Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:10150
2026-07-16
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/10/712998 / FA RK 26-171
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Hoofdverblijfplaats en inschrijving BRP. Onjuiste oproeping. Gelet op spoedeisendheid neemt rb. een beslissing over de voorlopige hoofdverblijfplaats en de inschrijving.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (14.532 tekens)
Rechtbank Rotterdam
Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/712998 / FA RK 26-171
Beschikking van 16 juli 2026 over de hoofdverblijfplaats en inschrijving Basisregistratie Personen van de minderjarige
in de zaak van:
[vrouw]
, hierna: de vrouw,
wonende te [plaats] ,
advocaat mr. D.Z. Peters te Zoetermeer,
t e g e n
[man]
, hierna: de man,
zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland,
niet verschenen.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 8 januari 2026;
het bericht met bijlage van de vrouw van 20 februari 2026.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 25 juni 2026. Daarbij zijn verschenen:
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .
1.3.
[voornaam minderjarige] is, gelet op zijn leeftijd, in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. [voornaam minderjarige] heeft hier geen gebruik van gemaakt.
2De vaststaande feiten
2.1.
Het huwelijk van partijen is op 11 januari 2022 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 1 november 2021 in de registers van de burgerlijke stand.
2.2.
Partijen zijn de ouders van de minderjarige:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2009 te [geboorteplaats 1] .
2.3.
Partijen hebben nog twee andere minderjarige kinderen:
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2012 te [geboorteplaats 1] , en
[minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 3] 2016 te [geboorteplaats 2] .
2.4.
Partijen hebben op 17 september 2021 een ouderschapsplan ondertekend, dat is opgenomen in voornoemde beschikking van 1 november 2021.
Partijen zijn in het ouderschapsplan – voor zover hier van belang – overeengekomen dat de minderjarigen hun hoofdverblijf bij de man in het buitenland zullen hebben, meer specifiek Marokko. Bij een voorgenomen verhuizing van de man met de minderjarigen buiten Marokko zullen de ouders vooraf met elkaar in overleg treden, en hebben de ouders toestemming van elkaar nodig.
2.5.
Bij vonnis in kort geding van deze rechtbank van 5 december 2022 heeft
de voorzieningenrechter zich – voor zover hier van belang – onbevoegd verklaard om
kennis te nemen van de vordering van de vrouw om de voorlopige verblijfplaats van de
minderjarigen bij haar te bepalen en hen in te schrijven op haar adres.
2.6.
Bij beschikking van deze rechtbank van 18 juli 2023 is het gezamenlijk gezag van partijen over de minderjarigen beëindigd en is bepaald dat het gezag over de minderjarigen voortaan aan de vrouw toekomt. Deze beschikking is door het gerechtshof Den Haag van
12 maart 2024 vernietigd en de Nederlandse rechter heeft zich internationaal onbevoegd verklaard.
3De beoordeling
3.1.
Verzoeken
3.1.1.
Deze zaak kent een verdrietige achtergrond. De man verbleef na de echtscheiding met de minderjarigen in Marokko. Op 14 juni 2025 is [voornaam minderjarige] , de oudste zoon van partijen, door twee ooms naar de spoedeisende hulp van het Prinses Máxima Centrum in Utrecht gebracht. Daar is uiteindelijk geconstateerd dat [voornaam minderjarige] ernstig ziek is en behandeld moet worden. Zijn behandeling loopt momenteel nog steeds door. Ten tijde van de mondelinge behandeling was [voornaam minderjarige] opnieuw in het ziekenhuis opgenomen, omdat zijn gezondheid achteruit was gegaan. De vrouw is betrokken bij de behandeling van [voornaam minderjarige] en [voornaam minderjarige] verblijft feitelijk ook bij haar.
3.1.2.
De vrouw verzoekt te bepalen dat:
de hoofdverblijfplaats van [voornaam minderjarige] bij haar wordt vastgesteld; en
zij gerechtigd is [voornaam minderjarige] op haar adres in te schrijven in de Basisregistratie Personen (hierna: BRP).
3.2.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
3.2.1.
Gelet op de verblijfplaats van de man in Marokko, heeft deze zaak een internationaal karakter. In de eerste plaats moet dan onderzocht worden of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft. Als dat het geval is, zal onderzocht moeten worden welk recht van toepassing is. Daarbij geldt het volgende.
3.2.2.
