Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:10139
2026-07-15
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/10/720184 / FA RK 26-4106
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Wijziging vovo, art. 824.2 Rv. Omstandigheid dat man zijn baan heeft verloren levert een wijzigingsgrond op. Rb. overweegt dat een terugbetalingsverplichting niet redelijk is. Kinderalimentatie en partneralimentatie worden per heden op nihil bepaald.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (15.119 tekens)
Rechtbank Rotterdam
Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/720184 / FA RK 26-4106
Beschikking van 15 juli 2026 betreffende wijziging voorlopige voorzieningen
in de zaak van:
[man]
, hierna: de man,
wonende te [woonplaats 1] ,
in rechte vertegenwoordigd door [naam bewindvoerder] van [kantoornaam bewindvoerder] , de bewindvoerder,
gevestigd te [plaats] ,
advocaat mr. D.R.M. de Vos te Bergen op Zoom,
t e g e n
[vrouw]
, hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat mr. R.D.Z. Asmus te Brielle.
1De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het verzoekschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 22 mei 2026;
het verweerschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 26 juni 2026;
de berichten met bijlage van de man van 29 en 30 juni 2026.
De vrouw heeft bezwaar gemaakt tegen de op 29 en 30 juni ingediende producties 6 en 7, omdat deze volgens haar te laat zijn ingediend. De rechtbank is van oordeel dat deze stukken laat zijn ingediend, maar ziet geen aanleiding om deze producties buiten beschouwing te laten. Daarbij is van belang dat het om beperkte stukken gaat die aansluiten bij de reeds gevoerde discussie. De rechtbank acht de belangen van de vrouw hierdoor niet zodanig geschaad in haar procesbelang dat de stukken buiten beschouwing moeten blijven. De producties 6 en 7 worden daarom meegenomen in de beoordeling.
1.2
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 1 juli 2026. Daarbij zijn verschenen:
de man, bijgestaan door zijn advocaat;
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.
1.3
Na de mondelinge behandeling heeft de man op 2 juli 2026 verzoek van de rechtbank een volmacht van de bewindvoerder toegestuurd. Tijdens de mondelinge behandeling is besproken dat de vrouw hierop nog kon reageren. De vrouw heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.
2De vaststaande feiten
2.1
Partijen zijn op 7 november 2016 te [plaats] met elkaar een geregistreerd partnerschap aangegaan.
2.2
De minderjarige kinderen van partijen zijn:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2016 te [geboorteplaats] ;
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2020 te [geboorteplaats] .
2.3
De vrouw heeft inmiddels een verzoek tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap ingediend. Deze zaak is bij de rechtbank geregistreerd onder zaak- en rekestnummer: C/10/693856 / FA RK 25-884.
2.4
Bij beschikking van deze rechtbank van 17 april 2025 is in het kader van voorlopige voorzieningen, voor zover hier van belang, bepaald dat de man aan de vrouw met ingang van 17 april 2025 , als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen (hierna: kinderbijdrage), voor de toekomstige termijnen steeds bij vooruitbetaling zal voldoen € 434,- per maand per kind en ten laste van de man aan de vrouw met ingang van 17 april 2025 een uitkering tot levensonderhoud (hierna: partnerbijdrage) toegekend van € 39,- per maand, voor de toekomstige termijnen steeds bij vooruitbetaling te voldoen.
3De beoordeling
3.1
Onderhoudsbijdrage
3.1.1
De man verzoekt de rechtbank te bepalen dat de beschikking van 17 april 2025 wordt gewijzigd in die zin dat de vastgestelde kinder- en partnerbijdrage met ingang van 5 december 2025, althans met ingang van een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, op nihil wordt gesteld, en wel voor de duur van de procedure inzake de ontbinding van het geregistreerd partnerschap.
3.1.2
De vrouw voert gemotiveerd verweer.
3.1.3
Op grond van artikel 824 lid 2 Rv kan een beschikking houdende voorlopige voorzieningen als bedoeld in artikel 822 Rv, op verzoek van de echtgenoten of van één van hen door de rechtbank worden gewijzigd of ingetrokken, indien de omstandigheden na de dagtekening van de beschikking in zodanige mate zijn gewijzigd of indien bij het geven van die beschikking in zodanige mate van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan, dat, alle betrokken belangen in aanmerking genomen, de voorziening niet in stand kan blijven.
