Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:10053

2026-07-27 Bestuursrecht ROT 25/3793
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2026-07-27
Publicatiedatum
2026-08-13
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
ROT 25/3793
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiser heeft compensatie ontvangen maar is het niet eens met de vaststelling van de hoogte van de compensatie en stelt dat er stukken ontbreken. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de Dienst Toeslagen de compensatie juist heeft vastgesteld en de op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. Het beroep is ongegrond.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (14.188 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM


Bestuursrecht



zaaknummer: ROT 25/3793


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. N. Köse-Albayrak),


en


Dienst Toeslagen
(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over de aanvraag van eiser om compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiser heeft compensatie ontvangen maar is het niet eens met de vaststelling van de hoogte van de compensatie en stelt dat er stukken ontbreken. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de Dienst Toeslagen de compensatie juist heeft vastgesteld en de op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. Het beroep is daarom ongegrond.




Procesverloop


2. Met het besluit van 11 mei 2023 heeft de Dienst Toeslagen aan eiser compensatie toegekend op grond van de Wht.



2.1.
Met het besluit van 15 april 2025 (het bestreden besluit) heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiser tegen het besluit van 11 mei 2023 gegrond verklaard.



2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiser heeft op 8 april 2026 en 13 mei 2026 aanvullende stukken ingediend.



2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 29 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de Dienst Toeslagen.




Beoordeling door de rechtbank

3. Eiser heeft drie kinderen, geboren op [geboortedag 1] 2004, [geboortedag 2] 2005 en [geboortedag 3] 2012. Hij heeft op 18 december 2020 een aanvraag gedaan voor compensatie op grond van de Wht voor de toeslagjaren 2008 en 2009.



Totstandkoming van het bestreden besluit


4. Met het besluit van 11 mei 2023 heeft de Dienst Toeslagen de jaren 2008 en 2009 beoordeeld en vastgesteld dat eiser voor die jaren in aanmerking komt voor compensatie op grond van vooringenomenheid. De Dienst Toeslagen heeft de compensatie vastgesteld op een bedrag van € 104.278,-. Met het bestreden besluit heeft de Dienst Toeslagen het compensatiebedrag verhoogd tot een bedrag van € 113.663,-. In het bestreden besluit is een hogere vergoeding voor juridische hulp, een rentevergoeding over gemiste kinderopvangtoeslag en door eiser betaalde rente en kosten vastgesteld. Als gevolg daarvan is ook de immateriële schadevergoeding en aanvullende vergoeding hoger vastgesteld.



Wettelijk kader


5. Voor de beoordeling van het beroep zijn de volgende wettelijke regels van belang. De Dienst Toeslagen kent op aanvraag compensatie toe aan een aanvrager van kinderopvangtoeslag, die schade heeft geleden, doordat ten aanzien van hem bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen of een te harde toepassing van het wettelijk systeem van de kinderopvangtoeslag. De compensatie die tijdens de integrale beoordeling op grond van de Wht wordt toegekend bestaat uit een limitatief opgesomde reeks schadeposten, waarvan een deel forfaitair is vastgesteld. De berekening van de hoogte van de compensatie vindt plaats aan de hand van deze schadeposten. Verder kan de Dienst Toeslagen een tegemoetkoming opzet/grove schuld (O/GS) toekennen aan een aanvrager van kinderopvangtoeslag omdat aan hem geen persoonlijke betalingsregeling is toegekend of een buitengerechtelijke schuldregeling is geweigerd vanwege de onterechte kwalificatie van opzet of grove schuld. De O/GS-tegemoetkoming blijft achterwege indien ten aanzien van de terugvordering recht bestaat op compensatie als bedoeld in artikel 2.1 van de Wht over hetzelfde berekeningsjaar.



Heeft de Dienst Toeslagen de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd?


6. Eiser stelt dat hij niet kan controleren of het bestreden besluit op juiste gronden is genomen, omdat hij niet over alle relevante gegevens beschikt. Hij voert aan dat de stukken die zien op het onderzoek naar de O/GS-kwalificatie en de registratie in de Fraude Signalering Voorziening (FSV) op de zaak betrekking hebbende stukken zijn in de zin van artikel 8:42 van de Awb en door de Dienst Toeslagen overgelegd hadden moeten worden. Hij verwijst daarvoor naar een uitspraak van de rechtbank Amsterdam. Daarnaast stelt eiser dat de Dienst Toeslagen ten onrechte heeft nagelaten documenten uit de recent ontdekte datakluis over te leggen. Eiser beroept zich op een arrest van de Hoge Raad, waaruit volgens hem volgt dat de Dienst Toeslagen gehouden is alle op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen.


