Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:10201

2026-07-27 Bestuursrecht ROT 25/6608
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2026-07-27
Publicatiedatum
2026-08-17
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
ROT 25/6608
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Naturalisatieverzoek afgewezen, beroep ongegrond

Citeert (4)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (12.835 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM


Bestuursrecht



zaaknummer: ROT 25/6608


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats] eiser
mede namens zijn minderjarige kinderen:

­ [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2023
­ [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2018
­ [minderjarige 3], geboren op [geboortedatum 3] 2015
­ [minderjarige 4], geboren op [geboortedatum 4] 2013

(gemachtigde: mr. S.C. van Paridon),


en


de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: [naam 1]).


Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het verzoek van eiser om verlening van het Nederlanderschap. Eiser is het niet eens met de afwijzing van het verzoek. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van het verzoek.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.





Procesverloop


2. Eiser heeft een verzoek ingediend om verlening van het Nederlanderschap. Verweerder heeft dit verzoek met het besluit van 3 december 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 17 juli 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van het verzoek gebleven.



2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.



2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 1 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, [naam 2] als waarnemer van eisers gemachtigde, L. Murad als tolk en de gemachtigde van verweerder.





Totstandkoming van het bestreden besluit


3.1.
Eiser is geboren op [geboortedatum 5] en heeft de Syrische nationaliteit. Eiser heeft een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd in Nederland. Zijn verblijfsdocument is, zo volgt voor de rechtbank uit het rapport van de hoorzitting, geldig tot 16 april 2029.



3.2.
Op 2 augustus 2024 heeft eiser het onderhavige verzoek ingediend om verlening van het Nederlanderschap (naturalisatie). Het verzoek is mede ten behoeve van zijn minderjarige kinderen [minderjarige 1], [minderjarige 2], [minderjarige 3] en [minderjarige 4] gedaan.



3.3.
Op 7 november 2024 heeft verweerder het voornemen geuit om het verzoek af te wijzen. Eiser heeft een zienswijze ingediend.



3.4.
Bij besluit van 3 december 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser afgewezen, omdat er ernstige vermoedens bestaan dat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk. Eiser is bij vonnis van 30 maart 2023 (onherroepelijk geworden op 21 april 2023) onder meer veroordeeld tot 80 uren taakstraf en subsidiair 40 dagen hechtenis, wegens het handelen in strijd met het bepaalde in artikel 300, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (mishandeling). Eiser heeft de taakstraf omstreeks 10 juli 2023 voltooid. Omdat korter dan vijf jaar geleden een taakstraf aan eiser is opgelegd, is de rehabilitatietermijn nog niet verstreken. Op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) en het beleid zoals vastgelegd in de Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 (hierna: de Handleiding), vormt het voorgaande volgens verweerder reden om eisers verzoek om naturalisatie af te wijzen. Er is verder ook niet gebleken van dermate bijzondere omstandigheden dat van de gehanteerde richtlijnen moet worden afgeweken.


3.5.
Eiser heeft tegen het primaire besluit bezwaar ingediend. Op 15 juli 2025 is eiser door de ambtelijke hoorcommissie van verweerder gehoord over zijn bezwaar.



3.6.
Bij het bestreden besluit van 17 juli 2025 heeft verweerder eisers bezwaar ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.





Beoordeling door de rechtbank


4. Eiser voert aan dat in zijn geval sprake is van bijzondere omstandigheden om het verzoek om naturalisatie toe te wijzen. Uit de Handleiding volgt een opsomming van een aantal omstandigheden die door de Afdeling als niet bijzonder zijn aangemerkt, maar er blijkt niet welke omstandigheden wel bijzonder zijn. Dit gebrek aan voorspelbaarheid leidt tot rechtsonzekerheid. Eisers specifieke situatie staat niet onder de opsomming van niet bijzondere omstandigheden, wat al dient te leiden tot de conclusie dat sprake is van een bijzondere omstandigheid. Het niet hebben van een paspoort is een situatie die afwijkt van het gewone, aangezien iedereen in beginsel een paspoort heeft. Deze bijzondere omstandigheid is temeer relevant omdat eiser hierdoor ernstig wordt beperkt in zijn vrijheid van beweging en deelname aan de maatschappij. Ook kan hij geen familie bezoeken die in andere landen woont. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom de door eiser aangevoerde omstandigheden niet als bijzonder worden aangemerkt. Ook heeft verweerder de medische klachten van eiser, waaronder een beroerte, die volgens de arts direct samenhangen met de stress van de procedure, niet kenbaar meegewogen in het bestreden besluit. Verweerder heeft ook niet zorgvuldig onderzocht wat de daadwerkelijke beperkingen zijn bij het reizen met een vreemdelingenpaspoort. Verder betwist eiser dat hij een ernstig gevaar vormt voor de openbare orde. De veroordeling ziet op een vechtpartij in de familiesfeer, waarbij sprake was van wederzijds geweld en waarbij hij bovendien slechts één klap heeft uitgedeeld, omdat hij zijn vrouw wilde beschermen. Eiser wil de veroordeling niet bagatelliseren, maar stelt dat dit onmogelijk kan leiden tot de conclusie dat hij een ernstig gevaar voor de openbare orde vormt. Alles in onderlinge samenhang bezien is de afwijzing van zijn verzoek om naturalisatie volstrekt onevenredig, aldus eiser.



