Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:10189
2026-07-22
Civiel recht; Verbintenissenrecht
C/10/706690 / HA ZA 25-793
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
De rechtbank oordeelt dat eiseres contractueel geen recht heeft op het zonder beperkingen ter beschikking stellen door gedaagde van een transportvermogen van 200 kW. Ook is volgens de rechtbank geen sprake van schending van artikel 24 van de Elektriciteitswet (oud) en artikel 9 Netcode Elektriciteit (oud) en heeft gedaagde tegenover eiseres geen informatie- en waarschuwingsplicht (geschonden).
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (28.458 tekens)
RECHTBANK Rotterdam
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/706690 / HA ZA 25-793
Vonnis van 22 juli 2026
in de zaak van
[naam V.O.F.]
,
te [plaats] ,
eisende partij in conventie,
verweerster in reconventie,
hierna te noemen: [naam V.O.F.] ,
advocaat: mr. A.C. Teeuw,
tegen
STEDIN NETBEHEERDER B.V.,
te Rotterdam,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: Stedin,
advocaat: mr. J.E. Janssen.
1De zaak in het kort
[naam V.O.F.] vordert dat Stedin wordt veroordeeld om aan haar een aanbod te doen tot het leveren van 200 kW aan transportvermogen, zonder beperkingen. Daarnaast vordert [naam V.O.F.] een verklaring voor recht dat Stedin wanprestatie heeft gepleegd, althans onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld en schadevergoeding, nader op te maken bij staat. Volgens [naam V.O.F.] heeft Stedin in strijd gehandeld met de op haar rustende informatieplicht door [naam V.O.F.] niet vooraf te informeren over de dreigende congestie. De rechtbank wijst de vorderingen af. Zij oordeelt dat [naam V.O.F.] contractueel geen recht heeft op het zonder beperkingen ter beschikking stellen door Stedin van een transportvermogen van 200 kW. Ook is volgens de rechtbank geen sprake van schending van artikel 24 van de Elektriciteitswet (oud) en artikel 9 Netcode Elektriciteit (oud) en heeft Stedin tegenover [naam V.O.F.] geen informatie- en waarschuwingsplicht (geschonden).
2De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 9 september 2025, met producties 1 tot en met 14;
- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, met producties 1 tot en met 10;
- de aan beide partijen gezonden brief van 17 december 2025 van de rechtbank waarin een mondelinge behandeling is bepaald;
- de aan beide partijen gezonden e-mail van 15 april 2025 van de rechtbank met een zittingsagenda voor de mondelinge behandeling;
- de akte overlegging aanvullende productie van Stedin, met productie 11;
- de conclusie van antwoord in reconventie, tevens akte overlegging producties, met producties 15 en 16;
- de mondelinge behandeling van 20 mei 2026 en de daarbij door partijen overgelegde spreekaantekeningen.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
3De feiten
3.1.
[naam V.O.F.] exploiteert een akkerbouwbedrijf in [plaats] , gemeente [gemeente] .
3.2.
Stedin is een netbeheerder en is onder meer de beheerder van het regionale openbare elektriciteitsnet in Zeeland.
3.3.
[naam V.O.F.] heeft begin 2020 met Enduris, de rechtsvoorganger van Stedin (hierna zowel voor als na de rechtsovergang: Stedin) gesproken over de aanleg van een nieuwe zwaardere stroomaansluiting ten behoeve van een nieuw te realiseren koelopslagloods.
3.4.
Bij brief van 10 maart 2020 heeft Stedin een aansluit- en transportovereenkomst (hierna: de ATO) aan [naam V.O.F.] gezonden.
3.5.
In artikel 3.1 en 3.2 van de ATO is het volgende opgenomen:
“Enduris verbindt zich de elektrische installatie(s) van Producent [ [naam V.O.F.] ; toevoeging rechtbank] ten behoeve van het perceel/percelen, zoals vermeld in de “Gegevens Producent" dusdanig op het door haar beheerde net aan te sluiten c.q. de bestaande aansluiting zodanig aan te passen, dat Producent het in de “Gegevens Producent” vermelde transportvermogen, hierna te noemen het gecontracteerde transportvermogen, kan afnemen.
3.6.
In bijlage 1 bij de ATO is, onder meer, het volgende opgenomen:
“Gegevens m.b.t. transport
Tariefcategorie Transport: MS/LS (>50 kW t/m 200 kW)
Gecontracteerd Transport Vermogen: 51 kW (prognose)
Gegevens m.b.t. de aansluiting
Aansluitcapaciteit aansluiting: 200 kW
Opgesteld productievermogen: 102 kWp”
3.7.
In bijlage 2 bij de ATO staat onder meer:
“De gevraagde uiteindelijke aansluitcapaciteit is 94 kW (3x160A), hetgeen overeenkomt met een aansluitcapaciteit in de categorie van MS/LS: 50 – 200 kW.”
3.8.
Voor het sluiten van de ATO had [naam V.O.F.] een aansluitcapaciteit van 3x80 Ampère.
3.9.
Het gecontracteerd transportvermogen van 51 kW dat in de ATO staat, is later gewijzigd in 78 Kw.
3.10.
[naam V.O.F.] heeft de aansluitkosten voor de nieuwe aansluiting van € 72.145,50 aan Stedin betaald.
3.11.
Op 7 september 2020 heeft Stedin met betrekking tot het elektriciteitsnet op Schouwen-Duiveland en Tholen voor teruglevering een vooraankondiging voor structurele congestie op haar website gepubliceerd.
3.12.
De zwaardere aansluiting en bekabeling op grond van de ATO is op 22 september 2020 bij [naam V.O.F.] aangelegd.
3.13.
Op 19 juli 2023 is een vooraankondiging voor structurele congestie gepubliceerd voor het afnamecongestiegebied in heel Zeeland op het hoogspanningsnet van de transmissiesysteembeheerder TenneT TSO B.V. Daarin is, onder meer, het volgende vermeld:
“Congestieonderzoek
TenneT zal, in gezamenlijkheid met Stedin en conform de Netcode, onderzoek doen naar de
mogelijkheden voor toepassing van congestiemanagement. Op grond van het onderzoek zal TenneT vaststellen of er mogelijkheden zijn om de gevraagde transportcapaciteit te faciliteren door toepassing van congestiemanagement. De netbeheerders kunnen tijdens de onderzoeksfase geen onvoorwaardelijk aanbod doen voor transportcapaciteit omdat het nog niet duidelijk is of de gevraagde transportcapaciteit daadwerkelijk beschikbaar is. Stedin en TenneT zullen tijdens de onderzoeksfase en in overleg met de klant beoordelen welke stappen gezet kunnen worden in het aansluitproces zodat er zo min mogelijk vertraging zal optreden in diens projecten.
