Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2024:9748
2024-09-25
Bestuursrecht
24/719
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Woo, beroep gegrond. De documenten die niet openbaar zijn gemaakt zijn niet aan de rechtbank gezonden waardoor de rechtbank de rechtmatigheid van het bestreden besluit niet kan beoordelen. Zie ook: ECLI:NL:RBROT:2026:9818 .
Citeert (4)
- ECLI:NL:RVS:2024:2699 Raad van State 03-07-2024
- ECLI:NL:RVS:2021:525 Raad van State 10-03-2021
- ECLI:NL:RVS:2024:1497 Raad van State 10-04-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:2699 Raad van State 03-07-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (9.753 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/719
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 september 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. E.K.W. van Kampen),
en
de Raad van Bestuur van het Erasmus Universitair Medisch Centrum Rotterdam (Erasmus MC), verweerder
(gemachtigde: mr. M. Voskamp).
Inleiding
1. Deze procedure is begonnen met een verzoek van eiser op grond van de Wet open overheid (Woo) van 17 april 2023. Erasmus MC heeft bij deelbesluiten op dit verzoek beslist. Deze zaak gaat alleen over het eerste deelbesluit.
1.1.
Bij het primaire (deel)besluit van 5 juni 2023 heeft Erasmus MC openbaarmaking geweigerd van documenten gerelateerd aan meldingen door (voormalig) medewerkers van Erasmus MC over eiser, het integriteitsonderzoek en het daarop volgende arbeidsrechtelijke traject.
1.2.
Bij het bestreden besluit van 3 november 2023 heeft Erasmus MC eisers bezwaar tegen dit primaire besluit ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 3 september 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen de gemachtigde van eiser en mr. M. Dubbeldam en de gemachtigde van Erasmus MC.
Totstandkoming van het besluit
2.1.
Eiser was als [functie] werkzaam bij Erasmus MC. Bij beschikking van 1 maart 2023 heeft de kantonrechter van deze rechtbank de arbeidsovereenkomst tussen eiser en Erasmus MC ontbonden wegens verwijtbaar handelen van eiser. Eiser wordt verweten het integriteitsbeleid van Erasmus MC te hebben geschonden door over een tijdvak van meerdere jaren met verschillende studenten en/of ondergeschikten uit zijn werkomgeving relaties aan te gaan, zonder hiervan melding te doen aan zijn leidinggevende.
2.2.
Bij beschikking van 19 december 2023 heeft het gerechtshof Den Haag een verzoek van eiser afgewezen om afschrift van of inzage in bescheiden die betrekking hebben op de meldingen die over hem zijn gedaan, de integriteitsonderzoeken die naar aanleiding daarvan zijn verricht en de besluitvorming die daarover heeft plaatsgevonden.
2.3.
Op 17 april 2023 heeft eiser met een beroep op de Woo verzocht om verstrekking van alle documenten waarover Erasmus MC beschikt inzake, kort samengevat, alles wat betrekking heeft op de meldingen over eiser, het integriteitsonderzoek en het arbeidsrechtelijke traject en de totstandkoming van het integriteitsbeleid. Eiser heeft zijn verzoek onderverdeeld in 19 onderwerpen.
2.4.
Bij het primaire besluit heeft Erasmus MC op de punten 1 tot en met 14 van het Woo-verzoek beslist (het eerste deelbesluit). Op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder i van de Woo is het verzoek integraal geweigerd. Erasmus MC stelt zich op het standpunt dat meldingen over ongewenst gedrag en een daaropvolgend integriteitsonderzoek complex van aard zijn en vanzelfsprekend een zeer gevoelig en vertrouwelijk karakter hebben. Daarbij is sprake van een actuele kwestie. Erasmus MC meent daarom dat haar goed functioneren zwaarder weegt dan het belang van openbaarheid.
2.5.
