Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:10056
2026-07-13
Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
ROT 26/2180
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Financieel toezicht. Vovo hangende bezwaar tegen een bestuurlijke boete en het daarmee samenhangende openbaarmakingsbesluit. DNB heeft terecht geconcludeerd dat verzoekster niet beschikt over een effectief transactiemonitoringssysteem in het kader van de Wwft. Daarnaast is niet gebleken van een wanverhouding tussen de overtreding en de boetehoogte. Er bestaan ook geen gronden om in dit geval van de openbaarmaking af te zien, deze uit te stellen of in geanonimiseerde vorm te laten plaatsvinden. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.
Citeert (4)
- ECLI:NL:RBROT:2014:1636 Rechtbank Rotterdam 07-03-2014
- ECLI:NL:RBROT:2021:4929 Rechtbank Rotterdam 04-05-2021
- ECLI:NL:CBB:2025:372 College van Beroep voor het bedrijfsleven 15-07-2025
- ECLI:NL:CBB:2025:102 College van Beroep voor het bedrijfsleven 25-02-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (25.851 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/2180
uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 juli 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[verzoekster] , gevestigd te [plaatsnaam] , verzoekster ( [verzoekster] )
(gemachtigden: mr. F.M.A. ’t Hart en mr. H.S. Al-Nassar),
en
De Nederlandsche Bank N.V., verweerster (DNB),
(gemachtigden: mr. C. de Rond).
Procesverloop
Bij besluit van 2 maart 2026 heeft DNB aan [verzoekster] een bestuurlijke boete van € 2.656.250,- opgelegd (het boetebesluit) wegens overtreding van artikel 3, tweede lid, van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft). DNB heeft bij besluit van 2 maart 2026 eveneens medegedeeld dat zij het boetebesluit, onder begeleiding van een persbericht, openbaar zal maken door publicatie daarvan (het openbaarmakingsbesluit).
[verzoekster] heeft op 6 maart 2026 bezwaar gemaakt tegen het boetebesluit en het openbaarmakingsbesluit. Tevens heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, strekkende tot schorsing van het openbaarmakingsbesluit.
DNB heeft op 8 mei 2026 een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft met gesloten deuren plaatsgevonden op 7 juli 2026. [verzoekster] heeft zich laten vertegenwoordigen haar gemachtigden. Namens [verzoekster] zijn tevens verschenen [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] . DNB is ter zitting vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Daarnaast zijn namens DNB verschenen mr. drs. [naam 4] , mr. [naam 5] en mr. [naam 6] .
Overwegingen
Inleiding
1. [verzoekster] beschikt over een vergunning van DNB voor het uitoefenen van het bedrijf van betaaldienstverlener. [verzoekster] is daarmee een betaalinstelling als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht (Wft). Zij verzorgt online betaaldiensten voor haar klanten (ook wel ‘merchants’ genoemd), biedt pinterminals aan en verzorgt de afhandeling van pin-transacties.
2. DNB is in 2024 een thematisch onderzoek gestart naar transactiemonitoring. In dat kader heeft zij op 13 februari 2024 een aankondigingsbrief van het onderzoek en een vragenbrief aan [verzoekster] gestuurd. [verzoekster] heeft de ingevulde vragenbrief op 5 maart 2024 aan DNB geretourneerd. DNB heeft haar vervolgens op 11 april 2024 bericht dat zij is geselecteerd voor een verdiepend onderzoek. Dit onderzoek is door DNB uitgevoerd in de periode van 11 april 2024 tot en met 9 september 2024. DNB heeft daarbij onder meer onderzocht of de business rules (detectieregels op basis waarvan het systeem transactiealerts genereert) die door [verzoekster] bij de monitoring worden gehanteerd de alerts genereren die ze zouden moeten genereren en of [verzoekster] de alerts adequaat afhandelt.
3. DNB heeft de voorlopige bevindingen van haar onderzoek op 2 oktober 2024 aan [verzoekster] kenbaar gemaakt. Daarna heeft DNB nog een informatieverzoek ingediend bij de Financial Intelligent Unit Nederland (FIU). [verzoekster] heeft op 15 november 2024 een reactie ingediend op de voorlopige bevindingen.
Onderzoeksrapport
4. DNB heeft op 10 december 2024 een onderzoeksrapport uitgebracht.
Uit dit onderzoeksrapport blijkt, voor zover hier van belang, dat het transactiemonitoringssysteem van [verzoekster] niet goed is ingericht, althans dat het niet goed heeft gefunctioneerd, omdat:
- [verzoekster] haar transactiemonitoringssysteem niet volledig en tijdig heeft gevoed met de transactieprofielen van al haar merchants;
- [verzoekster] haar transactiemonitoringssysteem niet volledig en tijdig gevoed heeft met alle verrichte transacties van haar merchants.
Door deze gebreken is [verzoekster] niet voldoende in staat geweest om een adequate voortdurende controle op transacties uit te oefenen, dat wil zeggen een controle waarmee zij kan verzekeren dat de transacties overeenkomen met de kennis die [verzoekster] heeft van de cliënt en diens risicoprofiel. Om die reden is artikel 3, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wwft overtreden. Deze overtreding volgt ook uit de beoordeling van 49 alertdossiers. DNB heeft op grond daarvan vastgesteld dat [verzoekster] bij 25 daarvan de voortdurende controle onvoldoende heeft uitgeoefend. [verzoekster] heeft relevante signalen niet of niet tijdig beoordeeld, of deze doorgestuurd naar een andere afdeling alwaar ook geen (tijdige) beoordeling heeft plaatsgevonden. Verder zijn transacties 'in bulk' afgesloten zonder nadere motivatie, waardoor integriteitsrisico's niet zijn beoordeeld en gemitigeerd. Dit laatste vertoont sterke overeenkomsten met de handelswijze van [verzoekster] zoals die is vastgesteld tijdens het onderzoek in 2018 en waarvoor DNB eerder een bestuurlijke boete heeft opgelegd. Dit maakt de geconstateerde overtreding des te meer verwijtbaar. De overtreding van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wwft heeft plaatsgevonden in de periode van 2021 en is mogelijk nog voortdurend. DNB houdt de datum van de terugkoppeling van de definitieve bevindingen van het onderzoek aan [verzoekster] (10 december 2024) aan als einddatum bij de periode van overtreding.
