Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:10134

2026-07-15 Civiel recht; Personen- en familierecht C/10/720663 / KG ZA 26-526
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2026-07-15
Publicatiedatum
2026-08-15
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Voorlopige voorziening
Zaaknummer
C/10/720663 / KG ZA 26-526
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Kort geding vakanties en vervangende toestemming. IPR. Vzr. kan gezagsverhoudingen niet vaststellen en gaat in deze procedure uit van gezamenlijk gezag.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (14.925 tekens)
RECHTBANK Rotterdam


Team familie



Zaaknummer: C/10/720663 / KG ZA 26-526




Vonnis in kort geding van 15 juli 2026




in de zaak van





[eiseres]
,
te [plaats 1] (Verenigd Koninkrijk),
eiseres in conventie, verweerster in reconventie,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. J. Oversluizen,



tegen





[gedaagde]
,
te [plaats 2] ,
gedaagde in conventie, eiser in reconventie,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. M.J. Verdult.






1De procedure


1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:


de dagvaarding met producties van de vrouw, betekend op 15 juni 2026;


de conclusie van antwoord, tevens houdende eis in reconventie, met producties, van de man van 27 juni 2026;


de gewijzigde conclusie van antwoord, tevens houdende eis in reconventie, met productie, van de man van 29 juni 2026.




De vrouw heeft na de conclusie van antwoord van de man op 29 juni 2026 een schriftelijke reactie ingediend. De man heeft verzocht deze buiten beschouwing te laten, omdat het procesreglement niet voorziet in een schriftelijke repliek. De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat zij deze reactie als pleitnota heeft bedoeld. De voorzieningenrechter zal de schriftelijke reactie buiten beschouwing laten, omdat de wet en het procesreglement daarvoor geen ruimte bieden. De vrouw is tijdens de mondelinge behandeling in de gelegenheid gesteld haar standpunten nader toe te lichten.



1.2
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 1 juli 2026. Daarbij zijn verschenen:


de vrouw (via een videoverbinding), bijgestaan door haar advocaat;


de man, bijgestaan door zijn advocaat.





1.3
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de vrouw een pleitnotitie overgelegd.





2De feiten


2.1
Partijen zijn op [huwelijksdag] 2009 in [plaats 3] (Kenia) met elkaar gehuwd. De echtscheiding is op [echtscheidingsdag] 2018 uitgesproken.



2.2
Partijen zijn de ouders van de minderjarige:



[minderjarige 1] , geboren [geboortedag 1] 2010 te [plaats 3] (Kenia);



[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2011 te [plaats 3] (Kenia).





2.3
De man heeft de Nederlandse nationaliteit en de vrouw de Keniaanse nationaliteit.






3Het geschil


3.1
De vrouw vordert – samengevat – een voorlopige regeling inhoudende dat zij de minderjarigen gedurende een deel van de schoolvakanties bij zich zal hebben, te weten drie aaneengesloten weken in de zomervakantie 2026, alsmede gedurende de herfstvakantie 2026 en de kerstvakantie 2026/2027. Verder vordert zij te bepalen dat de man de kosten van de daarmee samenhangende reizen (waaronder vliegtickets, visa en verblijfskosten) voor zijn rekening neemt, en dat de man zijn volledige medewerking verleent aan de afgifte van paspoorten en de aanvraag van de benodigde (Schengen)visa.



3.2
De man voert verweer. Hij concludeert tot afwijzing van de vorderingen van de vrouw. De man heeft in reconventie gevorderd hem vervangende toestemming te verlenen om met de minderjarigen naar Italië op vakantie te gaan van 31 juli tot en met 22 augustus 2026. Daarnaast vordert de man veroordeling van de vrouw in de proceskosten.



3.3
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze gezamenlijk worden behandeld.






4De beoordeling


4.1

Rechtsmacht en toepasselijk recht



4.1.1
Deze zaak heeft een internationaal privaatrechtelijk karakter. Om die reden ligt zowel de rechtsmacht van deze rechtbank als het toe te passen recht ambtshalve ter beoordeling voor. De rechtbank stelt op grond van de omstandigheden van partijen vast dat zij bevoegd is op alle verzoeken te beslissen en dat op elk verzoek Nederlands recht moet worden toegepast.




4.2

Spoedeisend belang



4.2.1
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het spoedeisend belang voldoende is gegeven. De vorderingen zien op de invulling van de komende schoolvakanties, waaronder op korte termijn de zomervakantie.




