Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2021:9014
Inhoudsindicatie
Veelprocedeerder. Misbruik van recht. Uit de stukken maakt de rechtbank op dat de klacht van eiser over privacyregels betrekking heeft op een of meer bestuursrechtelijke of civielrechtelijke procedures die ten einde zijn gekomen door onherroepelijke besluiten, uitspraken (zie hiervoor) of verjaring (ECLI:NL:RBROT:2020:2728). Gezien de vele kansloze procedures die eiser inmiddels heeft aangespannen om zijn voormalige werkgever en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aansprakelijk te stellen voor beweerdelijk in het verre verleden gemaakte fouten, moet ook thans tot het oordeel worden gekomen dat eiser deze procedure te kwader trouw voert. Er is ook nu wederom kennelijk sprake van misbruik van recht door eiser.
Citeert (5)
- ECLI:NL:RBROT:2021:620 Rechtbank Rotterdam 04-02-2021
- ECLI:NL:RBROT:2020:3876 Rechtbank Rotterdam 01-05-2020
- ECLI:NL:RBROT:2020:3876 Rechtbank Rotterdam 01-05-2020
- ECLI:NL:RBROT:2020:5190 Rechtbank Rotterdam 15-06-2020
- ECLI:NL:RBROT:2020:2728 Rechtbank Rotterdam 28-02-2020
Geciteerd door (5)
- ECLI:NL:RBROT:2024:13138 Rechtbank Rotterdam 31-12-2024
- ECLI:NL:RBROT:2024:11866 Rechtbank Rotterdam 29-11-2024
- ECLI:NL:RBROT:2024:11868 Rechtbank Rotterdam 29-11-2024
- ECLI:NL:RBROT:2024:11876 Rechtbank Rotterdam 29-11-2024
- ECLI:NL:RBROT:2024:11855 Rechtbank Rotterdam 28-11-2024
Volledige tekst
Volledige tekst (4.019 tekens)
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 21/868
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 september 2021 als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen
[Naam], te [Plaats], eiser,
en
de Autoriteit Persoonsgegevens, verweerder.
Als partij heeft aan het geding deelgenomen:
K.B.S. Advocaten, te Utrecht.
Procesverloop
Bij besluit van 4 februari 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit van 20 september 2019 (het primaire besluit) om geen nader onderzoek in te stellen naar een klacht van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Gelet op het beroep van eiser op betalingsonmacht in zijn vele zaken heeft de griffier er vooralsnog van afgezien griffierecht in deze zaak te heffen.
Overwegingen
1. De rechtbank doet uitspraak zonder zitting.
2. Eiser procedeert veelvuldig. Gelet op de artikelen 3:13 en 3:15 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de bestuursrechter een beroep of een (bijkomend) verzoek niet-ontvankelijk verklaren indien sprake is van misbruik van (proces)recht. In een uitspraak van 4 februari 2021 heeft de rechtbank overwogen dat eiser misbruik maakt van recht. Daartoe is het volgende overwogen (ECLI:NL:RBROT:2021:620):
“Aan [eiser] is in een aantal zaken vrijstelling verleend van griffierecht (onder meer ECLI:NL:RBROT:2020:3876, punt 4). Voorts heeft de rechtbank [eiser] inmiddels gewaarschuwd dat, indien hij doorgaat met het indienen van onduidelijke en slecht gedocumenteerde verzoeken en beroepen in zaken waarover al meermaals uitspraak is gedaan zonder dat daarbij relevante nieuwe feiten en omstandigheden zijn aangevoerd, toekomstige verzoeken of beroepen mogelijk niet-ontvankelijk zullen worden verklaard omdat [eiser] zich schuldig maakt aan misbruik van recht (ECLI:NL:RBROT:2020:3876, punt 15, en ECLI:NL:RBROT:2020:5190, punt 8). (…)”
3. Tegen deze achtergrond komt de rechtbank tot de volgende beoordeling.
4. Uit de stukken maakt de rechtbank op dat de klacht van eiser over privacyregels betrekking heeft op een of meer bestuursrechtelijke of civielrechtelijke procedures die ten einde zijn gekomen door onherroepelijke besluiten, uitspraken (zie hiervoor) of verjaring (ECLI:NL:RBROT:2020:2728). Gezien de vele kansloze procedures die eiser inmiddels heeft aangespannen om zijn voormalige werkgever en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aansprakelijk te stellen voor beweerdelijk in het verre verleden gemaakte fouten, moet ook thans tot het oordeel worden gekomen dat eiser deze procedure te kwader trouw voert. Er is ook nu wederom kennelijk sprake van misbruik van recht door eiser.
5. Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk, zodat voortzetting van het onderzoek niet nodig is.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Bedee, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Stijnen, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 21 september 2021.
De griffier en de rechter zijn verhinderd de uitspraak te ondertekenen
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.