Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:10211

2026-08-04 Strafrecht 10-189997-22
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2026-08-04
Publicatiedatum
2026-08-17
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
10-189997-22
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Bewezen is dat de verdachte gedurende een periode van bijna een jaar met een ander cocaïne heeft gedeald. Daarnaast is bewezen dat de verdachte een busje pepperspray voorhanden heeft gehad en een verbalisant heeft beledigd. Geheel voorwaardelijke gevangenisstraf passend geacht. Strafverminderend wegen mee art. 63 Sr en de overschrijding van de redelijke termijn.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (37.835 tekens)
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats Dordrecht



Meervoudige kamer strafzaken



Parketnummer: 10-189997-22



Datum uitspraak: 4 augustus 2026
Datum zitting: 21 juli 2026
Tegenspraak zonder aanwezigheid van de verdachte



Verdachte:


[verdachte]
,
geboren op [geboortedatum] 1988 in [geboorteplaats] ,
verblijvende op het adres:

[adres 1] , [postcode 1] [woonplaats] ,
opgegeven postadres:

[adres 2] , [postcode 2] [plaats] .



Advocaat van de verdachte: mr. E.B. Jobse.
Officier van justitie: mr. I. Barendregt.





Kern van het vonnis

Bewezen is dat de verdachte gedurende een periode van bijna een jaar met een ander cocaïne heeft gedeald. Daarnaast is bewezen dat de verdachte een busje pepperspray voorhanden heeft gehad en een verbalisant heeft beledigd.




Leeswijzer

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat zij - samengevat – in de periode van 27 juli 2021 tot en met 30 juni 2022 samen met een ander in cocaïne heeft gehandeld (feit 1) en dat zij op 30 juni 2022 samen met een ander verschillende verdovende middelen opzettelijk aanwezig heeft gehad (feit 2). Tevens wordt zij ervan beschuldigd dat zij op 30 juni 2022 een busje pepperspray voorhanden heeft gehad (feit 3) en dat zij op diezelfde dag een verbalisant heeft beledigd (feit 4).
De volledige tenlastelegging is opgenomen in hoofdstuk 1.



De beschuldiging is voor een deel niet bewezen. De bewezenverklaring, de motivering daarvan en de bespreking van de bewijsverweren en de bewijsmiddelen ten aanzien van de feiten 1, 3 en 4 en de argumenten die tot vrijspraak hebben geleid ten aanzien van feit 2 staan in hoofdstuk 2.



De feiten en de verdachte zijn strafbaar. Deze beslissingen staan in hoofdstuk 3.



De rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf op van drie maanden voorwaardelijk. In hoofdstuk 4 wordt uitgelegd waarom deze straf wordt opgelegd.



In hoofdstuk 5 staat de beslissing over de inbeslaggenomen goederen.



In hoofdstuk 7 staan alle beslissingen in het kort.




1Tenlastelegging
De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat:


1.
zij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode 27 juli 2021 tot en met 30
juni 2022, te [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk, heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, één of meer hoeveelheden cocaine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet
behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;



2.
zij op 30 juni 2022, te [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad,

- 36,35 gram cocaïne (te weten 35,8 gram en 0,55 gram) en/of
- 2,90 gram MDMA (te weten 0,6 en 2,3 gram) en/of
- 4,20 gram Ketamine en/of
- 1,00 gram Heroine en/of
- 1,00 gram 4CMC,

althans één of meer hoeveelheden cocaïne/MDMA/ketamine/heroine en/of 4CMC, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne/MDMA/ketamine/heroine en/of 4CMC, zijnde cocaïne/MDMA/ketamine/heroine en/of 4CMC, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel
3a van die wet;



3.
zij op of omstreeks 30 juni 2022 te [plaats] , althans in Nederland, een busje pepperspray (met opschrift Pfeffer), zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met
giftige,verstikkende, weerloosmakende, traanverwekkende en soortgelijke stof van de categorie II, onder 6, voorhanden heeft gehad;



4.
zij op of omstreeks 30 juni 2022 te [plaats] , althans in Nederland, opzettelijk een ambtenaar, te weten [verbalisant 1] , gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem de woorden toe te voegen: 'Kankermongool', althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.




