Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:10311

2026-07-22 Strafrecht 10.299169.25
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2026-07-22
Publicatiedatum
2026-08-19
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
10.299169.25
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Veroordeling in verband met medeplegen van voorbereidingshandelingen voor bereiden, bewerken en verwerken van verdovende middelen. Tevens voorhanden hebben verdovende middelen en voorhanden hebben van een (op een echt gelijkend) vuurwapen en munitie. Gevangenisstraf 15 maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (27.689 tekens)
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats Rotterdam



Meervoudige kamer strafzaken



Parketnummer 10.299169.25



Datum uitspraak: 22 juli 2026
Datum zitting: 8 juli 2026
Tegenspraak



Verdachte:


[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1993 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres [adres 1] [postcode 1] [woonplaats] ,
verblijvende op het adres:

[verblijfadres] , [postcode 2] [plaats] .



Advocaat van de verdachte: mr. B.J.P. van Gils
Officier van justitie: mr. E. van Veen




Kern van het vonnis

De verdachte heeft zich in vereniging schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen om verdovende middelen te bereiden, te bewerken en te verwerken en heeft daarnaast een hoeveelheid verdovende middelen voorhanden gehad. Daarnaast is bewezen dat de verdachte eveneens in vereniging opzettelijk een vuurwapen met munitie en een op een echt gelijkende AK-47 voorhanden heeft gehad. De rechtbank legt hiervoor een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op en verbindt daaraan de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd.




1Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij – samengevat – op 7 november 2025 in Hellevoetsluis opzettelijk voorbereidingshandelingen heeft gepleegd voor de in- of uitvoer van verdovende middelen, dan wel om verdovende middelen te bereiden, te verwerken dan wel te verstrekken (feit 1), dat hij opzettelijk een hoeveelheid verdovende middelen heeft bereid, bewerkt, verkocht, heeft verstrekt dan wel voorhanden heeft gehad (feit 2), dat hij een vuurwapen met munitie (feit 3) en een voor bedreiging geschikt wapen voorhanden heeft gehad (feit 4), dat hij ongeveer 3725,7 gram hasjiesj aanwezig heeft gehad (feit 5) en dat hij dit alles samen met een ander heeft gepleegd.


De volledige tenlastelegging staat in bijlage 1.




2Bewijs

2.1.


Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor alle feiten. Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.



2.2.


Conclusie van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor alle feiten omdat niet kan worden bewezen dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de voorwerpen, noch dat hij daarover beschikkingsmacht had. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.



2.3.

Oordeel van de rechtbank


2.3.1.


Bewezenverklaring en bewijsmiddelen

Bewezen is dat de verdachte opzettelijk samen met anderen voorbereidingshandelingen heeft gepleegd om verdovende middelen te bereiden, te bewerken en verwerken en opzettelijk verdovende middelen aanwezig heeft gehad. De rechtbank vindt ook bewezen dat de verdachte samen met anderen een vuurwapen met munitie en een op een echt gelijkende AK-47 voorhanden heeft gehad. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.



2.3.2.


Bewijsmotivering

De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De rechtbank gaat daarbij uit van de volgende feiten en omstandigheden.




Feiten 1, 2, 3, 4 en 5


Feiten en omstandigheden

De woning aan de [adres 2] in Hellevoetsluis was twee weken voor de politie-inval op 7 november 2025 door huurder [persoon A] aan de verdachte beschikbaar gesteld. Hij had de sleutel gekregen. De verdachte is samen met zijn medeverdachte aangetroffen in die woning waar zij zich voor de politie in de badkamer hadden opgesloten. Verspreid over de woning werden, naast een grote hoeveelheid verdovende middelen, ook voorwerpen aangetroffen die te linken zijn aan het vervaardigen van verdovende middelen. Tevens werd in de droger in de badkamer een vuurwapen met munitie aangetroffen en in de als productieruimte ingerichte kamer een nep AK-47. Het DNA van de verdachte is aangetroffen op zakjes die, zoals naderhand bleek, waren gevuld met hasj.




