Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2024:2219

2024-03-08 Civiel recht 10760618 CV EXPL 23-28577
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2024-03-08
Publicatiedatum
2024-03-19
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
10760618 CV EXPL 23-28577
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Aannemingszaak. Vervangende schadevergoeding.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (8.076 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM




locatie Rotterdam





zaaknummer: 10760618 CV EXPL 23-28577





datum uitspraak: 8 maart 2024






Vonnis van de kantonrechter






in de zaak van






[eiser]

,


woonplaats: [woonplaats 1] ,


eiser,


gemachtigde: mr. C.R. Stokman,





tegen






[gedaagde]

,



handelend onder de naam [handelsnaam]

,


woonplaats: [woonplaats 2] ,


gedaagde,


die zelf procedeert.





De partijen worden hierna ‘ [eiser] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.







1

De procedure



1.1.


Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:




de dagvaarding van 13 oktober 2023, met bijlagen 1 tot en met 23;




de aantekeningen van het mondelinge antwoord van [gedaagde] van 26 oktober 2023 en 23 november 2023;




het schriftelijke antwoord van [gedaagde] ;




de akte overlegging producties van [eiser] , met bijlagen 24 tot en met 28.







1.2.


Op 26 januari 2024 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling met partijen besproken. [eiser] was daarbij aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde. [gedaagde] was ook aanwezig.







2

De beoordeling





Waar gaat deze zaak over?






2.1.



[eiser] heeft opdracht gegeven aan [gedaagde] voor het verrichten van werkzaamheden aan de zolder van de woning van [eiser] . Partijen hebben een overeenkomst van aanneming van werk gesloten. De aanneemsom bedroeg in totaal

€ 7.865,- inclusief btw. [eiser] heeft € 4.932,- betaald.


[eiser] vindt dat [gedaagde] de overeenkomst niet is nagekomen en hij eist daarom vervangende schadevergoeding. [gedaagde] heeft erkend dat hij het werk niet heeft afgemaakt. Hij heeft aangevoerd dat hij de overeenkomst al had opgezegd.





2.2.


De kantonrechter wijst de vordering van [eiser] (grotendeels) toe. Hierna wordt uitgelegd waarom.





Ingebrekestelling en verzuim







2.3.



Nadat [gedaagde] enige tijd geen werkzaamheden had uitgevoerd aan de zolder, heeft de gemachtigde van [eiser] bij brief van 30 mei 2022 [gedaagde] in gebreke gesteld. [gedaagde] is daarin gesommeerd om te bevestigen dat hij de overeenkomst zal nakomen en dat hij de overeengekomen werkzaamheden zal voltooien in de periode van

27 juni 2022 tot en met 8 juli 2022. Die termijn van twee werkweken vindt de kantonrechter redelijk. Volgens [gedaagde] zouden de werkzaamheden in totaal ook (ongeveer) twee weken in beslag nemen.


De vraag of [gedaagde] de overeenkomst op 26 mei 2022 heeft opgezegd ( [eiser] heeft dat betwist) en of [gedaagde] wel mocht opzeggen is niet van belang. [gedaagde] heeft namelijk op 24 juni 2022 meegedeeld dat hij de werkzaamheden op 27 juni 2022 zou voortzetten. [gedaagde] heeft dat ook gedaan. Hij heeft dus weer uitvoering gegeven aan de overeenkomst. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] ook verklaard dat hij de klus bij [eiser] (toch) wilde afmaken. Daardoor heeft de door [gedaagde] gestelde eerdere opzegging geen effect gehad.


[gedaagde] heeft het werk echter niet afgemaakt, ook niet nadat de gemachtigde van [eiser] op 1 juli 2022 [gedaagde] nogmaals er op heeft gewezen dat het werk echt op 8 juli 2022 klaar moet zijn. Omdat het werk niet was afgemaakt voor 9 juli 2022 is [gedaagde] in verzuim geraakt (artikel 6:82 lid 1 BW). Hieraan doet niet af dat [gedaagde] nog heeft aangeboden om het werk op 15 juli 2022 af te ronden. Dat was te laat.


Het verweer van [gedaagde] dat hij tijdens de vakantie van [eiser] niet bij zijn gereedschap kon komen dat nog in de woning lag, kan verder in het midden blijven. [gedaagde] heeft geen (juridische) gevolgen verbonden aan dit verweer.






Omzetting in vervangende schadevergoeding







2.4.


Omdat [gedaagde] in verzuim is geraakt, was [eiser] gerechtigd om schadevergoeding in plaats van nakoming te vorderen (artikel 6:87 lid 1 BW). Dit heeft [eiser] ook gedaan in zijn e-mail van 3 augustus 2022.