Op grond van artikel 7 van Brussel II-ter is de rechter van de lidstaat waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het moment dat de zaak wordt ingediend, bevoegd te beslissen. Het verzoekschrift is op 8 januari 2026 ingediend bij de rechtbank. Na zijn eerste behandeling in het ziekenhuis medio juni 2025 verblijft [voornaam minderjarige] sinds augustus 2025 tot nu bij de vrouw in huis in de voormalige echtelijke woning van partijen. De vrouw heeft – vooralsnog – onweersproken gesteld dat het de bedoeling van [voornaam minderjarige] is om zijn leven in Nederland verder in te richten qua opleiding, werk en toekomstige zelfstandige huisvesting. Bovendien is Nederland een vertrouwd land voor [voornaam minderjarige] . Hij heeft hier tot aan de echtscheiding van zijn ouders gewoond en spreekt ook de taal.
3.2.3.
Op grond van het voorstaande is de rechtbank van oordeel dat – omdat de gewone verblijfplaats van [voornaam minderjarige] in ieder geval sinds de indiening van het verzoekschrift in Nederland is gelegen – de Nederlandse rechter op grond van voornoemd artikel bevoegd is te beslissen op het verzoek tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [voornaam minderjarige] en past de Nederlandse rechter op grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag van 1996 Nederlands recht op het verzoek toe.
3.2.4.
Deze beslissingen over de rechtsmacht en het toepasselijk recht betreffen een voorlopig oordeel, omdat – zoals hierna nog verder zal worden besproken – er een gebrek is in de oproeping van de man. Naar aanleiding van een juiste oproeping zal de dan behandelend rechter een definitieve beslissing moeten nemen over de rechtsmacht en het toepasselijk recht.
3.3.
Oproeping man
3.3.1.
De rechtbank constateert dat de man niet juist is opgeroepen voor de mondelinge behandeling op 25 juni 2026. De man is opgeroepen via de Staatscourant. Artikel 272 Rv noemt deze mogelijkheid echter alleen in het geval dat de woonplaats of het werkelijke verblijf onbekend is. De vrouw heeft in haar verzoekschrift een adres van de man genoemd. Dit adres komt ook terug op de medicijnsticker van [voornaam minderjarige] , zoals zichtbaar is in de door de vrouw overgelegde bijlage 1. De man is door een administratief verzuim niet opgeroepen op dit adres. De rechtbank ziet hierin reden om de mondelinge behandeling aan te houden, voordat een definitieve beslissing wordt genomen. In het kader van hoor- en wederhoor is het immers van belang dat de man de mogelijkheid moet krijgen om zich uit te laten over de verzoeken van de vrouw.
3.3.2.
Vanwege de gezondheid van [voornaam minderjarige] ziet de rechtbank wel een spoedeisend belang om een voorlopige beslissing nemen over de verzoeken. De vrouw heeft aangegeven dat de huidige situatie leidt tot problemen met de zorgkosten en de daarmee samenhangende zorgverzekering van [voornaam minderjarige] . Dat is niet in zijn belang. De rechtbank zal daarom hierna stilstaan bij de verzoeken.
3.4.
Hoofdverblijfplaats en inschrijving BRP
3.4.1.
De vrouw stelt dat de man – nadat in Marokko bij [voornaam minderjarige] een vorm van kanker is vastgesteld – [voornaam minderjarige] voor medische behandeling naar Nederland heeft overgebracht dan wel heeft laten overbrengen door zijn familie. De vrouw is medio 2025 hierover geïnformeerd en heeft toen de zorg voor [voornaam minderjarige] op zich genomen. Sindsdien verblijft [voornaam minderjarige] feitelijk bij de vrouw, voor zover hij niet is opgenomen in het ziekenhuis voor zijn behandeling. Volgens de vrouw is het tevens de wens van [voornaam minderjarige] dat hij in Nederland blijft wonen en dat hij wordt ingeschreven in het BRP op het adres van de vrouw.
3.4.2.
Op grond van artikel 1:253a BW kunnen geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het gezag, waaronder een geschil over de hoofdverblijfplaats, op verzoek van de ouders of één van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Bij een dergelijke beslissing moeten alle omstandigheden van het geval in acht worden genomen, wat er soms ook toe kan leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind, hoezeer ook dat belang een overweging van de eerste orde moet zijn bij de afweging van belangen.
3.4.3.
