Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:10278
2026-07-16
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/10/699409 / FA RK 25-3645 (echtscheiding), C/10/710994 / FA RK 25-9134 (verdeling)
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Beschikking over de echtscheiding.
Citeert (1)
- ECLI:NL:GHSHE:2021:3063 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 07-10-2021
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (17.558 tekens)
Rechtbank Rotterdam
Team familie
zaaknummers / rekestnummers: C/10/699409 / FA RK 25-3645 (echtscheiding)
C/10/710994 / FA RK 25-9134 (verdeling)
Beschikking van 16 juli 2026 over de echtscheiding
in de zaak van:
[vrouw]
, hierna: de vrouw,
wonende te [plaats 1] ,
advocaat mr. A.J. Waaijers-de Graaf te Dordrecht,
t e g e n
[man]
, hierna: de man,
wonende te [plaats 1] ,
advocaat mr. H.E. Visscher te Papendrecht.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 12 mei 2025;
het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlagen van de man, ingekomen op 24 juli 2025;
het verweerschrift op het zelfstandig verzoek met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 4 augustus 2025;
de berichten met bijlagen van de vrouw van 8 september 2025, 9 september 2025, 26 november 2025 en 28 april 2026;
de berichten met bijlagen van de man van 17 november 2025 en 7 mei 2026.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 8 juni 2026. Daarbij zijn verschenen:
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
de man, bijgestaan door zijn advocaat;
de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .
1.3.
Tijdens de mondelinge behandeling is de man verzocht de rechtbank te berichten over zijn standpunt ten aanzien van de afwikkeling van het huwelijksvermogensregime. De man heeft de rechtbank op 19 juni 2026 bericht.
1.4.
De minderjarigen zijn, gelet op hun leeftijd, in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. [voornaam minderjarige 1] heeft zijn mening schriftelijk gegeven en [voornaam minderjarige 2] heeft aangegeven dat hij het niet nodig vindt zijn mening te geven.
2De vaststaande feiten
2.1.
Partijen zijn met elkaar gehuwd te [plaats 2] (Eritrea) op 24 april 2004.
2.2.
De minderjarige kinderen van partijen zijn:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2009 te [geboorteplaats 1] ,
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2015 te [geboorteplaats 1] ,
[minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2020 te [geboorteplaats 2] .
2.3.
De jongmeerderjarige dochter van partijen is:
[meerderjarig kind] , geboren op 11 september 2005 te [geboorteplaats 1] .
2.4.
Partijen hadden tijdens het huwelijk allebei de Eritrese nationaliteit. Zij hebben inmiddels beiden de Nederlandse nationaliteit; de man sinds 26 maart 2021 en de vrouw sinds 25 augustus 2023.
3De beoordeling
3.1.
Scheiding
3.1.1.
Beide partijen verzoeken de echtscheiding tussen hen uit te spreken. Zij stellen en erkennen over en weer dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.
3.1.2.
Omdat partijen ten tijde van de indiening van het verzoekschrift beiden in ieder geval de Nederlandse nationaliteit bezaten, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding.
3.1.3.
Op grond van artikel 10:56 van het Burgerlijk Wetboek is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.
3.1.4.
Op grond van artikel 815 lid 2 Rv, voor zover hier van belang, moet een (inleidend) verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan bevatten met afspraken over de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Het ouderschapsplan is in de wet geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding. De rechtbank heeft daarom de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815 lid 6 Rv).
3.1.5.
Partijen hebben geen ouderschapsplan overeenkomstig artikel 815 lid 2 Rv overgelegd. Omdat zij voldoende hebben gemotiveerd dat het voor hen op dit moment redelijkerwijs niet mogelijk is een door beide partijen akkoord bevonden ouderschapsplan over te leggen, zal de rechtbank partijen ontvangen in hun verzoeken tot echtscheiding.
3.1.6.
De verzochte echtscheiding zal, als niet weersproken en op de wet gegrond, worden uitgesproken.
3.2.