4.1.
Artikel 2c, vierde lid, van de Wwft bepaalt dat de instelling zorgdraagt voor een systematische toetsing van de gedragslijnen, procedures en maatregelen, en waar nodig voor een bijstelling hiervan (de SIRA). DNB concludeert dat [verzoekster] onvoldoende heeft zorg gedragen voor een systematische toetsing van de mitigerende maatregelen op het gebied van transactiemonitoring en dat ook niet de benodigde tijdige bijstelling heeft plaats gevonden. DNB komt tot deze conclusie omdat [verzoekster] heeft nagelaten tijdig, volledig en adequaat de werking van de controls te toetsen die een goede werking van de transactiemonitoringssysteem, business rules en alert afhandeling moeten borgen. Ook heeft [verzoekster] nagelaten om – nadat duidelijk werd dat de control testing onvoldoende was – zorg te dragen voor een tijdige bijstelling hiervan.
4.2.
DNB heeft verder geconstateerd dat [verzoekster] in zes (later bijgesteld naar vijf) van de twintig onderzochte transacties op basis van de objectieve indicator (een transactie van € 15.000,- of meer) niet ofwel niet tijdig een melding heeft gedaan bij de FIU. Daartoe is [verzoekster] op grond van artikel 16 van de Wwft verplicht.
Waarschuwing
5. DNB heeft [verzoekster] op 2 april 2025 een waarschuwing gegeven omdat er sprake is van overtredingen van artikel 16 van de Wwft, artikel 2a van de Wwft, artikel 3, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wwft en van artikel 3:17, eerste lid, van Wft in samenhang met artikel 2c, eerste en vierde lid, van de Wwft. Voor de meeste overtredingen verlangt DNB dat [verzoekster] deze uiterlijk 1 september 2025 heeft beëindigd. DNB verwacht van [verzoekster] ook dat zij niet-gemelde ongebruikelijke transacties alsnog met terugwerkende kracht bij de FIU meldt. Dit geldt zowel voor de transacties die DNB heeft onderzocht als voor alle transacties vanaf in ieder geval 1 januari 2023 die volgens objectieve en subjectieve indicatoren aan de FIU gemeld zou moeten zijn (een zogenaamde ‘lookback’). [verzoekster] moet deze transacties uiterlijk op 1 oktober 2025 bij de FIU hebben gemeld. Dezelfde termijn geldt voor de beëindiging van de door DNB geconstateerde overtreding van artikel 2c, vierde lid, van de Wwft. DNB verwacht verder dat [verzoekster] uiterlijk op 15 oktober 2025 DNB informeert over de afronding van het hersteltraject.
Besluitvorming
6. DNB heeft op 17 september 2025 het voornemen aan [verzoekster] kenbaar gemaakt om haar een bestuurlijke boete op te leggen wegens drie overtredingen, te weten een overtreding van artikel 2a, eerste lid, van de Wwft, artikel 3, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wwft en artikel 16 van de Wwft.
7. Na kennis te hebben genomen van de zowel mondelinge zienswijze van [verzoekster] op de zienswijzezitting van 9 oktober 2025 als schriftelijke zienswijze van diezelfde datum, heeft DNB bij het boetebesluit [verzoekster] een bestuurlijke boete van € 2.656.250,- opgelegd wegens overtreding van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wwft. Naar aanleiding van de zienswijze heeft DNB besloten geen (afzonderlijke) boete op te leggen aan [verzoekster] voor de door haar geconstateerde overtredingen van artikel 2a, eerste lid, van de Wwft en artikel 16 van de Wwft.
8. Bij het openbaarmakingsbesluit heeft DNB besloten om, onder begeleiding van een persbericht, over te gaan directe en volledige, niet-geanonimiseerde openbaarmaking van het boetebesluit.
Beoordelingskader
9. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. In deze procedure ligt de vraag voor of het boetebesluit en de openbaarmaking daarvan geschorst moet worden. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de beantwoording van deze vraag of het bezwaar van verzoekster tegen het boetebesluit en het openbaarmakingsbesluit een redelijke kans van slagen heeft.
10. Het oordeel van de voorzieningenrechter bindt de rechtbank niet in een eventuele beroepsprocedure.
11. Op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wwft is [verzoekster] verplicht om een cliëntenonderzoek te verrichten. Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wwft is [verzoekster] verplicht om een voortdurende controle op de zakelijke relatie en de tijdens de duur van deze relatie verrichte transacties uit te oefenen, teneinde te verzekeren dat deze overeenkomen met de kennis die de instelling heeft van de client en diens risicoprofiel. In dit kader is DNB tot de volgende bevindingen gekomen
Boetebesluit onrechtmatig?
12. [verzoekster] betoogt dat het boetebesluit onrechtmatig is. Daartoe voert zij aan dat DNB haar eerder een aanwijzing en een bestuurlijke boete heeft opgelegd wegens het ontbreken van een effectief transactiemonitoringssysteem. Na afloop van de begunstigingstermijn is DNB tot de conclusie gekomen dat een effectief transactiemonitoringssysteem nog steeds ontbreekt en heeft zij hiervoor de boete opgelegd. Volgens [verzoekster] is er echter sprake van een doorlopende overtreding waarvoor DNB niet (wederom) een boete kan opleggen, omdat dit in strijd zou zijn met het ne bis in idem-beginsel. Daarnaast is er ook sprake van eendaadse samenloop.