De rechtbank is van oordeel dat sinds het opstellen van het ouderschapsplan de omstandigheden zijn gewijzigd. [voornaam minderjarige] is overgebracht naar Nederland en verblijft feitelijk niet meer in Marokko. Het is in het belang van [voornaam minderjarige] dat de administratieve kant van zijn verblijf in Nederland – zoals de kosten van zijn behandelingen in het ziekenhuis en het afsluiten van een zorgverzekering – goed geregeld kunnen worden. Op dit moment heeft [voornaam minderjarige] geen zorgverzekering en wordt door de vrouw in samenwerking met het ziekenhuis voor creatieve oplossingen gezorgd voor de bekostiging van de medische behandelingen van [voornaam minderjarige] . Dat is in de huidige situatie onhoudbaar geworden. Deze omstandigheden leveren naar het oordeel van de rechtbank voldoende gronden om te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [voornaam minderjarige] voorlopig bij de vrouw zal zijn en om de vrouw vervangende toestemming te verlenen om [voornaam minderjarige] in te schrijven in de BRP op haar adres.
3.4.4.
De rechtbank zal de zaak aanhouden tot na de hieronder te noemen datum van de mondelinge behandeling om de man in de gelegenheid te stellen gehoord te worden. De rechtbank is van oordeel dat de zaak zich leent voor verdere behandeling door de enkelvoudige kamer en verwijst de zaak daarom naar die kamer (artikel 15 lid 5 Rv). De rechtbank zal partijen en de raad een oproepingsbrief versturen. [voornaam minderjarige] zal daarvoor nogmaals in de gelegenheid worden gesteld om zijn mening kenbaar te maken.
3.5.
Proceskosten
3.5.1.
Omdat nog geen eindbeslissing wordt gegeven, wordt nu ook nog geen beslissing genomen over de proceskosten.
4De beslissing
De rechtbank:
4.1.
bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van [voornaam minderjarige] voorlopig bij de vrouw zal zijn;
4.2.
verleent aan de vrouw vervangende toestemming om [voornaam minderjarige] in te schrijven in de BRP op haar adres;
4.3.
bepaalt dat deze vervangende toestemming strekt tot vervanging van de vereiste toestemming van de man;
4.4.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
en voordat verder wordt beslist:
4.5.
bepaalt dat de behandeling van de zaak wordt aangehouden tot de mondelinge behandeling van 14 augustus 2026 te 09.00 uur;
4.6.
de zaak zal op laatstgenoemde mondelinge behandeling, behoudens onvoorziene omstandigheden, worden behandeld door mr. E. Lunenberg, rechter tevens kinderrechter.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.M. Moerman, voorzitter en (kinder)rechter, mr. M.C. Woudstra en mr. K.C.J.M. Hageraats-Bouwens, (kinder)rechters, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van S. Yalçin, griffier, op 16 juli 2026.
Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.
Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/712998 / FA RK 26-171
Beschikking van 16 juli 2026 over de hoofdverblijfplaats en inschrijving Basisregistratie Personen van de minderjarige
in de zaak van:
[vrouw]
, hierna: de vrouw,
wonende te [plaats] ,
advocaat mr. D.Z. Peters te Zoetermeer,
t e g e n
[man]
, hierna: de man,
zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland,
niet verschenen.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 8 januari 2026;
het bericht met bijlage van de vrouw van 20 februari 2026.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 25 juni 2026. Daarbij zijn verschenen:
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .
1.3.
[voornaam minderjarige] is, gelet op zijn leeftijd, in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. [voornaam minderjarige] heeft hier geen gebruik van gemaakt.
2De vaststaande feiten
2.1.
Het huwelijk van partijen is op 11 januari 2022 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 1 november 2021 in de registers van de burgerlijke stand.
2.2.
Partijen zijn de ouders van de minderjarige:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2009 te [geboorteplaats 1] .
2.3.
Partijen hebben nog twee andere minderjarige kinderen:
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2012 te [geboorteplaats 1] , en
[minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 3] 2016 te [geboorteplaats 2] .
2.4.
Partijen hebben op 17 september 2021 een ouderschapsplan ondertekend, dat is opgenomen in voornoemde beschikking van 1 november 2021.
Partijen zijn in het ouderschapsplan – voor zover hier van belang – overeengekomen dat de minderjarigen hun hoofdverblijf bij de man in het buitenland zullen hebben, meer specifiek Marokko. Bij een voorgenomen verhuizing van de man met de minderjarigen buiten Marokko zullen de ouders vooraf met elkaar in overleg treden, en hebben de ouders toestemming van elkaar nodig.
2.5.
Bij vonnis in kort geding van deze rechtbank van 5 december 2022 heeft
de voorzieningenrechter zich – voor zover hier van belang – onbevoegd verklaard om
kennis te nemen van de vordering van de vrouw om de voorlopige verblijfplaats van de
minderjarigen bij haar te bepalen en hen in te schrijven op haar adres.
2.6.