Met het bestreden besluit is Erasmus MC bij haar standpunt gebleven. De aard van het onderwerp, de aard van de informatie, en de omstandigheden waaronder die informatie kan worden verzameld, rechtvaardigen een integrale weigering van openbaarmaking van de gevraagde documenten. Ook indien de documenten geanonimiseerd worden kunnen zij tot personen worden herleid. Erasmus MC stelt verder dat het belang van het vrijelijk en zonder terughoudendheid informatie en kennis uitwisselen rondom integriteitskwesties zwaarder dient te wegen dan het algemeen belang van openbaarmaking.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden van eiser of Erasmus MC het openbaar maken van de gevraagde stukken op goede gronden heeft geweigerd.
4. Eiser voert aan dat Erasmus MC ten onrechte openbaarmaking integraal heeft geweigerd, dus zonder per document een belangenafweging te maken. Deze beroepsgrond slaagt.
4.1.
Op grond van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het bestuursorgaan verplicht om de op de zaak betrekking hebbende stukken aan te rechtbank te zenden. Voor zover het van mening is dat er gewichtige redenen zijn waarom de belanghebbende geen kennis mag nemen van deze stukken, kan het bestuursorgaan op grond van artikel 8:29, eerste lid, van de Awb de bestuursrechter mededelen dat uitsluitend de rechter van deze stukken kennis mag nemen.
4.2.
Erasmus MC heeft de documenten die naar aanleiding van het Woo-verzoek van eiser zijn aangetroffen, maar niet openbaar zijn gemaakt, niet aan de rechtbank gezonden met de mededeling als bedoeld in artikel 8:29, eerste lid, van de Awb. Zonder deze stukken kan de rechtbank de rechtmatigheid van het bestreden besluit niet beoordelen. Reeds om die reden moet het beroep gegrond worden verklaard. Het ter zitting door Erasmus MC nog gedane beroep op rechtsoverweging 10.3 in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 3 juli 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2699) stuit hierop af.
4.3.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling over de Wet openbaarheid van bestuur moet een bestuursorgaan in beginsel per document of onderdeel van een document motiveren op welke grond openbaarmaking achterwege wordt gelaten en kan het daarvan afzien als dat zou leiden tot herhalingen die geen redelijk doel dienen. Zie onder andere de uitspraken van 10 maart 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:525) en 10 april 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1497). Naar het oordeel van de rechtbank heeft deze rechtspraak ook onder de Woo zijn gelding behouden.
5. Erasmus MC heeft volstaan met de algemene stelling, kort weergegeven, dat alle documenten betrekking hebben op gevoelige en vertrouwelijke aangelegenheden. Erasmus MC heeft daardoor niet per document of onderdeel van een document gemotiveerd waarom toepassing is gegeven aan de uitzonderingsgrond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder i, van de Woo.
Voorts is in aanmerking te nemen dat bij de belangenafweging bij de toepassing van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder i van de Woo het tijdsverloop in de afweging dient te worden betrokken, zoals volgt uit rechtsoverweging 5.4 in de uitspraak van de Afdeling van 3 juli 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2699). Uit de besluitvorming van Erasmus MC blijkt dit niet.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is gegrond. Gelet op het voorgaande vernietigt de rechtbank het bestreden besluit. Erasmus MC zal opnieuw op het bezwaar van eiser moeten beslissen. Erasmus MC zal daarbij in beginsel per document of onderdeel van een document moeten beoordelen of er uitzonderingsgronden van toepassing zijn die aan het openbaar maken van de documenten of onderdelen daarvan in de weg staan. Omdat Erasmus MC een geheel nieuwe beoordeling zal moeten maken ziet de rechtbank af van een zogenoemde bestuurlijke lus.
7. Omdat het beroep gegrond wordt verklaard zal Erasmus MC aan eiser het door hem betaalde griffierecht moeten vergoeden.