2Bewijs t.a.v. feiten 1, 3 en 4 en vrijspraak t.a.v. feit 2

2.1.


Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor de feiten 1 en 3 en dat de verdachte moet worden vrijgesproken voor de feiten 2 en 4. Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.




2.2.


Conclusie van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor de feiten 1, 2 en 4. De verdediging heeft zich ten aanzien van feit 3 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.



2.3.

Oordeel van de rechtbank


2.3.1.


Bewezenverklaring en bewijsmiddelen

Bewezen is dat de verdachte gedurende een periode van bijna een jaar met een ander heeft gehandeld in cocaïne (feit 1). Daarnaast is bewezen dat de verdachte een busje pepperspray voorhanden heeft gehad (feit 3) en een verbalisant heeft beledigd door hem ‘kankermongool’ te noemen (feit 4). De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.



De bewezenverklaring van de feiten 1, 3 en 4 is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.




Ten aanzien van feit 1:



1. Proces-verbaal van de politie
Onderstaande informatie is binnengekomen over [verdachte] .


27-07-2021 [proces-verbaalnummer 1] [meldingnummer 1]Drugsdealer in [plaats] . [verdachte] dealt vanuit de woning aan [adres 3]
in [plaats] ( [postcode 3] ) al maanden in drugs. De hele dag door kunnen klanten/gebruikers terecht. [verdachte] maakt gebruik van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] .
(…)
Onderstaande informatie is binnengekomen over [medeverdachte] .



17-01-2022 [proces-verbaalnummer 2] [meldingnummer 2]Drugshandel vanuit pand te [plaats] :[medeverdachte] , wonende [adres 4] te ( [postcode 4] ) [plaats] , verkoopt drugs vanuit zijn woning. Hij dealt van 's morgens vroeg tot 's avonds laat.


2. Proces-verbaal van de politie
Op 20 januari 2022 waren verbalisanten belast met het observeren van [adres 4] en [adres 3] te [plaats] .


Op genoemde datum omstreeks 15:38 uur zag ik dat [verdachte] uit het portiek aan [adres 4] kwam. Omstreeks 16:33 uur zag ik dat er een persoon op de fiets stopte bij [adres 4] . Ik zag dat deze persoon aanbelde bij [adres 4] . Ik zag dat de portiekdeur geopend werd en de persoon het portiek binnen ging. Op genoemde datum omstreeks 16:37 uur zag ik dat dezelfde persoon het portiek weer uitgelopen kwam. Gezien het korte bezoek aan de woning had ik sterk de indruk dat de man vermoedelijk verdovende middelen had gekocht in de woning.
Op genoemde datum omstreeks 17:48 uur zag ik [verdachte] het portiek aan [adres 3] verlaten.
Op genoemde datum omstreeks 17:54 uur zag ik dat [verdachte] op een "Go Sharing" scooter aan kwam bij de woning aan [adres 4] te [plaats] .Op genoemde datum zag ik dat [medeverdachte] het portiek verliet aan [adres 4] . Ik zag dat [medeverdachte] in het voertuig voorzien van het kenteken [kentekennummer 1] stapte en wegreed. Ik volgde het voertuig [kentekennummer 1] tot aan [adres 5] te [plaats] . Aldaar zag ik omstreeks 18:16 uur dat het voertuig tot stilstand kwam. Ik zag dat [medeverdachte] bij [adres 5] binnenging. Ik zag dat de deur van binnenuit geopend werd. Ik zag omstreeks 18:19 dat [medeverdachte] de woning weer verliet aan [adres 5] en in zijn voertuig stapte. (…) Ik bevroeg [adres 5] in de voor mij beschikbare politiesystemen. Ik zag dat er één persoon ingeschreven stond op de dit adres, namelijk: [persoon A] ( [voornaam persoon A] ). Ik zag dat [persoon A] sinds 2001 bekend staat als harddrugsgebruiker.


3. Proces-verbaal van de politieWij waren op 30 juni 2022 belast met een drugsactie op de panden [adres 3] en [adres 4] te [plaats] . Onderstaand is een tijdslijn met de door ons gedane bevindingen.


