzoek en refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.



3.7.3
De rechtbank beslist volgens het (vermeerderde) verzoek, omdat dit verzoek niet is weersproken, op de wet is gegrond en de vermeerderde bedragen conform de wettelijke indexering is.




3.8

Verdeling en vergoedingsrechten



3.8.1
De vrouw verzoekt de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap te bepalen op de door haar voorgestelde wijze.



3.8.2
De man voert gemotiveerd verweer en verzoekt de wijze van verdeling te bepalen op de door hem voorgestelde wijze en vergoedingsrechten van de man op de gemeenschap vast te stellen rondom de auto, de e-bike, de zonwering en een tuinset.



Huwelijksregime




3.8.3
Omdat het huwelijk tussen partijen is gesloten na 1 januari 2018 en zij geen huwelijkse voorwaarden hebben opgemaakt, zijn zij in een beperkte gemeenschap gehuwd.



3.8.4

De gemeenschap omvat, wat haar baten betreft, op grond van artikel 1:94 lid 2 BW alle goederen die al vóór de aanvang van de gemeenschap aan de echtgenoten gezamenlijk toebehoorden, en alle overige goederen van de echtgenoten, door ieder van hen afzonderlijk of door hen tezamen vanaf de aanvang van de gemeenschap tot haar ontbinding verkregen. Hiervan zijn uitgezonderd:
goederen verkregen door erfopvolging bij versterf, making, lastbevoordeling of gift;
pensioenrechten waarop de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding van toepassing is, alsmede met die pensioenrechten verband houdende rechten op nabestaandenpensioen;
rechten op het vestigen van vruchtgebruik als bedoeld artikel 1:94 lid 2 aanhef en onder c BW.
Op grond van artikel 1:94 lid 3 BW omvat de gemeenschap daarnaast giften van tot de gemeenschap behorende goederen aan de andere echtgenoot en goederen, als ook de vruchten van die goederen, ten aanzien waarvan bij uiterste wilsbeschikking of bij de gift is bepaald dat zij in de gemeenschap vallen.




3.8.5
Wat betreft de lasten omvat de gemeenschap op grond van artikel 1:94 lid 7 BW alle vóór het bestaan van de gemeenschap ontstane gemeenschappelijke schulden, alle schulden betreffende goederen die al vóór de aanvang van de gemeenschap aan de echtgenoten gezamenlijk toebehoorden, en alle tijdens het bestaan van de gemeenschap ontstane schulden van ieder van de echtgenoten, met uitzondering van schulden als genoemd in artikel 1:94 lid 7 onder a tot en met c BW.



3.8.6
Bestaat tussen echtgenoten een geschil aan wie van hen beiden een goed toebehoort en kan geen van beiden zijn recht op dit goed bewijzen, dan wordt dit goed op grond van artikel 1:94 lid 8 BW als gemeenschapsgoed aangemerkt. Het vermoeden werkt niet ten nadele van de schuldeisers van de echtgenoten.




Peildatum omvang en samenstelling




3.8.7
Op grond van artikel 1:99 lid 1 aanhef en onder b BW is de peildatum voor de omvang van de huwelijksgemeenschap de datum waarop het verzoekschrift tot echtscheiding is ingediend, te weten 25 september 2025.



Bestanddelen beperkte gemeenschap




3.8.8
Volgens partijen of één van hen bestaat de huwelijksgemeenschap op de peildatum uit de volgende bestanddelen:


kleding en lijfgoederen;


inboedelgoederen en gereedschappen;


saldi bankrekeningen;


e-bike;


auto van het merk Kia Niro met kenteken [kenteken];


schuld aan [naam 4] ter hoogte van € 5.955,78;


schuld aan [naam 5] ter hoogte van € 2.000,-;


schuld aan VQ Advocaten ter hoogte van € 2.443,98.