8. De rechtbank zal Erasmus MC daarnaast veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.750,- (één punt voor het indienen van het beroepschrift en één punt voor het verschijnen op zitting, met een waarde per punt van € 875,-, en wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser, met inachtneming van deze uitspraak;
bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 187,-;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.750,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Bedee, rechter, in aanwezigheid van mr. L. Meijer, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 25 september 2024.
De rechter is verhinderd te tekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/719
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 september 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. E.K.W. van Kampen),
en
de Raad van Bestuur van het Erasmus Universitair Medisch Centrum Rotterdam (Erasmus MC), verweerder
(gemachtigde: mr. M. Voskamp).
Inleiding
1. Deze procedure is begonnen met een verzoek van eiser op grond van de Wet open overheid (Woo) van 17 april 2023. Erasmus MC heeft bij deelbesluiten op dit verzoek beslist. Deze zaak gaat alleen over het eerste deelbesluit.
1.1.
Bij het primaire (deel)besluit van 5 juni 2023 heeft Erasmus MC openbaarmaking geweigerd van documenten gerelateerd aan meldingen door (voormalig) medewerkers van Erasmus MC over eiser, het integriteitsonderzoek en het daarop volgende arbeidsrechtelijke traject.
1.2.
Bij het bestreden besluit van 3 november 2023 heeft Erasmus MC eisers bezwaar tegen dit primaire besluit ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 3 september 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen de gemachtigde van eiser en mr. M. Dubbeldam en de gemachtigde van Erasmus MC.
Totstandkoming van het besluit
2.1.
Eiser was als [functie] werkzaam bij Erasmus MC. Bij beschikking van 1 maart 2023 heeft de kantonrechter van deze rechtbank de arbeidsovereenkomst tussen eiser en Erasmus MC ontbonden wegens verwijtbaar handelen van eiser. Eiser wordt verweten het integriteitsbeleid van Erasmus MC te hebben geschonden door over een tijdvak van meerdere jaren met verschillende studenten en/of ondergeschikten uit zijn werkomgeving relaties aan te gaan, zonder hiervan melding te doen aan zijn leidinggevende.
2.2.
Bij beschikking van 19 december 2023 heeft het gerechtshof Den Haag een verzoek van eiser afgewezen om afschrift van of inzage in bescheiden die betrekking hebben op de meldingen die over hem zijn gedaan, de integriteitsonderzoeken die naar aanleiding daarvan zijn verricht en de besluitvorming die daarover heeft plaatsgevonden.
2.3.
Op 17 april 2023 heeft eiser met een beroep op de Woo verzocht om verstrekking van alle documenten waarover Erasmus MC beschikt inzake, kort samengevat, alles wat betrekking heeft op de meldingen over eiser, het integriteitsonderzoek en het arbeidsrechtelijke traject en de totstandkoming van het integriteitsbeleid. Eiser heeft zijn verzoek onderverdeeld in 19 onderwerpen.
2.4.
Bij het primaire besluit heeft Erasmus MC op de punten 1 tot en met 14 van het Woo-verzoek beslist (het eerste deelbesluit). Op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder i van de Woo is het verzoek integraal geweigerd. Erasmus MC stelt zich op het standpunt dat meldingen over ongewenst gedrag en een daaropvolgend integriteitsonderzoek complex van aard zijn en vanzelfsprekend een zeer gevoelig en vertrouwelijk karakter hebben. Daarbij is sprake van een actuele kwestie. Erasmus MC meent daarom dat haar goed functioneren zwaarder weegt dan het belang van openbaarheid.
2.5.
Met het bestreden besluit is Erasmus MC bij haar standpunt gebleven. De aard van het onderwerp, de aard van de informatie, en de omstandigheden waaronder die informatie kan worden verzameld, rechtvaardigen een integrale weigering van openbaarmaking van de gevraagde documenten. Ook indien de documenten geanonimiseerd worden kunnen zij tot personen worden herleid. Erasmus MC stelt verder dat het belang van het vrijelijk en zonder terughoudendheid informatie en kennis uitwisselen rondom integriteitskwesties zwaarder dient te wegen dan het algemeen belang van openbaarmaking.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden van eiser of Erasmus MC het openbaar maken van de gevraagde stukken op goede gronden heeft geweigerd.
