Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:10069
2026-07-14
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/10/708031 / FA RK 25-7635
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Beeïndiging van het ouderlijk gezag.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (20.130 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/708031 / FA RK 25-7635
Datum uitspraak: 14 juli 2026
Beschikking van de meervoudige kamer over een gezagsbeëindiging
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Haaglanden,
gevestigd in Den Haag, hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige]
,
geboren op [geboortedag 1] 2023 in [geboorteplaats 1] (Duitsland), hierna te noemen [voornaam minderjarige] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[moeder] , ook bekend als [moeder],
zonder bekende woon- of verblijfplaats, hierna te noemen de moeder,
advocaat mr. P.E. Epping, kantoorhoudende in Rotterdam,
de pleegmoeder en de pleegvader van [voornaam minderjarige] ,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres, hierna samen te noemen de pleegouders,
de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering,
gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen de GI.
De rechtbank merkt als informant aan:
[vader]
,
zonder bekende woon- of verblijfplaats, hierna te noemen de vader.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het pro forma verzoekschrift van de Raad van 8 oktober 2025, ingekomen op diezelfde datum;
het verzoekschrift van de Raad van 7 april 2026, ingekomen op diezelfde datum;
het gewijzigde verzoekschrift van de Raad van 9 april 2026, ingekomen op diezelfde datum;
het gewijzigde verzoekschrift van de Raad (met bijlagen) van 11 mei 2026, ingekomen op 12 mei 2026;
de bereidverklaring van de GI van 7 mei 2026, ingekomen op 21 mei 2026;
het bericht van mr. Epping van 29 mei 2026, ingekomen op diezelfde datum;
het bericht van de rechtbank aan mr. M.M.J. Bos van 8 juli 2026;
het bericht van mr. M.M.J. Bos van 10 juli 2026;
het bericht van de Raad van 14 juli 2026;
een kopie van de ID-bewijzen van de ouders, ter zitting overgelegd door mr. Epping.
1.2.
Omdat de Raad eerst had verzocht om het gezag van zowel de moeder als de vader te beëindigen, heeft de rechtbank eerst (ook) de vader aangemerkt als belanghebbende. De rechtbank heeft vervolgens (in het kader van de pilot rechtsbescherming) een advocaat aan de vader toegewezen om hem bij te staan in deze procedure, te weten mr. M.M.J. Bos. Daarna heeft de Raad, bij voormeld verzoekschrift van 11 mei 2026, zijn verzoek gewijzigd, in die zin dat alleen wordt verzocht om het gezag van de moeder te beëindigen, omdat de Raad ervan uitgaat dat alleen de moeder belast is met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] . Gelet hierop wordt de vader niet langer aangemerkt als belanghebbende, maar als informant. Dat betekent onder andere dat de vader geen recht heeft op bijstand van een advocaat. De rechtbank heeft mr. Bos hiervan op de hoogte gesteld. Mr. Bos heeft de rechtbank daarop laten weten zich te kunnen vinden in het oordeel van de rechtbank en daarom niet aanwezig te zullen zijn op de zitting.
1.3.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 14 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
de advocaat van de moeder;
de pleegvader;
- een vertegenwoordiger van de Raad, te weten [vertegenwoordiger van de raad] ;
- een vertegenwoordiger van de GI, te weten [vertegenwoordiger van de GI] .
De moeder, de pleegmoeder en de vader zijn niet verschenen. De rechtbank stelt vast dat zij wel juist zijn opgeroepen.
2De feiten
2.1.
De rechtbank gaat ervan uit dat de moeder belast is met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] .
2.2.
Op 11 oktober 2024 is [voornaam minderjarige] door de kinderrechter in de rechtbank Den Haag voorlopig onder toezicht gesteld van de GI. Daarnaast heeft de kinderrechter een (spoed)machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een pleeggezin. Sindsdien verblijft [voornaam minderjarige] in een pleeggezin.
2.3.
Op 14 juli 2025 heeft de kinderrechter in deze rechtbank de GI belast met de voorlopige voogdij over [voornaam minderjarige] , omdat er geen ouderlijk gezag over haar werd uitgeoefend. Deze maatregel geldt tot op heden.
2.4.
De GI heeft zich bij voormelde brief van 7 mei 2026 bereid verklaard om de voogdij over [voornaam minderjarige] te aanvaarden als het gezag van de moeder wordt beëindigd.