Verblijfplaats, zorgregeling en onderhoudsbijdrage
3.2.1.
Partijen hebben overeenstemming bereikt over de verblijfplaats van de minderjarigen, de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen. De rechtbank zal deze overeenstemming als onderling getroffen regeling opnemen in de beschikking. Partijen hebben ten aanzien van de onderhoudsbijdrage afgesproken dat zij tot het moment dat zij niet meer samenwonen, zullen bijdragen in de kosten van de minderjarigen zoals op het moment van de mondelinge behandeling gebruikelijk.
3.3.
Huurrecht woning en uitsluitend gebruiksrecht woning
3.3.1.
Beide partijen verzoeken het huurrecht van de woning. De vrouw verzoekt daarnaast te bepalen dat zij met uitsluiting van de man bevoegd is tot bewoning en het gebruik van de woning en inboedel binnen twee weken na de datum van deze beschikking, waarbij de man de woning moet verlaten onder afgifte van de sleutels aan de vrouw en de woning niet meer mag betreden.
3.3.2.
De woning is in Nederland gelegen. Gelet op artikel 4, lid 3, aanhef en sub a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek ter zake van het huurrecht van deze woning.
3.3.3.
De rechtbank zal op dit verzoek Nederlands recht als haar interne recht toepassen.
3.3.4.
De rechtbank zal het verzoek van de vrouw over het huurrecht toewijzen en het verzoek van de man daarover afwijzen. De hoofdverblijfplaats van de minderjarigen wordt bij de vrouw bepaald. Toewijzing van het verzoek van de man en afwijzing van het verzoek van de vrouw zou betekenen dat de rechtbank de vrouw en de kinderen feitelijk op straat zet. Dat is uiteraard niet in het belang van de minderjarigen. Het is in hun belang dat er voor hen zo min mogelijk verandert en dat zij dus niet hoeven te verhuizen. De stelling van de man dat de vrouw meer kans zou maken op een woning dan de man, is door de vrouw gemotiveerd betwist onder verwijzing naar de urgentiewijzer in productie 6, waaruit blijkt dat een echtscheiding op zichzelf geen voorrang oplevert, en productie 7 waaruit blijkt dat haar positie op de wachtlijst bij Woonkeus Drechtsteden plaats [nummer] is. De rechtbank weegt verder mee dat de vrouw weliswaar inmiddels ook werkt en een netwerk heeft, maar de man verdient meer, werkt langer en heeft inmiddels meer netwerk opgebouwd. Omdat het huurrecht ingaat vanaf de datum waarop de echtscheidingsbeschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, zoals bijvoorbeeld blijkt uit een uitspraak van het hof Den Bosch (ECLI:NL:GHSHE:2021:3063) heeft de man tot die datum de tijd om – via zijn netwerk – een ander huis te zoeken.
3.3.5.
De rechtbank moet vervolgens beoordelen of er een rechtsgrond en reden is voor het exclusieve gebruiksrecht van de woning aan de vrouw binnen twee weken na de datum van de beschikking, zoals de vrouw verzoekt. Het verzoek lijkt een samengesteld verzoek gebaseerd op artikel 827 lid 1 onder d Rv juncto artikel 1:165 BW (eerste deel) en artikel 822 Rv (tweede deel). Uit het procesreglement scheiding blijkt dat een verzoek voorlopige voorzieningen bij voorkeur bij afzonderlijk verzoekschrift dienen te worden aangevraagd. Op grond van de wet dienen voorlopige voorzieningen op korte termijn na binnenkomst van het verzoek te worden behandeld. Uit het verzoek dat namens de vrouw is ingediend, blijkt op geen enkele wijze dat het niet alleen een verzoek tot echtscheiding met nevenvoorzieningen betreft maar dat ook voorlopige voorzieningen worden gevraagd. Het verzoek is in het petitum geformuleerd onder VI., tussen alle nevenvoorzieningen bij scheiding. Het is de vraag of de rechtbank hierin een verzoek voorlopige voorziening dient te lezen. De rechtbank is van oordeel van niet. Het had op de weg van de vrouw gelegen om duidelijk in haar stuk kenbaar te maken dat