Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2023:12475

2023-12-20 Civiel recht; Burgerlijk procesrecht C/10/662040 / HA ZA 23-613
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2023-12-20
Publicatiedatum
2024-01-09
Rechtsgebied
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/10/662040 / HA ZA 23-613
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Voegingsincident, art. 217 Rv, referte, toewijzing.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (5.683 tekens)
vonnis


RECHTBANK ROTTERDAM




Team handel en haven






zaaknummer / rolnummer: C/10/662040 / HA ZA 23-613






Vonnis in incident van 20 december 2023






in de zaak van





de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid



HILDA HOLDING B.V.

,


gevestigd in Den Haag,


eiseres in de hoofdzaak,


verweerster in het incident,


advocaat: mr. J.W. de Groot te Amsterdam,





tegen





de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid



1.

CYGNE B.V.

,


2.

SWANSEA B.V.

,



beiden gevestigd in Rotterdam,


gedaagden in de hoofdzaak,


verweersters in het incident,


advocaat: mr. G.A. Smit te Amsterdam,





en





de rechtspersonen naar buitenlands recht



1.

[eiseres01]

,


gevestigd in Windhof, Luxemburg,


2.

PRUDENTIAL INVESTMENTS CORP.

,



gevestigd in New York, Verenigde Staten,


eiseressen in het incident,


advocaat: mr. I. Spinath te Amsterdam.






Partijen worden hierna Hilda Holding, Cygne en Swansea en [eiseres01] en Prudential Investments genoemd.








1

De procedure



1.1.


Het verloop van de procedure blijkt uit:




de dagvaarding, met producties 1 tot en met 33;




de conclusie van antwoord van Cygne en Swansea;




de incidentele conclusie tot voeging van [eiseres01] en Prudential Investments;




de akte tot referte in het incident tot voeging van Hilda Holding.







1.2.


Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.








2

De vorderingen in de hoofdzaak



2.1.


Hilda Holding vordert – samengevat – dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, voor recht verklaart dat niet-inachtneming van de termijn van drie maanden voor bekendmaking van een voorlopige datum, zoals genoemd in artikel 19.3 van de statuten van Cygne en Swansea, ongeldigheid van de oproeping van (buitengewone) algemene aandeelhoudersvergaderingen tot gevolg heeft en dat besluiten die uit op dergelijke wijze ongeldig opgeroepen vergaderingen voortkomen vernietigbaar zijn. Verder vordert zij veroordeling van Cygne en Swansea in de kosten.





2.2.


Hilda Holding legt hieraan – samengevat – ten grondslag dat inachtneming van de termijn van drie maanden moet worden uitgelegd als een vereiste voor een geldige oproeping en dat van deze termijn ingevolge artikel 19.4 van de statuten slechts bij unanimiteit tussen de aandeelhouders kan worden afgeweken. Cygne en Swansea hebben deze termijn herhaaldelijk niet gehandhaafd. Hilda Holding heeft dan ook voldoende belang bij de verklaring voor recht omdat zij zich met de verklaring kan beschermen tegen dreigingen en besluiten uit de ongeldig opgeroepen vergaderingen. Ze heeft ook een financieel belang omdat ze steeds kosten maakt om deze vergaderingen te voorkomen.





2.3.


Cygne en Swansea voeren gemotiveerd verweer. Zij voeren – samengevat – aan dat de in artikel 19.3 genoemde termijn van drie maanden los staat van de daadwerkelijke (termijn voor) oproeping en dat niet-inachtneming van de genoemde termijn dan ook geen gevolgen kan hebben voor de rechtsgeldigheid van de oproeping van (buitengewone) algemene aandeelhoudersvergaderingen of de aldaar genomen besluiten.








3

Het geschil in het incident



3.1.


[eiseres01] en Prudential Investments vorderen dat zij worden toegelaten als gevoegde partijen aan de zijde van Cygne en Swansea. Verder vorderen zij veroordeling van Hilda Holding in de kosten van het geding.





3.2.


[eiseres01] en Prudential Investments stellen daartoe dat zij als aandeelhouders van Cygne en Swansea een rechtstreeks belang hebben bij de afwijzing van de vorderingen van Hilda Holding en een vaststelling in rechte dat de oproepingstermijn voor aandeelhoudersvergaderingen van Cygne en Swansea tien dagen is.





3.3.


Hilda Holding refereert zich aan het oordeel van de rechtbank en concludeert dat een grondslag ontbreekt om haar in de kosten van het incident te veroordelen.





3.4.


Cygne en Swansea hebben in het incident niet voor antwoord geconcludeerd.








4

De beoordeling in het incident



4.1.


De incidentele conclusie tot voeging is op grond van artikel 218 Rv tijdig genomen.





4.2.


Artikel 217 Rv bepaalt dat een ieder die een belang heeft bij een tussen andere partijen aanhangig geding kan vorderen zich daarin te mogen voegen. Voor het aannemen van een belang tot voeging is voldoende dat een uitkomst van de procedure die ongunstig is voor de partij aan wier zijde de derde zich voegt, de rechtspositie van de derde nadelig kan beïnvloeden.





4.3.


De rechtbank is van oordeel dat de incidentele vordering tot voeging moet worden toegewezen, omdat de aangevoerde en niet weersproken gronden die vordering kunnen dragen. [eiseres01] en Prudential Investments hebben voldoende onderbouwd dat zij belang hebben bij de uitkomst van de procedure.





4.4.


Naar het oordeel van de rechtbank kan in het incident geen van partijen als de in het ongelijk gestelde partij worden beschouwd. Daarom zullen de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.








5

De beslissing


De rechtbank





in het incident





5.1.


staat [eiseres01] en Prudential Investments toe zich in de hoofdzaak aan de zijde van Cygne en Swansea te voegen,





5.2.


compenseert de kosten van het incident tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,





in de hoofdzaak






5.3.


bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van

31 januari 2024

voor het nemen van de conclusie van antwoord door [eiseres01] en Prudential Investments,





5.4.


houdt iedere verdere beslissing aan.





Dit vonnis is gewezen door mr. J.M.J. Arts en in het openbaar uitgesproken op 20 december 2023.


[3757/3268/3455]