Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2025:2588

2025-02-21 Civiel recht; Verbintenissenrecht 11155167 CV EXPL 24-14944
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2025-02-21
Publicatiedatum
2025-02-28
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
11155167 CV EXPL 24-14944
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Lening tussen twee personen. Vorderingen toegewezen. Dat er meer partijen bij de lening waren betrokken is niet gebleken.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (6.814 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM


locatie Rotterdam



zaaknummer: 11155167 CV EXPL 24-14944



datum uitspraak: 21 februari 2025




Vonnis van de kantonrechter




in de zaak van





[eiseres]
,
woonplaats: Hilversum,
eiseres,
gemachtigde: Juristu Incasso Juristen B.V.,



tegen





[gedaagde]
,
woonplaats: Barendrecht,
gedaagde,
gemachtigde: [persoon A] .



De partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.





1De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:


de dagvaarding van 4 juni 2024, met bijlagen;


de aantekeningen van het mondelinge antwoord ter zitting van 2 juli 2024;


de aantekeningen van het mondelinge antwoord ter zitting met het schriftelijke antwoord van 16 juli 2024, met bijlagen.





1.2.
Op 22 januari 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij was namens [eiseres] de heer [persoon B] aanwezig. De gemachtigde van [eiseres] , Juristu Incasso Juristen, is niet verschenen. Daarnaast waren [gedaagde] en de heer [persoon A] aanwezig.





2De beoordeling



Wat is de kern?




2.1.
Tussen [eiseres] en [gedaagde] is een geldleningsovereenkomst gesloten. Partijen verschillen van mening over het bedrag dat [gedaagde] van [eiseres] heeft geleend. [eiseres] heeft aan [gedaagde] een bedrag van in totaal € 5.500,00 overgemaakt. [eiseres] vordert dit bedrag van [gedaagde] , met rente en kosten. [gedaagde] erkent dat zij een bedrag van € 2.500,00 heeft geleend. Er is wel € 5.500,00 aan haar overgemaakt, maar daarvan was € 3.000,00 bestemd om te worden doorgestort aan twee anderen en dat heeft zij ook gedaan. Die € 3.000,00 heeft zij volgens haar dus niet van [eiseres] geleend en wil zij ook niet terugbetalen.



2.2.
De kantonrechter wijst de vorderingen van [eiseres] toe, verminderd met de al terugbetaalde bedragen. Hieronder wordt uitgelegd waarom.




[gedaagde] moet € 4.000,00 betalen aan [eiseres]





2.3.
De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] € 5.500,00 heeft geleend van [eiseres] . Uit de overgelegde correspondentie en de betalingen die zijn verricht aan [gedaagde] blijkt voldoende dat [gedaagde] in totaal € 5.500,00 heeft geleend van [eiseres] . Daarnaast zijn twee betaalbewijzen overgelegd waaruit blijkt dat [gedaagde] het volledige bedrag heeft ontvangen met de omschrijving ‘lening [eiseres]’.



2.4.

[gedaagde] heeft haar stelling dat het totale bedrag is geleend door drie verschillende mensen en zij verantwoordelijk is voor een bedrag van € 2.500,00 onvoldoende onderbouwd. De kantonrechter heeft op de zitting met [gedaagde] besproken dat zij bewijs mag leveren van haar stelling dat € 3.000,00 is geleend door anderen en dat zij dit alleen op haar rekening heeft ontvangen om meteen door te betalen. [gedaagde] heeft toen afgezien van nadere bewijsvoering. De kantonrechter ziet dan ook geen aanleiding om [gedaagde] in dit vonnis opnieuw in de gelegenheid te stellen nader bewijs te leveren.



2.5.
De kantonrechter kan dus niet vaststellen dat [gedaagde] een lening heeft gesloten voor een bedrag van € 2.500,00 en anderen een lening hebben gesloten voor in totaal € 3.000,00. Daarom oordeelt de kantonrechter dat [gedaagde] € 5.500,00 heeft geleend van [eiseres] .



2.6.

[eiseres] heeft ter zitting erkend dat [gedaagde] inmiddels tien keer € 150,00 heeft afbetaald. Dit bedrag moet van de hoofdsom worden afgehaald. De kantonrechter wijst dan ook een vordering van € 4.000,00 toe.




[gedaagde] hoeft geen incassokosten te betalen





2.7.
De vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen. [eiseres] heeft pas recht op een vergoeding als een brief is gestuurd waarin [gedaagde] de kans heeft gekregen om binnen de in de wet genoemde termijn alsnog zonder extra kosten te betalen (artikel 6:96 lid 6 BW). In de brief die aan [gedaagde] is gestuurd, staat een termijn die niet voldoet aan de wet (ECLI:NL:HR:2016:2704), namelijk een termijn van tien dagen.




[gedaagde] moet rente betalen





2.8.
De rente wordt toegewezen, omdat [eiseres] genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde] dat niet heeft betwist. De wettelijke rente wordt toegewezen vanaf 12 februari 2024, omdat de lening uiterlijk op 11 februari 2024 terugbetaald moest zijn.




[gedaagde] moet de proceskosten betalen





2.9.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat zij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eiseres] moet betalen op € 137,39 aan dagvaardingskosten, € 248,00 aan griffierecht, € 542,00 aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 471,00) en € 135,00 aan nakosten. Dat is in totaal € 1.062,39. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.



Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad





2.10.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiseres] dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.





3De beslissing
De kantonrechter:


3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen € 4.000,00 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over de hoofdsom die na iedere wijziging vanaf 12 februari 2024 heeft opengestaan tot de dag dat volledig is betaald;



3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiseres] worden begroot op € 1.062,39;



3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;



3.4.
wijst al het andere af.


Dit vonnis is gewezen door mr. B.J.R. van Tongeren en in het openbaar uitgesproken.
64363