er sprake was van een gecombineerd verzoekschrift waarbij zij ook had moeten verzoeken om een spoedige behandeling van de voorlopige voorzieningen. Ten aanzien van het verzoek om het voortgezet gebruik: dat verzoek ziet op de periode na inschrijving van de echtscheiding. Met toewijzing van het huurrecht aan de vrouw heeft zij geen belang meer bij dat verzoek. Voor zover de vrouw bedoeld heeft dat zij vanaf het moment van de uitspraak tot aan de inschrijving van de echtscheiding het exclusief gebruik wenst overweegt de rechtbank als volgt. Tijdens de mondelinge behandeling is namens de vrouw verklaard dat het thuis op zich wel gaat, mits elk conflict wordt vermeden. Het is voor de vrouw en de dochters ‘op eieren lopen’ wat maakt dat er snel duidelijkheid moet komen, aldus de vrouw. Daar staat tegenover dat partijen naar Nederland zijn gevlucht en dat de man een risicovolle overtocht heeft gemaakt, net als de vrouw en de minderjarigen daarna een zware reis hebben gemaakt. Toewijzing van het verzoek van de vrouw over het tijdelijke gebruiksrecht zou betekenen dat de man zeer binnenkort de (stabiliteit van de) woning moet verlaten en naar de daklozenopvang moet gaan. Vanwege deze vluchtvoorgeschiedenis van partijen is de rechtbank van oordeel dat van partijen kan en moet worden verwacht dat zij nog even ‘op eieren blijven lopen’ om de laatste periode zo goed en zo kwaad als het gaat samen in de echtelijke woning uit te zingen. Dat de man op stel en sprong de woning zou moeten verlaten, is naar het oordeel van de rechtbank te ingrijpend.
3.4.
Afwikkeling huwelijksvermogensregime
3.4.1.
Partijen hebben overeenstemming bereikt. De man heeft dit na de mondelinge behandeling met zijn bericht van 19 juni 2026 bevestigd. De rechtbank zal deze overeenstemming als onderling getroffen regeling opnemen in de beschikking.
3.5.
Proceskosten
3.5.1.
Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.
4De beslissing
De rechtbank:
in de procedure met zaaknummer / rekestnummer: C/10/699409 / FA RK 25-3645:
4.1.
spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, gehuwd op 24 april 2004 te [plaats 2] (Eritrea);
4.2.
neemt op de onderlinge regeling die partijen over de verblijfplaats van de minderjarigen, de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen hebben getroffen, die inhoudt dat:
de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de vrouw zal zijn;
de minderjarigen in het kader van de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bij de man zullen zijn als volgt:
- [voornaam minderjarige 1] zal, gezien haar leeftijd, zelf met de man kunnen afstemmen wanneer zij bij hem langskomt. Uitgangspunt is een wekelijks contactmoment met de man;
- [voornaam minderjarige 2] en [minderjarige 3] zullen wekelijks een dagdeel bij de man gaan spelen. De ouders zullen steeds afstemmen op welke dag dit is. Dit zal in beginsel in het weekend zijn;
- de man zal [voornaam minderjarige 2] naar de voetbal brengen op maandag en hierbij [minderjarige 3] meenemen. Hij haalt de minderjarigen om 17.30 uur op en brengt de minderjarigen na de voetbal terug;
- in de vakanties zullen partijen afstemmen of de twee jongste minderjarigen bij de man kunnen overnachten. Hiervoor is ook goede huisvesting van belang;
- zodra de man andere geschikte huisvesting heeft, zullen partijen opnieuw overleggen over de zorgregeling;
- indien specifieke, zwaarwegende omstandigheden dit vragen, kan de zorgregeling in de toekomst aangepast worden;
- de man zal de minderjarigen ophalen en weer thuisbrengen;
- de man zal aan de vrouw met ingang van de datum waarop partijen niet meer samenwonen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen, voor de toekomstige termijnen steeds bij vooruitbetaling voldoen € 50,- per maand per kind;
4.3.