Hoogte vervangende schadevergoeding







2.5.


In de dagvaarding heeft [eiser] een bedrag aan vervangende schadevergoeding gevorderd van in totaal € 7.381,- inclusief btw (€ 6.413,- plus € 968,-). Dat bedrag was gebaseerd op het rapport van [expertisebedrijf A] . [eiser] heeft opdracht gegeven aan [expertisebedrijf A] om onderzoek te doen naar de door [gedaagde] verrichte werkzaamheden aan de zolder. [eiser] en [gedaagde] waren bij dit onderzoek aanwezig. Er heeft dus hoor en wederhoor plaatsgevonden. [expertisebedrijf A] heeft haar bevindingen vastgelegd in het rapport van 13 oktober 2022. Behalve dat het werk niet is afgemaakt, heeft [expertisebedrijf A] vastgesteld dat de multiplex stroken niet zijn verlijmd. [gedaagde] heeft dit ook erkend.





2.6.



De daadwerkelijke afbouw- en herstelkosten zijn uitgekomen op € 6.581,40 inclusief btw. Dit bedrag blijkt ook uit de door [eiser] overgelegde eindfactuur van

6 januari 2023 van het door hem ingeschakelde aannemersbedrijf “ [bedrijf a] ”. Deze kosten zijn dus wat lager dan [expertisebedrijf A] had gedacht. Daarom heeft [eiser] zijn eis tijdens de zitting verminderd. Het bedrag van € 6.581,40 is niet betwist door [gedaagde] . De door [eiser] gevorderde vervangende schadevergoeding van € 6.581,40 wordt daarom toegewezen.



Eindfactuur van [gedaagde]







2.7.


[gedaagde] heeft een eindfactuur d.d. 11 juli 2022 van € 4.174,50 (inclusief btw) bij [eiser] in rekening gebracht. Deze rekening heeft [eiser] niet betaald. [eiser] heeft de verschuldigdheid van deze factuur betwist. Hij heeft aangevoerd dat hij al meer aan [gedaagde] heeft betaald (€ 4.932,-) dan het door hem uitgevoerde werk waard is. Dit vindt ook steun in het rapport van [expertisebedrijf A] . Daarin is vermeld dat de waarde van het werk dat [gedaagde] heeft gedaan in totaal € 3.276,- exclusief btw en dus € 3.963,96 inclusief btw is. [gedaagde] heeft dit niet betwist en hij heeft ook geen tegenvordering ingesteld. Tijdens de zitting heeft [gedaagde] verklaard dat hij geen betaling hoeft van zijn slotfactuur. Het voorgaande betekent dat [eiser] niets meer is verschuldigd aan [gedaagde] .





Kosten deskundigenrapport







2.8.


De kosten van het door [expertisebedrijf A] verrichte onderzoek zijn € 1.754,50 (inclusief btw). Dit blijkt uit de factuur van [expertisebedrijf A] van 7 oktober 2022. Deze kosten zijn terecht gemaakt (zie r.o. 2.5) en zullen daarom als onweersproken worden toegewezen.





Buitengerechtelijke incassokosten







2.9.


De incassokosten worden als onweersproken toegewezen tot een bedrag van

€ 958,08, passend bij de toewijsbare hoofdsom van € 8.335,90 (€ 6.581,40 + € 1.754,50).





Rente







2.10.


De rente wordt toegewezen over de hoofdsom van € 8.335,90, omdat [eiser] voor dit bedrag genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze rente moet worden betaald en [gedaagde] dat niet heeft betwist.





Proceskosten







2.11.


[gedaagde] moet de proceskosten betalen, omdat hij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot deze kosten aan de kant van [eiser] op € 130,48 aan dagvaardingskosten, € 244,- aan griffierecht, € 678,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 339,-) en € 135,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.187,48. Hier kan nog een bedrag bijkomen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente wordt toegewezen.





Uitvoerbaarheid bij voorraad







2.12.


Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 Rv).







3

De beslissing


De kantonrechter:




3.1.


veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen € 8.335,90 aan hoofdsom en € 958,08 aan buitengerechtelijke incassokosten, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over € 8.335,90 vanaf 7 april 2023 tot aan de dag dat volledig is betaald;





3.2.


veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiser] worden begroot op € 1.187,48, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na vandaag tot de dag dat volledig is betaald;





3.3.


verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;





3.4.


wijst al het andere af.




Dit vonnis is gewezen door mr. B.J.R. van Tongeren en in het openbaar uitgesproken.


764