3.8.9
In tegenstelling tot wat de vrouw stelt, behoort het saldo op de spaarrekening van de minderjarige niet tot de huwelijksgemeenschap. De rechtbank verwijst naar wat daarover is overwogen onder 3.5.2.



Peildatum waardering




3.8.10
Voor de waardering van de bestanddelen van de huwelijksgemeenschap gaat de rechtbank in beginsel uit van de datum van de feitelijke verdeling van het betreffende bestanddeel, tenzij partijen een andere datum zijn overeengekomen of op grond van de redelijkheid en billijkheid een andere datum moet worden aanvaard.



3.8.11
Voor een saldo van een bankrekening, een schuld en een vordering vindt geen waardering plaats. Uitgegaan wordt van de hoogte op de datum dat de huwelijksgemeenschap is ontbonden. Wijzigingen in de hoogte daarna maken geen onderdeel uit van de ontbonden huwelijksgemeenschap.



Vergoedingsrechten




3.8.12

Artikel 1:95 lid 2 BW bepaalt dat indien een goed tot de gemeenschap gaat behoren en echtgenoot bij de verkrijging uit zijn eigen vermogen aan de tegenprestatie heeft bijgedragen, deze echtgenoot een vergoedingsvordering toekomt, waarvan het beloop overeenkomstig artikel 1:87 lid 2 en 3 wordt bepaald:
Artikel 1:87 lid 2 BW bepaalt dat de vergoeding een gedeelte beloopt van de waarde van het goed op het tijdstip waarop de vergoeding wordt voldaan. Dit gedeelte:
a) is in het geval van een verkrijging ten laste van het vermogen van de andere echtgenoot evenredig aan het uit diens vermogen afkomstige aandeel in de tegenprestatie voor het goed;
b) komt in het geval van een voldoening of aflossing ten laste van het vermogen van de andere echtgenoot overeen met de verhouding tussen het uit diens vermogen voldane of afgeloste bedrag ten opzichte van de waarde van het goed op het tijdstip van die voldoening of aflossing.
Lid 3 onder a van dit artikel bepaalt dat ter zake van goederen die naar hun aard bestemd zijn om te worden verbruikt, de vergoeding steeds het nominale bedrag beloopt dat ten laste van het vermogen van de andere echtgenoot is gekomen.




Kleding en lijfgoederen (a.)





3.8.13
Partijen zijn het erover eens dat elk van partijen de eigen kleding en lijfgoederen houdt. De rechtbank zal deze overeenstemming als onderling getroffen regeling opnemen in de beslissing.



3.8.14
De man verzoekt afgifte door de vrouw van een ring en pandora bedel die hij heeft geërfd van zijn moeder en daarmee tot zijn privévermogen behoren.



3.8.15
De vrouw betwist dat de ring tot het privévermogen van de man behoort, omdat de ring tot het privévermogen van de vrouw behoort. Zij voert aan dat zij deze ring bij het huwelijk met de man via zijn oma namens de ouders van de man ([naam 6] en [naam 7]) geschonken heeft gekregen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw haar stelling voldoende onderbouwd met een brief van de oma van de man, waarin staat: “Lieve [naam vrouw], ik heb hier nog wat voor jou, een aandenken aan [naam 6]. [naam 7] wilde je graag deze ring geven die hij destijds aan [naam 6] gaf. Ik geef hem nu aan jou uit naam van [naam 7]. Wees er zuinig op.” De man heeft dit niet betwist. Dat betekent dat het verzoek om afgifte wordt afgewezen.



3.8.16
De vrouw heeft in de stukken aangegeven dat zij niet weet welke pandora bedel de man bedoelt, omdat zij er meerdere heeft. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling verduidelijkt dat het gaat om een bedel waar wat rondjes en versieringen aan zitten, zoals de bedel die hij op dat moment aan zijn halsketting had en heeft laten zien aan de vrouw. De vrouw heeft vervolgens verklaard dat zij die bedel niet herkent als één van de bedels die zij thuis heeft. Gezien de betwisting van de vrouw heeft de man onvoldoende onderbouwd dat de vrouw de betreffende pandora bedel in haar bezit heeft, en wordt zijn verzoek afgewezen. Als de vrouw deze bedel toch in haar bezit heeft, zal zij deze moet afgeven aan de man omdat niet betwist is dat het zijn privévermogen betreft. De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat ze de bedel in dat geval zal doorgeven aan de minderjarige. Het is echter niet aan de vrouw maar aan de man om dat te bepalen.