4.3

Achtergrond



4.3.1
Vaststaat dat partijen in 2009 in Kenia zijn gehuwd en dat het huwelijk in 2018 formeel is ontbonden. Uit het huwelijk zijn twee minderjarige kinderen geboren. De minderjarigen zijn geboren en opgegroeid in Kenia en hebben zowel de Nederlandse als de Keniaanse nationaliteit. De vrouw heeft uitsluitend de Keniaanse nationaliteit. Verder staat vast dat de man in augustus 2024 met de minderjarigen vanuit Kenia naar Nederland is verhuisd. Sindsdien wonen de minderjarigen bij de man in Nederland. De vrouw is naar Londen verhuisd.



4.3.2
Partijen verschillen van mening over de wijze waarop de verhuizing naar Nederland tot stand is gekomen en over de gevolgen daarvan voor het contact tussen de vrouw en de minderjarigen. De vrouw stelt dat het contact sinds 2019 steeds verder is verminderd en dat zij sinds 2021 geen vakanties meer met de minderjarigen heeft kunnen doorbrengen. Zij ervaart dat de invulling van het contact grotendeels door de man wordt bepaald. De man betwist dat hij het contact heeft belemmerd en stelt juist dat hij steeds heeft meegewerkt aan contactmomenten en deze ook heeft gefaciliteerd. Sinds de verhuizing naar Nederland wonen partijen niet meer in hetzelfde land. Dit brengt praktische problemen mee bij de invulling van het contact, waaronder de kosten en organisatie van reizen, visa en verblijf. De vrouw heeft daarom verzocht om een duidelijke regeling voor de vakanties.




4.4

Gezagsverhouding



4.4.1
Tijdens de mondelinge behandeling is stilgestaan bij de vraag hoe de gezagsverhoudingen juridisch moet worden gekwalificeerd. De vrouw stelt zich op het standpunt dat zij naar Nederlands recht met het gezag is belast, terwijl de man zich beroept op de Keniaanse rechterlijke beslissingen waarin volgens hem het gezag aan hem is toegekend. De voorzieningenrechter stelt vast dat dit op basis van de huidige stukken niet eenduidig kan worden vastgesteld, mede gezien het internationale karakter van de zaak waarbij partijen zich niet nader hebben uitgelaten over het Keniaanse recht dienaangaande. Ook is de Keniaanse beslissingen niet in Nederland erkend. Dit kort geding leent zich ook niet voor een definitief oordeel hierover. Tegen die achtergrond is met partijen besproken om in deze procedure uit te gaan van gezamenlijk gezag. Partijen hebben zich daarin kunnen vinden. De voorzieningenrechter benadrukt dat dit uitgangspunt uitsluitend geldt voor deze procedure en dat daarmee niets is gezegd over de daadwerkelijke gezagsverhoudingen.




4.5


Inhoudelijk



Vakanties



4.5.1

De kern van het geschil ziet op de invulling van de vakanties. De vrouw wenst een regeling waarbij zij meer en langer contact met de minderjarigen kan hebben. Zij stelt dat zij sinds 2021 geen vakantie meer met de minderjarigen heeft kunnen doorbrengen en dat het daarom belangrijk is dat hierover duidelijke afspraken worden gemaakt.
De man stelt daartegenover dat hij steeds heeft meegewerkt aan contact tussen de vrouw en de minderjarigen en dat de vrouw ook buiten vakanties om contact met hen heeft gehad. Volgens de man bestaat geen aanleiding om de reeds geplande vakantie aan zijn zijde te doorkruisen.




4.5.2
Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen overeenstemming bereikt over de invulling van de herfstvakantie 2026 en de kerstvakantie 2026/2027. De minderjarigen zullen deze vakanties bij de vrouw doorbrengen. De voorzieningenrechter zal deze afspraken opnemen, omdat hij dit in het belang van de minderjarigen acht.


4.5.3

Met betrekking tot de zomervakantie 2026 is gebleken dat de man reeds eerder een vakantie heeft geboekt voor de periode van 31 juli tot en met 22 augustus 2026. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om deze plannen alsnog te doorkruisen. Deze periode is daarom niet beschikbaar voor verblijf van de minderjarigen bij de vrouw.
De man heeft voorgesteld dat de minderjarigen van 10 juli tot en met 20 juli 2026 bij de vrouw verblijven. Die data zijn echter gelet op de uitspraakdatum niet haalbaar. De voorzieningenrechter zal daarom bepalen dat de minderjarigen van 23 augustus tot en met 30 augustus bij de vrouw zijn. Mocht de man al eerder van vakantie terug zijn dan kunnen partijen in onderling overleg een ruimere vakantieregeling afspreken.