bepaalt dat de vrouw met ingang van het tijdstip waarop de echtscheidingsbeschikking zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, huurster zal zijn van de echtelijke woning aan de [adres] ;
4.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad, behalve ten aanzien van de echtscheiding;
4.5.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
4.6.
wijst af het meer of anders verzochte;
in de procedure met zaaknummer / rekestnummer: C/10/710994 / FA RK 25-9134:
4.7.
neemt op de onderlinge regeling die partijen over de afwikkeling van het huwelijksvermogensregime hebben getroffen, die inhoudt dat de verdeling wordt vastgesteld als volgt:
de inboedel van de woning wordt aan de vrouw toebedeeld zonder nadere verrekening;
de vrouw krijgt toebedeeld haar bankrekening inclusief het saldo;
de man krijgt toebedeeld zijn bankrekening inclusief het saldo;
de man krijgt toegerekend de schuld bij de belastingdienst zoals voornoemd en dient
de lasten hiervan voor zijn rekening te nemen, met vrijwaring van de vrouw;
- de man dient nog aan de vrouw te voldoen een bedrag van € 1.160,50 uit hoofde van
de toebedeling van de bankrekeningen inclusief saldi;
- de vrouw dient aan de man te vergoeden een bedrag van € 331,50 betreffende de
belastingschuld. Per saldo dient de man nog aan de vrouw te voldoen een bedrag van € 829,- waarna partijen over en weer niets meer van elkaar te vorderen hebben en elkaar finale kwijting verlenen. De man dient dit bedrag binnen 2 weken na datum beschikking in deze aan de vrouw te voldoen;
4.8.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
4.9.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.L. Raphael, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. J.C.A. van 't Zelfde, griffier, op 16 juli 2026.
Tegen de eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- de verschenen partij(en), binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- de niet verschenen partij(en), binnen drie maanden na de betekening van de beschikking aan hem/haar in persoon of binnen drie maanden nadat deze op een andere manier is betekend en openbaar is gemaakt door het plaatsen van een uittreksel van de beschikking in de Staatscourant.
Team familie
zaaknummers / rekestnummers: C/10/699409 / FA RK 25-3645 (echtscheiding)
C/10/710994 / FA RK 25-9134 (verdeling)
Beschikking van 16 juli 2026 over de echtscheiding
in de zaak van:
[vrouw]
, hierna: de vrouw,
wonende te [plaats 1] ,
advocaat mr. A.J. Waaijers-de Graaf te Dordrecht,
t e g e n
[man]
, hierna: de man,
wonende te [plaats 1] ,
advocaat mr. H.E. Visscher te Papendrecht.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 12 mei 2025;
het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlagen van de man, ingekomen op 24 juli 2025;
het verweerschrift op het zelfstandig verzoek met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 4 augustus 2025;
de berichten met bijlagen van de vrouw van 8 september 2025, 9 september 2025, 26 november 2025 en 28 april 2026;
de berichten met bijlagen van de man van 17 november 2025 en 7 mei 2026.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 8 juni 2026. Daarbij zijn verschenen:
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
de man, bijgestaan door zijn advocaat;
de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .
1.3.
Tijdens de mondelinge behandeling is de man verzocht de rechtbank te berichten over zijn standpunt ten aanzien van de afwikkeling van het huwelijksvermogensregime. De man heeft de rechtbank op 19 juni 2026 bericht.
1.4.
De minderjarigen zijn, gelet op hun leeftijd, in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. [voornaam minderjarige 1] heeft zijn mening schriftelijk gegeven en [voornaam minderjarige 2] heeft aangegeven dat hij het niet nodig vindt zijn mening te geven.
2De vaststaande feiten
2.1.
Partijen zijn met elkaar gehuwd te [plaats 2] (Eritrea) op 24 april 2004.
2.2.