Inboedelgoederen en gereedschappen (b.)





3.8.17
Tijdens de mondelinge behandeling is door partijen naar voren gebracht dat er alleen nog een beslissing nodig is over de soundbar, de banken en de koelkast. Partijen zijn het erover eens geworden dat de soundbar en bank, aanwezig in de voormalige echtelijke woning, worden toegedeeld aan de vrouw en de koelkast en de bank, die de man in zijn bezit had op de peildatum, aan de man. De rechtbank zal deze overeenstemming als onderling getroffen regeling opnemen in de beslissing.



Saldi bankrekeningen (c.)





3.8.18
Partijen zijn het erover eens dat de saldi op de rekeningen die op naam van de man staan worden toegedeeld aan de man en dat de saldi op de rekeningen die op naam van de vrouw staan worden toegedeeld aan de vrouw, zonder verdere verrekening. De rechtbank zal deze overeenstemming als onderling getroffen regeling opnemen in de beslissing.







E-bike (d.)





3.8.19
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man aangegeven dat de fiets kan worden toegedeeld aan de vrouw zonder verdere verrekening, zoals de vrouw verzoekt. De rechtbank zal deze overeenstemming als onderlinge regeling opnemen in de beslissing.



Auto van het merk Kia Niro met kenteken [kenteken] (e.)





3.8.20
De vrouw verzoekt dat de auto wordt toegedeeld aan haar, zonder verdere verrekening.



3.8.21
De man verzoekt primair uit praktisch oogpunt dat de auto wordt toegedeeld aan hem, zonder verdere verrekening, omdat deze auto is gefinancierd met privégeld van de man. Mocht de auto worden toegedeeld aan de vrouw, dan verzoekt de man subsidiair te bepalen dat de vrouw aan de man € 18.162,50 moet betalen althans € 21.325,-.



3.8.22

Tussen partijen staat niet ter discussie dat de auto tijdens het huwelijk aan de vrouw is geleverd althans dat de auto in de beperkte gemeenschap is gevallen.
Tussen partijen is in geschil of de auto met privégeld van de man is gefinancierd en of hem daardoor een vergoedingsrecht toekomt, zoals de man aanvoert en wat de vrouw betwist. Vaststaat dat de man voorafgaand aan het huwelijk een bankrekening met nummer [rekeningnummer] had. Het (onbekende) saldo op de bankrekening op de huwelijksdatum is daarmee privé. De man heeft aan de hand van bankafschriften aangetoond dat hij op 30 oktober 2023 een bedrag van € 41.789,05 met de omschrijving “erfdeel + rente” op voornoemde bankrekening heeft ontvangen en dat op 7 november 2023, zes weken na de huwelijksvoltrekking tussen partijen op 22 september 2023, van die bankrekening een bedrag van € 21.325,- is overgemaakt naar Louwman Dealerbedrijven B.V. De vrouw voert aan dat de man niet heeft aangetoond dat de auto alleen met privégeld is gefinancierd. De rechtbank begrijpt dit standpunt zo dat de vrouw meent dat het bedrag van € 21.325,- (ook) met gemeenschapsgeld is voldaan, te weten geld dat is verkregen sinds 22 september 2023. De rechtbank is van oordeel dat de man, in het licht van de betwisting van de vrouw, voldoende onderbouwd heeft gesteld dat het korte tijdsverloop tussen de huwelijksdatum (22 september 2023), de datum van ontvangst van het erfenisgeld (30 oktober 2023), het sluiten van het aankoopcontract bij de autogarage (2 november 2023) en de datum van de betaling aan de autogarage (7 november 2023) maken dat er geen andere conclusie kan zijn dan dat de auto is aangeschaft met privégeld. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat het inkomen van de man afgerond € 60.000,- bruto per jaar bedraagt, waarmee de ontvangst van een bedrag van € 21.325,- netto tussen 22 september 2023 en 7 november 2023 waarvan de auto kon worden gefinancierd, niet voor de hand ligt. De vrouw heeft ook niet naar voren gebracht dat de man direct na het huwelijk een bonus heeft ontvangen of de loterij heeft gewonnen. Hoewel de vrouw op zich juridisch juist stelt dat de man niet heeft laten zien dat elke euro die naar de autogarage is gegaan erfenis- of ander privégeld betreft, heeft de vrouw het relaas van de man onvoldoende betwist met haar enkele stelling dat zij geen idee heeft waarmee de auto is gefinancierd.