3Het (aangehouden en gewijzigde) verzoek van de Raad
Het pro forma verzoek van 8 oktober 2025
3.1.
De Raad verzoekt het gezag van de vader en de moeder over [voornaam minderjarige] te beëindigen. De Raad adviseert daarbij om de gecertificeerde instelling Stichting Nidos tot voogd over [voornaam minderjarige] te benoemen. In het geval dit verzoek wordt afgewezen, verzoekt de Raad om [voornaam minderjarige] onder toezicht te stellen van de GI voor de duur van één jaar. De Raad heeft verzocht om de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De Raad heeft verzocht om de behandeling van het verzoek een half jaar uit te stellen. De rechtbank heeft dat gedaan.
Het gewijzigde verzoek van 9 april 2026
3.2.
De Raad heeft het verzoek op 9 april 2026 gewijzigd, in die zin dat wordt geadviseerd om de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering regio West tot voogd over [voornaam minderjarige] te benoemen.
Het gewijzigde verzoek van 11 mei 2026
3.3.
De Raad heeft het verzoek op 11 mei 2026 opnieuw gewijzigd, in die zin dat alleen wordt verzocht om het (eenhoofdig) gezag van de moeder over [voornaam minderjarige] te beëindigen. In het geval het gezag van de moeder niet wordt beëindigd, verzoekt de Raad een voogd over [voornaam minderjarige] te benoemen, omdat de moeder het gezag over [voornaam minderjarige] niet uitoefent, dan wel de verblijfplaats van de moeder onbekend is. In het geval deze verzoeken worden afgewezen en er dus geen voogd wordt benoemd, verzoekt de Raad om [voornaam minderjarige] onder toezicht te stellen van de GI voor de duur van twaalf maanden en de GI een machtiging te verlenen tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van twaalf maanden. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.4.
De Raad heeft het verzoek ter zitting als volgt toegelicht. [voornaam minderjarige] is een heel jong meisje dat al lange tijd in een pleeggezin woont. Zij heeft al langere tijd geen contact meer met de ouders. De ouders zijn emotioneel en financieel niet in staat om omgangsafspraken met [voornaam minderjarige] na te komen. De moeder heeft de Raad vanochtend (nogmaals) laten weten dat zij niet voor [voornaam minderjarige] kan zorgen. [voornaam minderjarige] zal daarom verder opgroeien in het pleeggezin. [voornaam minderjarige] hecht zich goed aan de pleegouders en kan bij hen blijven.
4De standpunten van de belanghebbenden
4.1.
De GI heeft het verzoek van de Raad ter zitting ondersteund. De GI staat achter een gezagsbeëindiging, omdat de moeder op geen enkele manier uitvoering geeft aan het gezag. De GI krijgt geen contact met de moeder. Ook [voornaam minderjarige] heeft geen contact meer met de moeder. Dat is sinds februari 2025 zo. De moeder is daarna niet meer verschenen op omgangsmomenten, ondanks verschillende pogingen vanuit de GI om die te realiseren. Hetzelfde geldt voor de vader. In de herfst van 2025 is een omgangsregeling gestart waarbij de vader en [voornaam minderjarige] elkaar eens per zes weken zouden zien. De vader is vervolgens alleen op het eerste omgangsmoment verschenen en daarna niet meer. [voornaam minderjarige] verblijft bij de pleegouders op een fijne plek en ontwikkelt zich daar goed.
4.2.
Namens de moeder is ter zitting geen verweer gevoerd tegen het verzoek. Mr. Epping heeft in mei 2026 telefonisch contact gehad met de moeder. De moeder vertelde toen niet voor [voornaam minderjarige] te kunnen zorgen en het te begrijpen als haar gezag wordt beëindigd. Daarna is er geen contact meer tot stand gekomen.
4.3.
De pleegvader staat achter het verzoek tot gezagsbeëindiging. Het gaat goed met [voornaam minderjarige] in het pleeggezin. Wel maken de pleegouders zich zorgen over het gebrek aan contact met de ouders en de impact daarvan op [voornaam minderjarige] in de toekomst.
5De beoordeling
Rechtsmacht Nederlandse rechter
5.1.
