Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:10005
2026-07-27
Bestuursrecht
ROT 25/5848
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verzoek om nadeelcompensatie, bezwaar terecht n-o, beroep ongegrond.
Citeert (2)
- ECLI:NL:RVS:2018:2764 Raad van State 22-08-2018
- ECLI:NL:RVS:2010:BM5605 Raad van State 26-05-2010
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (10.398 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/5848
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser], eiser,
(gemachtigde: mr. M. Adansar),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lansingerland
(gemachtigden: mr. M. van Moorsel en [naam]).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het college waarin het verzoek van eiser om nadeelcompensatie niet-ontvankelijk is verklaard. Eiser heeft het verzoek om nadeelcompensatie bij het college ingediend, omdat hij schade zou hebben geleden in de vorm van waardevermindering van het pand aan de [straatnaam] in [locatie 1] en [locatie 2], die is veroorzaakt door het 'Ambitiedocument herontwikkeling [straatnaam]'. Het college heeft het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2. Met het primaire besluit van 22 december 2021 heeft het college het verzoek van eiser om nadeelcompensatie afgewezen. Met het bestreden besluit van 19 juni 2025 heeft het college het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Het college heeft op het beroepschrift gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 1 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van het college.
Totstandkoming van het bestreden besluit
3.1.
Eiser heeft in 2008 het pand aan de [straatnaam] in [locatie 1] en [locatie 2] via een erfenis verkregen. Op 23 augustus 2011 is het pand aangewezen als gemeentelijk monumentaal pand. In juni 2012 is het 'Ambitiedocument herontwikkeling [straatnaam]' (hierna: het Ambitiedocument) vastgesteld.
3.2.
Op 19 juli 2016 heeft eiser het college aansprakelijk gesteld voor de geleden schade. In deze brief stelt eiser dat hij schade heeft geleden ten gevolge van het besluit van 23 augustus 2011. Op 20 juni 2019 heeft eiser het college verzocht om schadevergoeding / nadeelcompensatie, omdat hij schade zou hebben geleden in de vorm van waardevermindering van het pand aan de [straatnaam] in [locatie 1] en [locatie 2], die is veroorzaakt door het besluit tot aanwijzing tot gemeentelijk monument van 23 augustus 2011 en het Ambitiedocument van juni 2012.
3.3.
Op 16 november 2021 heeft de Stichting advies onroerende zaken (hierna: SAOZ) een advies uitgebracht over het verzoek om schadevergoeding van eiser.
De SAOZ adviseerde om het verzoek om nadeelcompensatie af te wijzen.
3.4.
Bij besluit van 22 december 2021 heeft het college het verzoek om nadeelcompensatie afgewezen.
3.5.
Eiser heeft bezwaar ingediend tegen het besluit. Hij is in bezwaar gehoord. Op 11 juni 2025 heeft de algemene bezwaarschriftencommissie een advies uitgebracht. Tijdens de hoorzitting heeft eiser desgevraagd verklaard dat het Ambitiedocument het schadeveroorzakende besluit is. De commissie heeft geadviseerd om het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren, omdat het Ambitiedocument geen besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), wat betekent dat de afwijzing van het verzoek om nadeelcompensatie vanwege het ontbreken van processuele connexiteit ook niet als besluit kwalificeert.
3.4.
Bij het bestreden besluit van 19 juni 2025 heeft het college het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit niet-ontvankelijk verklaard.
Beoordeling door de rechtbank
Ontvankelijkheid van het bezwaar
4. Eiser voert aan dat het bezwaar zich richtte tegen een zelfstandig schadebesluit (van 22 december 2021). Volgens vaste jurisprudentie is een afwijzing van een verzoek om nadeelcompensatie een besluit in de zin van de Awb, mits sprake is van processuele en materiële connexiteit. Het schadeveroorzakende handelen is hier gelegen in het monumentenbesluit en de toepassing van het Ambitiedocument, die beide rechtsgevolgen naar buiten hebben gehad, aldus eiser.
4.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
4.2.
Eiser heeft in beroep aangevoerd dat het schadeveroorzakende handelen is gelegen in het monumentenbesluit en de toepassing van het Ambitiedocument. Artikel 6:13 van de Awb staat eraan in de weg dat eiser in beroep gronden indient tegen een onderdeel van een besluit dat hij niet in de bezwaarfase aan de orde heeft gesteld, de zogenoemde onderdelentrechter. Dat is aan de orde.
