Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2025:6809
2025-06-12
Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
ROT 24/1954
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Medewerker die varken bedwelmde, beschikte tijdens inspectie niet over getuigschrift van bekwaamheid. Gelet op het overgelegde getuigschrift en de op de zitting gegeven toelichting over de supervisie is onvoldoende komen vast te staan dat niet is voldaan aan vereisten voor een voorlopig getuigschrift; beroep gegrond.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RBROT:2024:5383 Rechtbank Rotterdam 14-06-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (21.824 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/1954
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 juni 2025 in de zaak tussen
[eiseres] uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. F.T.M. Peters),
en
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, voorheen de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. verweerder
(gemachtigde: mr. D.J. van der Bij).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de boete van € 2.500,- voor een overtreding van de Wet dieren. Met het besluit van 1 september 2023 heeft verweerder eiseres de boete opgelegd.
1.1.
Met het bestreden besluit van 11 januari 2024 op het bezwaar van eiseres heeft verweerder de boete gehandhaafd.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 13 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, [naam] namens eiseres en de gemachtigde van verweerder, bijgestaan door [naam] , toezichthoudend dierenarts bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).
Totstandkoming van het besluit
2. Verweerder heeft zijn besluit gebaseerd op het rapport van bevindingen dat op 21 februari 2023 is opgemaakt door een toezichthouder van de NVWA. De toezichthouder schrijft in het rapport onder meer het volgende.
“Datum en tijdstip van de bevinding: 21 september 2022 omstreeks 09:00 uur.
Ik heb in het bedrijf aangesproken en ben met naam en functie bekend bij: [de stalbaas]
, functie: Stalbaas.
Ik bevond mij omstreeks 09.00 uur in de stal van bovengenoemd bedrijf. Ik zag dat een stalmedewerker, [de stalmedewerker] , zich in de stal bevond.
Ik zag vervolgens dat [de stalmedewerker] bezig was met het bedwelmen van een varken in de aanvoerstal van het slachthuis, alwaar de AM-keuring bij het lossen van de vrachtauto's plaatsvindt.
Ik vroeg aan [de stalmedewerker] of hij beschikte over een getuigschrift voor het bedwelmen van dieren. Hierop kreeg ik een ontkennend antwoord. Uit navraag bij de stalbaas [de stalbaas] werd bevestigd dat [de stalmedewerker] niet beschikte over het SVO Getuigschrift van Vakbekwaamheid 1 voor het bedwelmen van dieren.
Ik zag [de stalmedewerker] een varken elektrisch bedwelmen door middel van een elektrische bedwelmtang. Hij deed dit zonder supervisie van een collega die wel beschikte over de benodigde getuigschrift van vakbekwaamheid op het onderdeel 'het bedwelmen van dieren'. Deze medewerker die wel beschikte over een getuigschrift van vakbekwaamheid stond op een positie waar hij het bedwelmen door [de stalmedewerker] niet kon zien en dus geen rechtstreekse supervisie hierop kon houden. Hieruit bleek mij dat niet werd voldaan aan een vereiste voor een voorlopige getuigschrift uit artikel 21 lid 5 van Verordening (EG) 1099/2009.
Ik stelde vast dat een medewerker van het slachthuis die zich bezig hield met het doden van dieren en daarmee verband houdende activiteiten, namelijk het bedwelmen van een varken, niet beschikte over het SVO Getuigschrift van Vakbekwaamheid voor dit onderdeel.
Ik stelde vast dat er personeel zonder getuigschrift van vakbekwaamheid was ingezet voor het doden van slachtdieren of verrichten van daarmee verband houdende activiteiten.”
3. Op grond van het rapport van bevindingen heeft verweerder vastgesteld dat eiseres het volgende beboetbare feit heeft gepleegd:
“De bedrijfsexploitanten zien er niet op toe dat de slachtactiviteiten uitsluitend worden verricht door personen die beschikken over een getuigschrift van vakbekwaamheid voor dergelijke activiteiten overeenkomstig artikel 21 van Verordening 1099/2009.”
Volgens verweerder heeft eiseres daarmee een overtreding begaan van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, gelezen in samenhang met artikel 5.8 van de Regeling houders van dieren, en met artikel 7, tweede lid, onder c, van Verordening 1099/2009.
Voor dit feit geldt een boetebedrag van € 2.500,-.
Beoordeling door de rechtbank
4. De rechtbank beoordeelt of verweerder terecht heeft vastgesteld dat eiseres het beboetbare feit heeft gepleegd en of verweerder daarvoor terecht een boete heeft gegeven. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
5. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.
6. Het van toepassing zijnde juridisch kader is als bijlage bij deze uitspraak opgenomen.
7. Eiseres voert aan dat in het bestreden besluit op geen enkele wijze is meegenomen in de overwegingen dat de werknemer de bedwelmingshandelingen correct verrichtte. Van een onjuiste of niet vakkundige wijze van bedwelming is niet gebleken.