4. Eiser voert aan dat Erasmus MC ten onrechte openbaarmaking integraal heeft geweigerd, dus zonder per document een belangenafweging te maken. Deze beroepsgrond slaagt.
4.1.
Op grond van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het bestuursorgaan verplicht om de op de zaak betrekking hebbende stukken aan te rechtbank te zenden. Voor zover het van mening is dat er gewichtige redenen zijn waarom de belanghebbende geen kennis mag nemen van deze stukken, kan het bestuursorgaan op grond van artikel 8:29, eerste lid, van de Awb de bestuursrechter mededelen dat uitsluitend de rechter van deze stukken kennis mag nemen.
4.2.
Erasmus MC heeft de documenten die naar aanleiding van het Woo-verzoek van eiser zijn aangetroffen, maar niet openbaar zijn gemaakt, niet aan de rechtbank gezonden met de mededeling als bedoeld in artikel 8:29, eerste lid, van de Awb. Zonder deze stukken kan de rechtbank de rechtmatigheid van het bestreden besluit niet beoordelen. Reeds om die reden moet het beroep gegrond worden verklaard. Het ter zitting door Erasmus MC nog gedane beroep op rechtsoverweging 10.3 in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 3 juli 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2699) stuit hierop af.
4.3.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling over de Wet openbaarheid van bestuur moet een bestuursorgaan in beginsel per document of onderdeel van een document motiveren op welke grond openbaarmaking achterwege wordt gelaten en kan het daarvan afzien als dat zou leiden tot herhalingen die geen redelijk doel dienen. Zie onder andere de uitspraken van 10 maart 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:525) en 10 april 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1497). Naar het oordeel van de rechtbank heeft deze rechtspraak ook onder de Woo zijn gelding behouden.
5. Erasmus MC heeft volstaan met de algemene stelling, kort weergegeven, dat alle documenten betrekking hebben op gevoelige en vertrouwelijke aangelegenheden. Erasmus MC heeft daardoor niet per document of onderdeel van een document gemotiveerd waarom toepassing is gegeven aan de uitzonderingsgrond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder i, van de Woo.
Voorts is in aanmerking te nemen dat bij de belangenafweging bij de toepassing van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder i van de Woo het tijdsverloop in de afweging dient te worden betrokken, zoals volgt uit rechtsoverweging 5.4 in de uitspraak van de Afdeling van 3 juli 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2699). Uit de besluitvorming van Erasmus MC blijkt dit niet.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is gegrond. Gelet op het voorgaande vernietigt de rechtbank het bestreden besluit. Erasmus MC zal opnieuw op het bezwaar van eiser moeten beslissen. Erasmus MC zal daarbij in beginsel per document of onderdeel van een document moeten beoordelen of er uitzonderingsgronden van toepassing zijn die aan het openbaar maken van de documenten of onderdelen daarvan in de weg staan. Omdat Erasmus MC een geheel nieuwe beoordeling zal moeten maken ziet de rechtbank af van een zogenoemde bestuurlijke lus.
7. Omdat het beroep gegrond wordt verklaard zal Erasmus MC aan eiser het door hem betaalde griffierecht moeten vergoeden.
8. De rechtbank zal Erasmus MC daarnaast veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.750,- (één punt voor het indienen van het beroepschrift en één punt voor het verschijnen op zitting, met een waarde per punt van € 875,-, en wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser, met inachtneming van deze uitspraak;
bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 187,-;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.750,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Bedee, rechter, in aanwezigheid van mr. L. Meijer, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 25 september 2024.
De rechter is verhinderd te tekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.