14:02 Ik zag dat een man met het uiterlijk van een harddrugsgebruiker aan het bellen was voor [adres 4] . Ik zag dat hij het pand binnen ging (dit bleek later de aangehouden [persoon B] te zijn).
14:21 Ik zag dat de Volkswagen Polo [ [kentekennummer 2] ] parkeerde voor [straat 1] . Ik herkende voor 100% de bijrijdster als verdachte [verdachte] .14:22 Ik zag beide personen uit de Volkswagen Polo stappen op de [straat 1] . Ik
herkende de bestuurder van de auto voor 100% als [persoon C] . Ik zag dat beiden bij [huisnummer 1] aanbelden en zonder sleutel de woning in gingen.
15:08 Ik zag op [adres 4] [verdachte] naar buiten komen bij het portiek. Ik zag dat ze een telefoon in haar handen hield en wegliep richting [straat 2] .



Aanhouding koper [persoon D]15:11 Ik, [verbalisant 1] , heb [verdachte] gevolgd. Ik zag dat [verdachte] iets uit haar BH pakte.15:13 Ik zag dat ze op [plein] kort contact had met een man. Ik had het vermoeden dat deze man verdovende middelen ging kopen. Wij, hebben nadat beiden uit elkaar gingen de vermoedelijke koper aangehouden. Bij de insluiting werden twee zakjes met vermoedelijk cocaïne aangetroffen.
15:20 Ik, [verbalisant 2] , zag [verdachte] staan voor het portiek [straat 2] en zag dat ze meerdere malen aan het bellen was.



(…)
15:30 Ik zag dat er gelijktijdig een ander persoon het portiek weer naar binnen ging. Ik zag dat deze persoon bij [huisnummer 1] aan de deur ging.15:31 Ik zag dat deze andere persoon weer naar buiten kwam. Ik zag dat deze man instapte in een voertuig voorzien van het kenteken [kentekennummer 3] . Het werd mij bekend dat het voertuig op naam stond van [achternaam kentekenhouder] . Uit GBA bleek de zoon van kentekenhouder genaamd [persoon E] . Deze is bekend als harddrugsgebruiker.



Aanhouding koper [persoon F]15:53 Ik zag dat er een vrouw op een scooter aankwam en aanbelde bij [adres 4] . Ik zag dat ze binnen werd gelaten. Ik zag dat het kenteken van de scooter betrof [kentekennummer 4] . Ik hoorde dat dit voertuig op naam stond van [persoon F] en bekend was als harddrugsgebruikster.16:04 Ik zag dat de vrouw het pand verliet.16:05 Door ons is verdachte aangehouden. Bij de insluiting is bij verdachte een zakje vermoedelijk cocaïne aangetroffen.



(…) 16:47 Ik zag dat [verdachte] het portiek [straat 2] verliet met een onbekende man (Deze man bleek mij later de aangehouden [persoon G] te zijn). Ik zag dat ze achterop de fiets stapte bij de man en vertrokken. Ik zag dat beiden hierna opsplitsten. 16:50 Ik zag dat de jongen van voorop de fiets het pand [adres 4] naar binnen ging.16:53 Ik zag [verdachte] voor woning [adres 4] en naar binnen gaan.
(…) 17:17 Ik zag dat nog een man voor het portiek [straat 1] stond te bellen. Ik zag dat hij aanbelde bij [adres 4] en naar binnen ging.17:21 Ik zag dat [medeverdachte] terug kwam bij pand [adres 4] .



Aanhouding koper [persoon H]
17:27 Ik zag dat de man welke 17:17 uur naar binnen ging het pand weer verliet. Gezien het korte bezoek vermoedde ik dat de man zojuist verdovende middelen had gekocht.17:28 Wij hebben hierop de verdachte buiten het zicht van het pand aangehouden. Bij verdachte [persoon H] werd bij de insluiting een zakje cocaïne aangetroffen.

17:34 Ik zag dat [medeverdachte] naar buiten kwam bij [adres 4] .17:38 Ik zag dat [medeverdachte] buiten contact had met de man die vermoedelijk eerder omstreeks 15:31 had gekocht, maar welke niet aangehouden kon worden. Ik zag dat beiden na een kort contact weer uit elkaar gingen.