Vervangende toestemming vakantie man




4.5.4

De man heeft daarnaast vervangende toestemming verzocht om met de minderjarigen naar Italië te reizen van 31 juli tot en met 22 augustus 2026. Niet is gebleken dat deze vakantie niet in het belang van de minderjarigen is. Daarbij is van belang dat deze vakantie reeds is geboekt en dat de vrouw niet concreet heeft gesteld waarom deze reis niet zou moeten plaatsvinden. De voorzieningenrechter zal daarom de gevorderde toestemming verlenen.


Bestemming vakanties




4.5.5
Ten aanzien van de bestemming van de vakanties overweegt de voorzieningenrechter dat de vrouw gedurende het grootste deel van de mondelinge behandeling heeft aangegeven met de minderjarigen naar het Verenigd Koninkrijk dan wel Nederland te willen reizen. Pas aan het einde van de mondelinge behandeling heeft zij ook Kenia als mogelijke bestemming genoemd. Een reis naar Kenia ligt echter niet ter beoordeling voor, nu niet is gebleken dat de minderjarigen een dergelijke reis wensen en evenmin dat daarvoor – uitgaande van gezamenlijk gezag – toestemming aan de man is gevraagd. De voorzieningenrechter zal daarom bepalen dat de vakanties van de vrouw met de minderjarigen plaatsvinden in Nederland of het Verenigd Koninkrijk.



Reis-en verblijfskosten & Schengenvisa




4.5.6
Met betrekking tot de vordering van de vrouw dat de man de reis- en verblijfskosten draagt en meewerkt aan de aanvragen voor Schengenvisa, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.


4.5.7
De voorzieningenrechter stelt voorop dat op grond van rechtspraak van de Hoge Raad onder omstandigheden een bijdrage in reis- en verblijfskosten kan worden opgelegd (HR 20 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:976). Daarbij kan de rechter alle omstandigheden van het geval betrekken. Indien de reiskosten substantieel zijn, ligt het voor de hand dat de rechter een verschil in draagkracht tussen de ouders in aanmerking neemt bij het vaststellen van een regeling over de verdeling daarvan. De stelling van de man dat een grondslag voor een vergoeding van kosten omtrent de contactregeling ontbreekt, wordt daarom verworpen. In dit geval ziet de voorzieningenrechter echter onvoldoende aanleiding voor zo’n vergoeding. Gebleken is dat de man bruto ongeveer twee keer zo veel als de vrouw verdient. In die omstandigheid ziet de voorzieningenrechter echter geen aanleiding om de vordering van de vrouw (gedeeltelijk) toe te wijzen. Daarbij weegt mee dat de man al jarenlang de kosten van de minderjarigen draagt en geen kinderbijdrage van de vrouw ontvangt. Bovendien stelt hij zijn woning beschikbaar wanneer de vrouw in Nederland verblijft, waarbij hij zelf elders onderdak regelt. Onvoldoende is gebleken dat zij de kosten niet zelf kan dragen. De vordering op dit punt wordt daarom afgewezen.







Afgifte paspoorten




4.5.8
De vrouw heeft haar vordering over de paspoorten ingetrokken, omdat de minderjarigen hun paspoorten zelf onder zich hebben. Deze vordering zal daarom worden afgewezen.




4.6

Proceskosten



4.6.1
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. In hetgeen de man heeft aangevoerd ziet de voorzieningenrechter op dit moment geen aanleiding om de man in de proceskosten te veroordelen.







5De beslissing


De voorzieningenrechter



5.1
bepaalt dat de minderjarigen van 23 augustus 2026 tot en met 30 augustus 2026 bij de vrouw zullen verblijven;



5.2
neemt op de onderlinge regeling die partijen hebben getroffen, te weten dat de minderjarigen bij de vrouw zullen verblijven:


gedurende de herfstvakantie 2026, van 17 oktober 2026 tot en met 25 oktober 2026;


gedurende de kerstvakantie 2026/2027, van 21 december 2026 tot en met 3 januari 2027;





5.3
bepaalt dat de uitvoering van de zorgregeling onder 5.1 en 5.2 plaatsvindt in Nederland en/of het Verenigd Koninkrijk;



5.4
verleent de man vervangende toestemming om met de minderjarigen op vakantie te gaan naar Italië in de periode van 31 juli 2026 tot en met 22 augustus 2026;



5.5
bepaalt dat de in 5.4. genoemde vervangende toestemming strekt tot vervanging van de vereiste toestemming van de vrouw;



5.6
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,



5.7
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;



5.8
wijst af het meer of anders gevorderde.


Dit vonnis is gewezen door mr. E.M. Moerman en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026.