12.1.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat [verzoekster] op zichzelf niet heeft betwist dat zij de aan haar verweten overtreding van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wwft heeft begaan. Zij betoogt slechts dat DNB haar hiervoor niet (opnieuw) kan beboeten. Op grond van artikel 5:43 van de Awb, waarin het ne bis in idem-beginsel besloten ligt, kan aan een overtreder geen bestuurlijke boete worden opgelegd indien aan de overtreder wegens dezelfde overtreding reeds eerder een bestuurlijke boete is opgelegd, dan wel een kennisgeving als bedoeld in artikel 5:50, tweede lid, aanhef en onderdeel a, van de Awb is bekendgemaakt. Vast staat dat DNB eerder, namelijk bij besluit van 9 juli 2020, een bestuurlijke boete aan [verzoekster] heeft opgelegd wegens een overtreding van onder meer artikel 3, tweede lid, van de Wwft. Deze boete zag op een overtreding in de periode van 18 mei 2011 tot in ieder geval 2018. De voorzieningenrechter stelt verder vast dat DNB aan het boetebesluit ten grondslag heeft gelegd dat [verzoekster] artikel 3, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wwft in de periode vanaf 2021 tot en met in ieder geval 3 september 2025. Weliswaar verwijt DNB dus wederom aan [verzoekster] dat een effectieve transactiemonitoringsysteem ontbreekt en is het zeer wel mogelijk dat dit al het geval sinds het boetebesluit van 9 juli 2020, volgt de voorzieningenrechter [verzoekster] niet in het betoog dat zij hiermee voor dezelfde overtreding nogmaals wordt beboet. Met DNB is de voorzieningenrechter van oordeel dat het boetebesluit van 9 juli 2020 en het hier aan de orde zijnde boetebesluit van 2 maart 2026 zien op andere periodes en dat daarom niet geoordeeld kan worden dat sprake is van dezelfde overtreding. Het betoog dat sprake is van een doorlopend delict en dat het ne bis in idem-beginsel zich tegen beboeting verzet, volgt de voorzieningenrechter dus niet. Een andere uitleg, zoals [verzoekster] die voorstaat, zou ertoe leiden dat zij zich zonder enige consequentie blijvend zou kunnen onttrekken aan de op haar rustende wettelijke verplichting om een voortdurende controle uit te oefenen op haar zakelijke relaties en verrichte transacties, vanwege het enkele feit dat zij hiervoor in het verleden is beboet.
12.2.
[verzoekster] heeft voorts betoogd dat, indien en voor zover er geen sprake zou zijn van een doorlopende overtreding van artikel 3, tweede lid, van de Wwft, dan in ieder geval sprake is van een eendaadse samenloop. Daartoe heeft zij aangevoerd dat het ontbreken van een effectief transactiemonitoringssysteem automatisch tot gevolg heeft dat transacties niet of niet goed worden gedetecteerd en beoordeeld. [verzoekster] heeft in haar zienswijze aangevoerd dat de artikelen 2a en 3, tweede lid, van de Wwft geen afzonderlijke normstellingen bevatten. De voorzieningenrechter stelt echter vast dat DNB aan de boeteoplegging niet (langer) ten grondslag heeft gelegd dat [verzoekster] artikel 2a van de Wwft of artikel 16 van de Wwft heeft overtreden, zodat het betoog dat sprake is van eendaadse samenloop alleen daarom al niet kan slagen.
12.3.
De voorzieningenrechter komt, gelet op het vorenstaande, tot de conclusie dat er in hetgeen [verzoekster] heeft aangevoerd geen aanknopingspunten bestaan om het boetebesluit voor onrechtmatig te houden.
Boetehoogte
13. [verzoekster] betoogt voorts dat de boetehoogte onevenredig hoog is en niet in verhouding staat tot de ernst van de verweten overtreding.
13.1.
Volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 7 maart 2014, ECLI:NL:RBROT:2014:1636 en 4 mei 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:4929) wordt niet reeds bij iedere twijfel omtrent de hoogte van de opgelegde boete tot schorsing van de openbaarmaking van het boetebesluit overgegaan. Daarvoor is pas reden indien de voorzieningenrechter voorshands oordeelt dat sprake is van een wanverhouding tussen de hoogte van de boete enerzijds en de ernst van de gedraging en de mate van verwijtbaarheid anderzijds, dan wel indien op voorhand geoordeeld moet worden dat sprake is van een wanverhouding tussen de hoogte van de boete enerzijds en de draagkracht van de overtreder anderzijds.
13.2.
DNB heeft de hoogte van de aan [verzoekster] opgelegde boete als volgt vastgesteld. Een overtreding van artikel 3, tweede lid, van de Wwft ingevolge artikel 31 van de Wwft en artikel 13 van het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector (Bbbfs) is beboetbaar met een boete uit categorie 3. Voor deze categorie geldt als uitgangspunt een basisbedrag van € 2.000.000,-, met een minimumbedrag van € 0,- en een maximumbedrag van € 4.000.000,-. Ingevolge artikel 31, derde lid, van de Wwft geldt voor een betaalinstelling, zoals [verzoekster] , echter een basisbedrag van € 2.500.000,- en is het maximumbedrag € 5.000.000,-. Op grond van het Algemeen boetetoemetingsbeleid DNB (Boetetoemetingsbeleid) heeft DNB bij aanleiding gezien het basisbedrag te verhogen met 25% vanwege de verhoogde verwijtbaarheid (stap 3). Daartoe is redengevend dat [verzoekster] reeds eerder is beboet voor tekortkomingen in de voortdurende controle. De boete wordt daarmee verhoogd naar € 3.125.000,-. Vervolgens heeft DNB bij de passenheidstoets (stap 6) aanleiding gezien om de boete te verlagen met 15%. DNB heeft in positieve zin laten meewegen dat [verzoekster] na de onderzoeksbevindingen een (nieuw) herstelplan heeft opgesteld en deze ook uitvoert. De boetehoogte komt hiermee neer op € 2.656.250,-. Voor een verdere verhoging of verlaging bestaat volgens DNB geen aanleiding.
13.3.
In wat [verzoekster] heeft aangevoerd, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om aan te nemen dat er sprake is van een wanverhouding tussen de hoogte van de opgelegde boete en de aard en ernst van de aan haar verweten overtreding. Dat [verzoekster] bijna op alle punten heeft voldaan aan de eerdere aanwijzing van DNB en zij DNB ook doorlopend op de hoogte heeft gehouden van de voortgang met betrekking tot haar transactiemonitoringsprocedure en zij volledige medewerking heeft verleend, kan niet leiden tot het oordeel dat de boetehoogte daarom onevenredig hoog is. Daarbij acht de voorzieningenrechter allereerst van belang dat DNB de door [verzoekster] aangedragen omstandigheden bij de besluitvorming heeft betrokken en dat een deel hiervan bij de passendheidstoets ook daadwerkelijk heeft geleid tot matiging van de boetehoogte. Dat op zichzelf niet is uitgesloten dat bij een indringender toetsing in een eventuele beroepsprocedure de boete alsnog zou moet worden verlaagd, kan niet op voorhand worden geconcludeerd dat er een wanverhouding bestaat tussen de boetehoogte en de ernst van de gedraging en de mate van verwijtbaarheid. De door [verzoekster] aangedragen gronden in dit kader kunnen niet slagen.