3.8.23

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de man heeft onderbouwd dat de auto met zijn privégeld is gefinancierd. Dat betekent dat de man op grond van artikel 1:95 lid 2 BW juncto artikel 1:87 lid 2 en 3 BW een vergoedingsrecht toekomt. De man heeft immers met privégeld gefinancierd in een gemeenschapsgoed, waardoor er een vermogensverschuiving van privévermogen naar gemeenschapsvermogen heeft plaatsgevonden. Dit gemeenschapsgoed (de auto) is een goed dat naar zijn aard bestemd is om te worden verbruikt, zoals bedoeld in artikel 1:87 lid 3 onder b BW. Dat betekent dat de vergoeding het nominale bedrag beloopt dat de man met privégeld heeft gefinancierd. Uit de literatuur blijkt dat de achterliggende gedachte van lid 3 sub b is dat bij goederen die per definitie in waarde dalen (zoals auto’s) de regeling uit lid 2 niet redelijk zou uitpakken, omdat de waardedaling van het goed (als gevolg van het gebruik) er dan steeds toe zou leiden dat op het moment van afrekening van het vergoedingsrecht slechts een fractie van het geïnvesteerde bedrag hoeft te worden vergoed. Daarom bepaalt lid 3 dat in zo een geval het nominale bedrag moet worden terugbetaald, te weten € 21.325,-.
De vrouw heeft, net als de man, verzocht om toedeling van de auto aan haar zonder nadere verrekening. Voor een toedeling aan de vrouw zonder nadere verrekening van de waarde ziet de rechtbank geen grond. Zij heeft op geen enkele wijze inzichtelijk gemaakt of zij tegen de huidige waarde, laat staan de nominale waarde, kan financieren. De rechtbank is, gelet op al het voorgaande, van oordeel dat een praktische én redelijke uitkomst is dat de auto wordt toebedeeld aan de man, zonder verdere verrekening, zoals door de man verzocht, wat neerkomt op een vergoeding in natura tegen de lagere actuele waarde.




Schuld aan [naam 4] (f.)





3.8.24
De vrouw verzoekt te bepalen dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de schuld aan [naam 4], haar dochter uit een eerdere relatie, van totaal € 5.955,78.



3.8.25
De man voert gemotiveerd verweer. Primair bepleit hij afwijzing van het verzoek van de vrouw, omdat alleen de schuldbekentenis, ondertekend door de vrouw en haar dochter, zonder andere onderliggende stukken wat de man betreft onvoldoende onderbouwing is dat de vrouw daadwerkelijk geld heeft geleend van haar dochter voor het door haar genoemde bedrag. Subsidiair bepleit hij een afwijkende onderlinge draagplicht op grond van de redelijkheid en billijkheid in die zin dat de vrouw volledig draagplichtig is, omdat de man heeft meebetaald aan (huishoudelijke) kosten.