3.1.4
De procedure tot het treffen en wijzigen van een voorlopige voorziening is bedoeld om een ordemaatregel te treffen. In verband met dit bijzondere karakter heeft de wetgever bepaald dat slechts in uitzonderlijke omstandigheden een eerder getroffen voorlopige voorziening kan worden gewijzigd. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het bij wijziging van een voorlopige voorziening moet gaan om evidente, zeer sprekende gevallen en dat de wetgever een eventuele wijzigingsmogelijkheid aan een streng criterium heeft willen binden (zie Kamerstukken II 1985/86, 19 242, nr. 3, p. 18 en 19). Daarmee wordt onder meer voorkomen dat sprake is van een verkapt hoger beroep. De wetgever heeft met het opnemen van de zinsneden “in zodanige mate” en “alle betrokken belangen in aanmerking genomen” tot uitdrukking gebracht dat niet iedere wijziging in omstandigheden en niet iedere onjuistheid of onvolledigheid van gegevens waarvan de rechtbank is uitgegaan, tot een wijziging of intrekking kan leiden. Dit betekent dus dat strenge eisen gelden ten aanzien van de stelplicht van de partij die om wijziging verzoekt.
3.1.5
Niet ter discussie tussen partijen is dat de man zijn baan heeft verloren. Partijen zijn wel verdeeld over de vraag of de man verwijtbaar heeft gehandeld bij het baanverlies. Volgens de vrouw is dat het geval. Zij verwijst daarbij naar productie 1, waaruit volgt dat de man zonder ziekmelding en zonder doktersverklaring is weggebleven van zijn werk, waarna hij op staande voet is ontslagen. De voorzieningenrechter is echter, met de man, van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat sprake is van verwijtbaar inkomensverlies. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de man heeft gesteld dat hij kampt met verslavingsproblematiek. Niet in geschil is dat hij in het verleden ook met dergelijke problematiek te maken heeft gehad. Verder weegt mee dat aan de man een WW-uitkering is toegekend, wat erop wijst dat het inkomensverlies niet volledig verwijtbaar is geweest. Gelet op het voorlopige karakter van deze procedure is geen ruimte voor nader feitenonderzoek. De voorzieningenrechter zal daarom overgaan tot een herberekening, aan de hand waarvan kan worden bekeken of de voorziening in stand kan blijven.
Ingangsdatum
3.1.6
Tussen partijen is in geschil per welke datum de kinderbijdrage moet worden vastgesteld: 5 december 2025 zoals de man verzoekt of de datum van deze beschikking zoals de vrouw verzoekt.
3.1.7
De rechtbank zal uitgaan van 5 december 2025 als ingangsdatum. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de man vanaf dat moment een WW-uitkering heeft ontvangen. De omstandigheid dat de man laat is met het indienen van zijn verzoek, zoals de vrouw aanvoert, kan in zoverre worden gevolgd, maar neemt niet weg dat vaststaat dat de man vanaf december 2025 geen inkomen uit arbeid meer had. Dat in beginsel bij voorlopige voorzieningen wordt aangesloten bij de datum van de beschikking, doet hieraan niet af. Het gaat hier om een wijzigingsverzoek op grond van artikel 824 lid 2 Rv, waarbij een eerdere ingangsdatum mogelijk is, voor zover deze niet ligt voor de datum van de oorspronkelijke beschikking. Een en ander neemt niet weg dat de voorzieningenrechter het niet redelijk acht dat er terugbetalingsverplichtingen ontstaan, zoals hierna 3.1.20 nader uiteen wordt gezet.
Behoefte
3.1.8
Tussen partijen is niet in geschil dat het eigen aandeel van partijen in de kosten van de minderjarigen (hierna: de behoefte van de minderjarigen) in 2025 € 1.566,- per maand bedraagt. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de behoefte afgerond € 1.638,- per maand.
Draagkracht man
3.1.9
Vervolgens moet worden beoordeeld in welke verhouding deze behoefte van de minderjarigen tussen de ouders moet worden verdeeld. Dit gebeurt naar rato van hun beider draagkracht.
