Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2023:2974

2023-04-05 Civiel recht C/10/649841 / HA ZA 22-1037
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2023-04-05
Publicatiedatum
2023-04-06
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/10/649841 / HA ZA 22-1037
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

vrijwaring referte

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (7.639 tekens)
vonnis


RECHTBANK ROTTERDAM




Team handel en haven






zaaknummer / rolnummer: C/10/649841 / HA ZA 22-1037






Vonnis in incident van 5 april 2023






in de zaak van





de naamloze vennootschap



NATIONALE-NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V.

,


gevestigd te Den Haag,


eiseres in de hoofdzaak,


verweerster in het incident,


advocaat mr. C. Bruin te Den Haag,





tegen







1.

[gedaagde01] ,



wonende te Rotterdam,


gedaagde in de hoofdzaak,


advocaat mr. G. Grijs te Rotterdam,


2.

[gedaagde02]

,


wonende te Rotterdam,


gedaagde in de hoofdzaak,


eiser in het incident,


advocaat mr. C.C.J.L. Huurman-Ip Vai Ching te Rotterdam.






Partijen zullen hierna Nationale-Nederlanden, [gedaagde01] en [gedaagde02] worden genoemd.









1.

De procedure



1.1.


Het verloop van de procedure blijkt uit:




de dagvaarding van 8 december 2022, met producties 1 tot en met 20;




de conclusie van antwoord van [gedaagde01] met producties 1 tot en met 2;




de conclusie van antwoord tevens houdende incidentele (voorwaardelijke) conclusie tot oproeping in vrijwaring;




de conclusie van antwoord in het incident.







1.2.


Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.










2.

De vorderingen in de hoofdzaak



2.1.



Nationale-Nederlanden vordert dat de rechtbank bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:


I. [gedaagde01] en [gedaagde02] hoofdelijk veroordeelt om aan Nationale-Nederlanden te betalen een bedrag van in hoofdsom € 124.337,83, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 27 mei 2021 tot aan de dag der algehele voldoening;


II. [gedaagde01] en [gedaagde02] hoofdelijk veroordeelt om aan Nationale-Nederlanden te betalen een bedrag aan buitengerechtelijke kosten van € 25.735,55, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 27 mei 2021 tot aan de dag der algehele voldoening;


III. [gedaagde01] en [gedaagde02] hoofdelijk veroordeelt in de kosten van deze procedure en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na het vonnis.






2.2.


Nationale-Nederlanden legt aan haar vorderingen ten grondslag dat de door [gedaagde02] bij haar afgesloten WA-autoverzekering geen dekking biedt voor de schade die is veroorzaakt door drie aanrijdingen met de Volkswagen Polo op 31 mei 2020, waarvan [gedaagde01] de bestuurder was. Hierbij is een fietser om het leven gekomen. Volgens Nationale-Nederlanden zijn [gedaagde01] en [gedaagde02] ieder op eigen gronden hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die Nationale-Nederlanden leidt als gevolg van de schade-uitkeringen die zij aan benadeelden heeft gedaan.





2.3.


[gedaagde01] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Nationale-Nederlanden in, althans afwijzing, dan wel matiging van de vorderingen van Nationale-Nederlanden. [gedaagde01] betwist niet dat hij betrokken was bij de drie aanrijdingen en het overlijden van de fietser, maar wel dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de gestelde overtredingen van de WVW. [gedaagde01] voert verder aan dat hij geen verzekeringnemer is en dat hij geen kennis heeft kunnen nemen van de polisvoorwaarden. Verder heeft Nationale-Nederlanden niet voldaan aan haar schadebeperkingsplicht, aldus [gedaagde01] .





2.4.


[gedaagde02] schaart zich achter hetgeen [gedaagde01] in zijn conclusie van antwoord heeft gesteld. Verder betwist [gedaagde02] dat NN haar vordering op artikel 6:203 BW (onverschuldigde betaling) kan stoelen omdat aan [gedaagde02] geen (schade-)uitkering is gedaan zodat die uitkering dan ook niet van hem kan worden teruggevorderd.








3.

Het geschil in incident



3.1.


[gedaagde02] vordert dat hem wordt toegestaan om [gedaagde01] in vrijwaring op te roepen, met veroordeling van Nationale-Nederlanden in de proceskosten. De rechtbank kwalificeert die vordering niet als een voorwaardelijke vordering ondanks de aanhef “(voorwaardelijke) oproeping in vrijwaring)”. Uit de toelichting blijkt duidelijk dat het niet de bedoeling van [gedaagde02] is dat zijn incidentele vordering pas beoordeeld zou moeten worden als de vorderingen van NN worden toegewezen. Op de vordering in het incident wordt eerst beslist (artikel 210 lid 3 Rv).





3.2.


[gedaagde02] legt aan zijn vordering ten grondslag dat niet hij, verzekeringnemer van Nationale-Nederlanden, maar [gedaagde01] de bestuurder van de Volkswagen Polo was die door drie aanrijdingen op 31 mei 2020 schade heeft veroorzaakt. Dit blijkt uit het strafvonnis van de rechtbank Rotterdam van 21 april 2022. Indien sprake is van hoofdelijke verbondenheid van [gedaagde02] en [gedaagde01] voor de schade van Nationale-Nederlanden, dan dient [gedaagde01] in hun onderlinge relatie volledig voor die schade in te staan.





3.3.


Nationale-Nederlanden refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.





3.4.


Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.








4.

De beoordeling in het incident



4.1.


De incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring is tijdig en vóór alle weren genomen. Ingevolge artikel 210 lid 1 Rv kan een gedaagde iemand in vrijwaring oproepen indien hij meent hiertoe gronden te hebben. Voldoende is dat gedaagde in de hoofdzaak genoegzaam stelt, dat tussen hem en de derde een rechtsverhouding bestaat krachtens welke de derde verplicht is de nadelige gevolgen van een veroordeling van gedaagde in de hoofdzaak geheel of gedeeltelijk te dragen.





4.2.


[gedaagde02] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat tussen [gedaagde02] en [gedaagde01] een rechtsverhouding bestaat die voor [gedaagde01] een verplichting tot vrijwaring meebrengt, zodat aan de vereisten voor oproeping in vrijwaring is voldaan. Nu Nationale-Nederlanden zich daarnaast heeft gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, zal de door [gedaagde02] ingediende incidentele vordering tot oproeping in vrijwaring worden toegewezen.





4.3.


Geen van partijen kan als de in het ongelijk gesteld worden beschouwd. Daarom zullen de proceskosten worden gecompenseerd in de zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.







5.

De beslissing


De rechtbank





in het incident





5.1.


staat toe dat [gedaagde01] door [gedaagde02] wordt gedagvaard tegen de rolzitting van

17 mei 2023

;





5.2.


compenseert de proceskosten in het incident in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;





in de hoofdzaak






5.3.


bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van

17 mei 2023

voor beraad rolrechter omtrent het bepalen van een mondelinge behandeling.




Dit vonnis is gewezen door mr. J.M.J Arts en in het openbaar uitgesproken op 5 april 2023.





[3708./3268/3455]