Dit betekent in de praktijk dat het verzoek van de klant om transportcapaciteit pas kan worden afgerond wanneer het congestieonderzoek is afgerond. In de tussentijd kunnen alle stappen in het aansluitproces wel worden doorlopen, behalve het formaliseren van de afspraken ten aanzien van de transportcapaciteit. Mocht er met congestiemanagement additionele transportcapaciteit beschikbaar gesteld kunnen worden, zullen partijen op volgorde van aanvraag behandeld worden.”
3.14.
Op diezelfde dag heeft Stedin haar klanten een brief gezonden, waarin zij haar klanten als volgt heeft geïnformeerd:
“Voor uw bedrijfsvoering heeft u een aansluiting op het elektriciteitsnet van Stedin in gebruik. In uw regio is de maximale capaciteit voor afname van elektriciteit bereikt. Daarom is er vandaag bij de Autoriteit Consument en Markt (ACM) congestie aangekondigd en start een onderzoek naar congestiemanagement. De congestie betekent dat er tijdelijk geen ruimte is voor nieuwe afname van elektriciteit.
(…)
Voor extra of nieuw transportvermogen voor afname komt u op onze wachtlijst
Wilt u meer afnemen binnen uw aansluitcapaciteit? Dan kunt u contact met ons opnemen via [email protected]. Wilt u extra afnemen boven uw aansluitcapaciteit? Vraag dan een offerte voor een verzwaring van uw aansluiting aan via www.mijnaansluiting.nl. Voor beide situaties geldt: na uw aanvraag laten wij u weten wat er nodig is om op de wachtlijst te komen.”
3.15.
[naam V.O.F.] heeft op 27 oktober 2023 online een formulier “Elektriciteit aansluiting Bouw >175 kVA t/m 630 kVA (Nieuw, Bouw)” ingevuld en verzonden aan Stedin. Op dit formulier heeft [naam V.O.F.] bij “Opmerking” het volgende ingevuld:
“Beste, Graag eerst contact met ons opnemen wij hebben een aantal vragen. Of een persoon waarmee wij contact mee op kunnen nemen! Wij zijn te bereiken op (…). Graag verneem ik, Mvgr”
3.16.
Op 31 oktober 2025 heeft Stedin voor het gebied Staart van Zuid-Beveland, oostelijk Tholen en Sint Philipsland een vooraankondiging voor structurele congestie voor afname gepubliceerd.
4Het geschil
in conventie
4.1.
[naam V.O.F.] vordert – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
1. Stedin veroordeelt om binnen zeven dagen na betekening van het in deze procedure te wijzen vonnis een aanbod te doen van 200 kW aan transportvermogen waarbij in het aanbod ten aanzien van de beschikbaarheid van het transportvermogen geen beperkingen zijn opgenomen, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag;
2. voor recht verklaart dat Stedin wanprestatie heeft gepleegd, althans onrechtmatig heeft gehandeld jegens [naam V.O.F.] ;
3. Stedin veroordeelt om de schade die [naam V.O.F.] heeft geleden en zal lijden als gevolg van de tekortkoming(en) althans onrechtmatige handeling(en), althans vernietiging van de overeenkomst, te vergoeden nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente;
4. Stedin veroordeelt tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van € 2.955,00;
5. Stedin veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.2.
Stedin voert verweer. Zij concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [naam V.O.F.] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [naam V.O.F.] in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met rente vanaf veertien dagen na de datum van het vonnis.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang voor de beslissing, nader ingegaan.
in reconventie
4.4.
Stedin heeft aanvankelijk in reconventie – samengevat – gevorderd dat de rechtbank [naam V.O.F.] verbiedt meer dan 44 kW aan transportvermogen voor teruglevering te gebruiken, op straffe van een dwangsom met veroordeling van [naam V.O.F.] in de kosten van de procedure in reconventie.
4.5.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft Stedin haar vordering in reconventie ingetrokken. De rechtbank zal die vordering daarom niet behandelen.
5De beoordeling
5.1.
Nu Stedin haar vordering in reconventie heeft ingetrokken, ligt slechts de vordering in conventie ter beoordeling voor.
5.2.
Ter zitting heeft [naam V.O.F.] bevestigd dat haar vorderingen uitsluitend zien op afname. Teruglevering speelt in deze procedure voor wat betreft de vordering dus geen rol.
5.3.
De rechtbank wijst de vorderingen van [naam V.O.F.] af en overweegt daartoe het volgende.
5.4.
[naam V.O.F.] stelt zich primair op het standpunt dat Stedin op grond van de ATO en de Elektriciteitswet (oud, hierna: E-Wet) zonder beperkingen het maximale transportvermogen ter beschikking moet stellen aan [naam V.O.F.] .
5.5.
Volgens [naam V.O.F.] moet Stedin haar transportverplichting op grond van de ATO nakomen. De rechtbank oordeelt hierover dat [naam V.O.F.] op grond van de ATO geen recht heeft op het zonder beperkingen ter beschikking stellen door Stedin van een transportvermogen van 200 kW. Het enkele feit dat technisch gezien de aansluiting van [naam V.O.F.] (al dan niet na een zekeringswissel) een maximale aansluitcapaciteit van 200 kW aan kan, zegt nog niks over welk recht [naam V.O.F.] heeft op transportvermogen. Op grond van de ATO had [naam V.O.F.] recht op een gecontracteerd transportvermogen van 51 kW (zie onder 3.6). Door Stedin is onweersproken gesteld dat deze 51 kW later is gewijzigd in 78 kW, waardoor [naam V.O.F.] recht heeft op 78 kW transportvermogen.
5.6.
Om daadwerkelijk een verhoging van dit transportvermogen te kunnen krijgen, is een aanvraag daartoe van [naam V.O.F.] nodig. [naam V.O.F.] stelt een dergelijke aanvraag te hebben gedaan. Daardoor is Stedin ook op grond van artikel 24 lid 1 van de E-wet gehouden om [naam V.O.F.] een aanbod te doen om ten behoeve van [naam V.O.F.] transport van elektriciteit uit te voeren, aldus [naam V.O.F.] . Stedin zou volgens [naam V.O.F.] geen beroep toekomen op artikel 24 lid 2 van de E-wet, waarin is bepaald dat de verplichting als bedoeld in het eerste lid niet geldt voor zover de netbeheerder voor het gevraagde transport redelijkerwijs geen capaciteit ter beschikking heeft.
5.7.
[naam V.O.F.] stelt daartoe dat met het formulier dat zij heeft ingediend op 27 oktober 2023 (zie 3.15) transportvermogen heeft aangevraagd om de nieuwe aansluiting te benutten. Volgens [naam V.O.F.] heeft Stedin vervolgens met haar brief van 6 november 2023 deze aanvraag afgewezen. Op dat moment was Stedin nog niet eens bezig met het onderzoek naar de mogelijkheden van congestiemanagement als bedoeld in artikel 9 Netcode Elektriciteit. Stedin had alleen een vooraankondiging gedaan, waardoor zij nog niet tot de conclusie had mogen komen dat zij voor het door [naam V.O.F.] gevraagde transport geen capaciteit ter beschikking heeft, aldus [naam V.O.F.] .