Eiseres voert verder aan dat het met een voorlopig getuigschrift mogelijk is dat een medewerker zonder of met nagenoeg geen theoretische of praktische kennis slachthandelingen uitvoert. Verweerder heeft ten onrechte aangenomen dat de betreffende medewerker niet of nagenoeg niet over theoretisch of praktische kennis beschikte om de handelingen uit te voeren. Het gaat hier om een medewerker, die al geruime tijd de interne opleidingen en instructierondes van het bedrijf van eiseres gevolgd had en die aangemeld was voor de cursus ter verkrijging van een certificaat. Verder werkte hij onder supervisie van een ervaren gecertificeerde collega/supervisor, verrichtte hij zijn werkzaamheden naar behoren en was er op geen enkele wijze sprake was van enig dierenleed als gevolg van onoordeelkundig handelen. Daarnaast voert eiseres aan dat het begrip ‘supervisie’ in het bestreden besluit te restrictief wordt uitgelegd. Rechtstreekse supervisie betekent volgens eiseres dat de supervisor in een rechtstreeks verhouding tot de medewerkers staat en er dus geen schakels in de hiërarchische of controle kolom tussen de supervisor en medewerker zitten. Rechtstreeks supervisie betekent ook dat de werknemer zelfstandig werkzaamheden uitvoert, waarbij de supervisor overkoepelend toezicht houdt en permanent aanwezig is. In dit geval was sprake van een dergelijke situatie. Verder betekent supervisie volgens eiseres geen permanent toezicht en permanent verblijf in het blikveld van de supervisor. Gelet op het voorgaande is er geen sprake van een overtreding van artikel 7, tweede lid, aanhef en onder c, van Verordening 1099/2009, aldus eiseres.
7.1.
In artikel 7, tweede lid, onder c, van Verordening 1099/2009 staat dat het bedwelmen van dieren uitsluitend wordt verricht door personen die over een getuigschrift van vakbekwaamheid voor die handeling beschikken. Niet in geschil is dat de medewerker die in dit geval het varken bedwelmde op het moment van de inspectie (op 21 september 2022) niet over een dergelijk getuigschrift beschikte.
Als uitzondering op deze hoofdregel staat in artikel 21, vijfde lid, aanhef van Verordening 1099/2009 dat de bevoegde autoriteit ook voorlopige getuigschriften van vakbekwaamheid kan verlenen, mits aan bepaalde voorwaarden is voldaan, waaronder de voorwaarde dat die persoon is ingeschreven voor een betreffende opleiding (onder a) en de voorwaarde dat die persoon zal werken in de aanwezigheid van en onder rechtstreekse supervisie van een persoon die houder is van een getuigschrift van vakbekwaamheid dat voor de specifiek te verrichten activiteit is afgegeven (onder b). Verweerder heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt, zoals is neergelegd in artikel 5.5 van de Regeling houders van dieren.
Het werken op basis van een voorlopig getuigschrift maakt het dus mogelijk dat een medewerker in afwijking van de hoofdregel, zonder eerst theoretische of praktische scholing te hebben gevolgd, slachthandelingen mag verrichten.
7.2.
In het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat niet is gebleken of aannemelijk is gemaakt dat de betreffende medewerker van eiseres op 21 september 2022 stond ingeschreven voor een (kortdurende) opleiding als bedoeld in artikel 21, eerste lid, aanhef en onder a, van Verordening 1099/2009. De rechtbank volgt dit standpunt van verweerder niet. Eiseres heeft bij de zienswijze een ‘getuigschrift vakbekwaamheid slachthuisactiviteiten’ van de Vlaamse overheid, dat is afgegeven op 8 november 2022 en dat betrekking heeft op [de stalmedewerker] , overgelegd. Volgens dit getuigschrift is het examen voor de opleiding op 8 oktober 2022 afgelegd in Helmond. Met dit getuigschrift acht de rechtbank de stelling dat de betreffende medewerker op de datum van de inspectie (21 september 2022) al was ingeschreven voor een opleiding als bedoeld in artikel 21, vijfde lid, aanhef en onder a, en artikel 21, eerste lid, aanhef en onder a, van Verordening 1099/2009 voldoende onderbouwd, zodat daarmee wordt voldaan aan een belangrijk vereiste van een voorlopig getuigschrift van bekwaamheid.
7.3.
In het bestreden besluit heeft verweerder vervolgens overwogen: “Zou de medewerker hebben beschikt over een voorlopig getuigschrift, wat in dit geval niet is gebleken, dan moet er van worden uitgegaan dat de fictie van een voorlopig getuigschrift zijn gelding heeft verloren. Immers, door de toezichthouder is geconstateerd dat niet aan de voorwaarden voor de toepasselijkheid van de regels voor het werken onder de fictie van een voorlopig getuigschrift is voldaan. Door de toezichthouder is geconstateerd dat de medewerker het bedwelmen van het varken niet deed in de aanwezigheid van en onder rechtstreekse supervisie van een persoon die houder is van een getuigschrift van vakbekwaamheid dat voor het bedwelmen van dieren is afgegeven”.