Opzet

De rechtbank leidt uit de staat waarin de woning werd aangetroffen en de plekken waar de verdovende middelen en de (nep-)vuurwapens met munitie werden aangetroffen af dat de woning onmiskenbaar als versnijdingspand werd gebruikt. Verder was de woning door huurder [persoon A] ongeveer twee weken voor de politie-inval aan de verdachte beschikbaar gesteld, was hij blijkens de historische locatiegegevens van zijn telefoon gedurende die periode regelmatig in de woning aanwezig en was er een DNA-match met het aangetroffen DNA op de verpakking van een hoeveelheid in de woning aangetroffen hasj. Bij het aantreffen door de politie van de verdachte en de medeverdachten in de badkamer werd waargenomen dat zich rondom het toilet en ook in de toiletpot een hoeveelheid bruin poeder bevond, hetgeen de indruk wekt dat de verdachte en de medeverdachte hebben geprobeerd sporen uit te wissen door verdovende middelen dan wel versnijdingsmiddelen door het toilet te spoelen. Tijdens de politie-inval werd door de medeverdachte een telefoon door het raam van de badkamer naar buiten gegooid. Op de telefoon van de verdachte werden foto’s aangetroffen van op vuurwapens gelijkende voorwerpen alsmede voorwerpen die verband lijken te houden met (het vervaardigen van) harddrugs.



Al de hiervoor genoemde omstandigheden laten naar het oordeel van de rechtbank geen ruimte voor een ander oordeel dan dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de verdovende middelen, de voorwerpen voor het vervaardigen van harddrugs en de aangetroffen wapens en munitie en dat hij daarover samen met anderen beschikkingsmacht had. Hieruit volgt dat het opzet van de verdachte gericht was op de tenlastegelegde gedragingen en dat hij bij dit alles nauw en bewust heeft samengewerkt met zijn medeverdachte.



Het door de verdediging geschetste alternatieve scenario dat de verdachte slechts in de woning was om een auto over te schrijven, is niet aannemelijk geworden en wordt verworpen.



2.3.3.


Conclusie

Het verweer wordt verworpen.



2.3.4.

Volledige bewezenverklaring



Bewezen is dat:



1
hij
op 7 november 2025 te Hellevoetsluis, gemeente Voorne aan Zee, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten

- het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken en
- het opzettelijk vervaardigen
van heroïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, een of meer voorwerpen, voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en zijn mededaders, wisten of ernstige reden hadden om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, te weten
- strijkzakken,
- een zeef,
- kommen,
- een weegschaal,
- een blokkenpers,
- stempels,
- zakken bruin poeder,
- 737 gram, procaïne,
- wegwerphandschoenen;



2
hij
op 7 november 2025 te Hellevoetsluis, gemeente Voorne aan Zee, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 10,1 gram, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;



3
hij
op 7 november 2025 te Hellevoetsluis, gemeente Voorne aan Zee, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een pistool van het merk Glock, model 26 gen 5 USA, kaliber 9x19 mm en voor dit vuurwapen geschikte munitie in de zin van art. 1 onder 4º van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van die wet, van de Categorie III, te weten een of meerdere kogelpatronen, kaliber 9x19 mm
en
voor dit vuurwapen geschikte onderdelen van een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3º, gelet op artikel 2 lid 1 van Categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een of meerdere patroonmagazijnen

- zijnde een onderdeel/hulpstuk dat van wezenlijke aard en specifiek bestemd is voor een pistool van het merk: Glock, alle modellen, kaliber: 9x19 mm en
- zijnde een onderdeel/hulpstuk dat van wezenlijke aard en specifiek bestemd is voor een pistool van het merk: Glock, model: 26 gen 5 USA, kaliber: 9x19 mm voorhanden heeft gehad;

4.

hij
op 7 november 2025 te Hellevoetsluis, gemeente Voorne aan Zee, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 categorie I onder 7º van de Wet wapens en munitie, gelet op 3 onder b van de Regeling wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie aangewezen voorwerp dat zodanig op een wapen gelijkt dat het voor bedreiging of afdreiging geschikt is, namelijk een voorwerp dat voor wat betreft vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoont met een automatisch geweer van het merk AK, model 47, voorhanden heeft gehad;



5.
hij
op 7 november 2025 te Hellevoetsluis, gemeente Voorne aan Zee, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad 3579,3 gram, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.






3Kwalificatie en strafbaarheid

3.1.


Kwalificatie

De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:






1



medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, zich gelegenheid en middelen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen;


2.


medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;





3.


medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II;


en


medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;





4.


medeplegen van handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;





5.


medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.




3.2.


Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte

De feiten en de verdachte zijn strafbaar.







4Straf

4.1.


Eis van de officier van justitie

De verdachte moet voor de bewezenverklaarde feiten worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 10 voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.