Openbaarmaking onrechtmatig?
14. [verzoekster] stelt zich tot slot op het standpunt dat openbaarmaking van het boetebesluit onrechtmatig is. Daartoe voert zij allereerst aan dat er geen noodzaak bestaat om niet-geanonimiseerde openbaarmaking. Daarnaast is het begeleidende persbericht onrechtmatig aanzien daarin ten onrechte de indruk wordt gewekt dat zij een belangrijke poortwachtersfunctie vervult en daarmee gelijk wordt gesteld met een bank.
14.1.
Op grond van artikel 32f, eerste lid, van de Wwft maakt DNB een besluit tot het opleggen van een bestuurlijke sanctie ingevolge deze wet openbaar. De openbaarmaking geschiedt zodra het besluit onherroepelijk is geworden.
Op grond van het vierde lid van dit artikel maakt DNB in afwijking van het eerste lid een besluit tot het opleggen van een bestuurlijke boete zo spoedig mogelijk openbaar, indien het een bestuurlijke boete betreft ter zake een overtreding van een voorschrift dat op grond van artikel 31, tweede lid, is gerangschikt in de derde categorie.
Op grond van artikel 32g, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wwft wordt openbaarmaking op grond van artikel 32f uitgesteld of geschiedt de openbaarmaking in zodanige vorm dat de openbaar te maken gegevens niet herleidbaar zijn tot afzonderlijke personen, voor zover betrokken partijen in onevenredige mate schade zou worden berokkend.
14.2.
Het CBb heeft in zijn uitspraak van 15 juli 2025 (ECLI:NL:CBB:2025:372), overwegingen 9.3 en 9.5) overwogen dat artikel 32g, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wwft overeenkomt met artikel 1:98, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op het financieel toezicht (Wft) en dat de overwegingen in de uitspraak van het CBb van 25 februari 2025 (ECLI:NL:CBB:2025:102) over de beoordeling of betrokken partijen in onevenredige mate schade wordt berokkend als bedoeld in artikel 1:98, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wft ook van toepassing zijn op de identieke uitzonderingsgrond in de Wwft.
14.3.
In voornoemde uitspraak van 25 februari 2025 (zie ook overweging 9.4 van de hiervoor genoemde uitspraak van 15 juli 2025) heeft het CBb tot uitgangspunt genomen dat de toezichthouder een evenwichtigheidsbeoordeling moet uitvoeren. Uitgestelde of geanonimiseerde openbaarmaking is aangewezen als volledige openbaarmaking betrokken partijen in onevenredige mate schade zou berokkenen. Het criterium “onevenredige mate van schade” veronderstelt dat de schade in verhouding tot de met de niet-geanonimiseerde (volledige) openbaarmaking na te streven doelen en daarmee te dienen belangen van dien aard is dat openbaarmaking uitgesteld of geanonimiseerd moet plaatsvinden. De doelen en belangen die openbaarmaking in het algemeen dient, zijn:
het publiek informeren over het optreden van de toezichthouder en de gronden daarvoor,
andere instellingen die onder toezicht staan informeren welke gedragingen kunnen leiden tot handhaving en de invulling die de toezichthouder aan bepaalde normen geeft,
personen die door de inbreuk schade hebben geleden de gelegenheid bieden hun rechten jegens de overtreder geldend te maken en
anderen ontmoedigen om overtredingen te begaan.
14.4.
Dit betekent dat de toezichthouder de belangen die met deze vier doelen worden gediend, moet betrekken bij zijn beoordeling van de evenwichtigheid tussen enerzijds de mate van schade die een niet-geanonimiseerde openbaarmaking voor de betrokkene met zich brengt en anderzijds het belang dat de openbaarmaking in het concrete geval dient. In de uitspraak van 25 februari 2025 heeft het CBb ook overwogen dat het belang van een ontmoedigend effect dat de openbaarmaking van de identiteit van de overtreder kan hebben, geen doel op zich is. Dit belang weegt daarom niet altijd op tegen het belang van de overtreder om een boetebesluit niet volledig openbaar te maken. Indien aannemelijk is dat het belang dat met de openbaarmaking van de identiteit van de overtreder is gediend niet in het gedrang komt – dat wil zeggen dat met de openbaarmaking van de identiteit van de overtreder geen concreet belang wordt gediend – kan dat bijdragen aan de conclusie dat sprake is van een onevenredige mate van schade voor de betrokken partijen, aldus het CBb.
14.5.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter wordt met directe, niet-geanonimiseerde openbaarmaking het publiek geïnformeerd over het optreden van de toezichthouder en de gronden daarvoor en worden andere instellingen die onder toezicht staan geïnformeerd welke gedragingen kunnen leiden tot handhaving en de invulling die de toezichthouder aan bepaalde normen geeft. DNB heeft zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter terecht op het standpunt gesteld dat het voor banken en (mogelijk) andere Wwft-instellingen van belang is om voor de invulling van hun eigen cliëntenonderzoek op de hoogte te raken van het gegeven dat [verzoekster] beboet is voor de hier aan de orde zijnde overtreding. Daarbij acht de voorzieningenrechter ook relevant dat [verzoekster] reeds eerder is beboet voor een soortgelijke overtreding en dat andere instellingen kennis kunnen nemen van het optreden van de toezichthouders. Daar staat tegenover dat, zoals DNB terecht stelt, [verzoekster] niet heeft onderbouwd dat zij door de naamsvermelding onevenredige schade zal ondervinden. Ook anderszins is dit de voorzieningenrechter niet gebleken.
14.6.
De voorzieningenrechter ziet voorts geen aanknopingspunten om aan te nemen dat het begeleidende persbericht voor onrechtmatig moet worden gehouden. Anders dan [verzoekster] betoogt, wordt er naar het oordeel van voorzieningenrechter met dat persbericht niet de indruk gewekt dat [verzoekster] een poortwachtersfunctie heeft die vergelijkbaar is met die van banken of andere betaalinstellingen. Uit het persbericht volgt namelijk louter dat [verzoekster] op grond van de Wwft een poortwachtersfunctie heeft en dat zij in die rol onvoldoende heeft voldaan aan haar verplichting om transacties voortdurend te monitoren. Dit is naar het oordeel van de voorzieningenrechter een feitelijke weergave van hetgeen aan [verzoekster] (terecht) is verweten. Het betoog dat er een onjuist beeld wordt geschetst van de rol van [verzoekster] als poortwachter en dat zij daardoor onevenredige schade zou leiden, kan de voorzieningenrechter dus niet volgen. De door [verzoekster] aangevoerde gronden kunnen niet slagen.