Ten aanzien van het vereiste van ‘rechtstreekse supervisie’ dat volgt uit artikel 21, vijfde lid, aanhef en onder b, van Verordening 1099/2009 overweegt de rechtbank als volgt.
‘In de aanwezigheid van en onder rechtstreekse supervisie van’ dient naar het oordeel van de rechtbank restrictief te worden uitgelegd. Zoals de rechtbank eerder heeft overwogen in de uitspraak 14 juni 2024 (ECLI:NL:RBROT:2024:5383) maakt het werken op basis van een voorlopig getuigschrift het mogelijk dat een medewerker zonder eerst enige theoretische of praktische scholing te hebben gevolgd slachthandelingen mag verrichten; voor de bescherming van het dierenwelzijn is het daarom van groot belang dat een gecertificeerde medewerker aanwezig is en rechtstreeks supervisie houdt op de werkzaamheden van de medewerker die op basis van een voorlopig getuigschrift aan het werk is, zodat de gecertificeerde medewerker direct kan ingrijpen wanneer zich dierenwelzijnsrisico’s voordoen.
Uit het rapport van bevindingen van 21 februari 2023 blijkt dat de medewerker die wel beschikte over een getuigschrift van vakbekwaamheid op een positie stond waar hij het bedwelmen door [de stalmedewerker] niet kon zien. Daaraan heeft verweerder de conclusie verbonden dat de medewerker geen rechtstreekse supervisie kon houden. Verweerder heeft echter aan de hand van het rapport van bevindingen niet kunnen vaststellen dat die medewerker, die de supervisie had over de werkzaamheden van [de stalmedewerker] , niet direct zou kunnen ingrijpen, wanneer zich dierenwelzijnsrisico’s zouden voordoen.
[naam] heeft ter zitting toegelicht hoe het er ten tijde van de inspectie op 21 september 2022 aan toe ging in de aanvoerstal van het slachthuis, alwaar de ante mortem-keuring bij het lossen van de vrachtauto’s plaatsvond. Een medewerker stond bij de losbrug, een andere medewerker stond bij de dierenarts bij de ante mortem-keuring en een medewerker was in de stal en sloot de dieren op. Er werd één wagen tegelijk gelost. De medewerkers waren in dezelfde stal niet op grote afstand van elkaar aan het werk. De rechtbank ziet een bevestiging van deze feitelijke gang van zaken in de nadere toelichting van de toezichthouder op de bevindingen van 3 januari 2024 die zich in het dossier bevindt en waarin is opgemerkt dat de medewerker die wel over een getuigschrift beschikte elders in de stal bezig was met het lossen van de varkens. Volgens [naam] waren de supervisor en [de stalmedewerker] allebei bezig met het lossen van dezelfde lading in dezelfde losgang en kon de supervisor, indien er aanleiding zou bestaan, binnen een paar passen bij [de stalmedewerker] zijn om in te grijpen wanneer zich dierenwelzijnsrisico’s voordoen. In de bevindingen van de toezichthouder ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor een tegengesteld standpunt. Gelet op deze door eiseres ter zitting geschetste omstandigheden bestaat er naar het oordeel twijfel aan de vaststelling door verweerder dat er in deze situatie geen sprake was van rechtstreekse supervisie.
7.4.
Gelet op het voorgaande is onvoldoende komen vast te staan dat niet is voldaan aan de vereisten voor een voorlopig getuigschrift van bekwaamheid zoals vervat in artikel 21, vijfde lid, onder a en b, van Verordening 1099/2009. In het bestreden besluit is niet ingegaan op de vraag of is voldaan aan de overige vereisten van artikel 21, vijfde lid, van Verordening 1099/2009. Verweerder heeft daarmee onvoldoende bewezen dat eiseres op 21 september 2022 een overtreding heeft begaan door de medewerker M. van de Weier varkens te laten bedwelmen zonder dat deze medewerker beschikte over een getuigschrift van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 7, tweede lid, aanhef en onder c, van Verordening 1099/2009.
Conclusie en gevolgen
8.1.
Het beroep is dus gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank voorziet zelf in de zaak en herroept het primaire besluit. Dit betekent dat de boete van € 2.500,- vervalt.
8.2.
Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Deze vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 647,-. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 907,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 2.461,-
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
- herroept het primaire besluit;
- bepaalt dat de verweerder het griffierecht van € 371,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.461,- aan proceskosten van eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.M. Goossens, rechter, in aanwezigheid van P. Deinum, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2025.
De rechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: juridisch kader
Artikel 7, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 1099/2009: de bedrijfsexploitanten zien erop toe dat de volgende slachtactiviteiten uitsluitend worden verricht door personen die beschikken over een getuigschrift van vakbekwaamheid voor dergelijke activiteiten overeenkomstig artikel 21, waaruit blijkt dat zij in staat zijn deze uit te voeren overeenkomstig de in deze verordening vastgestelde voorschriften:
a) het behandelen en verzorgen van dieren voorafgaand aan de fixatie;
b) het fixeren van dieren met het oog op het bedwelmen of doden;
c) het bedwelmen van dieren;
d) het beoordelen van de effectiviteit van de bedwelming;
e) het aanhaken of optakelen van levende dieren;
f) het verbloeden van levende dieren;
g) het slachten overeenkomstig artikel 4, lid 4.
Artikel 21 van Verordening (EG) nr. 1099/2009:
1. Voor de toepassing van artikel 7 wijzen de lidstaten een bevoegde autoriteit aan die verantwoordelijk is voor:
a) het waarborgen van de beschikbaarheid van opleidingscursussen voor personeel dat betrokken is bij het doden van dieren en daarmee verband houdende activiteiten;
b) het verstrekken van getuigschriften van vakbekwaamheid als bewijs dat een onafhankelijk afsluitend examen met goed gevolg is afgelegd; de onderwerpen van dit examen houden verband met de betreffende diersoorten en zijn in overeenstemming met de activiteiten genoemd in artikel 7, leden 2 en 3, en met de onderwerpen in bijlage IV;
c) het goedkeuren van opleidingsprogramma’s voor de cursussen bedoeld onder a) en van de inhoud en uitvoeringsbepalingen van het examen bedoeld onder b).
2. De bevoegde autoriteit kan het afsluitende examen en het verstrekken van getuigschriften van vakbekwaamheid delegeren aan een afzonderlijke instantie of entiteit die:
a) over de noodzakelijke expertise, medewerkers en apparatuur beschikt om die taken uit te voeren;
b) onafhankelijk is en niet in belangenconflicten verstrengeld zal raken wat betreft het afsluitende examen en het verstrekken van getuigschriften van vakbekwaamheid.
De bevoegde autoriteit kan de organisatie van opleidingen ook delegeren aan een afzonderlijke instantie of entiteit die beschikt over de noodzakelijke expertise, medewerkers en uitrusting om die taak uit te voeren.
De nadere gegevens over organen en entiteiten waaraan deze taken zijn gedelegeerd, worden door de bevoegde autoriteit via internet voor het publiek beschikbaar gemaakt.
3. Op de getuigschriften van vakbekwaamheid wordt vermeld voor welke categorieën dieren, welke soort apparatuur en voor welke van de activiteiten bedoeld in artikel 7, leden 2 en 3, het getuigschrift geldig is.
4. De lidstaten erkennen de getuigschriften van vakbekwaamheid die in een andere lidstaat zijn uitgegeven.
5. De bevoegde autoriteit kan voorlopige getuigschriften van vakbekwaamheid verlenen, mits:
a) de aanvrager ingeschreven is voor een van de opleidingen als bedoeld in lid 1, onder a);
b) de aanvrager zal werken in de aanwezigheid van en onder rechtstreekse supervisie van een persoon die houder is van een getuigschrift van vakbekwaamheid dat voor de specifiek te verrichten activiteit is afgegeven;
c) de geldigheidsduur van het voorlopig getuigschrift niet meer dan drie maanden bedraagt, en
d) de aanvrager een schriftelijke verklaring overlegt die stelt dat hem nooit eerder een ander voorlopig getuigschrift van vakbekwaamheid van dezelfde strekking is verleend of ten genoegen van de bevoegde autoriteit aantoont dat hij niet in staat was deel te nemen aan het afsluitende examen.
6. Onverminderd een besluit van een rechterlijke autoriteit of een bevoegde autoriteit tot instelling van een verbod op het behandelen van dieren, mogen getuigschriften van vakbekwaamheid, of voorlopige getuigschriften van vakbekwaamheid, alleen worden verstrekt indien de aanvrager een schriftelijke verklaring overlegt die bevestigt dat hij zich in de drie jaar voorafgaand aan de datum van de aanvraag niet schuldig heeft gemaakt aan ernstige overtredingen van de communautaire en/of de nationale wetgeving inzake de bescherming van dieren.
7. Voor de toepassing van deze verordening kunnen de lidstaten kwalificaties die voor andere doeleinden zijn verkregen, als gelijkwaardige getuigschriften van vakbekwaamheid erkennen, mits die zijn verkregen op voorwaarden die vergelijkbaar zijn met de voorwaarden van dit artikel. De bevoegde autoriteit maakt via het internet een lijst bekend van kwalificaties die erkend worden als gelijkwaardig met het getuigschrift van vakbekwaamheid, en actualiseert deze lijst.