5.8.
Dit gaat niet op, omdat Stedin in 2023 nog niet definitief transport had geweigerd aan [naam V.O.F.] en [naam V.O.F.] later heeft afgezien van een plaats op de wachtlijst, waardoor haar aanvraag niet is afgerond. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
5.9.
Volgens [naam V.O.F.] heeft zij met “Elektriciteit aansluiting Bouw >175 kVA t/m 630 kVA (Nieuw, Bouw)” bedoeld een aansluiting van het trafohuisje naar de nieuwbouw aan te vragen en een verhoging van transportvermogen naar 200 kW. Op het formulier heeft [naam V.O.F.] vermeld “Graag eerst contact met ons opnemen wij hebben een aantal vragen”. Tussen partijen is niet is geschil dat Stedin kort daarna bij [naam V.O.F.] is langs geweest en dat het verzoek van [naam V.O.F.] is besproken. Op de vraag van de rechtbank ter zitting wat er tijdens dat gesprek is besproken, heeft M. Veraart geantwoord: “Ik heb gevraagd: Wat moeten we doen voor de aansluiting van de nieuwbouw? Toen kwam naar voren dat het niet mogelijk is.”
5.10.
Tussen partijen is niet in geschil dat Stedin tijdens dat gesprek heeft gezegd dat geen aansluiting naar de nieuwbouw en geen transportcapaciteit beschikbaar is voor [naam V.O.F.] , vanwege netcongestie. Stedin doelde daarbij op vooraankondiging voor structurele congestie voor afname (zie 3.13). Ter zitting en uit de stukken is gebleken dat Stedin aan [naam V.O.F.] heeft uitgelegd dat er vanwege congestie geen ruimte is om [naam V.O.F.] direct een verhoging van capaciteit aan te bieden (tot 200 kW). Tussen partijen staat ook vast dat Stedin toen heeft aangeboden [naam V.O.F.] op een wachtlijst te plaatsen, zodat als er transportcapaciteit beschikbaar zou komen, haar aanvraag verder in behandeling zou kunnen worden genomen. [naam V.O.F.] heeft dit geweigerd, omdat – zoals ter zitting is gebleken – zij vond dat zij (contractueel) recht had op een verhoging en vreesde dat zij met het plaatsen op de wachtlijst dat recht prijsgaf en bovendien zij achteraan op de wachtlijst zou komen te staan. [naam V.O.F.] heeft het vervolgens hierbij gelaten. Achteraf is gebleken, zo heeft Stedin ter zitting bevestigd, dat als [naam V.O.F.] zich op de wachtlijst had laten plaatsen, zij als gevolg daarvan nu capaciteit toegewezen had kunnen krijgen, omdat uit het door Stedin overlegde congestierapport van april 2026 betreffende het congestieonderzoek blijkt dat transportvermogen voor afname is gevonden.
5.11.
De rechtbank volgt Stedin waar zij aanvoert dat de aanvraag niet is voltooid en aan artikel 24 lid 2 E-Wet en artikel 9 Netcode Elektriciteit niet wordt toegekomen. In deze fase, waarin [naam V.O.F.] verzocht om verhoging van transportcapaciteit, was er sprake van een vooraankondiging van netcongestie en zou congestieonderzoek worden gedaan. Stedin kon tijdens deze onderzoeksfase geen onvoorwaardelijk aanbod doen voor transportcapaciteit, omdat het nog niet duidelijk was of de gevraagde transportcapaciteit daadwerkelijk beschikbaar zou zijn (zie 3.13 en 3.14) en kon Stedin [naam V.O.F.] enkel op een wachtlijst plaatsen, wat [naam V.O.F.] heeft geweigerd.
5.12.
[naam V.O.F.] heeft nog gesteld dat uit de brief van Stedin van 6 november 2023 blijkt dat zij wel een afgeronde aanvraag heeft ingediend en dat Stedin met die brief heeft geweigerd om transportvermogen ter beschikking te stellen. De rechtbank hecht echter op dit punt geen waarde aan die brief van Stedin, omdat het in die brief gaat om teruglevering en niet om afname. Deze brief kan niet worden gezien als een weigering om transportvermogen ter beschikking te stellen voor afname. In de brief staat namelijk dat Stedin de afgelopen maanden een heronderzoek naar congestiemanagement heeft uitgevoerd en dat de uitkomst hiervan is dat er flexibel vermogen is gevonden, maar dat dit helaas niet toereikend is om [naam V.O.F.] als klant op de wachtlijst ruimte te bieden. Deze brief gaat dus duidelijk over teruglevering, omdat ten aanzien van teruglevering al veel langer sprake was van netcongestie (zie ook hierna) en ten aanzien van afname toen pas net een vooraankondiging voor congestie (zie 3.13) had plaatsgevonden.
5.13.
Subsidiair stelt [naam V.O.F.] dat Stedin bij het aangaan van de ATO haar informatie-en waarschuwingsplicht heeft geschonden en bij [naam V.O.F.] het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat zij het transport kon leveren waarvoor Stedin de aansluiting heeft aangelegd bij [naam V.O.F.] . Als gevolg daarvan lijdt [naam V.O.F.] schade, waaronder de reeds gemaakte investeringskosten die zinledig zijn gebleken. Ook lijdt [naam V.O.F.] inkomensschade nu zij de geplande bedrijfsuitbreiding al jaren niet kan realiseren.
5.14.
[naam V.O.F.] legt hieraan de volgende stellingen ten grondslag. Stedin had [naam V.O.F.] moeten waarschuwen voor het risico op netcongestie. Stedin handelt in strijd met de op haar rustende informatieplicht door een aansluiting van maximaal 200 kW aan te bieden en aan te sluiten en daarvoor kosten in rekening te brengen terwijl deze niet benut kan worden. Het potentiële risico van het niet kunnen verkrijgen van capaciteit was voor Stedin voorzienbaar, omdat zij al in het voorjaar van 2020 wist van (aanstaande) netcongestie op het net waar het bedrijf van [naam V.O.F.] op is aangesloten. Stedin is al sinds 2018 bezig met onderzoek naar de uitbreiding van transportcapaciteit vanwege congestieproblemen. [naam V.O.F.] verwijst hiervoor naar de op 7 september 2020 uitgebrachte vooraankondiging structurele congestie en naar een op 19 oktober 2020 uitgebracht rapport van Decision. Ten tijde van het sluiten van de ATO wist Stedin, althans had zij moeten weten, dat er voor [naam V.O.F.] het risico bestond dat geen werkende grootverbruik aansluiting gerealiseerd kon worden, terwijl Stedin van de uitbreidingsplannen van [naam V.O.F.] op de hoogte was.