De minderjarige kinderen van partijen zijn:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2009 te [geboorteplaats 1] ,
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2015 te [geboorteplaats 1] ,
[minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2020 te [geboorteplaats 2] .
2.3.
De jongmeerderjarige dochter van partijen is:
[meerderjarig kind] , geboren op 11 september 2005 te [geboorteplaats 1] .
2.4.
Partijen hadden tijdens het huwelijk allebei de Eritrese nationaliteit. Zij hebben inmiddels beiden de Nederlandse nationaliteit; de man sinds 26 maart 2021 en de vrouw sinds 25 augustus 2023.
3De beoordeling
3.1.
Scheiding
3.1.1.
Beide partijen verzoeken de echtscheiding tussen hen uit te spreken. Zij stellen en erkennen over en weer dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.
3.1.2.
Omdat partijen ten tijde van de indiening van het verzoekschrift beiden in ieder geval de Nederlandse nationaliteit bezaten, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding.
3.1.3.
Op grond van artikel 10:56 van het Burgerlijk Wetboek is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.
3.1.4.
Op grond van artikel 815 lid 2 Rv, voor zover hier van belang, moet een (inleidend) verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan bevatten met afspraken over de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Het ouderschapsplan is in de wet geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding. De rechtbank heeft daarom de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815 lid 6 Rv).
3.1.5.
Partijen hebben geen ouderschapsplan overeenkomstig artikel 815 lid 2 Rv overgelegd. Omdat zij voldoende hebben gemotiveerd dat het voor hen op dit moment redelijkerwijs niet mogelijk is een door beide partijen akkoord bevonden ouderschapsplan over te leggen, zal de rechtbank partijen ontvangen in hun verzoeken tot echtscheiding.
3.1.6.
De verzochte echtscheiding zal, als niet weersproken en op de wet gegrond, worden uitgesproken.
3.2.
Verblijfplaats, zorgregeling en onderhoudsbijdrage
3.2.1.
Partijen hebben overeenstemming bereikt over de verblijfplaats van de minderjarigen, de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen. De rechtbank zal deze overeenstemming als onderling getroffen regeling opnemen in de beschikking. Partijen hebben ten aanzien van de onderhoudsbijdrage afgesproken dat zij tot het moment dat zij niet meer samenwonen, zullen bijdragen in de kosten van de minderjarigen zoals op het moment van de mondelinge behandeling gebruikelijk.
3.3.
Huurrecht woning en uitsluitend gebruiksrecht woning
3.3.1.
Beide partijen verzoeken het huurrecht van de woning. De vrouw verzoekt daarnaast te bepalen dat zij met uitsluiting van de man bevoegd is tot bewoning en het gebruik van de woning en inboedel binnen twee weken na de datum van deze beschikking, waarbij de man de woning moet verlaten onder afgifte van de sleutels aan de vrouw en de woning niet meer mag betreden.
3.3.2.
De woning is in Nederland gelegen. Gelet op artikel 4, lid 3, aanhef en sub a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek ter zake van het huurrecht van deze woning.
3.3.3.
De rechtbank zal op dit verzoek Nederlands recht als haar interne recht toepassen.
3.3.4.
De rechtbank zal het verzoek van de vrouw over het huurrecht toewijzen en het verzoek van de man daarover afwijzen. De hoofdverblijfplaats van de minderjarigen wordt bij de vrouw bepaald. Toewijzing van het verzoek van de man en afwijzing van het verzoek van de vrouw zou betekenen dat de rechtbank de vrouw en de kinderen feitelijk op straat zet. Dat is uiteraard niet in het belang van de minderjarigen. Het is in hun belang dat er voor hen zo min mogelijk verandert en dat zij dus niet hoeven te verhuizen. De stelling van de man dat de vrouw meer kans zou maken op een woning dan de man, is door de vrouw gemotiveerd betwist onder verwijzing naar de urgentiewijzer in productie 6, waaruit blijkt dat een echtscheiding op zichzelf geen voorrang oplevert, en productie 7 waaruit blijkt dat haar positie op de wachtlijst bij Woonkeus Drechtsteden plaats [nummer] is. De rechtbank weegt verder mee dat de vrouw weliswaar inmiddels ook werkt en een netwerk heeft, maar de man verdient meer, werkt langer en heeft inmiddels meer netwerk opgebouwd. Omdat het huurrecht ingaat vanaf de datum waarop de echtscheidingsbeschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, zoals bijvoorbeeld blijkt uit een uitspraak van het hof Den Bosch (ECLI:NL:GHSHE:2021:3063) heeft de man tot die datum de tijd om – via zijn netwerk – een ander huis te zoeken.