Bij beschikking van deze rechtbank van 18 juli 2023 is het gezamenlijk gezag van partijen over de minderjarigen beëindigd en is bepaald dat het gezag over de minderjarigen voortaan aan de vrouw toekomt. Deze beschikking is door het gerechtshof Den Haag van
12 maart 2024 vernietigd en de Nederlandse rechter heeft zich internationaal onbevoegd verklaard.
3De beoordeling
3.1.
Verzoeken
3.1.1.
Deze zaak kent een verdrietige achtergrond. De man verbleef na de echtscheiding met de minderjarigen in Marokko. Op 14 juni 2025 is [voornaam minderjarige] , de oudste zoon van partijen, door twee ooms naar de spoedeisende hulp van het Prinses Máxima Centrum in Utrecht gebracht. Daar is uiteindelijk geconstateerd dat [voornaam minderjarige] ernstig ziek is en behandeld moet worden. Zijn behandeling loopt momenteel nog steeds door. Ten tijde van de mondelinge behandeling was [voornaam minderjarige] opnieuw in het ziekenhuis opgenomen, omdat zijn gezondheid achteruit was gegaan. De vrouw is betrokken bij de behandeling van [voornaam minderjarige] en [voornaam minderjarige] verblijft feitelijk ook bij haar.
3.1.2.
De vrouw verzoekt te bepalen dat:
de hoofdverblijfplaats van [voornaam minderjarige] bij haar wordt vastgesteld; en
zij gerechtigd is [voornaam minderjarige] op haar adres in te schrijven in de Basisregistratie Personen (hierna: BRP).
3.2.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
3.2.1.
Gelet op de verblijfplaats van de man in Marokko, heeft deze zaak een internationaal karakter. In de eerste plaats moet dan onderzocht worden of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft. Als dat het geval is, zal onderzocht moeten worden welk recht van toepassing is. Daarbij geldt het volgende.
3.2.2.
Op grond van artikel 7 van Brussel II-ter is de rechter van de lidstaat waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het moment dat de zaak wordt ingediend, bevoegd te beslissen. Het verzoekschrift is op 8 januari 2026 ingediend bij de rechtbank. Na zijn eerste behandeling in het ziekenhuis medio juni 2025 verblijft [voornaam minderjarige] sinds augustus 2025 tot nu bij de vrouw in huis in de voormalige echtelijke woning van partijen. De vrouw heeft – vooralsnog – onweersproken gesteld dat het de bedoeling van [voornaam minderjarige] is om zijn leven in Nederland verder in te richten qua opleiding, werk en toekomstige zelfstandige huisvesting. Bovendien is Nederland een vertrouwd land voor [voornaam minderjarige] . Hij heeft hier tot aan de echtscheiding van zijn ouders gewoond en spreekt ook de taal.
3.2.3.
Op grond van het voorstaande is de rechtbank van oordeel dat – omdat de gewone verblijfplaats van [voornaam minderjarige] in ieder geval sinds de indiening van het verzoekschrift in Nederland is gelegen – de Nederlandse rechter op grond van voornoemd artikel bevoegd is te beslissen op het verzoek tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [voornaam minderjarige] en past de Nederlandse rechter op grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag van 1996 Nederlands recht op het verzoek toe.
3.2.4.
Deze beslissingen over de rechtsmacht en het toepasselijk recht betreffen een voorlopig oordeel, omdat – zoals hierna nog verder zal worden besproken – er een gebrek is in de oproeping van de man. Naar aanleiding van een juiste oproeping zal de dan behandelend rechter een definitieve beslissing moeten nemen over de rechtsmacht en het toepasselijk recht.
3.3.
Oproeping man
3.3.1.
De rechtbank constateert dat de man niet juist is opgeroepen voor de mondelinge behandeling op 25 juni 2026. De man is opgeroepen via de Staatscourant. Artikel 272 Rv noemt deze mogelijkheid echter alleen in het geval dat de woonplaats of het werkelijke verblijf onbekend is. De vrouw heeft in haar verzoekschrift een adres van de man genoemd. Dit adres komt ook terug op de medicijnsticker van [voornaam minderjarige] , zoals zichtbaar is in de door de vrouw overgelegde bijlage 1. De man is door een administratief verzuim niet opgeroepen op dit adres. De rechtbank ziet hierin reden om de mondelinge behandeling aan te houden, voordat een definitieve beslissing wordt genomen. In het kader van hoor- en wederhoor is het immers van belang dat de man de mogelijkheid moet krijgen om zich uit te laten over de verzoeken van de vrouw.
3.3.2.
