Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:10205

2026-08-14 Civiel recht C/10/723127 / KG ZA 26-725
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2026-08-14
Publicatiedatum
2026-08-17
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Kort geding
Zaaknummer
C/10/723127 / KG ZA 26-725
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Kort geding. Vorderingen strekkende tot uitsluitend gebruik huurwoning in conventie en in reconventie. Partijen hebben er voldoende spoedeisend belang bij dat het huurrecht van de woning in dit kort geding voorlopig aan één van hen wordt toebedeeld. Belangenafweging. De voorzieningenrechter is voorlopig van oordeel dat het belang van gedaagde zwaarder weegt en deelt het huurrecht van de woning dan ook voorlopig aan hem toe. In reconventie gevorderde toevertrouwing van de minderjarige zoon van partijen afgewezen. In reconventie gevorderde omgangsregeling in de subsidiair gevorderde variant toegewezen.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (15.278 tekens)
RECHTBANK Rotterdam


Team handel en haven




Zaaknummer: C/10/723127 / KG ZA 26-725




Vonnis in kort geding van 14 augustus 2026




in de zaak van





[eiseres]
,
woonplaats: [woonplaats],
eisende partij,
advocaat: mr. E. Kafa,



tegen





[gedaagde]
,
woonplaats: [woonplaats],
gedaagde partij,
advocaat: mr. M.P. Kloppenburg.




Partijen worden hierna de vrouw en de man genoemd.






1De zaak in het kort


1.1.
Partijen zijn echtgenoten en zij huren samen een woning. De vrouw heeft de woning begin juni 2026 verlaten, samen met de minderjarige zoon van partijen. De man woont op dit moment in de woning. De vrouw is van plan een echtscheidingsprocedure op te starten. Vooruitlopend daarop vordert de vrouw – kort gezegd – dat de man onder druk van een dwangsom wordt veroordeeld om de woning voorlopig te verlaten, zodat de vrouw daar met de minderjarige zoon van partijen kan wonen. De man voert verweer en vordert als tegenvorderingen – kort gezegd – dat het gebruiksrecht van de woning voorlopig aan hem wordt toebedeeld, dat de minderjarige zoon van partijen voorlopig aan de man wordt toevertrouwd en dat een voorlopige omgangsregeling wordt vastgesteld. De voorzieningenrechter kent het huurrecht van de woning voorlopig toe aan de man en stelt een voorlopige omgangsregeling voor de man met de minderjarige zoon van partijen vast. De overige vorderingen van partijen worden afgewezen. Deze oordelen worden hierna uitgelegd.






2De procedure


2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:


de dagvaarding van 27 juli 2026, met bijlagen 1 tot en met 5;


de conclusie van antwoord met eis in reconventie (tegenvordering);


de mondelinge behandeling op 31 juli 2026.








3De vorderingen in conventie en in reconventie


3.1.

De vrouw vordert – na vermindering van haar vorderingen – om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. de man te veroordelen om de woning binnen 24 uur na betekening van dit vonnis te verlaten en verlaten te houden, met medeneming van uitsluitend zijn strikt persoonlijke zaken, totdat in de echtscheidingsprocedure bij voorlopige voorziening of anderszins nader is beslist, dan wel totdat partijen schriftelijk anders overeenkomen;
II. de man te veroordelen om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis alle sleutels, en overige toegangsmiddelen van de woning aan de vrouw te overhandigen;
III. de man te verbieden om de woning na zijn vertrek te betreden of zich daartoe toegang te verschaffen, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de vrouw of zonder nadere rechterlijke beslissing;
IV. de man te verbieden om de sloten van de woning te vervangen, te laten vervangen, te beschadigen of op enige wijze de toegang van de vrouw tot de woning te belemmeren;
V. de man te veroordelen om de woning onbeschadigd, schoon en ordelijk achter te laten en hem te verbieden goederen, administratie, documenten, inboedel, kindzaken of persoonlijke eigendommen van de vrouw of de minderjarige uit de woning mee te nemen, te verplaatsen, te beschadigen, te verduisteren of aan het gebruik door de vrouw te onttrekken;
VI. te bepalen dat de man, voor zover hij na zijn vertrek nog persoonlijke eigendommen uit de woning moet ophalen, dit uitsluitend mag doen op één vooraf schriftelijk af te stemmen moment, in aanwezigheid van een door de vrouw aan te wijzen derde dan wel de deurwaarder, en zonder dat de vrouw daarbij rechtstreeks met de man hoeft te worden geconfronteerd;
VII. te bepalen dat de vrouw, indien de man niet tijdig alle sleutels en toegangsmiddelen overhandigt of indien blijkt dat zij de woning niet veilig kan betreden, gerechtigd is de sloten van de woning door een erkende slotenmaker te laten vervangen, met veroordeling van de man tot betaling van de daarmee gemoeide redelijke kosten;
VIII. te bepalen dat de man aan de vrouw een dwangsom verbeurt van € 500,00 per dag of gedeelte daarvan dat hij in gebreke blijft aan het vonnis te voldoen, alsmede € 500,00 per afzonderlijke overtreding van een verbod, met een maximum van € 25.000,00;
IX. de vrouw te machtigen om het te wijzen vonnis, voor zover nodig, ten uitvoer te leggen met behulp van de deurwaarder en de sterke arm van politie en justitie;
X. een zodanige beslissing te nemen als de voorzieningenrechter in goede justitie vermeent te behoren;
XI. de man te veroordelen in de kosten van dit geding, waaronder begrepen het salaris advocaat, de deurwaarderskosten, het griffierecht en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente indien deze kosten niet binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis zijn voldaan.