[voornaam minderjarige] is in september 2024 met de vader en de moeder naar Nederland gekomen. Sinds april 2025 verblijft zij in het huidige (perspectief biedende) pleeggezin. Mede gelet op de datum van indiening van het oorspronkelijke verzoekschrift, te weten 8 oktober 2025, acht de rechtbank zich bevoegd om van het verzoek kennis te nemen. [voornaam minderjarige] had toen immers al haar gewone verblijfplaats in Nederland.
Toepasselijk recht
5.2.
Nu de rechtbank bevoegd is, past de rechtbank Nederlands recht toe.
Toetsingskader beëindiging ouderlijk gezag
5.3.
De rechtbank kan het gezag van een ouder beëindigen als een minderjarige zodanig opgroeit dat hij ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige te dragen binnen een voor de minderjarige aanvaardbare termijn.
5.4.
Het doel van een kinderbeschermingsmaatregel, zoals beëindiging van het ouderlijk gezag, is de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarige weg te nemen als de ouder daartoe niet in staat is. Het gevolg van het beëindigen van het gezag moet in een redelijke verhouding staan tot dat doel. Als de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarige kan worden weggenomen met een lichtere maatregel dan gezagsbeëindiging, dan beëindigt de rechtbank het gezag niet. Omdat beëindiging van het gezag ingrijpt in het privé- en gezinsleven van de ouder en de minderjarige, beoordeelt de rechtbank ook of de maatregel niet onnodig ingrijpend is. De belangen van de minderjarige staan bij die beoordeling voorop. De rechtbank weegt deze belangen zorgvuldig af tegen de belangen van de ouder.
Beoordeling van het verzoek tot beëindiging van het gezag
5.5.
De rechtbank is van oordeel dat aan de hiervoor genoemde vereisten voor beëindiging van het gezag van de moeder is voldaan en zal het verzoek tot gezagsbeëindiging toewijzen. De rechtbank legt hierna uit waarom.
5.6.
[voornaam minderjarige] is in september 2024 met de ouders vanuit Duitsland naar Nederland gekomen. Zij was toen een baby van tien maanden oud. In Nederland hebben de ouders samen met [voornaam minderjarige] een dakloos en zwervend bestaan geleid. Het ontbrak [voornaam minderjarige] hierdoor aan stabiliteit en veiligheid. In oktober 2024 is [voornaam minderjarige] in een pleeggezin geplaatst vanwege ernstige zorgen over haar veiligheid en ontwikkeling. De ouders wilden geen gebruik maken van het aanbod om [voornaam minderjarige] en de moeder samen in een moeder-kindopvang te plaatsen. Ook daarna is het de ouders, die inmiddels uit elkaar zijn, niet gelukt om een veilige en stabiele woonplek voor [voornaam minderjarige] te creëren en hulpverlening te aanvaarden, om daarmee de ontwikkelingsbedreiging van [voornaam minderjarige] te kunnen wegnemen. Ook is het hen niet gelukt om contact met [voornaam minderjarige] te onderhouden. De GI heeft geprobeerd een omgangsregeling tussen [voornaam minderjarige] en haar beide ouders tot stand te brengen, maar de afspraken werden door beide ouders niet nagekomen. [voornaam minderjarige] heeft de moeder niet meer gezien sinds februari 2025, en de vader sinds november 2025. De GI krijgt sinds juli 2025 geen contact meer met de moeder. Tegen de Raad heeft de moeder gezegd dat zij [voornaam minderjarige] niet wil zien, omdat zij haar dan wil meenemen. Zij kan echter niet voor [voornaam minderjarige] zorgen, omdat zij ernstig depressief is en niet beschikt over een huis waarin zij samen met [voornaam minderjarige] kan wonen (zo heeft zij haar advocaat en de Raad verteld, die naar aanleiding van deze procedure telefonisch contact met haar hebben gehad). Niet duidelijk is geworden of de moeder nog in Nederland verblijft, of dat zij is teruggegaan naar haar geboorteland Bulgarije.
5.7.
