Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2025:4057
2025-03-27
Bestuursrecht
ROT 25/998
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Geschilpunten over de reikwijdte van de aanvraag dienen in bezwaar te worden behandeld. Een tweede aanvraag in de zin van de Wht is niet mogelijk. (Opnieuw) beroep ntb instellen met betrekking tot andere toeslagjaren leidt niet tot dubbele dwangsommen en leidt daardoor tot niet-ontvankelijkheid.
Citeert (2)
- ECLI:NL:RBROT:2024:13134 Rechtbank Rotterdam 17-12-2024
- ECLI:NL:RBROT:2025:3467 Rechtbank Rotterdam 13-03-2025
Geciteerd door (3)
- ECLI:NL:RBMNE:2026:1151 Rechtbank Midden-Nederland 25-02-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:1152 Rechtbank Midden-Nederland 25-02-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2025:24407 Rechtbank Den Haag 18-12-2025
Volledige tekst
Volledige tekst (4.321 tekens)
Rechtbank Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/998
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 maart 2025 als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen
[eiseres], uit [plaatsnaam], eiseres,
gemachtigde: mr. J. van den Ende,
en
Dienst Toeslagen, verweerder.
Procesverloop
Eiseres heeft op 24 januari 2025 beroep ingesteld wegens het uitblijven van een besluit.
Verweerder heeft op 6 maart 2025 een verweerschrift ingediend.
Overwegingen
De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat zich in deze zaak een van de gevallen voordoet zoals genoemd in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en een zitting daarom niet nodig is.
De rechtbank stelt het volgende vast.De beschikking van 6 april 2022, kenmerk UHT-DC I, betreft de definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag over de toeslagjaren 2008 en 2009.De rechtbank heeft in ROT 23/8179 uitspraak gedaan over UHT-DC I en in de uitspraak ROT 24/8091 van 8 november 2024 heeft de rechtbank verweerder opgedragen binnen 20 weken een beslissing op het bezwaar tegen UHT-DC I bekend te maken en daaraan bij overschrijding van die termijn een dwangsom verbonden van € 50,- per dag met een maximum van € 15.000,- (= 300 dagen).In het verweerschrift geeft verweerder aan dat de beslissing op bezwaar, kenmerk UHT-BOB M, op 19 februari 2025 bekend is gemaakt.
Op 30 december 2024 heeft verweerder de ingebrekestelling van 27 december 2024 ontvangen waarin eiseres stelt dat nog niet is beslist op het verzoek om herbeoordeling van de toeslagjaren 2007 en 2010.Verweerder stelt zich in het verweerschrift op het standpunt dat het verzoek van eiseres om herbeoordeling zich in eerste instantie heeft beperkt tot de jaren 2008 en 2009. Daarnaast geeft verweerder aan dat op het verzoek van eiseres om herbeoordeling is beslist. Het aanvullende verzoek kan volgens verweerder niet leiden tot het opnieuw verbeuren van dwangsommen.
De rechtbank is van oordeel dat de Wht er van uitgaat dat op 1 aanvraag 1 beslissing volgt. Een tweede aanvraag kent de Wht niet. De rechtbank wijst op haar uitspraken van 17 december 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:13134 en 13 maart 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:3467. Dat verweerder ten onrechte een jaar niet beoordeeld zou hebben, dient hersteld te worden via de bezwaarprocedure. Omdat de beschikking met kenmerk UHT-DC I samenhangt met de nog te nemen beslissing over andere jaren, kan verweerder slechts eenmaal een dwangsom worden opgelegd wegens te laat beslissen. Afzonderlijk beroep instellen leidt niet tot dubbele dwangsommen en heeft dus geen zin.
In de uitspraak ROT 24/8091 van 18 november 2024 heeft de rechtbank verweerder opgedragen binnen 20 weken een beslissing op het bezwaar tegen UHT-DC I bekend te maken en daaraan bij overschrijding van die termijn een dwangsom verbonden van € 50,- per dag met een maximum van € 15.000,-.