8. Voor de uitvoering van de bepalingen van lid 1 van dit artikel kunnen communautaire richtsnoeren worden vastgesteld volgens de in artikel 25, lid 2, bedoelde procedure.
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/1954
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 juni 2025 in de zaak tussen
[eiseres] uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. F.T.M. Peters),
en
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, voorheen de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. verweerder
(gemachtigde: mr. D.J. van der Bij).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de boete van € 2.500,- voor een overtreding van de Wet dieren. Met het besluit van 1 september 2023 heeft verweerder eiseres de boete opgelegd.
1.1.
Met het bestreden besluit van 11 januari 2024 op het bezwaar van eiseres heeft verweerder de boete gehandhaafd.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 13 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, [naam] namens eiseres en de gemachtigde van verweerder, bijgestaan door [naam] , toezichthoudend dierenarts bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).
Totstandkoming van het besluit
2. Verweerder heeft zijn besluit gebaseerd op het rapport van bevindingen dat op 21 februari 2023 is opgemaakt door een toezichthouder van de NVWA. De toezichthouder schrijft in het rapport onder meer het volgende.
“Datum en tijdstip van de bevinding: 21 september 2022 omstreeks 09:00 uur.
Ik heb in het bedrijf aangesproken en ben met naam en functie bekend bij: [de stalbaas]
, functie: Stalbaas.
Ik bevond mij omstreeks 09.00 uur in de stal van bovengenoemd bedrijf. Ik zag dat een stalmedewerker, [de stalmedewerker] , zich in de stal bevond.
Ik zag vervolgens dat [de stalmedewerker] bezig was met het bedwelmen van een varken in de aanvoerstal van het slachthuis, alwaar de AM-keuring bij het lossen van de vrachtauto's plaatsvindt.
Ik vroeg aan [de stalmedewerker] of hij beschikte over een getuigschrift voor het bedwelmen van dieren. Hierop kreeg ik een ontkennend antwoord. Uit navraag bij de stalbaas [de stalbaas] werd bevestigd dat [de stalmedewerker] niet beschikte over het SVO Getuigschrift van Vakbekwaamheid 1 voor het bedwelmen van dieren.
Ik zag [de stalmedewerker] een varken elektrisch bedwelmen door middel van een elektrische bedwelmtang. Hij deed dit zonder supervisie van een collega die wel beschikte over de benodigde getuigschrift van vakbekwaamheid op het onderdeel 'het bedwelmen van dieren'. Deze medewerker die wel beschikte over een getuigschrift van vakbekwaamheid stond op een positie waar hij het bedwelmen door [de stalmedewerker] niet kon zien en dus geen rechtstreekse supervisie hierop kon houden. Hieruit bleek mij dat niet werd voldaan aan een vereiste voor een voorlopige getuigschrift uit artikel 21 lid 5 van Verordening (EG) 1099/2009.
Ik stelde vast dat een medewerker van het slachthuis die zich bezig hield met het doden van dieren en daarmee verband houdende activiteiten, namelijk het bedwelmen van een varken, niet beschikte over het SVO Getuigschrift van Vakbekwaamheid voor dit onderdeel.
Ik stelde vast dat er personeel zonder getuigschrift van vakbekwaamheid was ingezet voor het doden van slachtdieren of verrichten van daarmee verband houdende activiteiten.”
3. Op grond van het rapport van bevindingen heeft verweerder vastgesteld dat eiseres het volgende beboetbare feit heeft gepleegd:
“De bedrijfsexploitanten zien er niet op toe dat de slachtactiviteiten uitsluitend worden verricht door personen die beschikken over een getuigschrift van vakbekwaamheid voor dergelijke activiteiten overeenkomstig artikel 21 van Verordening 1099/2009.”
Volgens verweerder heeft eiseres daarmee een overtreding begaan van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, gelezen in samenhang met artikel 5.8 van de Regeling houders van dieren, en met artikel 7, tweede lid, onder c, van Verordening 1099/2009.
Voor dit feit geldt een boetebedrag van € 2.500,-.
Beoordeling door de rechtbank
4. De rechtbank beoordeelt of verweerder terecht heeft vastgesteld dat eiseres het beboetbare feit heeft gepleegd en of verweerder daarvoor terecht een boete heeft gegeven. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
5. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.
6. Het van toepassing zijnde juridisch kader is als bijlage bij deze uitspraak opgenomen.
7. Eiseres voert aan dat in het bestreden besluit op geen enkele wijze is meegenomen in de overwegingen dat de werknemer de bedwelmingshandelingen correct verrichtte. Van een onjuiste of niet vakkundige wijze van bedwelming is niet gebleken.