Aanhouding koper [persoon E]
17:39 Ik zag de man waarmee [medeverdachte] contact had weg fietste en iets in zijn linker hand vast had.17:41 Ik zag dat [medeverdachte] terug kwam bij de woning.17:43 Wij hebben de man welke wegfietste aangehouden als koper van verdovende middelen. Bij verdachte [persoon E] werd bij de insluiting een zakje vermoedelijk cocaïne aangetroffen.



(…) 18:47 Ik zag dat [persoon C] en [verdachte] weer naar buiten kwamen.18:48 Ik zag dat [verdachte] de woning [straat 2] in ging. Ik zag dat [persoon C] in de Volkswagen Polo ging zitten.18:56 Ik zag dat [verdachte] uit [straat 2] kwam en de Volkswagen in stapte.18:57 Wij zagen dat de Volkswagen Polo stopte voor portiek [adres 6] en dat [persoon C] naar binnen ging. Op [huisnummer 2] bleek een harddrugsgebruiker woonachtig.
(…) 19:46 Ik zag dat de Volkswagen stopte voor het pand [straat 1] .19:49 Ik zag dat [verdachte] [straat 1] in ging.


4. Proces-verbaal van de politie
Onderzoek ingesteld naar [adres 6] te [plaats] . Dit naar aanleiding van de drugsactie die plaatsvond op 30 juni 2022. (…) Het is mij, verbalisant (wijkagent), ambtshalve bekend dat beiden woonachtig op [adres 6] drugsverslaafden zijn. Aan deze bewoonster, genaamd [persoon I] , heb ik 3 foto’s van de aangehouden dealers getoond en gevraagd of zij deze personen kent. Ik sprak [persoon I] en hoorde dat ze het volgende verklaarde op de vragen die ik stelde:


-Hoe is het afgelopen donderdag 30 juni 2022 gegaan?Ik hoorde dat de bewoonster zei dat ze dacht dat het goed is gegaan op die dag.-Heb jullie afgelopen donderdag drugs gekocht en zo ja wat?Ik hoorde dat het best kan en dat het zo is dat zowel zij als haar eenmaal drugs gebruiken. Zij gebruikt voornamelijk cocaine.-Hoeveel was het en hoeveel hebben zij ervoor betaald?Ze verklaarde dat ze 6 strepen van 0,6 gram gekocht hadden en 50 euro ervoor hadden betaald.- Was de dealer gebeld en zo ja wie?Ze verklaarde dat de dealer iemand uit de wijk was en dat ze altijd deze vrouw belt als ze drugs wil kopen.(…)Zie fotobijlage (verdachten) 1 t/m 3
Foto 1 [persoon C] : De bewoonster heeft eerder drugs van hem gekocht. Zo ook afgelopen donderdag.



Foto 2 [verdachte] : bewoonster zei dat de persoon op de foto [verdachte] was die vlak bij haar op [adres 3] woont. Ze heeft het afgelopen half jaar meerdere keren cocaïne en hasj op [adres 3] bij [verdachte] gekocht. Als ze belt om drugs te bestellen krijgt ze steeds [verdachte] aan de telefoon.


5. Proces-verbaal van de politie
Op 30 juni 2022 trad ik samen met meerdere verbalisanten binnen op [adres 4] te [plaats] . Ik zag dat verdachte [medeverdachte] en verdachte [verdachte] aan tafel zaten. Ik zag op de tafel diverse gebruikersvoorwerpen liggen waarmee harddrugs wordt gebruikt en versneden. Ik zag ook diverse witte blokken liggen wat vermoedelijk harddrugs konden zijn. (…) Aan de tafel zaten de volgende verdachten: [verdachte] , [medeverdachte] , [persoon G] , [persoon J] en [persoon B] . In de woonkamer zat verdachte [persoon C] .

6. Proces-verbaal van de politie
Ik zag dat de inbeslaggenomen gripzakjes met harddrugs welke werden aangetroffen bij verdachten [persoon D] , [persoon F] , [persoon H] en [persoon E] overeen kwamen met elkaar. Tevens zag ik dat deze gripzakjes overeen kwamen met de grote hoeveelheid lege gripzakjes welke werden aangetroffen in de woning aan [adres 4] .