4.1.
Niet in geschil is dat eiser bij vonnis van 30 maart 2023 (onherroepelijk geworden op 21 april 2023) is veroordeeld tot 80 uren taakstraf en subsidiair 40 dagen hechtenis, wegens mishandeling. Dat betekent dat de rehabilitatietermijn ten tijde van het indienen van het verzoek nog liep en ook nu nog niet is verstreken. Op grond van het beleid zoals volgt uit de Handleiding komt eiser op dit moment niet in aanmerking voor naturalisatie, omdat op basis van het voorgaande ernstige vermoedens bestaan dat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) in dit soort zaken, dient het beleid neergelegd in de Handleiding als uitgangspunt bij de beoordeling of sprake is van ernstige vermoedens dat eiser gevaar oplevert voor de openbare orde.



4.2.
Eiser heeft aangevoerd dat sprake is van bijzondere omstandigheden die een afwijking van het beleid rechtvaardigen en dat het bestreden besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat de beoordeling van de evenredigheid in het kader van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in het geval van de dwingendrechtelijke bepaling van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN, samenvalt met de beoordeling in het kader van de Handleiding (paragraaf 6 van het beleid voor artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN). In het kader van paragraaf 6 kan een verzoeker bijzondere feiten en omstandigheden naar voren brengen die al dan niet leiden tot de conclusie dat hij geen gevaar vormt voor de openbare orde. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in dit geval terecht op het standpunt heeft gesteld dat de omstandigheden die eiser heeft aangevoerd niet zodanig bijzonder zijn dat verweerder van het beleid in de Handleiding had moeten afwijken. Het standpunt van eiser dat de veroordeling ziet op een vechtpartij in de familiesfeer, waarbij eiser stelt dat sprake was van wederzijds geweld en waarbij hij slechts één klap heeft uitgedeeld omdat hij zijn vrouw wilde beschermen, is niet bijzonder. Die omstandigheden, voor zover zij als verzachtende omstandigheden hebben te gelden, zijn door de strafrechter bij diens oordeel betrokken. De andere door eiser genoemde omstandigheden, dat hij een lief en vreedzaam mens is en dat hij zich zonder een paspoort maatschappelijk achtergesteld voelt en zijn familieleden niet kan bezoeken, zijn ook niet zo bijzonder dat deze tot de conclusie leiden dat eiser geen gevaar meer vormt voor de openbare orde als bedoeld in de voormelde regelgeving. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat de in de Handleiding omschreven bijzondere omstandigheden, die niet bijzonder genoeg zijn, geen limitatieve lijst is. Er staat specifiek in opgenoemd dat de voorbeelden niet-limitatief zijn. Dat eisers omstandigheden niet zijn benoemd, is dus niet doorslaggevend. Verweerder stelt zich ook terecht op het standpunt dat het feit dat eiser zonder Nederlands paspoort wordt beperkt in zijn reismogelijkheden, zoals het niet kunnen bezoeken van zijn familie, in beginsel een gevolg is van het niet verlenen van het Nederlanderschap en niet gaat over de vraag of eiser een gevaar vormt voor de openbare orde. Dat leidt daarom niet tot een ander oordeel. Dat laatste geldt ook ten aanzien van eisers standpunt dat hij mentale en medische klachten heeft als gevolg van de afwijzing. Overigens is op voorhand niet aannemelijk dat eiser niet met een Nederlands vreemdelingenpaspoort (met een eventuele visum) de wereld af zou kunnen reizen. Verweerder wijst er verder ook terecht op dat eisers situatie (het niet hebben van een paspoort) niet verschilt van die van veel andere vreemdelingen, van wie het verzoek om naturalisatie eveneens wordt afgewezen vanwege het bestaan van ernstige vermoedens dat zij een gevaar vormen voor de openbare orde van het Koninkrijk. De rechtbank wijst er in dit kader nogmaals op dat volgens paragraaf 6 van de Handleiding het van het grootste belang is voor de eenduidigheid, de rechtszekerheid en de rechtsgelijkheid dat niet snel van de regels wordt afgeweken en dat hierbij zeer grote terughoudendheid moet worden betracht.



4.3.
De beroepsgronden slagen niet.





Conclusie en gevolgen


5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.






Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.






Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Klomp, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Mercelina, griffier.



Uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2026.













griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:






Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 9 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3230 (r.o. 2) en van 22 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:703 (r.o. 3).


Zie de uitspraken van 7 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:478 (r.o. 5.3) en 27 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4887 (r.o. 6.1).


Zoals de Handleiding gold ten tijde van het bestreden besluit.