Conclusie
15. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.
16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. B. Tijssen, griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/2180
uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 juli 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[verzoekster] , gevestigd te [plaatsnaam] , verzoekster ( [verzoekster] )
(gemachtigden: mr. F.M.A. ’t Hart en mr. H.S. Al-Nassar),
en
De Nederlandsche Bank N.V., verweerster (DNB),
(gemachtigden: mr. C. de Rond).
Procesverloop
Bij besluit van 2 maart 2026 heeft DNB aan [verzoekster] een bestuurlijke boete van € 2.656.250,- opgelegd (het boetebesluit) wegens overtreding van artikel 3, tweede lid, van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft). DNB heeft bij besluit van 2 maart 2026 eveneens medegedeeld dat zij het boetebesluit, onder begeleiding van een persbericht, openbaar zal maken door publicatie daarvan (het openbaarmakingsbesluit).
[verzoekster] heeft op 6 maart 2026 bezwaar gemaakt tegen het boetebesluit en het openbaarmakingsbesluit. Tevens heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, strekkende tot schorsing van het openbaarmakingsbesluit.
DNB heeft op 8 mei 2026 een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft met gesloten deuren plaatsgevonden op 7 juli 2026. [verzoekster] heeft zich laten vertegenwoordigen haar gemachtigden. Namens [verzoekster] zijn tevens verschenen [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] . DNB is ter zitting vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Daarnaast zijn namens DNB verschenen mr. drs. [naam 4] , mr. [naam 5] en mr. [naam 6] .
Overwegingen
Inleiding
1. [verzoekster] beschikt over een vergunning van DNB voor het uitoefenen van het bedrijf van betaaldienstverlener. [verzoekster] is daarmee een betaalinstelling als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht (Wft). Zij verzorgt online betaaldiensten voor haar klanten (ook wel ‘merchants’ genoemd), biedt pinterminals aan en verzorgt de afhandeling van pin-transacties.
2. DNB is in 2024 een thematisch onderzoek gestart naar transactiemonitoring. In dat kader heeft zij op 13 februari 2024 een aankondigingsbrief van het onderzoek en een vragenbrief aan [verzoekster] gestuurd. [verzoekster] heeft de ingevulde vragenbrief op 5 maart 2024 aan DNB geretourneerd. DNB heeft haar vervolgens op 11 april 2024 bericht dat zij is geselecteerd voor een verdiepend onderzoek. Dit onderzoek is door DNB uitgevoerd in de periode van 11 april 2024 tot en met 9 september 2024. DNB heeft daarbij onder meer onderzocht of de business rules (detectieregels op basis waarvan het systeem transactiealerts genereert) die door [verzoekster] bij de monitoring worden gehanteerd de alerts genereren die ze zouden moeten genereren en of [verzoekster] de alerts adequaat afhandelt.
3. DNB heeft de voorlopige bevindingen van haar onderzoek op 2 oktober 2024 aan [verzoekster] kenbaar gemaakt. Daarna heeft DNB nog een informatieverzoek ingediend bij de Financial Intelligent Unit Nederland (FIU). [verzoekster] heeft op 15 november 2024 een reactie ingediend op de voorlopige bevindingen.
Onderzoeksrapport
4. DNB heeft op 10 december 2024 een onderzoeksrapport uitgebracht.
Uit dit onderzoeksrapport blijkt, voor zover hier van belang, dat het transactiemonitoringssysteem van [verzoekster] niet goed is ingericht, althans dat het niet goed heeft gefunctioneerd, omdat:
- [verzoekster] haar transactiemonitoringssysteem niet volledig en tijdig heeft gevoed met de transactieprofielen van al haar merchants;
- [verzoekster] haar transactiemonitoringssysteem niet volledig en tijdig gevoed heeft met alle verrichte transacties van haar merchants.
Door deze gebreken is [verzoekster] niet voldoende in staat geweest om een adequate voortdurende controle op transacties uit te oefenen, dat wil zeggen een controle waarmee zij kan verzekeren dat de transacties overeenkomen met de kennis die [verzoekster] heeft van de cliënt en diens risicoprofiel. Om die reden is artikel 3, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wwft overtreden. Deze overtreding volgt ook uit de beoordeling van 49 alertdossiers. DNB heeft op grond daarvan vastgesteld dat [verzoekster] bij 25 daarvan de voortdurende controle onvoldoende heeft uitgeoefend. [verzoekster] heeft relevante signalen niet of niet tijdig beoordeeld, of deze doorgestuurd naar een andere afdeling alwaar ook geen (tijdige) beoordeling heeft plaatsgevonden. Verder zijn transacties 'in bulk' afgesloten zonder nadere motivatie, waardoor integriteitsrisico's niet zijn beoordeeld en gemitigeerd. Dit laatste vertoont sterke overeenkomsten met de handelswijze van [verzoekster] zoals die is vastgesteld tijdens het onderzoek in 2018 en waarvoor DNB eerder een bestuurlijke boete heeft opgelegd. Dit maakt de geconstateerde overtreding des te meer verwijtbaar. De overtreding van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wwft heeft plaatsgevonden in de periode van 2021 en is mogelijk nog voortdurend. DNB houdt de datum van de terugkoppeling van de definitieve bevindingen van het onderzoek aan [verzoekster] (10 december 2024) aan als einddatum bij de periode van overtreding.
4.1.
Artikel 2c, vierde lid, van de Wwft bepaalt dat de instelling zorgdraagt voor een systematische toetsing van de gedragslijnen, procedures en maatregelen, en waar nodig voor een bijstelling hiervan (de SIRA). DNB concludeert dat [verzoekster] onvoldoende heeft zorg gedragen voor een systematische toetsing van de mitigerende maatregelen op het gebied van transactiemonitoring en dat ook niet de benodigde tijdige bijstelling heeft plaats gevonden. DNB komt tot deze conclusie omdat [verzoekster] heeft nagelaten tijdig, volledig en adequaat de werking van de controls te toetsen die een goede werking van de transactiemonitoringssysteem, business rules en alert afhandeling moeten borgen. Ook heeft [verzoekster] nagelaten om – nadat duidelijk werd dat de control testing onvoldoende was – zorg te dragen voor een tijdige bijstelling hiervan.