6.1.
Hoewel op zichzelf begrijpelijk is dat eiser zoveel mogelijk inzicht wenst in wat er is gebeurd en daarom graag inzage heeft in zoveel mogelijk stukken die op hem betrekking hebben, moet de rechtbank deze beroepsgrond toetsen aan de maatstaf van artikel 8:42 van de Awb. Op grond van dat artikel is de Dienst Toeslagen verplicht de op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen. Deze procedure heeft betrekking op de compensatie in het kader van de integrale beoordeling. De juistheid van de compensatieberekening moet kunnen worden getoetst als die in geschil is. De Dienst Toeslagen moet daarom de stukken die van belang zijn voor de beoordeling van de compensatieberekening aan de bestuursrechter overleggen.



6.2.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat stukken die relevant zijn voor de beoordeling van de compensatieberekening, ontbreken. De rechtbank licht dat toe.


6.2.1.
De Dienst Toeslagen heeft de stukken over de toeslagjaren 2008 en 2009 in het geding gebracht. Uit het dossier blijkt welke beschikkingen zijn genomen, hoe deze tot stand zijn gekomen en welke gevolgen deze beschikkingen hebben gehad. Aan de hand van de stukken die in het dossier zitten kan de juistheid van de compensatieberekening worden getoetst. Eiser heeft niet duidelijk gemaakt dat de stukken die volgens hem missen, van invloed kunnen zijn op de beoordeling van zijn aanspraak.



6.2.2.
Het door eiser genoemde arrest van de Hoge Raad leidt niet tot een ander oordeel. In die zaak stond vast dat het bestuursorgaan niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken had overgelegd en spitste het geschil zich toe op de vraag of het hof op grond van artikel 8:31 van de Awb aan die schending voorbij mocht gaan. Dat is een andere rechtsvraag dan die in deze zaak aan de orde is.



6.2.3.
Ten aanzien van de stukken die zien op de O/GS-beoordeling en de FSV-registratie overweegt de rechtbank het volgende. Voor alle toeslagjaren waarvoor eiser compensatie heeft aangevraagd, is compensatie toegekend vanwege vooringenomenheid. Zoals onder 5 is beschreven, blijft de O/GS-tegemoetkoming achterwege indien voor hetzelfde berekeningsjaar recht bestaat op compensatie als bedoeld in artikel 2.1 van de Wht. De vraag of aan eiser een O/GS-tegemoetkoming toekomt kan dus niet tot een andere uitkomst leiden. Stukken die uitsluitend zien op de O/GS-beoordeling zijn om die reden geen op de zaak betrekking hebbende stukken in de zin van artikel 8:42 van de Awb. Ook de stukken met betrekking tot de FSV-registratie kunnen niet tot een hogere compensatie leiden en zijn daarom evenmin op de zaak betrekking hebbende stukken.



6.2.4.
Wat betreft de datakluis is ter zitting besproken dat er op dit moment nog geen duidelijkheid is over de aard van de stukken in de datakluis en dat het onderzoek daarnaar nog loopt. De rechtbank ziet geen aanleiding om de zaak aan te houden, nu door de staatssecretaris van Financiën in een brief van 15 april 2026 aan de Tweede Kamer is toegezegd dat er zorg zal worden gedragen voor transparantie en openheid. In een nieuwsbericht van 16 april 2026 op de website van de Dienst Toeslagen is daaraan toegevoegd dat als bij het doorzoeken van de datakluis alsnog nieuwe informatie naar voren komt die in het voordeel van de gedupeerde ouder uitpakt, er maatregelen zullen worden genomen om dat te herstellen.



Heeft de Dienst Toeslagen de hoogte van compensatie juist vastgesteld?