3.3.5.
De rechtbank moet vervolgens beoordelen of er een rechtsgrond en reden is voor het exclusieve gebruiksrecht van de woning aan de vrouw binnen twee weken na de datum van de beschikking, zoals de vrouw verzoekt. Het verzoek lijkt een samengesteld verzoek gebaseerd op artikel 827 lid 1 onder d Rv juncto artikel 1:165 BW (eerste deel) en artikel 822 Rv (tweede deel). Uit het procesreglement scheiding blijkt dat een verzoek voorlopige voorzieningen bij voorkeur bij afzonderlijk verzoekschrift dienen te worden aangevraagd. Op grond van de wet dienen voorlopige voorzieningen op korte termijn na binnenkomst van het verzoek te worden behandeld. Uit het verzoek dat namens de vrouw is ingediend, blijkt op geen enkele wijze dat het niet alleen een verzoek tot echtscheiding met nevenvoorzieningen betreft maar dat ook voorlopige voorzieningen worden gevraagd. Het verzoek is in het petitum geformuleerd onder VI., tussen alle nevenvoorzieningen bij scheiding. Het is de vraag of de rechtbank hierin een verzoek voorlopige voorziening dient te lezen. De rechtbank is van oordeel van niet. Het had op de weg van de vrouw gelegen om duidelijk in haar stuk kenbaar te maken dat er sprake was van een gecombineerd verzoekschrift waarbij zij ook had moeten verzoeken om een spoedige behandeling van de voorlopige voorzieningen. Ten aanzien van het verzoek om het voortgezet gebruik: dat verzoek ziet op de periode na inschrijving van de echtscheiding. Met toewijzing van het huurrecht aan de vrouw heeft zij geen belang meer bij dat verzoek. Voor zover de vrouw bedoeld heeft dat zij vanaf het moment van de uitspraak tot aan de inschrijving van de echtscheiding het exclusief gebruik wenst overweegt de rechtbank als volgt. Tijdens de mondelinge behandeling is namens de vrouw verklaard dat het thuis op zich wel gaat, mits elk conflict wordt vermeden. Het is voor de vrouw en de dochters ‘op eieren lopen’ wat maakt dat er snel duidelijkheid moet komen, aldus de vrouw. Daar staat tegenover dat partijen naar Nederland zijn gevlucht en dat de man een risicovolle overtocht heeft gemaakt, net als de vrouw en de minderjarigen daarna een zware reis hebben gemaakt. Toewijzing van het verzoek van de vrouw over het tijdelijke gebruiksrecht zou betekenen dat de man zeer binnenkort de (stabiliteit van de) woning moet verlaten en naar de daklozenopvang moet gaan. Vanwege deze vluchtvoorgeschiedenis van partijen is de rechtbank van oordeel dat van partijen kan en moet worden verwacht dat zij nog even ‘op eieren blijven lopen’ om de laatste periode zo goed en zo kwaad als het gaat samen in de echtelijke woning uit te zingen. Dat de man op stel en sprong de woning zou moeten verlaten, is naar het oordeel van de rechtbank te ingrijpend.
3.4.
Afwikkeling huwelijksvermogensregime
3.4.1.
Partijen hebben overeenstemming bereikt. De man heeft dit na de mondelinge behandeling met zijn bericht van 19 juni 2026 bevestigd. De rechtbank zal deze overeenstemming als onderling getroffen regeling opnemen in de beschikking.