7. Proces-verbaal van de politie

Ik onderzocht de telefoon die in de woning (op de eettafel) van [medeverdachte] in beslag was genomen. Ik zag dat het telefoonnummer [telefoonnummer 2] betrof. Tijdens het verhoor verklaarde verdachte [medeverdachte] dat dit nummer aan hem toebehoorde. (…) Tijdens het onderzoek in de sms-berichten kwam over het algemeen naar voren dat de gesprekken gaan over het afspreken met elkaar, betalingen die gedaan moeten worden en
over wit en bruin.
Ik bekeek verder de inkomende sms-berichten in deze telefoon. Ik zag dat er meerdere
Sms-berichten in stonden afkomstig van een contact genaamd [naam contact 1] . Ik zag dat het
bijbehorende nummer [telefoonnummer 3] betrof. Ik zag in het bedrijfsprocessensysteem
Basisvoorziening Integraal Bevragen (BVI) dat dit nummer gekoppeld was aan [persoon K]
. Ik zag dat zij de volgende berichten verstuurde:
(…) – ik krijg geld van jou [verdachte] .


8. Proces-verbaal van de politie
Op 30 juni 2022 hoorden wij verdachte [persoon D] . Wij keken in zijn telefoon. Wij keken in zijn contacten en zagen dat er een contact in stond genaamd: " [naam contact 2] ". Wij zagen dat dit contact correspondeerde met het telefoonnummer [telefoonnummer 4] . Wij zochten dit nummer op in het Bedrijfsprocessensysteem Integraal Bevragen (BVI). Wij zagen dat dit nummer sinds 10-12-2001 gekoppeld was aan: [verdachte] . Wij zagen in de oproep logs dat dit nummer op 30 juni 2020 negen keer belde naar het nummer van [persoon D] . Namelijk om:15:14,15:16,15:15,15:17 twee keer15:18,15:20,en om 15:21 twee keer.

9. Proces-verbaal van de politie, verklaring verdachte [persoon D]
Vandaag, 30 juni 2022, had ik nog een schuld van € 20,- bij dat meisje en ik moest haar dat geld brengen. Ik heb één jaar geleden voor het laatst gekocht bij haar. Toen gaf ze mij een balletje.

10. Proces-verbaal van de politie, verklaring verdachte [persoon F]
Ik gebruik elke dag cocaïne. Mijn vaste dealers heten [persoon L] en [persoon M] . (…) Ik bel ze op en da ik ga daar naartoe. (…) [persoon M] doet zelf af en toe de deur open. [persoon M] woont aan [adres 3] in [plaats] en [persoon L] aan [adres 4] .


(…) Even voor de duidelijkheid, cocaïne was het dan?

- Ja.


Wat heb je daarvoor betaald?

- Een tientje.


Ga je elke dag langs bij [persoon L] of [persoon M] om drugs te halen?

- Ja.


Wat is de kwaliteit van de cocaïne?

- Ja wel goed.


11. Proces-verbaal van de politie, verklaring verdachte [persoon C]

(…) V: Van wie moest je drugs afgeven?
A: Van [verdachte] en die [persoon L] .



V: Moet je dat vaker doen van hen?
A: Ja, tegen bedreiging ook.



V: Verkoopt [verdachte] drugs?
A: Ja.



V: En die [persoon L] dan, verkoopt hij ook drugs?
A: Ja.



V: Had je zelf gisteren drugs gekocht?
A: Ik had van [verdachte] drugs gekocht.



V: Wat had je gekocht?
A: Ik had voor een tientje cocaïne gekocht.



V: Handelt [medeverdachte] in drugs?
A: Hij heeft wel wat drugs te koop, maar dat gaat dan weer via [verdachte] .
V: In de woning zijn drugs gevonden. Van wie was dat?
A: Eigenlijk is alles van haar, maar [medeverdachte] verkoopt ongeveer 10 pakjes cocaïne per dag.



V: Waar bewaart [verdachte] haar drugs?
(…) A: (…) in haar BH.



V: Wat is jouw rol in dit hele verhaal?
A: (…) Ik ben ook af en toe naar klanten voor hun gegaan.