Uit dit alles blijkt dat de (gezaghebbende) moeder [voornaam minderjarige] niet kan bieden wat zij nodig heeft om zich goed te kunnen ontwikkelen, en dat niet te verwachten valt dat hier verandering in komt binnen een voor [voornaam minderjarige] aanvaardbare termijn. [voornaam minderjarige] is nu een peuter van ruim tweeëneenhalf jaar oud. Haar jonge leeftijd en instabiele start maken haar een kwetsbaar meisje dat stabiliteit, zorg en liefde nodig heeft om zich goed te kunnen ontwikkelen. Het huidige pleeggezin, waarin zij al meer dan een jaar verblijft, biedt haar dat. [voornaam minderjarige] kan in dit pleeggezin blijven opgroeien en daar is zij, naar het oordeel van de rechtbank, ook het meest bij gebaat.
5.8.
Omdat de moeder al lange tijd geen invulling geeft aan haar ouderlijk gezag en dit ook niet wil, en hierin geen verandering te verwachten valt, is een gezagsbeëindiging noodzakelijk in het belang van [voornaam minderjarige] . Het lukt niet of nauwelijks om contact met de moeder te krijgen. Daardoor is het niet mogelijk om haar toestemming te krijgen voor (de voor [voornaam minderjarige] noodzakelijke) gezagsbeslissingen, terwijl dat wel nodig zou zijn als de moeder het gezag over [voornaam minderjarige] zou behouden.
Voogdij
5.9.
Door de beëindiging van het gezag van de moeder is er niemand meer om gezagsbeslissingen over [voornaam minderjarige] te nemen. De rechtbank benoemt daarom een voogd over [voornaam minderjarige] die voortaan de gezagsbeslissingen neemt. De Raad heeft geadviseerd om de GI te benoemen tot voogd. De GI, die sinds 14 juli 2025 belast is met de voorlopige voogdij over [voornaam minderjarige] , heeft verklaard bereid te zijn om de voogdij te aanvaarden als het gezag van de moeder wordt beëindigd. Gelet hierop benoemt de rechtbank de GI tot voogd.
5.10.
De rechtbank zal bepalen dat de moeder aan de GI rekening en verantwoording moet afleggen over het door haar gevoerde bewind over het vermogen van [voornaam minderjarige] . Dit betekent dat zij de GI op de hoogte moet stellen van alle geldzaken die over [voornaam minderjarige] gaan, zodat de GI vanaf nu voor [voornaam minderjarige] de geldzaken kan regelen.
Onduidelijkheid naam en geboortedatum van de moeder
5.11.
Uit de stukken en ter zitting is gebleken dat er onduidelijkheid bestaat over de naam en geboortedatum van de moeder. In de Nederlandse Basisregistratie Personen staat de moeder ingeschreven als [moeder] , geboren op [geboortedag 2] 1994. Op de ter zitting overgelegde kopie van het Bulgaarse identiteitsbewijs van de moeder staat als naam van de moeder vermeld [moeder] , als naam van haar vader (“father’s name”) [moeder] , en als geboortedatum [geboortedag 3] 1994. Gelet op deze onduidelijkheid en om praktische problemen in de toekomst te voorkomen, zal de rechtbank bij de beslissing hieronder beide namen en geboortedata opnemen.
Tot slot
5.12.
Omdat de rechtbank het verzoek van de Raad tot beëindiging van het gezag van de moeder toewijst, komt zij niet toe aan beoordeling van de rest van het verzoek van de Raad.
5.13.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5.14.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.
6De beslissing
De rechtbank:
6.1.
beëindigt het ouderlijk gezag van [moeder] , geboren op [geboortedag 2] 1994 in [geboorteplaats 2] (Bulgarije), ook bekend als [moeder], geboren op [geboortedag 3] 1994 in [geboorteplaats 3] (Bulgarije), over [minderjarige], geboren op [geboortedag 1] 2023 in [geboorteplaats 1] (Duitsland);
6.2.
benoemt de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, gevestigd in Rotterdam, tot voogd over genoemde minderjarige;
6.3.
bepaalt dat de moeder rekening en verantwoording moet afleggen over het door haar gevoerde bewind over het vermogen van genoemde minderjarige;
6.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken door mr. H. Biemond, voorzitter tevens kinderrechter, en mr. G.M. Paling en mr. L.L.H. Roebroek, kinderrechters, op 14 juli 2026, in aanwezigheid van mr. M.C.J. Holierhoek als griffier. De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 28 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Artikel 1:266, eerste lid, onder a, BW.
Artikel 8 EVRM en artikel 3 IVRK.
Artikel 1:275, eerste lid, BW.
Artikel 1:276, eerste lid, BW.