5.15.
De rechtbank oordeelt dat Stedin geen informatie- en/of waarschuwingsplicht heeft geschonden. Stedin heeft onweersproken aangevoerd dat de vooraankondiging congestie in 2020 en het door Decision uitgebrachte rapport ziet op teruglevering, niet op afname. De vooraankondiging structurele congestie met betrekking tot de afname is pas op 19 juli 2023 uitgebracht. Ten tijde van het sluiten van de ATO in 2020 was netcongestie met betrekking tot afname dus nog niet aan de orde. Stedin was op dat moment niet op de hoogte van de komende congestie in juli 2023 en kon [naam V.O.F.] dan ook niet waarschuwen voor congestie die pas drie jaar later aan de orde was. Als [naam V.O.F.] vóór 19 juli 2023 een aanvraag had gedaan voor extra transportvermogen voor afname had dit transportvermogen wel kunnen worden toegekend en gecontracteerd, zo heeft Stedin ter zitting aangevoerd.
5.16.
[naam V.O.F.] heeft ter zitting nog gesteld dat doordat er in 2020 al sprake was van een vooraankondiging van congestie voor teruglevering, Stedin [naam V.O.F.] had moeten waarschuwen dat er ook congestie voor afname zou kunnen gaan ontstaan en dat zij [naam V.O.F.] had moeten adviseren alvast capaciteit te gaan reserveren, omdat [naam V.O.F.] anders later niets aan de zwaardere aansluiting zou hebben. Door dat niet te hebben gedaan, is [naam V.O.F.] te goeder trouw verder gegaan met het doen van investeringen voor de uitbreiding van haar bedrijf.
5.17.
Ook dit verwijt snijdt geen hout. Al zou Stedin in 2020 hebben moeten weten dat in 2023 netcongestie voor afname zou ontstaan, – wat zoals hiervoor geoordeeld, niet zo is – bestaat er geen individuele waarschuwingsplicht zoals [naam V.O.F.] voorstaat. Een dergelijke waarschuwingsplicht zou er namelijk toe leiden dat Stedin [naam V.O.F.] als afzonderlijke afnemer had moeten waarschuwen voor een mogelijke congestie op termijn, zodat [naam V.O.F.] bijvoorbeeld alsnog meer capaciteit had kunnen reserveren. Stedin heeft een algemene taak en waarschuwt middels algemene vooraankondigingen alle afnemers tegelijk, mede om te voorkomen dat daar concurrentievoordelen ontstaan. Zo’n concurrentievoordeel was ontstaan als Stedin [naam V.O.F.] had gewaarschuwd op het moment van het sluiten van de ATO. In dat geval zou [naam V.O.F.] immers capaciteit hebben kunnen reserveren, welke kans een andere afnemer op dat moment niet zou hebben. Ook zou de situatie zich dan kunnen voordoen dat er toch geen congestie komt, terwijl de afnemer op advies van Stedin dan jarenlang capaciteit zou hebben gereserveerd met alle kosten voor de afnemer van dien.
5.18.
Meer subsidiair stelt [naam V.O.F.] zich op het standpunt dat zij de ATO heeft gesloten onder invloed van dwaling. Volgens [naam V.O.F.] was Stedin op de hoogte van de dreigende netcongestie, zoals zou blijken uit de vooraankondigingen en rapportages. Stedin heeft [naam V.O.F.] ten onrechte niet geïnformeerd over deze wezenlijke (aanstaande) beperking. Als [naam V.O.F.] hiervan op de hoogte was geweest, zou zij de overeenkomst niet, althans niet onder dezelfde voorwaarden hebben gesloten. Stedin heeft haar mededelingsplicht geschonden als bedoeld in art. 6:228 lid 1 sub b BW, aldus [naam V.O.F.] .
5.19.
De rechtbank merkt op dat [naam V.O.F.] geen vernietiging van de ATO vordert, maar schadevergoeding “als gevolg van vernietiging van de overeenkomst”(zie 4.1 onder 3) op grond van artikel 6:228 lid 2 BW (3.12 van de dagvaarding). Dwaling vormt geen zelfstandige grondslag voor schadevergoeding, maar afgezien daarvan geldt dat, gelet op wat hiervoor is overwogen in 5.15 tot en met 5.17, Stedin ten tijde van het sluiten van de ATO (nog) niet op de hoogte was van de dreigende netcongestie met betrekking tot afname en had zij ook geen waarschuwingsplicht ten aanzien van [naam V.O.F.] als individuele afnemer. Ook als [naam V.O.F.] heeft bedoeld in dit kader schadevergoeding te vorderen op grond van onrechtmatige daad, stranden de vorderingen hierop dan ook.
5.20.
Dit geldt ook voor het beroep van [naam V.O.F.] op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in artikel 6:248 lid 2 BW. Volgens [naam V.O.F.] kan het beroep van Stedin op netcongestie niet kan worden aanvaard, omdat dit zou neerkomen op het afwentelen van de gevolgen van haar eigen nalaten (het niet tijdig waarschuwen voor of oplossen van congestie) op een individuele afnemer. Naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid is dat niet te verenigen met de bijzondere zorgplicht die op Stedin als monopolistisch netbeheerder rust. Zoals hiervoor al is geoordeeld, is geen sprake van nalaten aan de zijde van Stedin en evenmin van een bijzondere zorgplicht van Stedin tegenover [naam V.O.F.] als afzonderlijke afnemer.
5.21.
De rechtbank merkt ten slotte nog op dat gesteld noch gebleken is dat Stedin tijdens het gesprek als bedoeld in 5.9 [naam V.O.F.] verkeerd of onvoldoende heeft voorgelicht.
5.22.
De conclusie van al het voorgaande is dat niet kan worden geoordeeld dat Stedin wanprestatie heeft gepleegd of onrechtmatig heeft gehandeld tegenover [naam V.O.F.] . Stedin is dan ook niet gehouden een aanbod te doen, zoals bedoeld in haar vordering onder 1, zoals weergegeven in 4.1 en evenmin schadeplichtig tegenover [naam V.O.F.] . Alle vorderingen van [naam V.O.F.] worden daarom afgewezen.
Proceskosten
5.23.
[naam V.O.F.] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Stedin worden begroot op:
- griffierecht
€
2.995,00
- salaris advocaat
€
5.770,00
(2 punten × € 2.885,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
8.954,00
5.24.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5.25.
De rechtbank merkt op dat, nu Stedin haar vordering in reconventie heeft ingetrokken, de door [naam V.O.F.] in dit kader gemaakte proceskosten nodeloos zijn veroorzaakt. Gelet op de zeer geringe omvang van de conclusie van antwoord in reconventie wordt hiervoor geen aparte proceskostenveroordeling uitgesproken.