3.8.26
De rechtbank constateert dat de vrouw met bankafschriften van haar dochter heeft onderbouwd dat haar dochter voorafgaand aan de peildatum diverse betalingen, die tenminste door de vrouw gedragen hadden moeten worden, heeft voldaan. Bij elke overschrijving is omschreven voor welke kosten deze overschrijving is bedoeld. Naar het oordeel van de rechtbank vormt dit voldoende onderbouwing voor haar stelling dat de betalingen door de dochter van de vrouw als schulden van de vrouw bij haar dochter onderdeel zijn van de huwelijksgemeenschap, waarvoor partijen in beginsel 50/50 draagplichtig zijn. Dat betekent dat de rechtbank voorbijgaat aan het primaire verweer van de man maar toekomt aan de beoordeling van zijn subsidiaire standpunt.



3.8.27

De man voert in het kader van zijn betwisting aan dat er geen enkele noodzaak was voor de vrouw om geld te lenen voor huishoudelijke uitgaven, omdat zij inkomen heeft uit haar WIA-uitkering en kinderbijslag en omdat de man in de periode 10 mei 2025 tot 19 juni 2025 in totaal een bedrag van € 1.950,- totaal, dus ongeveer € 500,- per maand, naar de vrouw heeft overgemaakt én op 22 mei 2025 een bedrag van € 101,09 voor de KPN, op 28 mei 2025 een bedrag van € 185,- voor Eneco en op 30 mei 2025 een bedrag van € 104,02 voor de SVHW. De vrouw erkent dat de man door hem genoemde betalingen heeft voldaan, maar voert aan dat deze betalingen nog steeds onvoldoende waren om volledig in haar kosten te voorzien en benadrukt dat de man haar vanaf 19 juni 2025 financieel volledig in de steek heeft gelaten.
Zoals hierboven is overwegen, omvat de gemeenschap voor wat betreft de lasten op grond van artikel 1:94 lid 7 BW, voor zover relevant, alle tijdens het bestaan van de gemeenschap ontstane schulden van ieder van de echtgenoten, met uitzondering van schulden als genoemd in artikel 1:94 lid 7 onder a tot en met c BW. Dat van één van de uitzonderingen sprake is, is niet gesteld en ook niet gebleken.
Op grond van artikel 1:100 lid 1 BW hebben echtgenoten een gelijk aandeel in de ontbonden gemeenschap, tenzij anders is bepaald bij huwelijkse voorwaarden of bij een overeenkomst maar die zijn hier niet gemaakt. Voor een afwijkende draagplicht op grond van de redelijkheid en billijkheid heeft de man onvoldoende gesteld.




3.8.28
Het voorgaande betekent dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de schuld van € 5.955,78 bij de dochter van de vrouw. De rechtbank beslist op die manier.



Schuld aan [naam 5] (g.)





3.8.29
Tegenover de betwisting van de man dat de vrouw € 2.000,- in contanten van [naam 5] heeft geleend, heeft de vrouw haar stelling onvoldoende nader onderbouwd. Weliswaar blijkt uit een door [naam 5] en de vrouw ondertekende schuldbekentenis voor welk bedrag is geleend en voor welke datum dit moet worden terugbetaald, maar verder heeft de vrouw onvoldoende details gegeven over deze lening. Het had op de weg van de vrouw gelegen om zoveel mogelijk feiten en omstandigheden te stellen en te onderbouwen waaruit blijkt dat zij een fors bedrag aan contanten heeft geleend en waarom in contanten. De vrouw had bij het aangaan van de lening ook moeten bedenken dat zij, door contanten te lenen, hierdoor in bewijsproblemen zou kunnen komen en zich daarop moeten voorbereiden. Omdat de vrouw haar stelling niet nader heeft gemotiveerd en onderbouwd, wordt haar verzoek over deze schuld afgewezen.



Schuld aan VQ Advocaten ter hoogte van € 2.443,98 (h.)