Eiseres voert verder aan dat het met een voorlopig getuigschrift mogelijk is dat een medewerker zonder of met nagenoeg geen theoretische of praktische kennis slachthandelingen uitvoert. Verweerder heeft ten onrechte aangenomen dat de betreffende medewerker niet of nagenoeg niet over theoretisch of praktische kennis beschikte om de handelingen uit te voeren. Het gaat hier om een medewerker, die al geruime tijd de interne opleidingen en instructierondes van het bedrijf van eiseres gevolgd had en die aangemeld was voor de cursus ter verkrijging van een certificaat. Verder werkte hij onder supervisie van een ervaren gecertificeerde collega/supervisor, verrichtte hij zijn werkzaamheden naar behoren en was er op geen enkele wijze sprake was van enig dierenleed als gevolg van onoordeelkundig handelen. Daarnaast voert eiseres aan dat het begrip ‘supervisie’ in het bestreden besluit te restrictief wordt uitgelegd. Rechtstreekse supervisie betekent volgens eiseres dat de supervisor in een rechtstreeks verhouding tot de medewerkers staat en er dus geen schakels in de hiërarchische of controle kolom tussen de supervisor en medewerker zitten. Rechtstreeks supervisie betekent ook dat de werknemer zelfstandig werkzaamheden uitvoert, waarbij de supervisor overkoepelend toezicht houdt en permanent aanwezig is. In dit geval was sprake van een dergelijke situatie. Verder betekent supervisie volgens eiseres geen permanent toezicht en permanent verblijf in het blikveld van de supervisor. Gelet op het voorgaande is er geen sprake van een overtreding van artikel 7, tweede lid, aanhef en onder c, van Verordening 1099/2009, aldus eiseres.
7.1.
In artikel 7, tweede lid, onder c, van Verordening 1099/2009 staat dat het bedwelmen van dieren uitsluitend wordt verricht door personen die over een getuigschrift van vakbekwaamheid voor die handeling beschikken. Niet in geschil is dat de medewerker die in dit geval het varken bedwelmde op het moment van de inspectie (op 21 september 2022) niet over een dergelijk getuigschrift beschikte.
Als uitzondering op deze hoofdregel staat in artikel 21, vijfde lid, aanhef van Verordening 1099/2009 dat de bevoegde autoriteit ook voorlopige getuigschriften van vakbekwaamheid kan verlenen, mits aan bepaalde voorwaarden is voldaan, waaronder de voorwaarde dat die persoon is ingeschreven voor een betreffende opleiding (onder a) en de voorwaarde dat die persoon zal werken in de aanwezigheid van en onder rechtstreekse supervisie van een persoon die houder is van een getuigschrift van vakbekwaamheid dat voor de specifiek te verrichten activiteit is afgegeven (onder b). Verweerder heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt, zoals is neergelegd in artikel 5.5 van de Regeling houders van dieren.
Het werken op basis van een voorlopig getuigschrift maakt het dus mogelijk dat een medewerker in afwijking van de hoofdregel, zonder eerst theoretische of praktische scholing te hebben gevolgd, slachthandelingen mag verrichten.
7.2.
In het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat niet is gebleken of aannemelijk is gemaakt dat de betreffende medewerker van eiseres op 21 september 2022 stond ingeschreven voor een (kortdurende) opleiding als bedoeld in artikel 21, eerste lid, aanhef en onder a, van Verordening 1099/2009. De rechtbank volgt dit standpunt van verweerder niet. Eiseres heeft bij de zienswijze een ‘getuigschrift vakbekwaamheid slachthuisactiviteiten’ van de Vlaamse overheid, dat is afgegeven op 8 november 2022 en dat betrekking heeft op [de stalmedewerker] , overgelegd. Volgens dit getuigschrift is het examen voor de opleiding op 8 oktober 2022 afgelegd in Helmond. Met dit getuigschrift acht de rechtbank de stelling dat de betreffende medewerker op de datum van de inspectie (21 september 2022) al was ingeschreven voor een opleiding als bedoeld in artikel 21, vijfde lid, aanhef en onder a, en artikel 21, eerste lid, aanhef en onder a, van Verordening 1099/2009 voldoende onderbouwd, zodat daarmee wordt voldaan aan een belangrijk vereiste van een voorlopig getuigschrift van bekwaamheid.
7.3.
In het bestreden besluit heeft verweerder vervolgens overwogen: “Zou de medewerker hebben beschikt over een voorlopig getuigschrift, wat in dit geval niet is gebleken, dan moet er van worden uitgegaan dat de fictie van een voorlopig getuigschrift zijn gelding heeft verloren. Immers, door de toezichthouder is geconstateerd dat niet aan de voorwaarden voor de toepasselijkheid van de regels voor het werken onder de fictie van een voorlopig getuigschrift is voldaan. Door de toezichthouder is geconstateerd dat de medewerker het bedwelmen van het varken niet deed in de aanwezigheid van en onder rechtstreekse supervisie van een persoon die houder is van een getuigschrift van vakbekwaamheid dat voor het bedwelmen van dieren is afgegeven”.