6De beslissing
De rechtbank
6.1.
wijst de vorderingen van [naam V.O.F.] af,
6.2.
veroordeelt [naam V.O.F.] in de proceskosten van € 8.954,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [naam V.O.F.] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [naam V.O.F.] € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening,
6.3.
veroordeelt [naam V.O.F.] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M.J. Arts. Het is ondertekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026.
3242/3455
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/706690 / HA ZA 25-793
Vonnis van 22 juli 2026
in de zaak van
[naam V.O.F.]
,
te [plaats] ,
eisende partij in conventie,
verweerster in reconventie,
hierna te noemen: [naam V.O.F.] ,
advocaat: mr. A.C. Teeuw,
tegen
STEDIN NETBEHEERDER B.V.,
te Rotterdam,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: Stedin,
advocaat: mr. J.E. Janssen.
1De zaak in het kort
[naam V.O.F.] vordert dat Stedin wordt veroordeeld om aan haar een aanbod te doen tot het leveren van 200 kW aan transportvermogen, zonder beperkingen. Daarnaast vordert [naam V.O.F.] een verklaring voor recht dat Stedin wanprestatie heeft gepleegd, althans onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld en schadevergoeding, nader op te maken bij staat. Volgens [naam V.O.F.] heeft Stedin in strijd gehandeld met de op haar rustende informatieplicht door [naam V.O.F.] niet vooraf te informeren over de dreigende congestie. De rechtbank wijst de vorderingen af. Zij oordeelt dat [naam V.O.F.] contractueel geen recht heeft op het zonder beperkingen ter beschikking stellen door Stedin van een transportvermogen van 200 kW. Ook is volgens de rechtbank geen sprake van schending van artikel 24 van de Elektriciteitswet (oud) en artikel 9 Netcode Elektriciteit (oud) en heeft Stedin tegenover [naam V.O.F.] geen informatie- en waarschuwingsplicht (geschonden).
2De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 9 september 2025, met producties 1 tot en met 14;
- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, met producties 1 tot en met 10;
- de aan beide partijen gezonden brief van 17 december 2025 van de rechtbank waarin een mondelinge behandeling is bepaald;
- de aan beide partijen gezonden e-mail van 15 april 2025 van de rechtbank met een zittingsagenda voor de mondelinge behandeling;
- de akte overlegging aanvullende productie van Stedin, met productie 11;
- de conclusie van antwoord in reconventie, tevens akte overlegging producties, met producties 15 en 16;
- de mondelinge behandeling van 20 mei 2026 en de daarbij door partijen overgelegde spreekaantekeningen.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
3De feiten
3.1.
[naam V.O.F.] exploiteert een akkerbouwbedrijf in [plaats] , gemeente [gemeente] .
3.2.
Stedin is een netbeheerder en is onder meer de beheerder van het regionale openbare elektriciteitsnet in Zeeland.
3.3.
[naam V.O.F.] heeft begin 2020 met Enduris, de rechtsvoorganger van Stedin (hierna zowel voor als na de rechtsovergang: Stedin) gesproken over de aanleg van een nieuwe zwaardere stroomaansluiting ten behoeve van een nieuw te realiseren koelopslagloods.
3.4.
Bij brief van 10 maart 2020 heeft Stedin een aansluit- en transportovereenkomst (hierna: de ATO) aan [naam V.O.F.] gezonden.
3.5.
In artikel 3.1 en 3.2 van de ATO is het volgende opgenomen:
“Enduris verbindt zich de elektrische installatie(s) van Producent [ [naam V.O.F.] ; toevoeging rechtbank] ten behoeve van het perceel/percelen, zoals vermeld in de “Gegevens Producent" dusdanig op het door haar beheerde net aan te sluiten c.q. de bestaande aansluiting zodanig aan te passen, dat Producent het in de “Gegevens Producent” vermelde transportvermogen, hierna te noemen het gecontracteerde transportvermogen, kan afnemen.
3.6.
In bijlage 1 bij de ATO is, onder meer, het volgende opgenomen:
“Gegevens m.b.t. transport
Tariefcategorie Transport: MS/LS (>50 kW t/m 200 kW)
Gecontracteerd Transport Vermogen: 51 kW (prognose)
Gegevens m.b.t. de aansluiting
Aansluitcapaciteit aansluiting: 200 kW
Opgesteld productievermogen: 102 kWp”
3.7.
In bijlage 2 bij de ATO staat onder meer:
“De gevraagde uiteindelijke aansluitcapaciteit is 94 kW (3x160A), hetgeen overeenkomt met een aansluitcapaciteit in de categorie van MS/LS: 50 – 200 kW.”
3.8.
Voor het sluiten van de ATO had [naam V.O.F.] een aansluitcapaciteit van 3x80 Ampère.
3.9.
Het gecontracteerd transportvermogen van 51 kW dat in de ATO staat, is later gewijzigd in 78 Kw.
3.10.
[naam V.O.F.] heeft de aansluitkosten voor de nieuwe aansluiting van € 72.145,50 aan Stedin betaald.
3.11.
Op 7 september 2020 heeft Stedin met betrekking tot het elektriciteitsnet op Schouwen-Duiveland en Tholen voor teruglevering een vooraankondiging voor structurele congestie op haar website gepubliceerd.
3.12.
De zwaardere aansluiting en bekabeling op grond van de ATO is op 22 september 2020 bij [naam V.O.F.] aangelegd.
3.13.
Op 19 juli 2023 is een vooraankondiging voor structurele congestie gepubliceerd voor het afnamecongestiegebied in heel Zeeland op het hoogspanningsnet van de transmissiesysteembeheerder TenneT TSO B.V. Daarin is, onder meer, het volgende vermeld:
“Congestieonderzoek
TenneT zal, in gezamenlijkheid met Stedin en conform de Netcode, onderzoek doen naar de
mogelijkheden voor toepassing van congestiemanagement. Op grond van het onderzoek zal TenneT vaststellen of er mogelijkheden zijn om de gevraagde transportcapaciteit te faciliteren door toepassing van congestiemanagement. De netbeheerders kunnen tijdens de onderzoeksfase geen onvoorwaardelijk aanbod doen voor transportcapaciteit omdat het nog niet duidelijk is of de gevraagde transportcapaciteit daadwerkelijk beschikbaar is. Stedin en TenneT zullen tijdens de onderzoeksfase en in overleg met de klant beoordelen welke stappen gezet kunnen worden in het aansluitproces zodat er zo min mogelijk vertraging zal optreden in diens projecten.
Dit betekent in de praktijk dat het verzoek van de klant om transportcapaciteit pas kan worden afgerond wanneer het congestieonderzoek is afgerond. In de tussentijd kunnen alle stappen in het aansluitproces wel worden doorlopen, behalve het formaliseren van de afspraken ten aanzien van de transportcapaciteit. Mocht er met congestiemanagement additionele transportcapaciteit beschikbaar gesteld kunnen worden, zullen partijen op volgorde van aanvraag behandeld worden.”