3.8.30
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man desgevraagd verklaard dat hij het bedrag uit de factuur van 5 september 2025 heeft voldaan voor afloop van de betalingstermijn van veertien dagen vanaf de factuurdatum. Nog los van de vraag of het redelijk is dat de vrouw via de verdeling van de huwelijksgemeenschap meebetaalt aan de advocaatkosten van de man voor deze procedure, bestond er op de peildatum dus geen schuld meer aan VQ Advocaten. Dat betekent dat deze (afbetaalde) schuld geen onderdeel is van de gemeenschap.



Vergoedingsrechten





3.8.31

De man stelt vergoedingsrechten op de gemeenschap te hebben, omdat hij de zonwering en een tuinset vanuit erfenisgeld heeft gefinancierd. De man heeft met stukken onderbouwd dat hij op 30 oktober 2023 een bedrag van € 41.789,05 aan erfenisgeld heeft ontvangen en op 8 mei 2024 een bedrag van € 41.629,-. Ook heeft hij onderbouwd dat hij op 16 mei 2024 de tuinset van € 2.895,60 heeft betaald en op 25 juli 2024 de zonwering van
€ 3.009,- heeft betaald. Vaststaat dat beide erfenissen tot het privévermogen van de man behoren en dat beide erfenissen op de eerder genoemde privérekening van de man met nummer [rekeningnummer] zijn ontvangen, en dat met gelden van die rekening de tuinset en de zonwering zijn betaald. De man heeft echter niet aangetoond dat de tuinset en zonwering van privégeld zijn betaald. Anders dan bij de auto maakt het grotere tijdsverloop tussen de huwelijksdatum (22 september 2023) en de betalingen (16 mei 2024 en 25 juli 2024) in combinatie met de geringere aankoopbedragen dat niet kan worden vastgesteld dat de tuinset en de zonwering met privégeld zijn gefinancierd. Immers, het salaris van de man, dat vanaf de huwelijksdatum gemeenschapsgeld betreft, is in die periode ook steeds op zijn privébankrekening overgemaakt. Om te kunnen aantonen dat goederen van privégeld zijn betaald, had de man onderscheid moeten maken tussen privégeld en gemeenschapsgeld waaruit volgt dat het erfenisgeld rechtstreeks (mede) is gebruikt om deze goederen aan te schaffen. Voldoende onderbouwing van financiering met privégeld kan bijvoorbeeld zijn als erfenisgeld altijd op een aparte bankrekening heeft gestaan waar nooit salarisbijschrijvingen op zijn terecht gekomen, en het erfenisgeld vervolgens is gebruikt door het bedrag van aankoop (rechtstreeks van de betreffende rekening, of eventueel via een betaalrekening) te voldoen. Op die manier valt precies te herleiden dat een goed met privé erfenisgeld is gefinancierd, en niet met bijvoorbeeld na de huwelijksdatum ontvangen salaris dat aan partijen gemeenschappelijk toebehoort. In dit geval heeft de man dat niet aangetoond.




3.8.32
Het voorgaande betekent dat de rechtbank het verzoek van de man over deze twee vergoedingsrechten zal afwijzen.




3.9

Proceskosten




in de procedure met zaaknummer / rekestnummer: C/10/707392 / FA RK 25-7324:




3.9.1
Omdat nog geen eindbeslissing wordt gegeven, wordt nu ook nog geen beslissing genomen over de proceskosten.



in de procedure met zaaknummer / rekestnummer: C/10/712413 / FA RK 25-9861:





3.9.2
Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.