3.1.10
De vrouw voert aan dat er sprake is van verwijtbaar inkomensverlies. Gelet op hetgeen hiervoor onder 3.1.5 is overwogen, wordt dat verweer verworpen. Daarom zal de voorzieningenrechter niet uitgaan van de eerdere verdiencapaciteit van de man. Verder is aangevoerd dat het inkomen van de man kan worden hersteld. Uit productie 7 van de man volgt echter dat de man in een safehouse verblijft, waardoor hij op dit moment niet volledig beschikbaar is voor de arbeidsmarkt. In de toekomst kan dit mogelijk anders zijn, maar dat is nu nog niet aan de orde en hier zal de voorzieningenrechter niet op vooruit lopen. Wel mag van de man worden verwacht dat hij zich inspant om zijn inkomenspositie waar mogelijk te verbeteren en op termijn weer arbeid te verrichten.
3.1.11
Onweersproken is dat de man een WW-uitkering ontvangt voor de periode van 5 december 2025 tot 9 april 2026 en aansluitend een Ziektewetuitkering vanaf 10 april 2026.
Er wordt daarom gerekend met twee inkomensperiodes: van 5 december 2025 tot 9 april 2026 en vanaf 10 april 2026.
Periode 5 dec 2025 t/m 9 april 2026
3.1.12
Aangezien deze periode grotendeels ziet op het jaar 2026, zal de rechtbank rekenen met de tarieven 2026-1. De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het huidige NBI van de man over het jaar 2026 op € 2.363,- per maand, waarbij rekening is gehouden met de volgende gegevens (op basis van de overgelegde WW-specificaties):
- basisuitkering WW € 3.365,- (gemiddelde over de hiervoor genoemde periode)
- vakantiegeld 8% op jaarbasis
De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:
- de algemene heffingskorting
3.1.13
Omdat partijen het erover eens zijn dat rekening wordt gehouden met de werkelijke woonlasten (€ 1.263,-) van de man, zal de rechtbank daarbij aansluiten.
3.1.14
Het voorgaande betekent dat de rechtbank de draagkrachtberekening van de man, met inachtneming van de werkelijke woonlasten, zal volgen. Zijn draagkracht wordt, omdat het NBI hoger is dan € 2.200,-, vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% × [NBI – (1.263 + 1.365)]. Deze berekening leidt tot een negatieve uitkomst. De draagkracht van de man wordt daarom vastgesteld op nihil.
Periode vanaf 10 april 2026
3.1.15
De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het huidige NBI van de man over het jaar 2026 op € 2.427,- per maand. Daarbij is rekening gehouden met de volgende gegevens, op basis van de overgelegde specificaties van de Ziektewetuitkering:
- Ziektewetuitkering € 3.480,-
De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:
- de algemene heffingskorting
3.1.16
Omdat partijen het erover eens zijn dat rekening wordt gehouden met de werkelijke woonlasten (€ 1.263,-) van de man, zal de rechtbank daarbij aansluiten.
3.1.17
Het voorgaande betekent dat de rechtbank de draagkrachtberekening van de man, met inachtneming van de werkelijke woonlasten, zal volgen. Zijn draagkracht wordt, omdat het NBI hoger is dan € 2.200,-, vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% × [NBI – (1.263 + 1.365)]. Deze berekening leidt tot een negatieve uitkomst. De draagkracht van de man wordt daarom vastgesteld op nihil.
Conclusie
3.1.18
Uit het voorgaande volgt dat de man, zowel in de periode van 5 december 2025 tot en met 9 april 2026 als vanaf 10 april 2026, geen draagkracht heeft om een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen te voldoen.
3.1.19
Nu de man evenmin draagkracht heeft voor een partnerbijdrage, zal de rechtbank de partneralimentatie met ingang van 5 december 2025 op nihil stellen.
3.1.20
De rechtbank ziet op grond van de redelijkheid en billijkheid, mede in aanmerking genomen dat verzoeker pas laat een verzoek tot wijziging heeft ingediend, grond om de alimentatie tot de datum van de indiening van het verzoekschrift te bepalen op hetgeen is betaald en/of verhaald. Vanaf de datum van deze beschikking worden de bijdragen op nihil gesteld. Een en ander betekent dus dat er geen terugbetalingsverplichtingen ontstaan voor de alimentatiegerechtigde.
3.2
Proceskosten
3.2.1
Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.
4De beslissing
De rechtbank:
4.1
wijzigt de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 17 april 2025 in die zin, dat de daarin vastgestelde kinder- en partnerbijdrage met ingang van 5 december 2025 wordt gewijzigd, waarbij de door de man te betalen bijdrage zowel over de periode van 5 december 2025 tot heden wordt bepaald op bepaald op hetgeen door de alimentatieplichtige is betaald en/of verhaald en vanaf heden op nihil wordt gesteld;
4.2
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
4.3
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.M. Moerman, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van B. Bajra, griffier, op 15 juli 2026.
Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/720184 / FA RK 26-4106
Beschikking van 15 juli 2026 betreffende wijziging voorlopige voorzieningen
in de zaak van:
[man]
, hierna: de man,
wonende te [woonplaats 1] ,
in rechte vertegenwoordigd door [naam bewindvoerder] van [kantoornaam bewindvoerder] , de bewindvoerder,
gevestigd te [plaats] ,
advocaat mr. D.R.M. de Vos te Bergen op Zoom,
t e g e n
[vrouw]
, hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat mr. R.D.Z. Asmus te Brielle.
1De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het verzoekschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 22 mei 2026;
het verweerschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 26 juni 2026;
de berichten met bijlage van de man van 29 en 30 juni 2026.
De vrouw heeft bezwaar gemaakt tegen de op 29 en 30 juni ingediende producties 6 en 7, omdat deze volgens haar te laat zijn ingediend. De rechtbank is van oordeel dat deze stukken laat zijn ingediend, maar ziet geen aanleiding om deze producties buiten beschouwing te laten. Daarbij is van belang dat het om beperkte stukken gaat die aansluiten bij de reeds gevoerde discussie. De rechtbank acht de belangen van de vrouw hierdoor niet zodanig geschaad in haar procesbelang dat de stukken buiten beschouwing moeten blijven. De producties 6 en 7 worden daarom meegenomen in de beoordeling.
1.2
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 1 juli 2026. Daarbij zijn verschenen:
de man, bijgestaan door zijn advocaat;
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.
1.3
Na de mondelinge behandeling heeft de man op 2 juli 2026 verzoek van de rechtbank een volmacht van de bewindvoerder toegestuurd. Tijdens de mondelinge behandeling is besproken dat de vrouw hierop nog kon reageren. De vrouw heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.
2De vaststaande feiten
2.1
Partijen zijn op 7 november 2016 te [plaats] met elkaar een geregistreerd partnerschap aangegaan.
2.2
De minderjarige kinderen van partijen zijn:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2016 te [geboorteplaats] ;
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2020 te [geboorteplaats] .
2.3
De vrouw heeft inmiddels een verzoek tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap ingediend. Deze zaak is bij de rechtbank geregistreerd onder zaak- en rekestnummer: C/10/693856 / FA RK 25-884.
2.4
Bij beschikking van deze rechtbank van 17 april 2025 is in het kader van voorlopige voorzieningen, voor zover hier van belang, bepaald dat de man aan de vrouw met ingang van 17 april 2025 , als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen (hierna: kinderbijdrage), voor de toekomstige termijnen steeds bij vooruitbetaling zal voldoen € 434,- per maand per kind en ten laste van de man aan de vrouw met ingang van 17 april 2025 een uitkering tot levensonderhoud (hierna: partnerbijdrage) toegekend van € 39,- per maand, voor de toekomstige termijnen steeds bij vooruitbetaling te voldoen.
3De beoordeling
3.1
Onderhoudsbijdrage
3.1.1
De man verzoekt de rechtbank te bepalen dat de beschikking van 17 april 2025 wordt gewijzigd in die zin dat de vastgestelde kinder- en partnerbijdrage met ingang van 5 december 2025, althans met ingang van een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, op nihil wordt gesteld, en wel voor de duur van de procedure inzake de ontbinding van het geregistreerd partnerschap.
3.1.2
De vrouw voert gemotiveerd verweer.
3.1.3
Op grond van artikel 824 lid 2 Rv kan een beschikking houdende voorlopige voorzieningen als bedoeld in artikel 822 Rv, op verzoek van de echtgenoten of van één van hen door de rechtbank worden gewijzigd of ingetrokken, indien de omstandigheden na de dagtekening van de beschikking in zodanige mate zijn gewijzigd of indien bij het geven van die beschikking in zodanige mate van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan, dat, alle betrokken belangen in aanmerking genomen, de voorziening niet in stand kan blijven.