4.2.
DNB heeft verder geconstateerd dat [verzoekster] in zes (later bijgesteld naar vijf) van de twintig onderzochte transacties op basis van de objectieve indicator (een transactie van € 15.000,- of meer) niet ofwel niet tijdig een melding heeft gedaan bij de FIU. Daartoe is [verzoekster] op grond van artikel 16 van de Wwft verplicht.
Waarschuwing
5. DNB heeft [verzoekster] op 2 april 2025 een waarschuwing gegeven omdat er sprake is van overtredingen van artikel 16 van de Wwft, artikel 2a van de Wwft, artikel 3, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wwft en van artikel 3:17, eerste lid, van Wft in samenhang met artikel 2c, eerste en vierde lid, van de Wwft. Voor de meeste overtredingen verlangt DNB dat [verzoekster] deze uiterlijk 1 september 2025 heeft beëindigd. DNB verwacht van [verzoekster] ook dat zij niet-gemelde ongebruikelijke transacties alsnog met terugwerkende kracht bij de FIU meldt. Dit geldt zowel voor de transacties die DNB heeft onderzocht als voor alle transacties vanaf in ieder geval 1 januari 2023 die volgens objectieve en subjectieve indicatoren aan de FIU gemeld zou moeten zijn (een zogenaamde ‘lookback’). [verzoekster] moet deze transacties uiterlijk op 1 oktober 2025 bij de FIU hebben gemeld. Dezelfde termijn geldt voor de beëindiging van de door DNB geconstateerde overtreding van artikel 2c, vierde lid, van de Wwft. DNB verwacht verder dat [verzoekster] uiterlijk op 15 oktober 2025 DNB informeert over de afronding van het hersteltraject.
Besluitvorming
6. DNB heeft op 17 september 2025 het voornemen aan [verzoekster] kenbaar gemaakt om haar een bestuurlijke boete op te leggen wegens drie overtredingen, te weten een overtreding van artikel 2a, eerste lid, van de Wwft, artikel 3, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wwft en artikel 16 van de Wwft.
7. Na kennis te hebben genomen van de zowel mondelinge zienswijze van [verzoekster] op de zienswijzezitting van 9 oktober 2025 als schriftelijke zienswijze van diezelfde datum, heeft DNB bij het boetebesluit [verzoekster] een bestuurlijke boete van € 2.656.250,- opgelegd wegens overtreding van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wwft. Naar aanleiding van de zienswijze heeft DNB besloten geen (afzonderlijke) boete op te leggen aan [verzoekster] voor de door haar geconstateerde overtredingen van artikel 2a, eerste lid, van de Wwft en artikel 16 van de Wwft.
8. Bij het openbaarmakingsbesluit heeft DNB besloten om, onder begeleiding van een persbericht, over te gaan directe en volledige, niet-geanonimiseerde openbaarmaking van het boetebesluit.
Beoordelingskader
9. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. In deze procedure ligt de vraag voor of het boetebesluit en de openbaarmaking daarvan geschorst moet worden. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de beantwoording van deze vraag of het bezwaar van verzoekster tegen het boetebesluit en het openbaarmakingsbesluit een redelijke kans van slagen heeft.
10. Het oordeel van de voorzieningenrechter bindt de rechtbank niet in een eventuele beroepsprocedure.
11. Op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wwft is [verzoekster] verplicht om een cliëntenonderzoek te verrichten. Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wwft is [verzoekster] verplicht om een voortdurende controle op de zakelijke relatie en de tijdens de duur van deze relatie verrichte transacties uit te oefenen, teneinde te verzekeren dat deze overeenkomen met de kennis die de instelling heeft van de client en diens risicoprofiel. In dit kader is DNB tot de volgende bevindingen gekomen
Boetebesluit onrechtmatig?
12. [verzoekster] betoogt dat het boetebesluit onrechtmatig is. Daartoe voert zij aan dat DNB haar eerder een aanwijzing en een bestuurlijke boete heeft opgelegd wegens het ontbreken van een effectief transactiemonitoringssysteem. Na afloop van de begunstigingstermijn is DNB tot de conclusie gekomen dat een effectief transactiemonitoringssysteem nog steeds ontbreekt en heeft zij hiervoor de boete opgelegd. Volgens [verzoekster] is er echter sprake van een doorlopende overtreding waarvoor DNB niet (wederom) een boete kan opleggen, omdat dit in strijd zou zijn met het ne bis in idem-beginsel. Daarnaast is er ook sprake van eendaadse samenloop.
12.1.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat [verzoekster] op zichzelf niet heeft betwist dat zij de aan haar verweten overtreding van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wwft heeft begaan. Zij betoogt slechts dat DNB haar hiervoor niet (opnieuw) kan beboeten. Op grond van artikel 5:43 van de Awb, waarin het ne bis in idem-beginsel besloten ligt, kan aan een overtreder geen bestuurlijke boete worden opgelegd indien aan de overtreder wegens dezelfde overtreding reeds eerder een bestuurlijke boete is opgelegd, dan wel een kennisgeving als bedoeld in artikel 5:50, tweede lid, aanhef en onderdeel a, van de Awb is bekendgemaakt. Vast staat dat DNB eerder, namelijk bij besluit van 9 juli 2020, een bestuurlijke boete aan [verzoekster] heeft opgelegd wegens een overtreding van onder meer artikel 3, tweede lid, van de Wwft. Deze boete zag op een overtreding in de periode van 18 mei 2011 tot in ieder geval 2018. De voorzieningenrechter stelt verder vast dat DNB aan het boetebesluit ten grondslag heeft gelegd dat [verzoekster] artikel 3, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wwft in de periode vanaf 2021 tot en met in ieder geval 3 september 2025. Weliswaar verwijt DNB dus wederom aan [verzoekster] dat een effectieve transactiemonitoringsysteem ontbreekt en is het zeer wel mogelijk dat dit al het geval sinds het boetebesluit van 9 juli 2020, volgt de voorzieningenrechter [verzoekster] niet in het betoog dat zij hiermee voor dezelfde overtreding nogmaals wordt beboet. Met DNB is de voorzieningenrechter van oordeel dat het boetebesluit van 9 juli 2020 en het hier aan de orde zijnde boetebesluit van 2 maart 2026 zien op andere periodes en dat daarom niet geoordeeld kan worden dat sprake is van dezelfde overtreding. Het betoog dat sprake is van een doorlopend delict en dat het ne bis in idem-beginsel zich tegen beboeting verzet, volgt de voorzieningenrechter dus niet. Een andere uitleg, zoals [verzoekster] die voorstaat, zou ertoe leiden dat zij zich zonder enige consequentie blijvend zou kunnen onttrekken aan de op haar rustende wettelijke verplichting om een voortdurende controle uit te oefenen op haar zakelijke relaties en verrichte transacties, vanwege het enkele feit dat zij hiervoor in het verleden is beboet.
