Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2025:8955

2025-07-15 Bestuursrecht ROT 25/2271
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2025-07-15
Publicatiedatum
2025-07-22
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Proces-verbaal
Zaaknummer
ROT 25/2271
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Varia, CBR-zaak. De oogvisus van eiseres heeft een belangrijke afwijking. Het CBR mag de interne regel hanteren dat een oogvisus van lager dan 0,7 een belangrijke afwijking is.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (6.718 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM


Bestuursrecht


zaaknummer: ROT 25/2271


proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juli 2025 in de zaak tussen





[naam eiseres] , uit [plaats] , eiseres


en




De algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, het CBR
(gemachtigde: [persoon A] ).




Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het buiten behandeling stellen van de aanvraag van een verklaring van geschiktheid van eiseres.



1.1.
Het CBR heeft deze aanvraag met het besluit van 9 augustus 2024 buiten behandeling gesteld. Met het bestreden besluit van 16 oktober 2024 op het bezwaar van eiseres is het CBR bij de buitenbehandelingstelling van de aanvraag gebleven. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.



1.2.
De rechtbank heeft het beroep van eiseres op 15 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van het CBR.



1.3.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.




Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het buiten behandeling stellen van de aanvraag. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.

3. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het CBR de aanvraag buiten behandeling heeft mogen stellen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

4. Eiseres heeft op 14 juli 2025 een brief ingediend. De brief is één dag voor de zitting ingediend en heeft de gemachtigde van het CBR niet voor de zitting bereikt. Gezien het beginsel van een goede procesorde zal de rechtbank de brief daarom niet meenemen in de beoordeling van deze zaak.



Heeft het CBR eiseres terecht doorverwezen naar een oogarts?

5. Eiseres voert aan dat het CBR haar niet had mogen doorverwijzen naar een oogarts. Haar visuswaarden zijn boven de wettelijke normen van 0,5 en dus had de verklaring van rijgeschiktheid moeten worden toegewezen. Eiseres stelt zich ook op het standpunt dat zij naar aanleiding van haar gezondheidsverklaring niet doorverwezen had mogen worden naar een keuringsarts. Haar gezondheidsverklaring gaf geen aanleiding om haar door te verwijzen.


5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit 3.6 van de bijlage bij de Regeling eisen geschiktheid 2000 (hierna: de Regeling) volgt dat aanvullend onderzoek van een oogarts noodzakelijk is bij belangrijke afwijkingen in verband met een eventuele beperking van de geschiktheidstermijn. Uit de gegevens van de keurend arts blijkt dat de gecorrigeerde visuswaarde van beide ogen 0,5 bedraagt. Uit de daaropvolgende oogmeting bij de opticien volgde een visuswaarde van 0,6 voor het linkeroog en 0,65 voor het rechteroog. Dat is volgens het CBR een belangrijke afwijking en daarom is de verwijzing naar de oogarts noodzakelijk. De reden voor het verkrijgen van een rapport van de oogarts is dat een verminderde visus mogelijk het gevolg is van een progressieve oogaandoening, die aanleiding zou kunnen zijn voor het verstrekken van een verklaring van geschiktheid met een beperkte geldigheid. Het CBR stelt zich op het standpunt dat het zonder het rapport van de oogarts niet alle benodigde informatie heeft om de rijgeschiktheid van eiseres te beoordelen. Daarom kon, gelet op artikel 103 van het Reglement rijbewijzen, gelezen in samenhang met 3.6 van de bijlage bij de Regeling, geen verklaring van geschiktheid worden afgegeven, aldus het CBR.



5.2.
In aanvulling op de eis dat de aanvrager een visus van ten minste 0,5 moet hebben, mag het CBR op grond van 3.6 van de bijlage van de Regeling verlangen dat een aanvrager nader onderzoek laat verrichten door een oogarts wanneer er sprake is van een belangrijke afwijking. Het CBR hanteert de interne regel dat een visus van minder dan 0,7 een belangrijke afwijking is. Het CBR heeft ter zitting verklaard dat het deze interne regel al jarenlang hanteert. Hoewel de interne regel niet is neergelegd in een beleidsregel als bedoeld in artikel 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, mag het CBR de interne regel volgen, mits het een op het geval van eiseres toegespitste en op de interne regel aansluitende motivering geeft. Het CBR heeft onder verwijzing naar de verrichte oogmetingen toegelicht (en tussen partijen is ook niet in geschil) dat de visus van eiseres lager is dan 0,7. De gemachtigde van het CBR heeft op de zitting nader toegelicht dat de visus van eiseres bij een vorige meting beter was. Het CBR heeft daarom voldoende reden kunnen zien om eiseres door te verwijzen naar de oogarts voor nader onderzoek.




Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het CBR de aanvraag van eiseres buiten behandeling heeft mogen stellen. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

7. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.




Beslissing


De rechtbank verklaart beroep ongegrond.




Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2025 door mr. G.A. Bouter-Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Blokhuis, griffier.














griffier


rechter








Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.




Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 oktober 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2931.