Artikel 2 Besluit gezagsregisters.
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/708031 / FA RK 25-7635
Datum uitspraak: 14 juli 2026
Beschikking van de meervoudige kamer over een gezagsbeëindiging
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Haaglanden,
gevestigd in Den Haag, hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige]
,
geboren op [geboortedag 1] 2023 in [geboorteplaats 1] (Duitsland), hierna te noemen [voornaam minderjarige] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[moeder] , ook bekend als [moeder],
zonder bekende woon- of verblijfplaats, hierna te noemen de moeder,
advocaat mr. P.E. Epping, kantoorhoudende in Rotterdam,
de pleegmoeder en de pleegvader van [voornaam minderjarige] ,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres, hierna samen te noemen de pleegouders,
de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering,
gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen de GI.
De rechtbank merkt als informant aan:
[vader]
,
zonder bekende woon- of verblijfplaats, hierna te noemen de vader.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het pro forma verzoekschrift van de Raad van 8 oktober 2025, ingekomen op diezelfde datum;
het verzoekschrift van de Raad van 7 april 2026, ingekomen op diezelfde datum;
het gewijzigde verzoekschrift van de Raad van 9 april 2026, ingekomen op diezelfde datum;
het gewijzigde verzoekschrift van de Raad (met bijlagen) van 11 mei 2026, ingekomen op 12 mei 2026;
de bereidverklaring van de GI van 7 mei 2026, ingekomen op 21 mei 2026;
het bericht van mr. Epping van 29 mei 2026, ingekomen op diezelfde datum;
het bericht van de rechtbank aan mr. M.M.J. Bos van 8 juli 2026;
het bericht van mr. M.M.J. Bos van 10 juli 2026;
het bericht van de Raad van 14 juli 2026;
een kopie van de ID-bewijzen van de ouders, ter zitting overgelegd door mr. Epping.
1.2.
Omdat de Raad eerst had verzocht om het gezag van zowel de moeder als de vader te beëindigen, heeft de rechtbank eerst (ook) de vader aangemerkt als belanghebbende. De rechtbank heeft vervolgens (in het kader van de pilot rechtsbescherming) een advocaat aan de vader toegewezen om hem bij te staan in deze procedure, te weten mr. M.M.J. Bos. Daarna heeft de Raad, bij voormeld verzoekschrift van 11 mei 2026, zijn verzoek gewijzigd, in die zin dat alleen wordt verzocht om het gezag van de moeder te beëindigen, omdat de Raad ervan uitgaat dat alleen de moeder belast is met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] . Gelet hierop wordt de vader niet langer aangemerkt als belanghebbende, maar als informant. Dat betekent onder andere dat de vader geen recht heeft op bijstand van een advocaat. De rechtbank heeft mr. Bos hiervan op de hoogte gesteld. Mr. Bos heeft de rechtbank daarop laten weten zich te kunnen vinden in het oordeel van de rechtbank en daarom niet aanwezig te zullen zijn op de zitting.
1.3.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 14 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
de advocaat van de moeder;
de pleegvader;
- een vertegenwoordiger van de Raad, te weten [vertegenwoordiger van de raad] ;
- een vertegenwoordiger van de GI, te weten [vertegenwoordiger van de GI] .
De moeder, de pleegmoeder en de vader zijn niet verschenen. De rechtbank stelt vast dat zij wel juist zijn opgeroepen.
2De feiten
2.1.
De rechtbank gaat ervan uit dat de moeder belast is met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] .
2.2.
Op 11 oktober 2024 is [voornaam minderjarige] door de kinderrechter in de rechtbank Den Haag voorlopig onder toezicht gesteld van de GI. Daarnaast heeft de kinderrechter een (spoed)machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een pleeggezin. Sindsdien verblijft [voornaam minderjarige] in een pleeggezin.
2.3.
Op 14 juli 2025 heeft de kinderrechter in deze rechtbank de GI belast met de voorlopige voogdij over [voornaam minderjarige] , omdat er geen ouderlijk gezag over haar werd uitgeoefend. Deze maatregel geldt tot op heden.
2.4.
De GI heeft zich bij voormelde brief van 7 mei 2026 bereid verklaard om de voogdij over [voornaam minderjarige] te aanvaarden als het gezag van de moeder wordt beëindigd.