3.2.
De man vordert om te bepalen dat, totdat in de scheidingsprocedure anders is beslist of (naar de voorzieningenrechter begrijpt: partijen anders zijn) overeengekomen:


de man het exclusief gebruiksrecht van de woning heeft;



[naam] voorlopig aan de man wordt toevertrouwd; en



primair een zorgregeling zal gelden waarbij de vrouw ieder weekend gedurende een dagdeel contact heeft met [naam], dan wel subsidiair te bepalen dat [naam] ieder weekend van vrijdag na werk tot zondagavond 18:00 uur bij de man verblijft.








4De beoordeling in conventie en in reconventie



Het huurrecht van de woning wordt voorlopig aan de man toebedeeld



4.1.
Partijen zijn contractueel medehuurders van de woning aan het adres [adres]. Het staat tussen partijen niet ter discussie dat het voor hen niet meer mogelijk is om samen in de woning te wonen. Daarom hebben partijen er voldoende spoedeisend belang bij dat het huurrecht van de woning in dit kort geding voorlopig aan één van hen wordt toebedeeld.



4.2.
Het uitgangspunt is dat beide partijen evenveel recht hebben om in de woning te wonen. Om te bepalen aan wie van partijen het huurrecht van de woning voorlopig wordt toebedeeld, moet de voorzieningenrechter het belang van de vrouw om weer in de woning te wonen afwegen tegen het belang van de man om in de woning te blijven wonen. Bij die afweging zijn alle omstandigheden van het geval van belang.



4.3.
Het belang van de minderjarige zoon van partijen, [naam], vormt de eerste overweging. Het is niet in het belang van [naam] als hij op steeds wisselende adressen woont, zoals sinds 8 juni 2026 (de datum waarop de vrouw de woning met [naam] heeft verlaten) wel het geval lijkt te zijn. [naam] heeft er belang bij om op te kunnen groeien in een rustige en stabiele woonomgeving. Dit belang kan echter niet in het voordeel van één van partijen worden meegewogen. De voorzieningenrechter kan op dit moment namelijk niet vaststellen bij wie van partijen [naam] het beste kan wonen en bij die stand van zaken moet de voorzieningenrechter ervan uitgaan dat [naam] bij ieder van partijen kan wonen. Partijen maken elkaar over en weer wel allerlei verwijten en stellen dat zijzelf het beste voor [naam] kunnen zorgen, maar zij hebben al die verwijten en stellingen niet met (objectieve) stukken onderbouwd. Het komt dus aan op een afweging van de belangen van partijen zelf.



4.4.
Beide partijen stellen dat zij er belang bij hebben om in de woning te kunnen (blijven) wonen. De voorzieningenrechter is voorlopig van oordeel dat het belang van de man zwaarder weegt. De man heeft gesteld dat hij geen alternatieve woonruimte heeft, ook niet bij vrienden of familie. De vrouw heeft dat niet gemotiveerd weersproken. Aan de andere kant verblijft de vrouw, zoals zij zelf heeft gesteld, nu al weken bij vrienden en kennissen. Zij heeft dus blijkbaar wel (tijdelijk) alternatieve woonruimte. Daarnaast heeft de vrouw tijdens de mondelinge behandeling gezegd dat haar moeder ook in Nederland woont, zodat kan worden aangenomen dat de vrouw daar ook (tijdelijk) kan verblijven. De voorzieningenrechter voegt daar nog aan toe dat de man stelt dat de vrouw ook nog een zus in Nederland heeft wonen. Het mag verder zo zijn dat de vrouw tot nu toe de volledige huur voor de woning betaalt, zoals zij heeft gesteld maar niet heeft onderbouwd, maar de vrouw heeft niet weersproken dat de man (ook) in staat is om de volledige huur voor de woning te betalen. Dit staat dus niet aan voorlopige toedeling van het huurrecht van de woning aan de man in de weg. Partijen hebben geen andere omstandigheden gesteld die naar het oordeel van de voorzieningenrechter in het voordeel van één van partijen moeten worden meegewogen. Het is in dit kort geding ook nog gegaan over sloten die vervangen zouden zijn. De voorzieningenrechter kan niet vaststellen wat daarvan waar is of niet. De vrouw stelt dat zonder enige onderbouwing en de man betwist dat, overigens ook zonder enige onderbouwing. Het is daarom geen omstandigheid die in de beslissing kan meewegen.



