Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2023:1052

2023-02-14 Strafrecht 10-011954-23
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2023-02-14
Publicatiedatum
2023-02-15
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Beslissing RC
Zaaknummer
10-011954-23
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Art. 138aa Sr. appel OvJ tegen afwijzing vorderring bewaring gegrond. Geen sprake van first offender, gelet op feiten en omstandigheden zoals verwoord in beslissing RK.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (6.080 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM-2-


Strafrecht




Zittingsplaats Rotterdam





parketnummer : 10-011954-23






beslissing op hoger beroep tegen beschikking van de rechter-commissaris van de raadkamer d.d. 14 februari 2023






in de strafzaak tegen de verdachte:






[verdachte01] ,



geboren op [geboortedatum01] 2000 te [geboorteplaats01] ,


inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:


[adres01] , [postcode01] [plaats01] .





Raadsman mr. L.A.R. Newoor.






Procedure




De rechter-commissaris heeft bij beschikking van 13 januari 2023 de vordering van de officier van justitie tot inbewaringstelling van de verdachte gedeeltelijk afgewezen. De officier van justitie is op 16 januari 2023 in hoger beroep gekomen tegen deze beschikking, voor zover daarbij de vordering is afgewezen.





De rechtbank heeft de stukken gezien, waaronder de beschikking van de rechter-commissaris en de appelmemorie van de officier van justitie.





De rechtbank heeft in raadkamer van heden de officier van justitie en de raadsman, mr. Newoor gehoord. Verdachte is, hoewel tijdig opnieuw en thans deugdelijk opgeroepen per aangetekende brief, niet verschenen.





De rechter-commissaris heeft bij beschikking van 13 januari 2023 de vordering van de


officier van justitie tot inbewaringstelling van de verdachte afgewezen. De officier van


justitie is op 16 januari 2023 in hoger beroep gekomen tegen deze beschikking, voor zover


daarbij de vordering is afgewezen.


De rechtbank heeft de stukken gezien, waaronder de beschikking van de rechter


commissaris en de appelmemorie van de officier van justitie.






Beoordeling




Gevallen waarin de voorlopige hechtenis kan worden bevolen


De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van de verdachte de verdenking is gerezen dat


verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan feiten waarvoor de voorlopige hechtenis is


toegelaten, te weten feiten als omschreven in navolgende wetsartikelen:


art. 138aa lid I. 138aa lid 3 ahf/ond b, art. 47 lid 1 ahf/sub 1 Sr.


De ernstige bezwaren


Uit de inhoud van het strafdossier blijkt van ernstige bezwaren tegen de verdachte ten


aanzien van het feit zoals vermeld in de vordering tot inbewaringstelling.


Motivering:


De strafbaarstelling van art. 138aa Sr. is door de wetgever ingevoerd in het kader van het


streven van de overheid om -in bredere zin- de strafrechtelijke aanpak van ondermijnende


criminaliteit (duidelijk) te versterken. De problematiek rond de uithalers is in dit breder


kader meegenomen en is vertaald in een duidelijk verscherpte strafrechtelijke aanpak van


het illegaal betreden van o.a. haventerreinen. Vertrekpunt was de strafbaarstelling van dit


gedrag als een verzwaarde vorm van erfvredebreuk op bepaalde plaatsen; plaatsen waar dat


door de wetgever als extra ongewenst en gevaarzettend is geoordeeld.





Het strafmaximum is flink omhoog gegaan ten opzicht van, bij voorbeeld, de overtreding


van art. 461 Sr., het zich begeven op verboden terrein. In plaats van een geldboete, die in de


praktijk veelal neerkwam op een geldboete van € 95,- is de maximale straf van het misdrijf


art. I38aa Sr. maximaal één jaar gevangenisstraf voor het enkele aanwezig zijn op een van


de in de wet omschreven (bedrijfsterreinen/vervoersknooppunten. De maximale


gevangenisstraf bedraagt twee jaar gevangenisstraf indien bepaalde strafverzwarende


omstandigheden aanwezig zijn. De wet kent een verdere strafverzwaring met een derde


onder in de wet nader aangegeven verdere omstandigheden. Bij dit alles heeft de wetgever


de nieuwe strafbepaling opgenomen in art. 67 Sv., zodat voorlopige hechtenis toegepast kan


worden. Ook dit beschouwt de rechtbank als een aanwijzing dat de wetgever een duidelijk


verscherpte wijze van afdoening van deze vorm van criminaliteit voorstaat.


Dit kader maakt dat verdachten tegen wie ernstige bezwaren bestaan ter zake art. 138aa Sr


anders en (veel) strenger kunnen worden aangepakt dan voorafgaand aan de invoering van


deze nieuwe wetsbepaling.


Het gerechtshof heeft in een aantal samenhangende arresten aangegeven dat bij first


offenders, in beginsel een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf uitgangspunten


van straftoemeting zijn. En dat bij (vormen van) recidive een onvoorwaardelijke


gevangenisstraf het uitgangspunt zal (moeten) zijn. Voorshands is dit voor de Rotterdamse


rechtbank daarmee (ook) het uitgangspunt.





Verdachte is echter geen first offender, aangezien vast staat dat hij eind december 2022 onder min of meer identieke omstandigheden is aangetroffen op een afgesloten haventerrein waarop art. 138aa Sr. van toepassing is. Voor zijn aanwezigheid heeft verdachte geen enkele inhoudelijke verklaring gegeven, laat staan een rechtvaardigingsgrond.





Gelet op het bovenstaande is art. 67a lid 3 Sv op dit moment nog niet aan de orde





Anders dan de rechter-commissaris, is de rechtbank van oordeel dat de vordering tot


inbewaringstelling van de verdachte moet worden toegewezen. De dragende grond is


recidivegevaar als omschreven in art. 67a lid 2 onder 2 Sv., meer in het bijzonder dat het


gaat om misdrijven waardoor de gezondheid of veiligheid van personen in gevaar kan


worden gebracht.





Het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis





De rechtbank heeft de nauwelijks onderbouwde persoonlijke belangen van de verdachte


afgewogen tegen het strafvorderlijk belang dat met voortduring van de voorlopige hechtenis


is gediend. Deze afweging valt op dit moment uit in het nadeel van de verdachte.







Beslissing


De rechtbank:




verklaart het beroep gegrond en vernietigt de beschikking van de rechter-commissaris waarvan beroep;





wijst alsnog toe de vordering tot inbewaringstelling van de verdachte;


verleent alsnog een bevel tot bewaring tegen de verdachte voor een termijn van veertien dagen;






Deze beslissing is gegeven in raadkamer van deze rechtbank op 14 februari 2023 door:


mr. W.A.F. Damen, voorzitter,


mr. L.J.M. Janssen en M.M. Dolman, rechters,


in tegenwoordigheid van W.A. Gruisen, griffier.