Ten aanzien van het vereiste van ‘rechtstreekse supervisie’ dat volgt uit artikel 21, vijfde lid, aanhef en onder b, van Verordening 1099/2009 overweegt de rechtbank als volgt.
‘In de aanwezigheid van en onder rechtstreekse supervisie van’ dient naar het oordeel van de rechtbank restrictief te worden uitgelegd. Zoals de rechtbank eerder heeft overwogen in de uitspraak 14 juni 2024 (ECLI:NL:RBROT:2024:5383) maakt het werken op basis van een voorlopig getuigschrift het mogelijk dat een medewerker zonder eerst enige theoretische of praktische scholing te hebben gevolgd slachthandelingen mag verrichten; voor de bescherming van het dierenwelzijn is het daarom van groot belang dat een gecertificeerde medewerker aanwezig is en rechtstreeks supervisie houdt op de werkzaamheden van de medewerker die op basis van een voorlopig getuigschrift aan het werk is, zodat de gecertificeerde medewerker direct kan ingrijpen wanneer zich dierenwelzijnsrisico’s voordoen.
Uit het rapport van bevindingen van 21 februari 2023 blijkt dat de medewerker die wel beschikte over een getuigschrift van vakbekwaamheid op een positie stond waar hij het bedwelmen door [de stalmedewerker] niet kon zien. Daaraan heeft verweerder de conclusie verbonden dat de medewerker geen rechtstreekse supervisie kon houden. Verweerder heeft echter aan de hand van het rapport van bevindingen niet kunnen vaststellen dat die medewerker, die de supervisie had over de werkzaamheden van [de stalmedewerker] , niet direct zou kunnen ingrijpen, wanneer zich dierenwelzijnsrisico’s zouden voordoen.
[naam] heeft ter zitting toegelicht hoe het er ten tijde van de inspectie op 21 september 2022 aan toe ging in de aanvoerstal van het slachthuis, alwaar de ante mortem-keuring bij het lossen van de vrachtauto’s plaatsvond. Een medewerker stond bij de losbrug, een andere medewerker stond bij de dierenarts bij de ante mortem-keuring en een medewerker was in de stal en sloot de dieren op. Er werd één wagen tegelijk gelost. De medewerkers waren in dezelfde stal niet op grote afstand van elkaar aan het werk. De rechtbank ziet een bevestiging van deze feitelijke gang van zaken in de nadere toelichting van de toezichthouder op de bevindingen van 3 januari 2024 die zich in het dossier bevindt en waarin is opgemerkt dat de medewerker die wel over een getuigschrift beschikte elders in de stal bezig was met het lossen van de varkens. Volgens [naam] waren de supervisor en [de stalmedewerker] allebei bezig met het lossen van dezelfde lading in dezelfde losgang en kon de supervisor, indien er aanleiding zou bestaan, binnen een paar passen bij [de stalmedewerker] zijn om in te grijpen wanneer zich dierenwelzijnsrisico’s voordoen. In de bevindingen van de toezichthouder ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor een tegengesteld standpunt. Gelet op deze door eiseres ter zitting geschetste omstandigheden bestaat er naar het oordeel twijfel aan de vaststelling door verweerder dat er in deze situatie geen sprake was van rechtstreekse supervisie.
7.4.
Gelet op het voorgaande is onvoldoende komen vast te staan dat niet is voldaan aan de vereisten voor een voorlopig getuigschrift van bekwaamheid zoals vervat in artikel 21, vijfde lid, onder a en b, van Verordening 1099/2009. In het bestreden besluit is niet ingegaan op de vraag of is voldaan aan de overige vereisten van artikel 21, vijfde lid, van Verordening 1099/2009. Verweerder heeft daarmee onvoldoende bewezen dat eiseres op 21 september 2022 een overtreding heeft begaan door de medewerker M. van de Weier varkens te laten bedwelmen zonder dat deze medewerker beschikte over een getuigschrift van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 7, tweede lid, aanhef en onder c, van Verordening 1099/2009.
Conclusie en gevolgen
8.1.
Het beroep is dus gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank voorziet zelf in de zaak en herroept het primaire besluit. Dit betekent dat de boete van € 2.500,- vervalt.
8.2.
Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Deze vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 647,-. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 907,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 2.461,-
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
- herroept het primaire besluit;
- bepaalt dat de verweerder het griffierecht van € 371,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.461,- aan proceskosten van eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.M. Goossens, rechter, in aanwezigheid van P. Deinum, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2025.
De rechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: juridisch kader
Artikel 7, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 1099/2009: de bedrijfsexploitanten zien erop toe dat de volgende slachtactiviteiten uitsluitend worden verricht door personen die beschikken over een getuigschrift van vakbekwaamheid voor dergelijke activiteiten overeenkomstig artikel 21, waaruit blijkt dat zij in staat zijn deze uit te voeren overeenkomstig de in deze verordening vastgestelde voorschriften:
a) het behandelen en verzorgen van dieren voorafgaand aan de fixatie;
b) het fixeren van dieren met het oog op het bedwelmen of doden;
c) het bedwelmen van dieren;
d) het beoordelen van de effectiviteit van de bedwelming;
e) het aanhaken of optakelen van levende dieren;
f) het verbloeden van levende dieren;
g) het slachten overeenkomstig artikel 4, lid 4.
Artikel 21 van Verordening (EG) nr. 1099/2009:
1. Voor de toepassing van artikel 7 wijzen de lidstaten een bevoegde autoriteit aan die verantwoordelijk is voor:
a) het waarborgen van de beschikbaarheid van opleidingscursussen voor personeel dat betrokken is bij het doden van dieren en daarmee verband houdende activiteiten;
b) het verstrekken van getuigschriften van vakbekwaamheid als bewijs dat een onafhankelijk afsluitend examen met goed gevolg is afgelegd; de onderwerpen van dit examen houden verband met de betreffende diersoorten en zijn in overeenstemming met de activiteiten genoemd in artikel 7, leden 2 en 3, en met de onderwerpen in bijlage IV;
c) het goedkeuren van opleidingsprogramma’s voor de cursussen bedoeld onder a) en van de inhoud en uitvoeringsbepalingen van het examen bedoeld onder b).
2. De bevoegde autoriteit kan het afsluitende examen en het verstrekken van getuigschriften van vakbekwaamheid delegeren aan een afzonderlijke instantie of entiteit die:
a) over de noodzakelijke expertise, medewerkers en apparatuur beschikt om die taken uit te voeren;
b) onafhankelijk is en niet in belangenconflicten verstrengeld zal raken wat betreft het afsluitende examen en het verstrekken van getuigschriften van vakbekwaamheid.
De bevoegde autoriteit kan de organisatie van opleidingen ook delegeren aan een afzonderlijke instantie of entiteit die beschikt over de noodzakelijke expertise, medewerkers en uitrusting om die taak uit te voeren.
De nadere gegevens over organen en entiteiten waaraan deze taken zijn gedelegeerd, worden door de bevoegde autoriteit via internet voor het publiek beschikbaar gemaakt.
3. Op de getuigschriften van vakbekwaamheid wordt vermeld voor welke categorieën dieren, welke soort apparatuur en voor welke van de activiteiten bedoeld in artikel 7, leden 2 en 3, het getuigschrift geldig is.
4. De lidstaten erkennen de getuigschriften van vakbekwaamheid die in een andere lidstaat zijn uitgegeven.
5. De bevoegde autoriteit kan voorlopige getuigschriften van vakbekwaamheid verlenen, mits:
a) de aanvrager ingeschreven is voor een van de opleidingen als bedoeld in lid 1, onder a);
b) de aanvrager zal werken in de aanwezigheid van en onder rechtstreekse supervisie van een persoon die houder is van een getuigschrift van vakbekwaamheid dat voor de specifiek te verrichten activiteit is afgegeven;
c) de geldigheidsduur van het voorlopig getuigschrift niet meer dan drie maanden bedraagt, en
d) de aanvrager een schriftelijke verklaring overlegt die stelt dat hem nooit eerder een ander voorlopig getuigschrift van vakbekwaamheid van dezelfde strekking is verleend of ten genoegen van de bevoegde autoriteit aantoont dat hij niet in staat was deel te nemen aan het afsluitende examen.
6. Onverminderd een besluit van een rechterlijke autoriteit of een bevoegde autoriteit tot instelling van een verbod op het behandelen van dieren, mogen getuigschriften van vakbekwaamheid, of voorlopige getuigschriften van vakbekwaamheid, alleen worden verstrekt indien de aanvrager een schriftelijke verklaring overlegt die bevestigt dat hij zich in de drie jaar voorafgaand aan de datum van de aanvraag niet schuldig heeft gemaakt aan ernstige overtredingen van de communautaire en/of de nationale wetgeving inzake de bescherming van dieren.
7. Voor de toepassing van deze verordening kunnen de lidstaten kwalificaties die voor andere doeleinden zijn verkregen, als gelijkwaardige getuigschriften van vakbekwaamheid erkennen, mits die zijn verkregen op voorwaarden die vergelijkbaar zijn met de voorwaarden van dit artikel. De bevoegde autoriteit maakt via het internet een lijst bekend van kwalificaties die erkend worden als gelijkwaardig met het getuigschrift van vakbekwaamheid, en actualiseert deze lijst.
8. Voor de uitvoering van de bepalingen van lid 1 van dit artikel kunnen communautaire richtsnoeren worden vastgesteld volgens de in artikel 25, lid 2, bedoelde procedure.