4.2.


Standpunt van de verdediging

Gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte moet worden volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die gelijk is aan de duur die de verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Daarnaast kan een voorwaardelijke gevangenisstraf worden opgelegd.



4.3.

Oordeel van de rechtbank


4.3.1.


Ernst en omstandigheden van de feiten

De verdachte heeft vanuit een versnijdingspand, dat zich midden een woonwijk bevond, voorbereidings- en bevorderingshandelingen verricht met betrekking tot het bereiden, bewerken en verwerken van heroïne. Ook heeft hij 10,1 gram heroïne aanwezig gehad, alsmede een handelshoeveelheid hasj. De verdachte heeft zich verder samen met anderen schuldig gemaakt aan verboden wapen- en munitiebezit. Het aanwezig hebben van hard- en softdrugs in combinatie met vuurwapens vormt een onaanvaardbaar risico voor de maatschappij. Verdovende middelen zijn schadelijk voor de volksgezondheid en de handel in en het gebruik van verdovende middelen gaan vaak samen met vele andere vormen van criminaliteit, zoals het gebruik van vuurwapens. Met zijn gedragingen heeft de verdachte hieraan een bijdrage geleverd. Op de terechtzitting heeft hij er geen blijk van gegeven het kwalijke van zijn handelen in te zien.



4.3.2.


Persoon en persoonlijke omstandigheden


Strafblad

Uit het strafblad van 12 juni 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.

Rapport van de reclassering

In het rapport van Reclassering Nederland van 29 juni 2026 staat het volgende.
De verdachte is schizofreen en heeft een impulsstoornis. Verder heeft hij een deels negatief netwerk, is sprake van problematisch hasjgebruik en heeft hij hoge schulden. De reclassering noemt als risicofactoren dat de verdachte geen vaste huisvesting en geen zinvolle dagbesteding heeft. Daar tegenover staat dat de verdachte gemotiveerd is voor ondersteuning en dat hij wil meewerken aan het reclasseringstraject. De reclassering schat het recidiverisico daarom als gemiddeld in. De reclassering adviseert de volgende voorwaarden;



meldplicht bij reclassering;


ambulante behandeling met mogelijk kortdurende opname;


verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang;


contactverbod;


aflossing schulden.




4.3.3.


Oplegging straf

Gelet op de ernst van de strafbare feiten is een gevangenisstraf van aanzienlijke duur noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. De rechtbank acht daarom een gevangenisstraf van 15 maanden passend. Om te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt, worden 3 maanden van die gevangenisstraf voorwaardelijk opgelegd. De rechtbank verbindt aan de voorwaardelijke straf de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd. De bijzondere voorwaarden zijn noodzakelijk om de kans op herhaling van het plegen van nieuwe strafbare feiten te verkleinen.



De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma.






5Voorlopige hechtenis

5.1.


Verzoek opheffing voorlopige hechtenis

De verdediging heeft verzocht de voorlopige hechtenis van de verdachte op te heffen.
In onderhavige zaak is de verdachte op 10 november 2025 in bewaring gesteld en op 20 november 2025 is een bevel gevangenhouding afgegeven. Vervolgens is de voorlopige hechtenis met ingang van 17 april 2026 door de rechtbank geschorst. Gelet op de bewezenverklaring zijn er ernstige bezwaren. Voorts is de rechtbank gezien de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte een misdrijf zal begaan waardoor de gezondheid of veiligheid van personen in gevaar kan worden gebracht. De rechtbank verenigt zich derhalve met het onderliggende bevel gevangenhouding en zal het verzoek van de verdediging tot opheffing van de voorlopige hechtenis afwijzen.



5.2.


Vordering opheffing schorsing van het bevel voorlopige hechtenis

De officier van justitie heeft verzocht de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte, die op 17 april 2026 is verleend, op te heffen. De enkele veroordeling van de verdachte volstaat niet voor het opheffen van de schorsing van de voorlopige hechtenis (ECLI:NL:GHAMS:2015:2848). De vraag die voorligt, is of sprake is van enig redelijk doel bij het opheffen van deze schorsing.



Gesteld noch gebleken is dat de verdachte in de periode dat zijn voorlopige hechtenis geschorst was zich niet heeft gehouden aan de gestelde schorsingsvoorwaarden. Hieruit leidt de rechtbank af dat het recidivegevaar kennelijk in de afgelopen periode voldoende kon worden ingeperkt door de aan hem gestelde schorsingsvoorwaarden. Niet valt in te zien dat dit na het veroordelend vonnis anders zal zijn. Ook is niet gebleken van (andere) omstandigheden op grond waarvan de schorsing van de verdachte niet langer wenselijk zou moeten worden geacht.