In de gronden van bezwaar heeft eiser namelijk aangevoerd dat niet het besluit tot aanwijzing van het monument de schade heeft veroorzaakt, maar het proces na de aanwijzing en de totstandkoming van het Ambitiedocument. Uit het rapport van de hoorzitting volgt dat eiser (dan wel zijn gemachtigde) in de bezwaarfase desgevraagd expliciet heeft verklaard dat het Ambitiedocument het schadebesluit is. Hier is het college dan ook van uitgegaan. Er is geen sprake van dat eiser redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij het ‘monumentenbesluit’ niet in de bezwaarfase heeft bestreden. Eiser kan in beroep daarom niet als grond aanvoeren dat het schadeveroorzakende handelen is gelegen in het monumentenbesluit.
4.3.
De rechtbank volgt het college in zijn standpunt dat het Ambitiedocument geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Voor een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb moet de beslissing gericht zijn op extern rechtsgevolg. Daarmee is bedoeld dat de beslissing gericht moet zijn op rechtsgevolgen die ontstaan in de verhouding van het bestuursorgaan tot een of meer anderen. Beslissingen van het bestuursorgaan die een zuiver intern karakter hebben, zoals de bepaling van de prioriteit van de te behandelen zaken, aanwijzingen over op te stellen stukken en dergelijke zijn dus niet als besluiten in de zin der wet aan te merken. De rechtbank volgt het college in zijn standpunt dat het Ambitiedocument als een politiek-bestuurlijke uitspraak kan worden gezien, zonder juridische status of derdenwerking. Het Ambitiedocument beoogt geen extern rechtsgevolg. Het document is niet gericht op rechtsgevolgen die ontstaan in de verhouding van het bestuursorgaan tot een of meer anderen. Zoals de bezwaarschriftencommissie heeft toegelicht, is het Ambitiedocument een beleidsstuk dat een globale ruimtelijke verkenning biedt voor de mogelijkheden voor het pand aan de [straatnaam]. Hierdoor wordt het Ambitiedocument niet aangemerkt als een schadeveroorzakend besluit of schadeveroorzakende handeling die grondslag biedt voor een verzoek om nadeelcompensatie.
4.4.
Omdat het college zich terecht op het standpunt stelt dat het Ambitiedocument geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb is, stond tegen dit besluit dus ook geen bezwaar en beroep open. Het gevolg is dat niet is voldaan aan het vereiste van processuele connexiteit, waardoor de afwijzing van het verzoek om nadeelcompensatie niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Het college heeft het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard.
4.5.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank niet meer toe aan wat eiser verder heeft aangevoerd.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Klomp, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Mercelina, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Eiser verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2764.
MvT II, Parl. Gesch. Awb I, p. 155.
Zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 mei 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM5605, r.o. 2.4.1
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/5848
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser], eiser,
(gemachtigde: mr. M. Adansar),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lansingerland
(gemachtigden: mr. M. van Moorsel en [naam]).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het college waarin het verzoek van eiser om nadeelcompensatie niet-ontvankelijk is verklaard. Eiser heeft het verzoek om nadeelcompensatie bij het college ingediend, omdat hij schade zou hebben geleden in de vorm van waardevermindering van het pand aan de [straatnaam] in [locatie 1] en [locatie 2], die is veroorzaakt door het 'Ambitiedocument herontwikkeling [straatnaam]'. Het college heeft het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2. Met het primaire besluit van 22 december 2021 heeft het college het verzoek van eiser om nadeelcompensatie afgewezen. Met het bestreden besluit van 19 juni 2025 heeft het college het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Het college heeft op het beroepschrift gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 1 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van het college.
Totstandkoming van het bestreden besluit
3.1.
Eiser heeft in 2008 het pand aan de [straatnaam] in [locatie 1] en [locatie 2] via een erfenis verkregen. Op 23 augustus 2011 is het pand aangewezen als gemeentelijk monumentaal pand. In juni 2012 is het 'Ambitiedocument herontwikkeling [straatnaam]' (hierna: het Ambitiedocument) vastgesteld.
3.2.
Op 19 juli 2016 heeft eiser het college aansprakelijk gesteld voor de geleden schade. In deze brief stelt eiser dat hij schade heeft geleden ten gevolge van het besluit van 23 augustus 2011. Op 20 juni 2019 heeft eiser het college verzocht om schadevergoeding / nadeelcompensatie, omdat hij schade zou hebben geleden in de vorm van waardevermindering van het pand aan de [straatnaam] in [locatie 1] en [locatie 2], die is veroorzaakt door het besluit tot aanwijzing tot gemeentelijk monument van 23 augustus 2011 en het Ambitiedocument van juni 2012.
3.3.
Op 16 november 2021 heeft de Stichting advies onroerende zaken (hierna: SAOZ) een advies uitgebracht over het verzoek om schadevergoeding van eiser.
De SAOZ adviseerde om het verzoek om nadeelcompensatie af te wijzen.