3Het (aangehouden en gewijzigde) verzoek van de Raad
Het pro forma verzoek van 8 oktober 2025
3.1.
De Raad verzoekt het gezag van de vader en de moeder over [voornaam minderjarige] te beëindigen. De Raad adviseert daarbij om de gecertificeerde instelling Stichting Nidos tot voogd over [voornaam minderjarige] te benoemen. In het geval dit verzoek wordt afgewezen, verzoekt de Raad om [voornaam minderjarige] onder toezicht te stellen van de GI voor de duur van één jaar. De Raad heeft verzocht om de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De Raad heeft verzocht om de behandeling van het verzoek een half jaar uit te stellen. De rechtbank heeft dat gedaan.
Het gewijzigde verzoek van 9 april 2026
3.2.
De Raad heeft het verzoek op 9 april 2026 gewijzigd, in die zin dat wordt geadviseerd om de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering regio West tot voogd over [voornaam minderjarige] te benoemen.
Het gewijzigde verzoek van 11 mei 2026
3.3.
De Raad heeft het verzoek op 11 mei 2026 opnieuw gewijzigd, in die zin dat alleen wordt verzocht om het (eenhoofdig) gezag van de moeder over [voornaam minderjarige] te beëindigen. In het geval het gezag van de moeder niet wordt beëindigd, verzoekt de Raad een voogd over [voornaam minderjarige] te benoemen, omdat de moeder het gezag over [voornaam minderjarige] niet uitoefent, dan wel de verblijfplaats van de moeder onbekend is. In het geval deze verzoeken worden afgewezen en er dus geen voogd wordt benoemd, verzoekt de Raad om [voornaam minderjarige] onder toezicht te stellen van de GI voor de duur van twaalf maanden en de GI een machtiging te verlenen tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van twaalf maanden. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.4.
De Raad heeft het verzoek ter zitting als volgt toegelicht. [voornaam minderjarige] is een heel jong meisje dat al lange tijd in een pleeggezin woont. Zij heeft al langere tijd geen contact meer met de ouders. De ouders zijn emotioneel en financieel niet in staat om omgangsafspraken met [voornaam minderjarige] na te komen. De moeder heeft de Raad vanochtend (nogmaals) laten weten dat zij niet voor [voornaam minderjarige] kan zorgen. [voornaam minderjarige] zal daarom verder opgroeien in het pleeggezin. [voornaam minderjarige] hecht zich goed aan de pleegouders en kan bij hen blijven.
4De standpunten van de belanghebbenden
4.1.
De GI heeft het verzoek van de Raad ter zitting ondersteund. De GI staat achter een gezagsbeëindiging, omdat de moeder op geen enkele manier uitvoering geeft aan het gezag. De GI krijgt geen contact met de moeder. Ook [voornaam minderjarige] heeft geen contact meer met de moeder. Dat is sinds februari 2025 zo. De moeder is daarna niet meer verschenen op omgangsmomenten, ondanks verschillende pogingen vanuit de GI om die te realiseren. Hetzelfde geldt voor de vader. In de herfst van 2025 is een omgangsregeling gestart waarbij de vader en [voornaam minderjarige] elkaar eens per zes weken zouden zien. De vader is vervolgens alleen op het eerste omgangsmoment verschenen en daarna niet meer. [voornaam minderjarige] verblijft bij de pleegouders op een fijne plek en ontwikkelt zich daar goed.
4.2.
Namens de moeder is ter zitting geen verweer gevoerd tegen het verzoek. Mr. Epping heeft in mei 2026 telefonisch contact gehad met de moeder. De moeder vertelde toen niet voor [voornaam minderjarige] te kunnen zorgen en het te begrijpen als haar gezag wordt beëindigd. Daarna is er geen contact meer tot stand gekomen.
4.3.
De pleegvader staat achter het verzoek tot gezagsbeëindiging. Het gaat goed met [voornaam minderjarige] in het pleeggezin. Wel maken de pleegouders zich zorgen over het gebrek aan contact met de ouders en de impact daarvan op [voornaam minderjarige] in de toekomst.
5De beoordeling
Rechtsmacht Nederlandse rechter
5.1.