4.5.
Gelet op het voorgaande wordt het huurrecht van de woning voorlopig aan de man toebedeeld, met uitsluiting van de vrouw. Dit geldt totdat in een door één van partijen te starten echtscheidingsprocedure of procedure bij de kantonrechter is beslist aan wie het huurrecht van de woning definitief wordt toebedeeld, of totdat partijen – zo nodig samen met de verhuurder van de woning – overeenkomen dat het huurrecht van de woning definitief/voorlopig aan één van hen wordt toebedeeld. Voor dit laatste geval merkt de voorzieningenrechter op dat een beslissing over de toedeling van het huurrecht van de woning aan één van partijen in een echtscheidingsprocedure of een procedure bij de kantonrechter werking heeft tegenover de verhuurder van de woning, terwijl een door partijen gemaakte afspraak die werking niet heeft. Als partijen in onderling overleg willen afspreken aan wie van hen het huurrecht van de woning definitief wordt toebedeeld, hebben zij dus ook de instemming van de verhuurder van de woning nodig.



De gevorderde toevertrouwing en omgangsregeling




4.6.
Voor wat betreft de door de man gevorderde toevertrouwing van [naam] aan hem en de gevorderde omgangsregeling overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Zoals hiervoor al is overwogen, kan de voorzieningenrechter op dit moment niet vaststellen bij wie van partijen [naam] het beste kan wonen en dus ook wie van partijen [naam] het beste kan verzorgen. Er ontbreekt objectieve informatie, zoals bijvoorbeeld een rapport van de Raad voor de Kinderbescherming. Bij deze stand van zaken past niet dat [naam] voorlopig aan één van partijen wordt toevertrouwd. De daartoe strekkende vordering van de man wordt dan ook afgewezen. Verder neemt de voorzieningenrechter als uitgangspunt dat het voorlopig in het belang van [naam] is om met beide partijen omgang te hebben. Op dit moment heeft [naam] echter (bijna) geen omgang met de man. Om te waarborgen dat die omgang wel gaat plaatsvinden, bepaalt de voorzieningenrechter, op basis van de uitlatingen van partijen ter zitting, dat voorlopig een omgangsregeling gaat gelden waarbij [naam] met ingang van 21 augustus 2026 iedere vrijdag vanaf 18:00 uur tot zondag om 18:00 uur bij de man verblijft, zoals de man subsidiair heeft gevorderd. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om te bepalen dat de vrouw slechts een dagdeel per weekend omgang met [naam] heeft, zoals de man primair heeft gevorderd. [naam] verblijft op dit moment al weken alleen bij de vrouw en de man heeft niets in het geding gebracht waaruit blijkt dat dit niet goed gaat. De subsidiaire vordering van de man waarborgt een evenwichtiger omgang van [naam] met ieder van partijen en brengt minder veranderingen met zich mee voor de huidige situatie van [naam]. De voorlopige omgangsregeling geldt totdat in een door één van partijen te starten echtscheidingsprocedure anders is beslist of totdat partijen onderling anders overeenkomen.



Iedere partij moet de eigen proceskosten betalen




4.7.
In zaken tussen echtgenoten is het uitgangspunt dat de proceskosten worden gecompenseerd. Dit betekent dat iedere partij de eigen proceskosten betaalt. De voorzieningenrechter ziet in de omstandigheden van deze zaak geen aanleiding om van dat uitgangspunt af te wijken. De proceskosten worden dus gecompenseerd.



Uitvoerbaarheid bij voorraad




4.8.
De beslissingen in reconventie dat het huurrecht van de woning voorlopig aan de man wordt toebedeeld en dat een voorlopige omgangsregeling voor de man met [naam] wordt vastgesteld, worden ambtshalve uitvoerbaar bij voorraad verklaard.






5De beslissing


De voorzieningenrechter:




in conventie




5.1.
wijst de vorderingen af;



5.2.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten betaalt;



in reconventie





5.3.
deelt het huurrecht van de woning aan het adres [adres] voorlopig aan de man toe, met uitsluiting van de vrouw en totdat in een door één van partijen te starten echtscheidingsprocedure of procedure bij de kantonrechter is beslist aan wie het huurrecht van de woning definitief wordt toebedeeld, of totdat partijen – zo nodig samen met de verhuurder van de woning – overeenkomen dat het huurrecht van de woning definitief/voorlopig aan één van hen wordt toebedeeld;



5.4.
bepaalt dat voorlopig een omgangsregeling gaat gelden waarbij [naam] met ingang van 21 augustus 2026 iedere vrijdag vanaf 18:00 uur tot zondag om 18:00 uur bij de man verblijft, totdat in een door één van partijen te starten echtscheidingsprocedure anders is beslist of totdat partijen onderling anders overeenkomen;



5.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;



5.6.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten betaalt;



5.7.
wijst al het andere af.


Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 14 augustus 2026.
3349 / 2009



Artikel 3 lid 1 IVRK.


Artikel 827 lid 1 sub f Rv in samenhang met artikel 7:266 lid 5 BW.


Artikel 7:267 lid 7 BW.


HR 14 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA4202, overweging 3.4.2.


HR 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1964, overweging 3.2.3.


Artikel 258 Rv.