4De beslissing


De rechtbank:




in de procedure met zaaknummer / rekestnummer: C/10/707392 / FA RK 25-7324:



4.1
spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, gehuwd op [datum] te [plaatsnaam];



4.2
bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de vrouw zal zijn;



4.3

bepaalt dat de man binnen twee weken na de datum van deze beschikking
€ 1.547,54 terugstort op de Groei Groter Rekening van de minderjarige;




4.4
bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van de datum van deze beschikking als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige, voor de toekomstige termijnen steeds bij vooruitbetaling zal voldoen € 463,- per maand;



4.5
kent ten laste van de man aan de vrouw een uitkering tot levensonderhoud toe van € 277,- bruto per maand, bij vooruitbetaling te voldoen voor het eerst op de dag dat de echtscheidingsbeschikking is of zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand;



4.6
bepaalt dat de vrouw met ingang van het tijdstip waarop de echtscheidingsbeschikking zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, huurster zal zijn van de echtelijke woning aan de [adres];



4.7
verzoekt de raad voor de kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht, om het onderzoek over de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken uit te breiden naar een onderzoek over het ouderlijk gezag en de benodigde hulpverlening, met het verzoek om uiterlijk op 13 oktober 2026 aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen;



4.8

benoemt tot bijzondere curator om de minderjarige te vertegenwoordigen:

[naam 3], advocaat te Dordrecht;




4.9
bepaalt dat de bijzondere curator uiterlijk op 13 oktober 2026 schriftelijk verslag doet van haar bevindingen en daarbij een standpunt inneemt over de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de benodigde hulpverlening;



4.10
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad, behalve ten aanzien van de echtscheiding en de partnerbijdrage;



en voordat verder wordt beslist:





4.11
houdt de zaak in afwachting van het rapport van de raad voor de kinderbescherming en het verslag van de bijzondere curator aan;



4.12
bepaalt dat de behandeling van de zaak over het ouderlijk gezag, de vervangende toestemming voor hulpverlening en de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken wordt aangehouden tot de mondelinge behandeling van 27 oktober 2026 om 14.30 uur bij de rechtbank Rotterdam, locatie Rotterdam aan het Wilhelminaplein 100, 3072 AK te Rotterdam;



4.13
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproep voor partijen en hun advocaten, de raad voor de kinderbescherming en de bijzondere curator;



4.14
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad, behalve ten aanzien van de echtscheiding, het huurrecht en de partnerbijdrage;



in de procedure met zaaknummer / rekestnummer: C/10/712413 / FA RK 25-9861:




4.15
neemt op de onderlinge regelingen die partijen ter zake de verdeling van de gemeenschap hebben getroffen:


dat ieder de eigen kleding en lijfgoederen houdt;


dat de soundbar en bank, aanwezig in de echtelijke woning, worden toegedeeld aan de vrouw en de koelkast en de andere bank, die de man in zijn bezit had op de peildatum, worden toegedeeld aan de man;


dat de e-bike wordt toegedeeld aan de vrouw, zonder verdere verrekening met de man;


dat de saldi op de rekeningen die op naam van de man staan worden toegedeeld aan de man en dat de saldi op de rekeningen die op naam van de vrouw staan worden toegedeeld aan de vrouw, zonder verdere verrekening;





4.16
stelt de verdeling van de gemeenschap ten aanzien van de schuld bij [naam 4] en ten aanzien van de auto van het merk Kia Niro met kenteken [kenteken] vast als volgt:


schuld bij [naam 4]: bepaalt dat partijen gelijkelijk draagplichtig zijn voor deze schuld ter hoogte van € 5.955,78;


auto van het merk Kia Niro: bepaalt dat de auto wordt toegedeeld aan de man, zonder verdere verrekening met de vrouw;





4.17
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partijen de eigen kosten draagt;



4.18
wijst af het meer of anders verzochte.












Deze beschikking is gegeven door mr. S.L. Raphael, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. J.C.A. van 't Zelfde, griffier, op 21 juli 2026.
















































Tegen de eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

- de verschenen partij(en), binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- de niet verschenen partij(en), binnen drie maanden na de betekening van de beschikking aan hem/haar in persoon of binnen drie maanden nadat deze op een andere manier is betekend en openbaar is gemaakt door het plaatsen van een uittreksel van de beschikking in de Staatscourant.