3.1.4
De procedure tot het treffen en wijzigen van een voorlopige voorziening is bedoeld om een ordemaatregel te treffen. In verband met dit bijzondere karakter heeft de wetgever bepaald dat slechts in uitzonderlijke omstandigheden een eerder getroffen voorlopige voorziening kan worden gewijzigd. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het bij wijziging van een voorlopige voorziening moet gaan om evidente, zeer sprekende gevallen en dat de wetgever een eventuele wijzigingsmogelijkheid aan een streng criterium heeft willen binden (zie Kamerstukken II 1985/86, 19 242, nr. 3, p. 18 en 19). Daarmee wordt onder meer voorkomen dat sprake is van een verkapt hoger beroep. De wetgever heeft met het opnemen van de zinsneden “in zodanige mate” en “alle betrokken belangen in aanmerking genomen” tot uitdrukking gebracht dat niet iedere wijziging in omstandigheden en niet iedere onjuistheid of onvolledigheid van gegevens waarvan de rechtbank is uitgegaan, tot een wijziging of intrekking kan leiden. Dit betekent dus dat strenge eisen gelden ten aanzien van de stelplicht van de partij die om wijziging verzoekt.
3.1.5
Niet ter discussie tussen partijen is dat de man zijn baan heeft verloren. Partijen zijn wel verdeeld over de vraag of de man verwijtbaar heeft gehandeld bij het baanverlies. Volgens de vrouw is dat het geval. Zij verwijst daarbij naar productie 1, waaruit volgt dat de man zonder ziekmelding en zonder doktersverklaring is weggebleven van zijn werk, waarna hij op staande voet is ontslagen. De voorzieningenrechter is echter, met de man, van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat sprake is van verwijtbaar inkomensverlies. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de man heeft gesteld dat hij kampt met verslavingsproblematiek. Niet in geschil is dat hij in het verleden ook met dergelijke problematiek te maken heeft gehad. Verder weegt mee dat aan de man een WW-uitkering is toegekend, wat erop wijst dat het inkomensverlies niet volledig verwijtbaar is geweest. Gelet op het voorlopige karakter van deze procedure is geen ruimte voor nader feitenonderzoek. De voorzieningenrechter zal daarom overgaan tot een herberekening, aan de hand waarvan kan worden bekeken of de voorziening in stand kan blijven.
Ingangsdatum
3.1.6
Tussen partijen is in geschil per welke datum de kinderbijdrage moet worden vastgesteld: 5 december 2025 zoals de man verzoekt of de datum van deze beschikking zoals de vrouw verzoekt.
3.1.7
De rechtbank zal uitgaan van 5 december 2025 als ingangsdatum. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de man vanaf dat moment een WW-uitkering heeft ontvangen. De omstandigheid dat de man laat is met het indienen van zijn verzoek, zoals de vrouw aanvoert, kan in zoverre worden gevolgd, maar neemt niet weg dat vaststaat dat de man vanaf december 2025 geen inkomen uit arbeid meer had. Dat in beginsel bij voorlopige voorzieningen wordt aangesloten bij de datum van de beschikking, doet hieraan niet af. Het gaat hier om een wijzigingsverzoek op grond van artikel 824 lid 2 Rv, waarbij een eerdere ingangsdatum mogelijk is, voor zover deze niet ligt voor de datum van de oorspronkelijke beschikking. Een en ander neemt niet weg dat de voorzieningenrechter het niet redelijk acht dat er terugbetalingsverplichtingen ontstaan, zoals hierna 3.1.20 nader uiteen wordt gezet.
Behoefte
3.1.8
Tussen partijen is niet in geschil dat het eigen aandeel van partijen in de kosten van de minderjarigen (hierna: de behoefte van de minderjarigen) in 2025 € 1.566,- per maand bedraagt. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de behoefte afgerond € 1.638,- per maand.
Draagkracht man
3.1.9
Vervolgens moet worden beoordeeld in welke verhouding deze behoefte van de minderjarigen tussen de ouders moet worden verdeeld. Dit gebeurt naar rato van hun beider draagkracht.
3.1.10
De vrouw voert aan dat er sprake is van verwijtbaar inkomensverlies. Gelet op hetgeen hiervoor onder 3.1.5 is overwogen, wordt dat verweer verworpen. Daarom zal de voorzieningenrechter niet uitgaan van de eerdere verdiencapaciteit van de man. Verder is aangevoerd dat het inkomen van de man kan worden hersteld. Uit productie 7 van de man volgt echter dat de man in een safehouse verblijft, waardoor hij op dit moment niet volledig beschikbaar is voor de arbeidsmarkt. In de toekomst kan dit mogelijk anders zijn, maar dat is nu nog niet aan de orde en hier zal de voorzieningenrechter niet op vooruit lopen. Wel mag van de man worden verwacht dat hij zich inspant om zijn inkomenspositie waar mogelijk te verbeteren en op termijn weer arbeid te verrichten.