3.5.
Proceskosten
3.5.1.
Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.
4De beslissing
De rechtbank:
in de procedure met zaaknummer / rekestnummer: C/10/699409 / FA RK 25-3645:
4.1.
spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, gehuwd op 24 april 2004 te [plaats 2] (Eritrea);
4.2.
neemt op de onderlinge regeling die partijen over de verblijfplaats van de minderjarigen, de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen hebben getroffen, die inhoudt dat:
de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de vrouw zal zijn;
de minderjarigen in het kader van de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bij de man zullen zijn als volgt:
- [voornaam minderjarige 1] zal, gezien haar leeftijd, zelf met de man kunnen afstemmen wanneer zij bij hem langskomt. Uitgangspunt is een wekelijks contactmoment met de man;
- [voornaam minderjarige 2] en [minderjarige 3] zullen wekelijks een dagdeel bij de man gaan spelen. De ouders zullen steeds afstemmen op welke dag dit is. Dit zal in beginsel in het weekend zijn;
- de man zal [voornaam minderjarige 2] naar de voetbal brengen op maandag en hierbij [minderjarige 3] meenemen. Hij haalt de minderjarigen om 17.30 uur op en brengt de minderjarigen na de voetbal terug;
- in de vakanties zullen partijen afstemmen of de twee jongste minderjarigen bij de man kunnen overnachten. Hiervoor is ook goede huisvesting van belang;
- zodra de man andere geschikte huisvesting heeft, zullen partijen opnieuw overleggen over de zorgregeling;
- indien specifieke, zwaarwegende omstandigheden dit vragen, kan de zorgregeling in de toekomst aangepast worden;
- de man zal de minderjarigen ophalen en weer thuisbrengen;
- de man zal aan de vrouw met ingang van de datum waarop partijen niet meer samenwonen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen, voor de toekomstige termijnen steeds bij vooruitbetaling voldoen € 50,- per maand per kind;
4.3.
bepaalt dat de vrouw met ingang van het tijdstip waarop de echtscheidingsbeschikking zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, huurster zal zijn van de echtelijke woning aan de [adres] ;
4.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad, behalve ten aanzien van de echtscheiding;
4.5.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
4.6.
wijst af het meer of anders verzochte;
in de procedure met zaaknummer / rekestnummer: C/10/710994 / FA RK 25-9134:
4.7.
neemt op de onderlinge regeling die partijen over de afwikkeling van het huwelijksvermogensregime hebben getroffen, die inhoudt dat de verdeling wordt vastgesteld als volgt:
de inboedel van de woning wordt aan de vrouw toebedeeld zonder nadere verrekening;
de vrouw krijgt toebedeeld haar bankrekening inclusief het saldo;
de man krijgt toebedeeld zijn bankrekening inclusief het saldo;
de man krijgt toegerekend de schuld bij de belastingdienst zoals voornoemd en dient
de lasten hiervan voor zijn rekening te nemen, met vrijwaring van de vrouw;
- de man dient nog aan de vrouw te voldoen een bedrag van € 1.160,50 uit hoofde van
de toebedeling van de bankrekeningen inclusief saldi;
- de vrouw dient aan de man te vergoeden een bedrag van € 331,50 betreffende de
belastingschuld. Per saldo dient de man nog aan de vrouw te voldoen een bedrag van € 829,- waarna partijen over en weer niets meer van elkaar te vorderen hebben en elkaar finale kwijting verlenen. De man dient dit bedrag binnen 2 weken na datum beschikking in deze aan de vrouw te voldoen;
4.8.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
4.9.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.L. Raphael, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. J.C.A. van 't Zelfde, griffier, op 16 juli 2026.
Tegen de eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- de verschenen partij(en), binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- de niet verschenen partij(en), binnen drie maanden na de betekening van de beschikking aan hem/haar in persoon of binnen drie maanden nadat deze op een andere manier is betekend en openbaar is gemaakt door het plaatsen van een uittreksel van de beschikking in de Staatscourant.