3.14.
Op diezelfde dag heeft Stedin haar klanten een brief gezonden, waarin zij haar klanten als volgt heeft geïnformeerd:
“Voor uw bedrijfsvoering heeft u een aansluiting op het elektriciteitsnet van Stedin in gebruik. In uw regio is de maximale capaciteit voor afname van elektriciteit bereikt. Daarom is er vandaag bij de Autoriteit Consument en Markt (ACM) congestie aangekondigd en start een onderzoek naar congestiemanagement. De congestie betekent dat er tijdelijk geen ruimte is voor nieuwe afname van elektriciteit.
(…)
Voor extra of nieuw transportvermogen voor afname komt u op onze wachtlijst
Wilt u meer afnemen binnen uw aansluitcapaciteit? Dan kunt u contact met ons opnemen via [email protected]. Wilt u extra afnemen boven uw aansluitcapaciteit? Vraag dan een offerte voor een verzwaring van uw aansluiting aan via www.mijnaansluiting.nl. Voor beide situaties geldt: na uw aanvraag laten wij u weten wat er nodig is om op de wachtlijst te komen.”
3.15.
[naam V.O.F.] heeft op 27 oktober 2023 online een formulier “Elektriciteit aansluiting Bouw >175 kVA t/m 630 kVA (Nieuw, Bouw)” ingevuld en verzonden aan Stedin. Op dit formulier heeft [naam V.O.F.] bij “Opmerking” het volgende ingevuld:
“Beste, Graag eerst contact met ons opnemen wij hebben een aantal vragen. Of een persoon waarmee wij contact mee op kunnen nemen! Wij zijn te bereiken op (…). Graag verneem ik, Mvgr”
3.16.
Op 31 oktober 2025 heeft Stedin voor het gebied Staart van Zuid-Beveland, oostelijk Tholen en Sint Philipsland een vooraankondiging voor structurele congestie voor afname gepubliceerd.
4Het geschil
in conventie
4.1.
[naam V.O.F.] vordert – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
1. Stedin veroordeelt om binnen zeven dagen na betekening van het in deze procedure te wijzen vonnis een aanbod te doen van 200 kW aan transportvermogen waarbij in het aanbod ten aanzien van de beschikbaarheid van het transportvermogen geen beperkingen zijn opgenomen, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag;
2. voor recht verklaart dat Stedin wanprestatie heeft gepleegd, althans onrechtmatig heeft gehandeld jegens [naam V.O.F.] ;
3. Stedin veroordeelt om de schade die [naam V.O.F.] heeft geleden en zal lijden als gevolg van de tekortkoming(en) althans onrechtmatige handeling(en), althans vernietiging van de overeenkomst, te vergoeden nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente;
4. Stedin veroordeelt tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van € 2.955,00;
5. Stedin veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.2.
Stedin voert verweer. Zij concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [naam V.O.F.] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [naam V.O.F.] in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met rente vanaf veertien dagen na de datum van het vonnis.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang voor de beslissing, nader ingegaan.
in reconventie
4.4.
Stedin heeft aanvankelijk in reconventie – samengevat – gevorderd dat de rechtbank [naam V.O.F.] verbiedt meer dan 44 kW aan transportvermogen voor teruglevering te gebruiken, op straffe van een dwangsom met veroordeling van [naam V.O.F.] in de kosten van de procedure in reconventie.
4.5.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft Stedin haar vordering in reconventie ingetrokken. De rechtbank zal die vordering daarom niet behandelen.
5De beoordeling
5.1.
Nu Stedin haar vordering in reconventie heeft ingetrokken, ligt slechts de vordering in conventie ter beoordeling voor.
5.2.
Ter zitting heeft [naam V.O.F.] bevestigd dat haar vorderingen uitsluitend zien op afname. Teruglevering speelt in deze procedure voor wat betreft de vordering dus geen rol.
5.3.
De rechtbank wijst de vorderingen van [naam V.O.F.] af en overweegt daartoe het volgende.
5.4.
[naam V.O.F.] stelt zich primair op het standpunt dat Stedin op grond van de ATO en de Elektriciteitswet (oud, hierna: E-Wet) zonder beperkingen het maximale transportvermogen ter beschikking moet stellen aan [naam V.O.F.] .
5.5.
Volgens [naam V.O.F.] moet Stedin haar transportverplichting op grond van de ATO nakomen. De rechtbank oordeelt hierover dat [naam V.O.F.] op grond van de ATO geen recht heeft op het zonder beperkingen ter beschikking stellen door Stedin van een transportvermogen van 200 kW. Het enkele feit dat technisch gezien de aansluiting van [naam V.O.F.] (al dan niet na een zekeringswissel) een maximale aansluitcapaciteit van 200 kW aan kan, zegt nog niks over welk recht [naam V.O.F.] heeft op transportvermogen. Op grond van de ATO had [naam V.O.F.] recht op een gecontracteerd transportvermogen van 51 kW (zie onder 3.6). Door Stedin is onweersproken gesteld dat deze 51 kW later is gewijzigd in 78 kW, waardoor [naam V.O.F.] recht heeft op 78 kW transportvermogen.
5.6.
Om daadwerkelijk een verhoging van dit transportvermogen te kunnen krijgen, is een aanvraag daartoe van [naam V.O.F.] nodig. [naam V.O.F.] stelt een dergelijke aanvraag te hebben gedaan. Daardoor is Stedin ook op grond van artikel 24 lid 1 van de E-wet gehouden om [naam V.O.F.] een aanbod te doen om ten behoeve van [naam V.O.F.] transport van elektriciteit uit te voeren, aldus [naam V.O.F.] . Stedin zou volgens [naam V.O.F.] geen beroep toekomen op artikel 24 lid 2 van de E-wet, waarin is bepaald dat de verplichting als bedoeld in het eerste lid niet geldt voor zover de netbeheerder voor het gevraagde transport redelijkerwijs geen capaciteit ter beschikking heeft.
5.7.
[naam V.O.F.] stelt daartoe dat met het formulier dat zij heeft ingediend op 27 oktober 2023 (zie 3.15) transportvermogen heeft aangevraagd om de nieuwe aansluiting te benutten. Volgens [naam V.O.F.] heeft Stedin vervolgens met haar brief van 6 november 2023 deze aanvraag afgewezen. Op dat moment was Stedin nog niet eens bezig met het onderzoek naar de mogelijkheden van congestiemanagement als bedoeld in artikel 9 Netcode Elektriciteit. Stedin had alleen een vooraankondiging gedaan, waardoor zij nog niet tot de conclusie had mogen komen dat zij voor het door [naam V.O.F.] gevraagde transport geen capaciteit ter beschikking heeft, aldus [naam V.O.F.] .
5.8.