De vordering tot opheffing van de schorsing wordt derhalve afgewezen.





6Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straffen is gebaseerd op de artikelen


10, 10a en 11 van de Opiumwet;


13, 26 en 55 van de Wet Wapens en Munitie;


14a, 14b, 14c, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht.





7Beslissingen
De rechtbank:



Bewezenverklaring

verklaart bewezen dat de verdachte de feiten zoals in hoofdstuk 2 omschreven, heeft gepleegd;




Kwalificatie en strafbaarheid

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;



verklaart de verdachte strafbaar;




Straffen


Gevangenisstraf

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van vijftien (15) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;




Voorwaardelijk strafdeel

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van drie (3) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;



verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op twee jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;



stelt als algemene voorwaarde dat:

- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;


stelt als bijzondere voorwaarden dat:

1. de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen vijf dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland op het adres Marconistraat 2 te Rotterdam;
2. de verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, cognitieve vaardigeden, schuldenproblematiek en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken;
3. de verdachte gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een vorm van begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;
4. de verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze direct of indirect contact heeft met zijn medeverdachte [medeverdachte] ;
5. de verdachte meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen;


geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarde en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:



meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;


meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.






8Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:
mr. J. de Lange, voorzitter,
en mrs. J.C. Oord en E.M. Moison, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. H.P. Eekhout griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 22 juli 2026.



De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.





Bijlage 1 – Tenlastelegging




1
hij
op of omstreeks 7 november 2025 te Hellevoetsluis, gemeente Voorne aan Zee, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten

- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen,
- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en/of
- het opzettelijk vervaardigen

van heroïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet een of meer voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of zijn/haar mededaders, wist(en) of ernstige reden had(den)
om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, te weten

- een of meer strijkzakken,
- een zeef,
- een of meerdere kommen,
- een weegschaal,
- een blokkenpers,
- een of meerdere stempels,
- een of meerdere zakken bruin poeder,
- 737 gram, althans een hoeveelheid, procaïne,
- een of meerdere wegwerphandschoenen;


2
hij
op of omstreeks 7 november 2025 te Hellevoetsluis, gemeente Voorne aan Zee, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 10,1 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;




3
hij
op of omstreeks 7 november 2025 te Hellevoetsluis, gemeente Voorne aan Zee, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een pistool van het merk Glock, model 26 gen 5 USA, kaliber 9x19 mm en/of (voor dit vuurwapen geschikte) munitie in de zin van art. 1 onder 4º van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van die wet, van de Categorie III, te weten een of meerdere kogelpatronen, kaliber 9x19 mm
en/of(voor dit vuurwapen geschikte) onderdelen van een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3º, gelet op artikel 2 lid 1 van Categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een of meerdere patroonmagazijnen

- zijnde een onderdeel/hulpstuk dat van wezenlijke aard en specifiek bestemd is voor een pistool van het merk: Glock, alle modellen, kaliber: 9x19 mm en/of
- zijnde een onderdeel/hulpstuk dat van wezenlijke aard en specifiek bestemd is voor een pistool van het merk: Glock, model: 26 gen 5 USA, kaliber: 9x19 mm voorhanden heeft gehad;

4.

hij
op of omstreeks 7 november 2025 te Hellevoetsluis, gemeente Voorne aan Zee, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 categorie I onder 7º van de Wet wapens en munitie, gelet op 3 onder b van de Regeling wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie aangewezen voorwerp dat zodanig op een wapen gelijkt dat het voor bedreiging of afdreiging geschikt is, namelijk een voorwerp dat voor wat betreft vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoont met een automatisch geweer van het merk AK, model 47, voorhanden heeft gehad;



5.
hij op of omstreeks 7 november 2025 te Hellevoetsluis, gemeente Voorne aan Zee, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 3725,7 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hasjiesj), zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.





In de voetnoten wordt verwezen naar de exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen waaraan de feiten en omstandigheden zijn ontleend. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt – tenzij anders vermeld – gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal met nummer [nummer proces-verbaal 1] en het aanvullend proces-verbaal met nummer [nummer proces-verbaal 2] .