3.1.11
Onweersproken is dat de man een WW-uitkering ontvangt voor de periode van 5 december 2025 tot 9 april 2026 en aansluitend een Ziektewetuitkering vanaf 10 april 2026.
Er wordt daarom gerekend met twee inkomensperiodes: van 5 december 2025 tot 9 april 2026 en vanaf 10 april 2026.
Periode 5 dec 2025 t/m 9 april 2026
3.1.12
Aangezien deze periode grotendeels ziet op het jaar 2026, zal de rechtbank rekenen met de tarieven 2026-1. De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het huidige NBI van de man over het jaar 2026 op € 2.363,- per maand, waarbij rekening is gehouden met de volgende gegevens (op basis van de overgelegde WW-specificaties):
- basisuitkering WW € 3.365,- (gemiddelde over de hiervoor genoemde periode)
- vakantiegeld 8% op jaarbasis
De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:
- de algemene heffingskorting
3.1.13
Omdat partijen het erover eens zijn dat rekening wordt gehouden met de werkelijke woonlasten (€ 1.263,-) van de man, zal de rechtbank daarbij aansluiten.
3.1.14
Het voorgaande betekent dat de rechtbank de draagkrachtberekening van de man, met inachtneming van de werkelijke woonlasten, zal volgen. Zijn draagkracht wordt, omdat het NBI hoger is dan € 2.200,-, vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% × [NBI – (1.263 + 1.365)]. Deze berekening leidt tot een negatieve uitkomst. De draagkracht van de man wordt daarom vastgesteld op nihil.
Periode vanaf 10 april 2026
3.1.15
De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het huidige NBI van de man over het jaar 2026 op € 2.427,- per maand. Daarbij is rekening gehouden met de volgende gegevens, op basis van de overgelegde specificaties van de Ziektewetuitkering:
- Ziektewetuitkering € 3.480,-
De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:
- de algemene heffingskorting
3.1.16
Omdat partijen het erover eens zijn dat rekening wordt gehouden met de werkelijke woonlasten (€ 1.263,-) van de man, zal de rechtbank daarbij aansluiten.
3.1.17
Het voorgaande betekent dat de rechtbank de draagkrachtberekening van de man, met inachtneming van de werkelijke woonlasten, zal volgen. Zijn draagkracht wordt, omdat het NBI hoger is dan € 2.200,-, vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% × [NBI – (1.263 + 1.365)]. Deze berekening leidt tot een negatieve uitkomst. De draagkracht van de man wordt daarom vastgesteld op nihil.
Conclusie
3.1.18
Uit het voorgaande volgt dat de man, zowel in de periode van 5 december 2025 tot en met 9 april 2026 als vanaf 10 april 2026, geen draagkracht heeft om een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen te voldoen.
3.1.19
Nu de man evenmin draagkracht heeft voor een partnerbijdrage, zal de rechtbank de partneralimentatie met ingang van 5 december 2025 op nihil stellen.
3.1.20
De rechtbank ziet op grond van de redelijkheid en billijkheid, mede in aanmerking genomen dat verzoeker pas laat een verzoek tot wijziging heeft ingediend, grond om de alimentatie tot de datum van de indiening van het verzoekschrift te bepalen op hetgeen is betaald en/of verhaald. Vanaf de datum van deze beschikking worden de bijdragen op nihil gesteld. Een en ander betekent dus dat er geen terugbetalingsverplichtingen ontstaan voor de alimentatiegerechtigde.
3.2
Proceskosten
3.2.1
Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.
4De beslissing
De rechtbank:
4.1
wijzigt de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 17 april 2025 in die zin, dat de daarin vastgestelde kinder- en partnerbijdrage met ingang van 5 december 2025 wordt gewijzigd, waarbij de door de man te betalen bijdrage zowel over de periode van 5 december 2025 tot heden wordt bepaald op bepaald op hetgeen door de alimentatieplichtige is betaald en/of verhaald en vanaf heden op nihil wordt gesteld;
4.2
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
4.3
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.M. Moerman, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van B. Bajra, griffier, op 15 juli 2026.