3.4.
Bij besluit van 22 december 2021 heeft het college het verzoek om nadeelcompensatie afgewezen.
3.5.
Eiser heeft bezwaar ingediend tegen het besluit. Hij is in bezwaar gehoord. Op 11 juni 2025 heeft de algemene bezwaarschriftencommissie een advies uitgebracht. Tijdens de hoorzitting heeft eiser desgevraagd verklaard dat het Ambitiedocument het schadeveroorzakende besluit is. De commissie heeft geadviseerd om het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren, omdat het Ambitiedocument geen besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), wat betekent dat de afwijzing van het verzoek om nadeelcompensatie vanwege het ontbreken van processuele connexiteit ook niet als besluit kwalificeert.
3.4.
Bij het bestreden besluit van 19 juni 2025 heeft het college het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit niet-ontvankelijk verklaard.
Beoordeling door de rechtbank
Ontvankelijkheid van het bezwaar
4. Eiser voert aan dat het bezwaar zich richtte tegen een zelfstandig schadebesluit (van 22 december 2021). Volgens vaste jurisprudentie is een afwijzing van een verzoek om nadeelcompensatie een besluit in de zin van de Awb, mits sprake is van processuele en materiële connexiteit. Het schadeveroorzakende handelen is hier gelegen in het monumentenbesluit en de toepassing van het Ambitiedocument, die beide rechtsgevolgen naar buiten hebben gehad, aldus eiser.
4.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
4.2.
Eiser heeft in beroep aangevoerd dat het schadeveroorzakende handelen is gelegen in het monumentenbesluit en de toepassing van het Ambitiedocument. Artikel 6:13 van de Awb staat eraan in de weg dat eiser in beroep gronden indient tegen een onderdeel van een besluit dat hij niet in de bezwaarfase aan de orde heeft gesteld, de zogenoemde onderdelentrechter. Dat is aan de orde.
In de gronden van bezwaar heeft eiser namelijk aangevoerd dat niet het besluit tot aanwijzing van het monument de schade heeft veroorzaakt, maar het proces na de aanwijzing en de totstandkoming van het Ambitiedocument. Uit het rapport van de hoorzitting volgt dat eiser (dan wel zijn gemachtigde) in de bezwaarfase desgevraagd expliciet heeft verklaard dat het Ambitiedocument het schadebesluit is. Hier is het college dan ook van uitgegaan. Er is geen sprake van dat eiser redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij het ‘monumentenbesluit’ niet in de bezwaarfase heeft bestreden. Eiser kan in beroep daarom niet als grond aanvoeren dat het schadeveroorzakende handelen is gelegen in het monumentenbesluit.
4.3.
De rechtbank volgt het college in zijn standpunt dat het Ambitiedocument geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Voor een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb moet de beslissing gericht zijn op extern rechtsgevolg. Daarmee is bedoeld dat de beslissing gericht moet zijn op rechtsgevolgen die ontstaan in de verhouding van het bestuursorgaan tot een of meer anderen. Beslissingen van het bestuursorgaan die een zuiver intern karakter hebben, zoals de bepaling van de prioriteit van de te behandelen zaken, aanwijzingen over op te stellen stukken en dergelijke zijn dus niet als besluiten in de zin der wet aan te merken. De rechtbank volgt het college in zijn standpunt dat het Ambitiedocument als een politiek-bestuurlijke uitspraak kan worden gezien, zonder juridische status of derdenwerking. Het Ambitiedocument beoogt geen extern rechtsgevolg. Het document is niet gericht op rechtsgevolgen die ontstaan in de verhouding van het bestuursorgaan tot een of meer anderen. Zoals de bezwaarschriftencommissie heeft toegelicht, is het Ambitiedocument een beleidsstuk dat een globale ruimtelijke verkenning biedt voor de mogelijkheden voor het pand aan de [straatnaam]. Hierdoor wordt het Ambitiedocument niet aangemerkt als een schadeveroorzakend besluit of schadeveroorzakende handeling die grondslag biedt voor een verzoek om nadeelcompensatie.
4.4.
Omdat het college zich terecht op het standpunt stelt dat het Ambitiedocument geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb is, stond tegen dit besluit dus ook geen bezwaar en beroep open. Het gevolg is dat niet is voldaan aan het vereiste van processuele connexiteit, waardoor de afwijzing van het verzoek om nadeelcompensatie niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Het college heeft het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard.
4.5.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank niet meer toe aan wat eiser verder heeft aangevoerd.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Klomp, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Mercelina, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Eiser verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2764.
MvT II, Parl. Gesch. Awb I, p. 155.
Zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 mei 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM5605, r.o. 2.4.1