V: Waarom naar klanten voor hen?
A: Ik moest een zakje afgeven.



V: Wat zat er in dan?
A: Ik denk cocaïne.



V: Van wie moest je dat afgeven?
A: Van [verdachte] .



V: Hoe lang handelt [verdachte] al in drugs?
A: (…) Ik ken haar nu een jaar en sindsdien doet ze dat al.
V: Die woning waar jullie gisteren zijn aangehouden is niet van die [verdachte] toch?
A: Nee, van [medeverdachte] .
V: Hoe vaak [verdachte] bij [medeverdachte] ?
A: Elke dag denk ik.




Ten aanzien van feit 3

:

1. Proces-verbaal van de politie

;



2. Proces-verbaal van de politie;

3. Proces-verbaal van de politie, verklaring verdachte

.




Ten aanzien van feit 4:



1. Proces-verbaal van de politie, verklaring aangever
Ik, [verbalisant 1] , doe aangifte van belediging. Ik ben door de aangehouden verdachte diverse malen luidkeels uitgescholden voor kankermongool. Doordat ik ben uitgescholden als kankermongool voel ik mij in mijn goede naam en eer aangetast. Ik vind het niet normaal dat ik tijdens de uitvoering van mijn werk word uitgescholden door een verdachte.

2. Proces-verbaal van de politie
Ik, verbalisant [verbalisant 1] , was op 30 juni 2022 belast met de instap in de woning gelegen aan [adres 4] te [plaats] . (…) Ik zag dat [verdachte] , die op dat moment in het portiek stond, haar hoofd omdraaide in mijn richting. Ik hoorde dat zij met luide stem riep: ‘‘Wie zegt dat dat geld van mij is, kankermongool’’ of woorden van gelijke strekking. (…) Hierop riep zij met luide stem: ‘‘Bewijs maar dat het van mij is kankermongool’’ of woorden van gelijke strekking. Ik deelde [verdachte] mede dat zij nu ook was aangehouden voor belediging. Ik voelde mij namelijk in mijn goede naam en eer aangetast. Iedereen die zich in het portiek bevond kon horen dat zij mij kankermongool noemde.


2.3.2.

Bewijsmotivering ten aanzien van feiten 1 en 4




Ten aanzien van feit 1

Op grond van voormelde bewijsmiddelen staat voor de rechtbank vast dat de verdachte in de periode van 27 juli 2021 tot en met 30 juni 2022 heeft gehandeld in cocaïne. Deze periode volgt uit de MMA-melding van 27 juli 2021 en het daarin genoemde telefoonnummer dat nagenoeg overeenkomt met het daadwerkelijk aan verdachte gekoppelde nummer, de observaties die vervolgens hebben plaatsgevonden op 20 januari 2022 en 30 juni 2022, de verklaringen van de afnemers [persoon D] en [persoon I] en uit de verklaring van [persoon C] . Tevens bestaat er bij de rechtbank geen twijfel dat het cocaïne betrof. Afnemers [persoon F] en [persoon I] staan bekend als harddrugsgebruikers en gebruiken al langere tijd cocaïne. Daarnaast verklaart [persoon F] in het bijzonder over de kwaliteit van de cocaïne.



Uit de bewijsmiddelen kan naar oordeel van de rechtbank tevens worden afgeleid dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking van verdachte met de – reeds op 13 februari 2026 veroordeelde – heer [medeverdachte] . Afnemer [persoon F] heeft verklaard dat verdachte en de heer [medeverdachte] haar vaste dealers zijn en [persoon C] heeft verklaard dat hij zowel van verdachte als de heer [medeverdachte] drugs moest afgeven en dat beide personen drugs verkopen. Daarnaast blijkt uit de observaties dat de verdachte zich regelmatig ophoudt in de woning van de heer [medeverdachte] aan [adres 4] . Tijdens de observatie op 30 juni 2022 blijkt dat verdachte in de middag uit die woning komt, iets uit haar bh pakt waarna zij contact maakt met [persoon D] , bij wie daarna twee zakjes met cocaïne worden aangetroffen. Later die dag wordt verdachte ook in deze woning – samen met de heer [medeverdachte] –aangetroffen en aangehouden.



Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de voor het bewijs gebezigde verklaringen van de afnemers betrouwbaar zijn, nu voornoemde afnemers in essentie genoegzaam consistent hebben verklaard ten aanzien van de cocaïnehandel van verdachte. Voorts betreft het verklaringen van afnemers die overwegend hebben verklaard op regelmatige basis cocaïne te hebben gekocht en niet slechts incidenteel.



Verder is door de raadsman aangevoerd dat sprake is van een vormverzuim. Volgens de raadsman is ten aanzien van het verhoor van afnemer [persoon F] sprake van een ongeoorloofde wijze van verhoren, nu verbalisanten suggestieve vragen op haar zouden hebben afgevuurd en op deze wijze ontoelaatbare druk op haar – als kwetsbaar persoon – hebben uitgeoefend. Dit verweer volgt de rechtbank niet. De verbalisanten hebben in het verhoor weliswaar op een vasthoudende manier doorgevraagd, maar van ongeoorloofde druk is niet uit het dossier gebleken.




Ten aanzien van feit 4

De rechtbank stelt vast dat sprake is van een op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van bevindingen dat ondertekend is door verbalisant [verbalisant 1] . Gelet op het feit dat dit proces-verbaal op ambtseed is opgemaakt, gaat de rechtbank ervan uit dat deze verbalisant naar waarheid heeft verklaard. Overigens bevat het proces-verbaal ook geen ongerijmdheden of tegenstrijdigheden, op basis waarvan de inhoud twijfel oproept. De rechtbank is dan ook van oordeel dat met het voorgaande het wettig en overtuigend bewijs geleverd is dat de verdachte de verbalisant heeft beledigd zoals ten laste gelegd, dat zij hier het opzet op had en dat de verbalisant door de belediging in zijn goede eer en naam was aangetast. Zie voor deze hoofdregel Hoge Raad 7 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1799. Een tweede bewijsmiddel, zoals door de officier van justitie ter zitting naar voren is gebracht, is – ook in de gegeven omstandigheden - niet nodig. Het verweer berust immers op niet meer dan een kale ontkenning door de verdachte van de gebezigde woorden.



2.3.3.

Volledige bewezenverklaring



Bewezen is dat:




Feit 1:
zij op meer tijdstippen in de periode 27 juli 2021 tot en met 30 juni 2022, te [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander, telkens opzettelijk, heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd, één of meer hoeveelheden cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.




Feit 3:
zij op 30 juni 2022 te [plaats] een busje pepperspray (met opschrift Pfeffer), zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met giftige, verstikkende, weerloosmakende, traanverwekkende en soortgelijke stof van de categorie II, onder 6, voorhanden heeft gehad.




Feit 4:
zij op 30 juni 2022 te [plaats] opzettelijk een ambtenaar, te weten [verbalisant 1] , gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem de woorden toe te voegen: 'Kankermongool'.



Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.



2.3.4.


Vrijspraak ten aanzien van feit 2

De beschuldiging is niet bewezen. De verdachte wordt daarvan dus vrijgesproken. De officier van justitie en de verdediging zijn tot dezelfde conclusie gekomen, zodat de rechtbank dit niet verder zal motiveren.






3Kwalificatie en strafbaarheid

3.1.


Kwalificatie

De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:



Feit 1:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.



Feit 3:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.



Feit 4:

Eenvoudige belediging aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.




3.2.


Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte

De feiten en de verdachte zijn strafbaar.





4Straf

4.1.


Eis van de officier van justitie

De verdachte moet voor de feiten 1 en 3 worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.



4.2.


Standpunt van de verdediging

Indien tot een bewezenverklaring wordt gekomen ten aanzien van de feiten 1 en 2, heeft de raadsman verzocht een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, eventueel gecombineerd met een onvoorwaardelijke taakstraf.


4.2.1.