Vanwege de gezondheid van [voornaam minderjarige] ziet de rechtbank wel een spoedeisend belang om een voorlopige beslissing nemen over de verzoeken. De vrouw heeft aangegeven dat de huidige situatie leidt tot problemen met de zorgkosten en de daarmee samenhangende zorgverzekering van [voornaam minderjarige] . Dat is niet in zijn belang. De rechtbank zal daarom hierna stilstaan bij de verzoeken.
3.4.
Hoofdverblijfplaats en inschrijving BRP
3.4.1.
De vrouw stelt dat de man – nadat in Marokko bij [voornaam minderjarige] een vorm van kanker is vastgesteld – [voornaam minderjarige] voor medische behandeling naar Nederland heeft overgebracht dan wel heeft laten overbrengen door zijn familie. De vrouw is medio 2025 hierover geïnformeerd en heeft toen de zorg voor [voornaam minderjarige] op zich genomen. Sindsdien verblijft [voornaam minderjarige] feitelijk bij de vrouw, voor zover hij niet is opgenomen in het ziekenhuis voor zijn behandeling. Volgens de vrouw is het tevens de wens van [voornaam minderjarige] dat hij in Nederland blijft wonen en dat hij wordt ingeschreven in het BRP op het adres van de vrouw.
3.4.2.
Op grond van artikel 1:253a BW kunnen geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het gezag, waaronder een geschil over de hoofdverblijfplaats, op verzoek van de ouders of één van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Bij een dergelijke beslissing moeten alle omstandigheden van het geval in acht worden genomen, wat er soms ook toe kan leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind, hoezeer ook dat belang een overweging van de eerste orde moet zijn bij de afweging van belangen.
3.4.3.
De rechtbank is van oordeel dat sinds het opstellen van het ouderschapsplan de omstandigheden zijn gewijzigd. [voornaam minderjarige] is overgebracht naar Nederland en verblijft feitelijk niet meer in Marokko. Het is in het belang van [voornaam minderjarige] dat de administratieve kant van zijn verblijf in Nederland – zoals de kosten van zijn behandelingen in het ziekenhuis en het afsluiten van een zorgverzekering – goed geregeld kunnen worden. Op dit moment heeft [voornaam minderjarige] geen zorgverzekering en wordt door de vrouw in samenwerking met het ziekenhuis voor creatieve oplossingen gezorgd voor de bekostiging van de medische behandelingen van [voornaam minderjarige] . Dat is in de huidige situatie onhoudbaar geworden. Deze omstandigheden leveren naar het oordeel van de rechtbank voldoende gronden om te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [voornaam minderjarige] voorlopig bij de vrouw zal zijn en om de vrouw vervangende toestemming te verlenen om [voornaam minderjarige] in te schrijven in de BRP op haar adres.
3.4.4.
De rechtbank zal de zaak aanhouden tot na de hieronder te noemen datum van de mondelinge behandeling om de man in de gelegenheid te stellen gehoord te worden. De rechtbank is van oordeel dat de zaak zich leent voor verdere behandeling door de enkelvoudige kamer en verwijst de zaak daarom naar die kamer (artikel 15 lid 5 Rv). De rechtbank zal partijen en de raad een oproepingsbrief versturen. [voornaam minderjarige] zal daarvoor nogmaals in de gelegenheid worden gesteld om zijn mening kenbaar te maken.
3.5.
Proceskosten
3.5.1.
Omdat nog geen eindbeslissing wordt gegeven, wordt nu ook nog geen beslissing genomen over de proceskosten.
4De beslissing
De rechtbank:
4.1.
bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van [voornaam minderjarige] voorlopig bij de vrouw zal zijn;
4.2.
verleent aan de vrouw vervangende toestemming om [voornaam minderjarige] in te schrijven in de BRP op haar adres;
4.3.
bepaalt dat deze vervangende toestemming strekt tot vervanging van de vereiste toestemming van de man;
4.4.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
en voordat verder wordt beslist:
4.5.
bepaalt dat de behandeling van de zaak wordt aangehouden tot de mondelinge behandeling van 14 augustus 2026 te 09.00 uur;
4.6.
de zaak zal op laatstgenoemde mondelinge behandeling, behoudens onvoorziene omstandigheden, worden behandeld door mr. E. Lunenberg, rechter tevens kinderrechter.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.M. Moerman, voorzitter en (kinder)rechter, mr. M.C. Woudstra en mr. K.C.J.M. Hageraats-Bouwens, (kinder)rechters, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van S. Yalçin, griffier, op 16 juli 2026.
Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.