Dit gaat niet op, omdat Stedin in 2023 nog niet definitief transport had geweigerd aan [naam V.O.F.] en [naam V.O.F.] later heeft afgezien van een plaats op de wachtlijst, waardoor haar aanvraag niet is afgerond. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
5.9.
Volgens [naam V.O.F.] heeft zij met “Elektriciteit aansluiting Bouw >175 kVA t/m 630 kVA (Nieuw, Bouw)” bedoeld een aansluiting van het trafohuisje naar de nieuwbouw aan te vragen en een verhoging van transportvermogen naar 200 kW. Op het formulier heeft [naam V.O.F.] vermeld “Graag eerst contact met ons opnemen wij hebben een aantal vragen”. Tussen partijen is niet is geschil dat Stedin kort daarna bij [naam V.O.F.] is langs geweest en dat het verzoek van [naam V.O.F.] is besproken. Op de vraag van de rechtbank ter zitting wat er tijdens dat gesprek is besproken, heeft M. Veraart geantwoord: “Ik heb gevraagd: Wat moeten we doen voor de aansluiting van de nieuwbouw? Toen kwam naar voren dat het niet mogelijk is.”
5.10.
Tussen partijen is niet in geschil dat Stedin tijdens dat gesprek heeft gezegd dat geen aansluiting naar de nieuwbouw en geen transportcapaciteit beschikbaar is voor [naam V.O.F.] , vanwege netcongestie. Stedin doelde daarbij op vooraankondiging voor structurele congestie voor afname (zie 3.13). Ter zitting en uit de stukken is gebleken dat Stedin aan [naam V.O.F.] heeft uitgelegd dat er vanwege congestie geen ruimte is om [naam V.O.F.] direct een verhoging van capaciteit aan te bieden (tot 200 kW). Tussen partijen staat ook vast dat Stedin toen heeft aangeboden [naam V.O.F.] op een wachtlijst te plaatsen, zodat als er transportcapaciteit beschikbaar zou komen, haar aanvraag verder in behandeling zou kunnen worden genomen. [naam V.O.F.] heeft dit geweigerd, omdat – zoals ter zitting is gebleken – zij vond dat zij (contractueel) recht had op een verhoging en vreesde dat zij met het plaatsen op de wachtlijst dat recht prijsgaf en bovendien zij achteraan op de wachtlijst zou komen te staan. [naam V.O.F.] heeft het vervolgens hierbij gelaten. Achteraf is gebleken, zo heeft Stedin ter zitting bevestigd, dat als [naam V.O.F.] zich op de wachtlijst had laten plaatsen, zij als gevolg daarvan nu capaciteit toegewezen had kunnen krijgen, omdat uit het door Stedin overlegde congestierapport van april 2026 betreffende het congestieonderzoek blijkt dat transportvermogen voor afname is gevonden.
5.11.
De rechtbank volgt Stedin waar zij aanvoert dat de aanvraag niet is voltooid en aan artikel 24 lid 2 E-Wet en artikel 9 Netcode Elektriciteit niet wordt toegekomen. In deze fase, waarin [naam V.O.F.] verzocht om verhoging van transportcapaciteit, was er sprake van een vooraankondiging van netcongestie en zou congestieonderzoek worden gedaan. Stedin kon tijdens deze onderzoeksfase geen onvoorwaardelijk aanbod doen voor transportcapaciteit, omdat het nog niet duidelijk was of de gevraagde transportcapaciteit daadwerkelijk beschikbaar zou zijn (zie 3.13 en 3.14) en kon Stedin [naam V.O.F.] enkel op een wachtlijst plaatsen, wat [naam V.O.F.] heeft geweigerd.
5.12.
[naam V.O.F.] heeft nog gesteld dat uit de brief van Stedin van 6 november 2023 blijkt dat zij wel een afgeronde aanvraag heeft ingediend en dat Stedin met die brief heeft geweigerd om transportvermogen ter beschikking te stellen. De rechtbank hecht echter op dit punt geen waarde aan die brief van Stedin, omdat het in die brief gaat om teruglevering en niet om afname. Deze brief kan niet worden gezien als een weigering om transportvermogen ter beschikking te stellen voor afname. In de brief staat namelijk dat Stedin de afgelopen maanden een heronderzoek naar congestiemanagement heeft uitgevoerd en dat de uitkomst hiervan is dat er flexibel vermogen is gevonden, maar dat dit helaas niet toereikend is om [naam V.O.F.] als klant op de wachtlijst ruimte te bieden. Deze brief gaat dus duidelijk over teruglevering, omdat ten aanzien van teruglevering al veel langer sprake was van netcongestie (zie ook hierna) en ten aanzien van afname toen pas net een vooraankondiging voor congestie (zie 3.13) had plaatsgevonden.
5.13.
Subsidiair stelt [naam V.O.F.] dat Stedin bij het aangaan van de ATO haar informatie-en waarschuwingsplicht heeft geschonden en bij [naam V.O.F.] het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat zij het transport kon leveren waarvoor Stedin de aansluiting heeft aangelegd bij [naam V.O.F.] . Als gevolg daarvan lijdt [naam V.O.F.] schade, waaronder de reeds gemaakte investeringskosten die zinledig zijn gebleken. Ook lijdt [naam V.O.F.] inkomensschade nu zij de geplande bedrijfsuitbreiding al jaren niet kan realiseren.
5.14.
[naam V.O.F.] legt hieraan de volgende stellingen ten grondslag. Stedin had [naam V.O.F.] moeten waarschuwen voor het risico op netcongestie. Stedin handelt in strijd met de op haar rustende informatieplicht door een aansluiting van maximaal 200 kW aan te bieden en aan te sluiten en daarvoor kosten in rekening te brengen terwijl deze niet benut kan worden. Het potentiële risico van het niet kunnen verkrijgen van capaciteit was voor Stedin voorzienbaar, omdat zij al in het voorjaar van 2020 wist van (aanstaande) netcongestie op het net waar het bedrijf van [naam V.O.F.] op is aangesloten. Stedin is al sinds 2018 bezig met onderzoek naar de uitbreiding van transportcapaciteit vanwege congestieproblemen. [naam V.O.F.] verwijst hiervoor naar de op 7 september 2020 uitgebrachte vooraankondiging structurele congestie en naar een op 19 oktober 2020 uitgebracht rapport van Decision. Ten tijde van het sluiten van de ATO wist Stedin, althans had zij moeten weten, dat er voor [naam V.O.F.] het risico bestond dat geen werkende grootverbruik aansluiting gerealiseerd kon worden, terwijl Stedin van de uitbreidingsplannen van [naam V.O.F.] op de hoogte was.
5.15.