7. Eiser betoogt dat de Dienst Toeslagen bij de berekening van de compensatie voor de toeslagjaren 2008 en 2009 is uitgegaan van te lage bedragen. De Dienst Toeslagen heeft bij de berekening immers ten onrechte als uitgangspunt genomen het voorschotbedrag zoals dat was vastgesteld voorafgaand aan de vooringenomen neerwaartse correctie. Eiser verwijst naar artikel 2.2, onder a, en artikel 2.3, eerste lid, van de Wht, waaruit volgens hem volgt dat de compensatie (ook) kan bestaan uit een bedrag vanwege het (destijds) niet toekennen van kinderopvangtoeslag. Om vast te kunnen stellen welk bedrag destijds niet is toegekend, moet volgens eiser alsnog worden vastgesteld op welk bedrag aan kinderopvangtoeslag eiser recht had. Dat bedrag is destijds nooit berekend, omdat er een nihilstelling heeft plaatsgevonden. Daarnaast betoogt eiser dat bij de berekening van de compensatie ten onrechte geen rekening is gehouden met een bedrag van € 1.000,- dat in 2012 door de douane op Schiphol in beslag is genomen. Die inbeslagname had te maken met openstaande vorderingen van de Dienst Toeslagen in verband met teruggevorderde kinderopvangtoeslag. Eiser stelt dat dit bedrag ten onrechte niet is betrokken bij de compensatieberekening.





7.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet.


7.1.1.
Artikel 2.2, onder a, van de Wht bepaalt, voor zover relevant, dat de compensatie bestaat uit (i) een bedrag vanwege een beschikking tot het verminderen of niet toekennen van een kinderopvangtoeslag of (ii) het beëindigen van voorschotverlening voor een kinderopvangtoeslag die een direct gevolg is van institutionele vooringenomenheid of hardheid. Artikel 2.3, eerste lid, van de Wht bepaalt vervolgens dat het bedrag aan compensatie gelijk is aan (i) het bedrag dat als gevolg van de beschikking niet is toegekend of (ii) het bedrag dat als gevolg van de beschikking is teruggevorderd. In zowel 2008 als 2009 deed de situatie zich voor dat een voorschotverlening is beëindigd (situatie ii uit artikel 2.2, onder a, van de Wht) en het voorschotbedrag vervolgens is teruggevorderd. Dat betekent dat de compensatie gelijk is aan het bedrag dat is teruggevorderd (berekeningswijze ii uit artikel 2.3, eerste lid, van de Wht). De Dienst Toeslagen heeft in de berekening dus terecht als uitgangspunt genomen de voorschotbedragen zoals die zijn vastgesteld voorafgaand aan de vooringenomen neerwaartse correcties. Indien eiser van mening is dat de werkelijke geleden schade hoger is dan een bedrag als bedoeld in artikel 2.3, eerste tot en met het zevende lid, van de Wht, staat voor hem de mogelijkheid open om op grond van artikel 2.1, derde lid, van de Wht te verzoeken om aanvullende compensatie voor de werkelijke schade.



7.1.2.
Ten aanzien van de stelling van eiser dat in 2012 op Schiphol een bedrag van € 1.000,- door de douane in beslag is genomen, overweegt de rechtbank als volgt. Eiser heeft deze stelling onvoldoende aannemelijk gemaakt. Hij heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat een bedrag van € 1.000,- door de douane in beslag is genomen en dat dit verband houdt met de terugvordering van kinderopvangtoeslag. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel de Dienst Toeslagen dit bedrag bij de compensatieberekening had moeten betrekken. Overigens heeft de Dienst Toeslagen ter zitting verklaard dat hij nog nader onderzoek zal verrichten naar de door eiser gestelde inbeslagname. Indien uit dat onderzoek blijkt dat er inderdaad een bedrag van € 1.000,- door de douane in beslag is genomen in verband met de terugvordering van kinderopvangtoeslag, zal dit bedrag aan eiser worden terugbetaald, aldus de Dienst Toeslagen.





Conclusie en gevolgen


8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing




De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.






Deze uitspraak is gedaan door mr. G.B. Plomp, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J. Huisman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2026.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Artikel 2.1, eerste lid, van de Wht.


Artikel 2.2 en 2.3 van de Wht.


Artikel 2.6, vierde lid, van de Wht.


Rb. Amsterdam 31 maart 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:3643.


Hoge Raad 10 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:571.


ABRvS 22 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2864, r.o. 11.2.