Ernst en omstandigheden van de feiten

De verdachte heeft gedurende een periode van bijna een jaar samen met een ander gehandeld in cocaïne. Cocaïne is een verslavende en voor de gezondheid van de gebruiker zeer schadelijke stof. De handel in cocaïne is bovendien bezwarend voor de samenleving omdat dit, direct of indirect, leidt tot ernstige vormen van geweld en criminaliteit. De verdachte heeft door haar handelen een wezenlijke bijdrage geleverd aan de instandhouding van het criminele drugscircuit. Daarnaast heeft de verdachte een verbalisant beledigd door hem ‘kankermongool’ te noemen en is in de woning van de verdachte een busje pepperspray aangetroffen.



4.2.2.


Persoon en persoonlijke omstandigheden


Strafblad

Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 25 juni 2026 blijkt dat de verdachte in de afgelopen vijf jaren niet is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. De
verdachte is na de pleegdata van de onderhavige feiten meerdere malen veroordeeld voor
onder meer overtredingen van de Wegenverkeerswet en vermogensdelicten waarbij een taakstraf en (voorwaardelijke) gevangenisstraffen zijn opgelegd. Gelet daarop is artikel 63 van het Wetboek van strafrecht van toepassing.



4.2.3.


Redelijke termijn

De verdachte moet binnen een redelijke termijn worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval gestart op 1 juli 2022, omdat de verdachte toen in verzekering is gesteld. Tot aan dit vonnis is een periode van ruim 4 jaren verstreken. Omdat er geen sprake is van
bijzondere omstandigheden, is de redelijke termijn in deze zaak twee jaar. Dat betekent dat
de redelijke termijn met ruim twee jaar is geschonden.



4.2.4.

Oplegging straf




Straf

Gelet op de ernst van de strafbare feiten is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. In strafverminderende zin houdt de rechtbank rekening met de overschrijding van de redelijke termijn en de toepassing van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht. Daarom wordt een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden opgelegd. De voorwaardelijke straf heeft ook als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.






5In beslag genomen voorwerpen

5.1.


Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat het in beslag genomen geld, te weten € 147,- en € 100,-, wordt verbeurd verklaard en dat het in beslag genomen geld, te weten € 335,-, wordt bewaard ten behoeve van de rechthebbende.



5.2.


Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het in beslag genomen geld volgens de brief van het LIGOM van 5 september 2025 aan verdachte geretourneerd mag worden. De politie heeft kennelijk, anders dan verdachte beweerde, ambtshalve vastgesteld dat dit geld aan verdachte toebehoort en de verdediging voert daartegen geen verweer.



5.3.


Oordeel van de rechtbank

Als bijkomende straf voor feit 1 wordt het onder verdachte in beslag genomen geld in geheel verbeurd verklaard nu dit geld betreft dat uit de baten van het strafbare feit is verkregen dan wel geld betreft dat is bestemd voor het plegen van het strafbare feit.





6Wettelijke voorschriften
Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 47, 57, 63, 266 en 267 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikel 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.



7Beslissingen
De rechtbank:


verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;



verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1, 3 en 4 ten laste gelegde feiten, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;



stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;



verklaart de verdachte strafbaar;



veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 3 (drie) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;



bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;



verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 (twee) jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte de onderstaande voorwaarde niet naleeft;



stelt als algemene voorwaarde dat:

- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt.



In beslag genomen voorwerpen


- verklaart verbeurd voor feit 1;
- geldbedrag van € 157,- (goednr. eindigend op [goednummer 1] );
- geldbedrag van € 335,- (goednr. eindigend op [goednummer 2] );
- geldbedrag van € 100,- (goednr. eindigend op [goednummer 3] ).



8Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:
mr. A.P. Hameete, voorzitter,
en mrs. R.P.W. van de Meerakker en L. Postma, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. I. van Wuijckhuijse, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 4 augustus 2026.



Mrs. A.P. Hameete en L. Postma zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.




De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het dossier met nummer [dossiernummer] .


Pagina 26 e.v.


Pagina 29 e.v.



Pagina 32 e.v.



Pagina 69 e.v.


Pagina 59 e.v.


Pagina 62 e.v.


Pagina 64 e.v.


Pagina 86.


Pagina 78 e.v.


Pagina 92 e.v.


Pagina 183 e.v.



De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft het feit bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom wordt voor dit feit de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven.


Pagina 127 e.v.


Pagina 293 e.v.


Pagina 236 e.v.


Pagina 295 e.v.


Pagina 57 e.v.