De rechtbank oordeelt dat Stedin geen informatie- en/of waarschuwingsplicht heeft geschonden. Stedin heeft onweersproken aangevoerd dat de vooraankondiging congestie in 2020 en het door Decision uitgebrachte rapport ziet op teruglevering, niet op afname. De vooraankondiging structurele congestie met betrekking tot de afname is pas op 19 juli 2023 uitgebracht. Ten tijde van het sluiten van de ATO in 2020 was netcongestie met betrekking tot afname dus nog niet aan de orde. Stedin was op dat moment niet op de hoogte van de komende congestie in juli 2023 en kon [naam V.O.F.] dan ook niet waarschuwen voor congestie die pas drie jaar later aan de orde was. Als [naam V.O.F.] vóór 19 juli 2023 een aanvraag had gedaan voor extra transportvermogen voor afname had dit transportvermogen wel kunnen worden toegekend en gecontracteerd, zo heeft Stedin ter zitting aangevoerd.
5.16.
[naam V.O.F.] heeft ter zitting nog gesteld dat doordat er in 2020 al sprake was van een vooraankondiging van congestie voor teruglevering, Stedin [naam V.O.F.] had moeten waarschuwen dat er ook congestie voor afname zou kunnen gaan ontstaan en dat zij [naam V.O.F.] had moeten adviseren alvast capaciteit te gaan reserveren, omdat [naam V.O.F.] anders later niets aan de zwaardere aansluiting zou hebben. Door dat niet te hebben gedaan, is [naam V.O.F.] te goeder trouw verder gegaan met het doen van investeringen voor de uitbreiding van haar bedrijf.
5.17.
Ook dit verwijt snijdt geen hout. Al zou Stedin in 2020 hebben moeten weten dat in 2023 netcongestie voor afname zou ontstaan, – wat zoals hiervoor geoordeeld, niet zo is – bestaat er geen individuele waarschuwingsplicht zoals [naam V.O.F.] voorstaat. Een dergelijke waarschuwingsplicht zou er namelijk toe leiden dat Stedin [naam V.O.F.] als afzonderlijke afnemer had moeten waarschuwen voor een mogelijke congestie op termijn, zodat [naam V.O.F.] bijvoorbeeld alsnog meer capaciteit had kunnen reserveren. Stedin heeft een algemene taak en waarschuwt middels algemene vooraankondigingen alle afnemers tegelijk, mede om te voorkomen dat daar concurrentievoordelen ontstaan. Zo’n concurrentievoordeel was ontstaan als Stedin [naam V.O.F.] had gewaarschuwd op het moment van het sluiten van de ATO. In dat geval zou [naam V.O.F.] immers capaciteit hebben kunnen reserveren, welke kans een andere afnemer op dat moment niet zou hebben. Ook zou de situatie zich dan kunnen voordoen dat er toch geen congestie komt, terwijl de afnemer op advies van Stedin dan jarenlang capaciteit zou hebben gereserveerd met alle kosten voor de afnemer van dien.
5.18.
Meer subsidiair stelt [naam V.O.F.] zich op het standpunt dat zij de ATO heeft gesloten onder invloed van dwaling. Volgens [naam V.O.F.] was Stedin op de hoogte van de dreigende netcongestie, zoals zou blijken uit de vooraankondigingen en rapportages. Stedin heeft [naam V.O.F.] ten onrechte niet geïnformeerd over deze wezenlijke (aanstaande) beperking. Als [naam V.O.F.] hiervan op de hoogte was geweest, zou zij de overeenkomst niet, althans niet onder dezelfde voorwaarden hebben gesloten. Stedin heeft haar mededelingsplicht geschonden als bedoeld in art. 6:228 lid 1 sub b BW, aldus [naam V.O.F.] .
5.19.
De rechtbank merkt op dat [naam V.O.F.] geen vernietiging van de ATO vordert, maar schadevergoeding “als gevolg van vernietiging van de overeenkomst”(zie 4.1 onder 3) op grond van artikel 6:228 lid 2 BW (3.12 van de dagvaarding). Dwaling vormt geen zelfstandige grondslag voor schadevergoeding, maar afgezien daarvan geldt dat, gelet op wat hiervoor is overwogen in 5.15 tot en met 5.17, Stedin ten tijde van het sluiten van de ATO (nog) niet op de hoogte was van de dreigende netcongestie met betrekking tot afname en had zij ook geen waarschuwingsplicht ten aanzien van [naam V.O.F.] als individuele afnemer. Ook als [naam V.O.F.] heeft bedoeld in dit kader schadevergoeding te vorderen op grond van onrechtmatige daad, stranden de vorderingen hierop dan ook.
5.20.
Dit geldt ook voor het beroep van [naam V.O.F.] op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in artikel 6:248 lid 2 BW. Volgens [naam V.O.F.] kan het beroep van Stedin op netcongestie niet kan worden aanvaard, omdat dit zou neerkomen op het afwentelen van de gevolgen van haar eigen nalaten (het niet tijdig waarschuwen voor of oplossen van congestie) op een individuele afnemer. Naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid is dat niet te verenigen met de bijzondere zorgplicht die op Stedin als monopolistisch netbeheerder rust. Zoals hiervoor al is geoordeeld, is geen sprake van nalaten aan de zijde van Stedin en evenmin van een bijzondere zorgplicht van Stedin tegenover [naam V.O.F.] als afzonderlijke afnemer.
5.21.
De rechtbank merkt ten slotte nog op dat gesteld noch gebleken is dat Stedin tijdens het gesprek als bedoeld in 5.9 [naam V.O.F.] verkeerd of onvoldoende heeft voorgelicht.
5.22.
De conclusie van al het voorgaande is dat niet kan worden geoordeeld dat Stedin wanprestatie heeft gepleegd of onrechtmatig heeft gehandeld tegenover [naam V.O.F.] . Stedin is dan ook niet gehouden een aanbod te doen, zoals bedoeld in haar vordering onder 1, zoals weergegeven in 4.1 en evenmin schadeplichtig tegenover [naam V.O.F.] . Alle vorderingen van [naam V.O.F.] worden daarom afgewezen.
Proceskosten
5.23.
[naam V.O.F.] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Stedin worden begroot op:
- griffierecht
€
2.995,00
- salaris advocaat
€
5.770,00
(2 punten × € 2.885,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
8.954,00
5.24.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5.25.
De rechtbank merkt op dat, nu Stedin haar vordering in reconventie heeft ingetrokken, de door [naam V.O.F.] in dit kader gemaakte proceskosten nodeloos zijn veroorzaakt. Gelet op de zeer geringe omvang van de conclusie van antwoord in reconventie wordt hiervoor geen aparte proceskostenveroordeling uitgesproken.
6De beslissing
De rechtbank
6.1.
wijst de vorderingen van [naam V.O.F.] af,
6.2.
veroordeelt [naam V.O.F.] in de proceskosten van € 8.954,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [naam V.O.F.] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [naam V.O.F.] € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening,
6.3.
veroordeelt [naam V.O.F.] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M.J. Arts. Het is ondertekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026.
3242/3455