12.2.
[verzoekster] heeft voorts betoogd dat, indien en voor zover er geen sprake zou zijn van een doorlopende overtreding van artikel 3, tweede lid, van de Wwft, dan in ieder geval sprake is van een eendaadse samenloop. Daartoe heeft zij aangevoerd dat het ontbreken van een effectief transactiemonitoringssysteem automatisch tot gevolg heeft dat transacties niet of niet goed worden gedetecteerd en beoordeeld. [verzoekster] heeft in haar zienswijze aangevoerd dat de artikelen 2a en 3, tweede lid, van de Wwft geen afzonderlijke normstellingen bevatten. De voorzieningenrechter stelt echter vast dat DNB aan de boeteoplegging niet (langer) ten grondslag heeft gelegd dat [verzoekster] artikel 2a van de Wwft of artikel 16 van de Wwft heeft overtreden, zodat het betoog dat sprake is van eendaadse samenloop alleen daarom al niet kan slagen.
12.3.
De voorzieningenrechter komt, gelet op het vorenstaande, tot de conclusie dat er in hetgeen [verzoekster] heeft aangevoerd geen aanknopingspunten bestaan om het boetebesluit voor onrechtmatig te houden.
Boetehoogte
13. [verzoekster] betoogt voorts dat de boetehoogte onevenredig hoog is en niet in verhouding staat tot de ernst van de verweten overtreding.
13.1.
Volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 7 maart 2014, ECLI:NL:RBROT:2014:1636 en 4 mei 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:4929) wordt niet reeds bij iedere twijfel omtrent de hoogte van de opgelegde boete tot schorsing van de openbaarmaking van het boetebesluit overgegaan. Daarvoor is pas reden indien de voorzieningenrechter voorshands oordeelt dat sprake is van een wanverhouding tussen de hoogte van de boete enerzijds en de ernst van de gedraging en de mate van verwijtbaarheid anderzijds, dan wel indien op voorhand geoordeeld moet worden dat sprake is van een wanverhouding tussen de hoogte van de boete enerzijds en de draagkracht van de overtreder anderzijds.
13.2.
DNB heeft de hoogte van de aan [verzoekster] opgelegde boete als volgt vastgesteld. Een overtreding van artikel 3, tweede lid, van de Wwft ingevolge artikel 31 van de Wwft en artikel 13 van het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector (Bbbfs) is beboetbaar met een boete uit categorie 3. Voor deze categorie geldt als uitgangspunt een basisbedrag van € 2.000.000,-, met een minimumbedrag van € 0,- en een maximumbedrag van € 4.000.000,-. Ingevolge artikel 31, derde lid, van de Wwft geldt voor een betaalinstelling, zoals [verzoekster] , echter een basisbedrag van € 2.500.000,- en is het maximumbedrag € 5.000.000,-. Op grond van het Algemeen boetetoemetingsbeleid DNB (Boetetoemetingsbeleid) heeft DNB bij aanleiding gezien het basisbedrag te verhogen met 25% vanwege de verhoogde verwijtbaarheid (stap 3). Daartoe is redengevend dat [verzoekster] reeds eerder is beboet voor tekortkomingen in de voortdurende controle. De boete wordt daarmee verhoogd naar € 3.125.000,-. Vervolgens heeft DNB bij de passenheidstoets (stap 6) aanleiding gezien om de boete te verlagen met 15%. DNB heeft in positieve zin laten meewegen dat [verzoekster] na de onderzoeksbevindingen een (nieuw) herstelplan heeft opgesteld en deze ook uitvoert. De boetehoogte komt hiermee neer op € 2.656.250,-. Voor een verdere verhoging of verlaging bestaat volgens DNB geen aanleiding.
13.3.
In wat [verzoekster] heeft aangevoerd, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om aan te nemen dat er sprake is van een wanverhouding tussen de hoogte van de opgelegde boete en de aard en ernst van de aan haar verweten overtreding. Dat [verzoekster] bijna op alle punten heeft voldaan aan de eerdere aanwijzing van DNB en zij DNB ook doorlopend op de hoogte heeft gehouden van de voortgang met betrekking tot haar transactiemonitoringsprocedure en zij volledige medewerking heeft verleend, kan niet leiden tot het oordeel dat de boetehoogte daarom onevenredig hoog is. Daarbij acht de voorzieningenrechter allereerst van belang dat DNB de door [verzoekster] aangedragen omstandigheden bij de besluitvorming heeft betrokken en dat een deel hiervan bij de passendheidstoets ook daadwerkelijk heeft geleid tot matiging van de boetehoogte. Dat op zichzelf niet is uitgesloten dat bij een indringender toetsing in een eventuele beroepsprocedure de boete alsnog zou moet worden verlaagd, kan niet op voorhand worden geconcludeerd dat er een wanverhouding bestaat tussen de boetehoogte en de ernst van de gedraging en de mate van verwijtbaarheid. De door [verzoekster] aangedragen gronden in dit kader kunnen niet slagen.
Openbaarmaking onrechtmatig?
14. [verzoekster] stelt zich tot slot op het standpunt dat openbaarmaking van het boetebesluit onrechtmatig is. Daartoe voert zij allereerst aan dat er geen noodzaak bestaat om niet-geanonimiseerde openbaarmaking. Daarnaast is het begeleidende persbericht onrechtmatig aanzien daarin ten onrechte de indruk wordt gewekt dat zij een belangrijke poortwachtersfunctie vervult en daarmee gelijk wordt gesteld met een bank.
