Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2024:12571
2024-12-13
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
ROT 24/10696
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Eiseres heeft te vroeg beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op haar handhavingsverzoek. Zie ook ECLI:NL:RBROT:2024:12572
Citeert (1)
- ECLI:NL:RVS:2023:2974 Raad van State 02-08-2023
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (4.205 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/10696
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 december 2024 in de zaak tussen
[naam eiseres] , uit Rotterdam, eiseres
(gemachtigde: [persoon A] ),
en
de Inspectie gezondheidszorg en jeugd, de IGJ.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat de IGJ volgens haar niet op tijd heeft beslist op een handhavingsverzoek van 22 november 2024. Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling door de rechtbank
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag (in dit geval: een handhavingsverzoek), kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat die beroep kan instellen, moet de betrokkene eerst in gebreke stellen en per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist. Als na die twee weken nog steeds geen besluit is genomen, kan de betrokkene beroep instellen tegen het niet tijdig beslissen door het bestuursorgaan.
3. De rechtbank stelt vast dat eiseres op 22 november 2024 een handhavingsverzoek heeft ingediend bij de IGJ om het gebruik van de daarin genoemde geneesmiddelen te schorsen. Eiseres is te vroeg in beroep gegaan. De beslistermijn voor de IGJ was immers niet verstreken toen eiseres het beroep instelde. Eiseres heeft weliswaar omstandig betoogd dat volgens haar spoed geboden is, maar met de daaraan ten grondslag gelegde argumenten is niet voldoende aannemelijk gemaakt dat in weerwil van de door de bevoegde instanties doorlopen procedures voor de toelating en het gebruik van de genoemde geneesmiddelen de veiligheid zodanig in geding is dat de beslistermijn niet kan worden afgewacht. Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
4. De rechtbank merkt overigens nog het volgende op. Eiseres stelt dat zij de IGJ op 25 november 2024 per e-mailbericht in gebreke heeft gesteld. Dit e-mailbericht kan niet worden gekwalificeerd als een ingebrekestelling omdat deze te vroeg is ingediend en daarnaast niet voldoet aan de vereisten die daarvoor gelden op grond van artikel 4:17, derde lid van de Awb en jurisprudentie. Voor zover over dit laatste anders zou moeten worden geoordeeld, geldt dat op de gronden genoemd onder 3 eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat er zodanige spoed is dat een ingebrekestelling niet kan worden gevergd als bedoeld in artikel 6:12, derde lid, van de Awb.
5. Voor het treffen van een voorlopige voorziening, of een ordemaatregel zoals eiseres dat in latere communicatie met de rechtbank aanduidt, bestaat geen grond.
6. Er is geen reden voor een veroordeling in de proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Bedee, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 13 december 2024.
De rechter is verhinderd om
de uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.
Bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2023:2974
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/10696
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 december 2024 in de zaak tussen
[naam eiseres] , uit Rotterdam, eiseres
(gemachtigde: [persoon A] ),
en
de Inspectie gezondheidszorg en jeugd, de IGJ.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat de IGJ volgens haar niet op tijd heeft beslist op een handhavingsverzoek van 22 november 2024. Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling door de rechtbank
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag (in dit geval: een handhavingsverzoek), kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat die beroep kan instellen, moet de betrokkene eerst in gebreke stellen en per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist. Als na die twee weken nog steeds geen besluit is genomen, kan de betrokkene beroep instellen tegen het niet tijdig beslissen door het bestuursorgaan.
3. De rechtbank stelt vast dat eiseres op 22 november 2024 een handhavingsverzoek heeft ingediend bij de IGJ om het gebruik van de daarin genoemde geneesmiddelen te schorsen. Eiseres is te vroeg in beroep gegaan. De beslistermijn voor de IGJ was immers niet verstreken toen eiseres het beroep instelde. Eiseres heeft weliswaar omstandig betoogd dat volgens haar spoed geboden is, maar met de daaraan ten grondslag gelegde argumenten is niet voldoende aannemelijk gemaakt dat in weerwil van de door de bevoegde instanties doorlopen procedures voor de toelating en het gebruik van de genoemde geneesmiddelen de veiligheid zodanig in geding is dat de beslistermijn niet kan worden afgewacht. Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
4. De rechtbank merkt overigens nog het volgende op. Eiseres stelt dat zij de IGJ op 25 november 2024 per e-mailbericht in gebreke heeft gesteld. Dit e-mailbericht kan niet worden gekwalificeerd als een ingebrekestelling omdat deze te vroeg is ingediend en daarnaast niet voldoet aan de vereisten die daarvoor gelden op grond van artikel 4:17, derde lid van de Awb en jurisprudentie. Voor zover over dit laatste anders zou moeten worden geoordeeld, geldt dat op de gronden genoemd onder 3 eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat er zodanige spoed is dat een ingebrekestelling niet kan worden gevergd als bedoeld in artikel 6:12, derde lid, van de Awb.
5. Voor het treffen van een voorlopige voorziening, of een ordemaatregel zoals eiseres dat in latere communicatie met de rechtbank aanduidt, bestaat geen grond.
6. Er is geen reden voor een veroordeling in de proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Bedee, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 13 december 2024.
De rechter is verhinderd om
de uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.
Bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2023:2974