[voornaam minderjarige] is in september 2024 met de vader en de moeder naar Nederland gekomen. Sinds april 2025 verblijft zij in het huidige (perspectief biedende) pleeggezin. Mede gelet op de datum van indiening van het oorspronkelijke verzoekschrift, te weten 8 oktober 2025, acht de rechtbank zich bevoegd om van het verzoek kennis te nemen. [voornaam minderjarige] had toen immers al haar gewone verblijfplaats in Nederland.
Toepasselijk recht
5.2.
Nu de rechtbank bevoegd is, past de rechtbank Nederlands recht toe.
Toetsingskader beëindiging ouderlijk gezag
5.3.
De rechtbank kan het gezag van een ouder beëindigen als een minderjarige zodanig opgroeit dat hij ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige te dragen binnen een voor de minderjarige aanvaardbare termijn.
5.4.
Het doel van een kinderbeschermingsmaatregel, zoals beëindiging van het ouderlijk gezag, is de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarige weg te nemen als de ouder daartoe niet in staat is. Het gevolg van het beëindigen van het gezag moet in een redelijke verhouding staan tot dat doel. Als de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarige kan worden weggenomen met een lichtere maatregel dan gezagsbeëindiging, dan beëindigt de rechtbank het gezag niet. Omdat beëindiging van het gezag ingrijpt in het privé- en gezinsleven van de ouder en de minderjarige, beoordeelt de rechtbank ook of de maatregel niet onnodig ingrijpend is. De belangen van de minderjarige staan bij die beoordeling voorop. De rechtbank weegt deze belangen zorgvuldig af tegen de belangen van de ouder.
Beoordeling van het verzoek tot beëindiging van het gezag
5.5.
De rechtbank is van oordeel dat aan de hiervoor genoemde vereisten voor beëindiging van het gezag van de moeder is voldaan en zal het verzoek tot gezagsbeëindiging toewijzen. De rechtbank legt hierna uit waarom.
5.6.
[voornaam minderjarige] is in september 2024 met de ouders vanuit Duitsland naar Nederland gekomen. Zij was toen een baby van tien maanden oud. In Nederland hebben de ouders samen met [voornaam minderjarige] een dakloos en zwervend bestaan geleid. Het ontbrak [voornaam minderjarige] hierdoor aan stabiliteit en veiligheid. In oktober 2024 is [voornaam minderjarige] in een pleeggezin geplaatst vanwege ernstige zorgen over haar veiligheid en ontwikkeling. De ouders wilden geen gebruik maken van het aanbod om [voornaam minderjarige] en de moeder samen in een moeder-kindopvang te plaatsen. Ook daarna is het de ouders, die inmiddels uit elkaar zijn, niet gelukt om een veilige en stabiele woonplek voor [voornaam minderjarige] te creëren en hulpverlening te aanvaarden, om daarmee de ontwikkelingsbedreiging van [voornaam minderjarige] te kunnen wegnemen. Ook is het hen niet gelukt om contact met [voornaam minderjarige] te onderhouden. De GI heeft geprobeerd een omgangsregeling tussen [voornaam minderjarige] en haar beide ouders tot stand te brengen, maar de afspraken werden door beide ouders niet nagekomen. [voornaam minderjarige] heeft de moeder niet meer gezien sinds februari 2025, en de vader sinds november 2025. De GI krijgt sinds juli 2025 geen contact meer met de moeder. Tegen de Raad heeft de moeder gezegd dat zij [voornaam minderjarige] niet wil zien, omdat zij haar dan wil meenemen. Zij kan echter niet voor [voornaam minderjarige] zorgen, omdat zij ernstig depressief is en niet beschikt over een huis waarin zij samen met [voornaam minderjarige] kan wonen (zo heeft zij haar advocaat en de Raad verteld, die naar aanleiding van deze procedure telefonisch contact met haar hebben gehad). Niet duidelijk is geworden of de moeder nog in Nederland verblijft, of dat zij is teruggegaan naar haar geboorteland Bulgarije.
5.7.
Uit dit alles blijkt dat de (gezaghebbende) moeder [voornaam minderjarige] niet kan bieden wat zij nodig heeft om zich goed te kunnen ontwikkelen, en dat niet te verwachten valt dat hier verandering in komt binnen een voor [voornaam minderjarige] aanvaardbare termijn. [voornaam minderjarige] is nu een peuter van ruim tweeëneenhalf jaar oud. Haar jonge leeftijd en instabiele start maken haar een kwetsbaar meisje dat stabiliteit, zorg en liefde nodig heeft om zich goed te kunnen ontwikkelen. Het huidige pleeggezin, waarin zij al meer dan een jaar verblijft, biedt haar dat. [voornaam minderjarige] kan in dit pleeggezin blijven opgroeien en daar is zij, naar het oordeel van de rechtbank, ook het meest bij gebaat.