14.1.
Op grond van artikel 32f, eerste lid, van de Wwft maakt DNB een besluit tot het opleggen van een bestuurlijke sanctie ingevolge deze wet openbaar. De openbaarmaking geschiedt zodra het besluit onherroepelijk is geworden.
Op grond van het vierde lid van dit artikel maakt DNB in afwijking van het eerste lid een besluit tot het opleggen van een bestuurlijke boete zo spoedig mogelijk openbaar, indien het een bestuurlijke boete betreft ter zake een overtreding van een voorschrift dat op grond van artikel 31, tweede lid, is gerangschikt in de derde categorie.
Op grond van artikel 32g, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wwft wordt openbaarmaking op grond van artikel 32f uitgesteld of geschiedt de openbaarmaking in zodanige vorm dat de openbaar te maken gegevens niet herleidbaar zijn tot afzonderlijke personen, voor zover betrokken partijen in onevenredige mate schade zou worden berokkend.
14.2.
Het CBb heeft in zijn uitspraak van 15 juli 2025 (ECLI:NL:CBB:2025:372), overwegingen 9.3 en 9.5) overwogen dat artikel 32g, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wwft overeenkomt met artikel 1:98, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op het financieel toezicht (Wft) en dat de overwegingen in de uitspraak van het CBb van 25 februari 2025 (ECLI:NL:CBB:2025:102) over de beoordeling of betrokken partijen in onevenredige mate schade wordt berokkend als bedoeld in artikel 1:98, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wft ook van toepassing zijn op de identieke uitzonderingsgrond in de Wwft.
14.3.
In voornoemde uitspraak van 25 februari 2025 (zie ook overweging 9.4 van de hiervoor genoemde uitspraak van 15 juli 2025) heeft het CBb tot uitgangspunt genomen dat de toezichthouder een evenwichtigheidsbeoordeling moet uitvoeren. Uitgestelde of geanonimiseerde openbaarmaking is aangewezen als volledige openbaarmaking betrokken partijen in onevenredige mate schade zou berokkenen. Het criterium “onevenredige mate van schade” veronderstelt dat de schade in verhouding tot de met de niet-geanonimiseerde (volledige) openbaarmaking na te streven doelen en daarmee te dienen belangen van dien aard is dat openbaarmaking uitgesteld of geanonimiseerd moet plaatsvinden. De doelen en belangen die openbaarmaking in het algemeen dient, zijn:
het publiek informeren over het optreden van de toezichthouder en de gronden daarvoor,
andere instellingen die onder toezicht staan informeren welke gedragingen kunnen leiden tot handhaving en de invulling die de toezichthouder aan bepaalde normen geeft,
personen die door de inbreuk schade hebben geleden de gelegenheid bieden hun rechten jegens de overtreder geldend te maken en
anderen ontmoedigen om overtredingen te begaan.
14.4.
Dit betekent dat de toezichthouder de belangen die met deze vier doelen worden gediend, moet betrekken bij zijn beoordeling van de evenwichtigheid tussen enerzijds de mate van schade die een niet-geanonimiseerde openbaarmaking voor de betrokkene met zich brengt en anderzijds het belang dat de openbaarmaking in het concrete geval dient. In de uitspraak van 25 februari 2025 heeft het CBb ook overwogen dat het belang van een ontmoedigend effect dat de openbaarmaking van de identiteit van de overtreder kan hebben, geen doel op zich is. Dit belang weegt daarom niet altijd op tegen het belang van de overtreder om een boetebesluit niet volledig openbaar te maken. Indien aannemelijk is dat het belang dat met de openbaarmaking van de identiteit van de overtreder is gediend niet in het gedrang komt – dat wil zeggen dat met de openbaarmaking van de identiteit van de overtreder geen concreet belang wordt gediend – kan dat bijdragen aan de conclusie dat sprake is van een onevenredige mate van schade voor de betrokken partijen, aldus het CBb.
14.5.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter wordt met directe, niet-geanonimiseerde openbaarmaking het publiek geïnformeerd over het optreden van de toezichthouder en de gronden daarvoor en worden andere instellingen die onder toezicht staan geïnformeerd welke gedragingen kunnen leiden tot handhaving en de invulling die de toezichthouder aan bepaalde normen geeft. DNB heeft zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter terecht op het standpunt gesteld dat het voor banken en (mogelijk) andere Wwft-instellingen van belang is om voor de invulling van hun eigen cliëntenonderzoek op de hoogte te raken van het gegeven dat [verzoekster] beboet is voor de hier aan de orde zijnde overtreding. Daarbij acht de voorzieningenrechter ook relevant dat [verzoekster] reeds eerder is beboet voor een soortgelijke overtreding en dat andere instellingen kennis kunnen nemen van het optreden van de toezichthouders. Daar staat tegenover dat, zoals DNB terecht stelt, [verzoekster] niet heeft onderbouwd dat zij door de naamsvermelding onevenredige schade zal ondervinden. Ook anderszins is dit de voorzieningenrechter niet gebleken.
14.6.
De voorzieningenrechter ziet voorts geen aanknopingspunten om aan te nemen dat het begeleidende persbericht voor onrechtmatig moet worden gehouden. Anders dan [verzoekster] betoogt, wordt er naar het oordeel van voorzieningenrechter met dat persbericht niet de indruk gewekt dat [verzoekster] een poortwachtersfunctie heeft die vergelijkbaar is met die van banken of andere betaalinstellingen. Uit het persbericht volgt namelijk louter dat [verzoekster] op grond van de Wwft een poortwachtersfunctie heeft en dat zij in die rol onvoldoende heeft voldaan aan haar verplichting om transacties voortdurend te monitoren. Dit is naar het oordeel van de voorzieningenrechter een feitelijke weergave van hetgeen aan [verzoekster] (terecht) is verweten. Het betoog dat er een onjuist beeld wordt geschetst van de rol van [verzoekster] als poortwachter en dat zij daardoor onevenredige schade zou leiden, kan de voorzieningenrechter dus niet volgen. De door [verzoekster] aangevoerde gronden kunnen niet slagen.
Conclusie
15. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.
16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. B. Tijssen, griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.