De rechtbank stelt vast dat de beslissing op bezwaar, UHT-BOB M, op 19 februari 2025, bekend is gemaakt. Omdat eiseres met dit beroep niet kan bereiken dat verweerder opnieuw dwangsommen verbeurt wegens te laat beslissen, zal het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard.
Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:- verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A.C. van Nifterick, rechter, in aanwezigheid van A.R. de Groot, griffier.De uitspraak is in het openbaar gedaan op 27 maart 2025.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/998
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 maart 2025 als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen
[eiseres], uit [plaatsnaam], eiseres,
gemachtigde: mr. J. van den Ende,
en
Dienst Toeslagen, verweerder.
Procesverloop
Eiseres heeft op 24 januari 2025 beroep ingesteld wegens het uitblijven van een besluit.
Verweerder heeft op 6 maart 2025 een verweerschrift ingediend.
Overwegingen
De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat zich in deze zaak een van de gevallen voordoet zoals genoemd in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en een zitting daarom niet nodig is.
De rechtbank stelt het volgende vast.De beschikking van 6 april 2022, kenmerk UHT-DC I, betreft de definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag over de toeslagjaren 2008 en 2009.De rechtbank heeft in ROT 23/8179 uitspraak gedaan over UHT-DC I en in de uitspraak ROT 24/8091 van 8 november 2024 heeft de rechtbank verweerder opgedragen binnen 20 weken een beslissing op het bezwaar tegen UHT-DC I bekend te maken en daaraan bij overschrijding van die termijn een dwangsom verbonden van € 50,- per dag met een maximum van € 15.000,- (= 300 dagen).In het verweerschrift geeft verweerder aan dat de beslissing op bezwaar, kenmerk UHT-BOB M, op 19 februari 2025 bekend is gemaakt.
Op 30 december 2024 heeft verweerder de ingebrekestelling van 27 december 2024 ontvangen waarin eiseres stelt dat nog niet is beslist op het verzoek om herbeoordeling van de toeslagjaren 2007 en 2010.Verweerder stelt zich in het verweerschrift op het standpunt dat het verzoek van eiseres om herbeoordeling zich in eerste instantie heeft beperkt tot de jaren 2008 en 2009. Daarnaast geeft verweerder aan dat op het verzoek van eiseres om herbeoordeling is beslist. Het aanvullende verzoek kan volgens verweerder niet leiden tot het opnieuw verbeuren van dwangsommen.
De rechtbank is van oordeel dat de Wht er van uitgaat dat op 1 aanvraag 1 beslissing volgt. Een tweede aanvraag kent de Wht niet. De rechtbank wijst op haar uitspraken van 17 december 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:13134 en 13 maart 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:3467. Dat verweerder ten onrechte een jaar niet beoordeeld zou hebben, dient hersteld te worden via de bezwaarprocedure. Omdat de beschikking met kenmerk UHT-DC I samenhangt met de nog te nemen beslissing over andere jaren, kan verweerder slechts eenmaal een dwangsom worden opgelegd wegens te laat beslissen. Afzonderlijk beroep instellen leidt niet tot dubbele dwangsommen en heeft dus geen zin.
In de uitspraak ROT 24/8091 van 18 november 2024 heeft de rechtbank verweerder opgedragen binnen 20 weken een beslissing op het bezwaar tegen UHT-DC I bekend te maken en daaraan bij overschrijding van die termijn een dwangsom verbonden van € 50,- per dag met een maximum van € 15.000,-.
De rechtbank stelt vast dat de beslissing op bezwaar, UHT-BOB M, op 19 februari 2025, bekend is gemaakt. Omdat eiseres met dit beroep niet kan bereiken dat verweerder opnieuw dwangsommen verbeurt wegens te laat beslissen, zal het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard.
Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:- verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A.C. van Nifterick, rechter, in aanwezigheid van A.R. de Groot, griffier.De uitspraak is in het openbaar gedaan op 27 maart 2025.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.