5.8.
Omdat de moeder al lange tijd geen invulling geeft aan haar ouderlijk gezag en dit ook niet wil, en hierin geen verandering te verwachten valt, is een gezagsbeëindiging noodzakelijk in het belang van [voornaam minderjarige] . Het lukt niet of nauwelijks om contact met de moeder te krijgen. Daardoor is het niet mogelijk om haar toestemming te krijgen voor (de voor [voornaam minderjarige] noodzakelijke) gezagsbeslissingen, terwijl dat wel nodig zou zijn als de moeder het gezag over [voornaam minderjarige] zou behouden.
Voogdij
5.9.
Door de beëindiging van het gezag van de moeder is er niemand meer om gezagsbeslissingen over [voornaam minderjarige] te nemen. De rechtbank benoemt daarom een voogd over [voornaam minderjarige] die voortaan de gezagsbeslissingen neemt. De Raad heeft geadviseerd om de GI te benoemen tot voogd. De GI, die sinds 14 juli 2025 belast is met de voorlopige voogdij over [voornaam minderjarige] , heeft verklaard bereid te zijn om de voogdij te aanvaarden als het gezag van de moeder wordt beëindigd. Gelet hierop benoemt de rechtbank de GI tot voogd.
5.10.
De rechtbank zal bepalen dat de moeder aan de GI rekening en verantwoording moet afleggen over het door haar gevoerde bewind over het vermogen van [voornaam minderjarige] . Dit betekent dat zij de GI op de hoogte moet stellen van alle geldzaken die over [voornaam minderjarige] gaan, zodat de GI vanaf nu voor [voornaam minderjarige] de geldzaken kan regelen.
Onduidelijkheid naam en geboortedatum van de moeder
5.11.
Uit de stukken en ter zitting is gebleken dat er onduidelijkheid bestaat over de naam en geboortedatum van de moeder. In de Nederlandse Basisregistratie Personen staat de moeder ingeschreven als [moeder] , geboren op [geboortedag 2] 1994. Op de ter zitting overgelegde kopie van het Bulgaarse identiteitsbewijs van de moeder staat als naam van de moeder vermeld [moeder] , als naam van haar vader (“father’s name”) [moeder] , en als geboortedatum [geboortedag 3] 1994. Gelet op deze onduidelijkheid en om praktische problemen in de toekomst te voorkomen, zal de rechtbank bij de beslissing hieronder beide namen en geboortedata opnemen.
Tot slot
5.12.
Omdat de rechtbank het verzoek van de Raad tot beëindiging van het gezag van de moeder toewijst, komt zij niet toe aan beoordeling van de rest van het verzoek van de Raad.
5.13.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5.14.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.
6De beslissing
De rechtbank:
6.1.
beëindigt het ouderlijk gezag van [moeder] , geboren op [geboortedag 2] 1994 in [geboorteplaats 2] (Bulgarije), ook bekend als [moeder], geboren op [geboortedag 3] 1994 in [geboorteplaats 3] (Bulgarije), over [minderjarige], geboren op [geboortedag 1] 2023 in [geboorteplaats 1] (Duitsland);
6.2.
benoemt de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, gevestigd in Rotterdam, tot voogd over genoemde minderjarige;
6.3.
bepaalt dat de moeder rekening en verantwoording moet afleggen over het door haar gevoerde bewind over het vermogen van genoemde minderjarige;
6.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken door mr. H. Biemond, voorzitter tevens kinderrechter, en mr. G.M. Paling en mr. L.L.H. Roebroek, kinderrechters, op 14 juli 2026, in aanwezigheid van mr. M.C.J. Holierhoek als griffier. De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 28 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Artikel 1:266, eerste lid, onder a, BW.
Artikel 8 EVRM en artikel 3 IVRK.
Artikel 1:275, eerste lid, BW.
Artikel 1:276, eerste lid, BW.
Artikel 2 Besluit gezagsregisters.