Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2020:11159

2020-12-04 Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht ROT - 19_1741
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2020-12-04
Publicatiedatum
2020-12-07
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
ROT - 19_1741
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Boetes opgelegd aan slachthuis omdat het water in de sterilisatoren voor gereedschap een te lage temperatuur had en het slachthuis ook niet beschikte over een alternatief systeem met een gelijkwaardig effect.

Citeert (7)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (25.422 tekens)
Rechtbank Rotterdam


Bestuursrecht



zaaknummer: ROT 19/1741


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 december 2020 in de zaak tussen


[eiseres], te [plaats], eiseres,
gemachtigde: mr. M.J.J.E. Stassen,


en


de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,
gemachtigde: mr. E.M. Scheffer.




Procesverloop


Bij besluiten van 23 maart 2018 en 27 juli 2018 (de primaire besluiten) heeft verweerder aan eiseres boetes opgelegd van elk € 5.000,-, omdat zij volgens verweerder bij of krachtens de Wet dieren gestelde voorschriften heeft overtreden.



Bij besluit van 27 februari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.



Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.



Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.



Namens eiseres is verschenen [naam] (bestuurder van eiseres), bijgestaan door de gemachtigde van eiseres en vergezeld door [naam] (stalmedewerker bij eiseres), [naam] en [naam] (beiden KAM-manager bij eiseres). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens is namens verweerder verschenen [naam], toezichthouder bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).





Overwegingen

1. De wettelijke bepalingen die in deze zaak van belang zijn, zijn opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.



Boetezaaknummer 201707962



2. In het rapport van bevindingen van 25 september 2017 heeft een toezichthouder van de NVWA gerapporteerd dat hij zich op 25 september 2017, omstreeks 13:48 uur, bevond in de schone slachthal op het bedrijf van eiseres. In het kader van regulier toezicht heeft de toezichthouder met een door de NVWA ter beschikking gestelde gekalibreerde thermometer de temperatuur van het water in verschillende sterilisatoren gemeten. De toezichthouder heeft om 8:20 uur in de sterilisator ter hoogte van het weegbordes een temperatuur van 77.7 oC gemeten. Om 12:18 uur heeft de toezichthouder in dezelfde sterilisator een temperatuur gemeten van 78.4 oC en om 13:48 uur een temperatuur van 77.9 C. Een kwartier na 8:20 uur heeft de toezichthouder in andere sterilisatoren temperaturen gemeten van 78.2 oC, 77.8 oC en 79.1 oC. De toezichthouder heeft gezien dat eiseres niet beschikte over de nodige voorzieningen om gereedschap te ontsmetten met heet water van ten minste 82 oC of over een alternatief systeem met een gelijkwaardig effect. De toezichthouder heeft [naam], bedrijfsleider van eiseres, van de bevindingen op de hoogte gebracht en een rapport van bevindingen aangezegd.



Boetezaaknummer 201801598



3. In het rapport van bevindingen van 14 februari 2018 heeft dezelfde toezichthouder van de NVWA gerapporteerd dat hij zich op 14 februari 2018, omstreeks 12:37 uur, bevond in de schone slachthal op het bedrijf van eiseres. In het kader van regulier toezicht heeft de toezichthouder met een door de NVWA ter beschikking gestelde gekalibreerde thermometer met nummer 43574761 de temperatuur van het water in verschillende sterilisatoren gemeten. De toezichthouder heeft om 12:37 uur de temperatuur van de in het rapport genoemde sterilisatoren gemeten en daarbij temperaturen gemeten van 76.2 oC, 78.2 oC, 80.8 oC, 78.8 oC, 80.2 oC en 78.1 oC. Om 13:16 uur heeft de toezichthouder opnieuw de temperatuur in de genoemde sterilisatoren gemeten en daarbij temperaturen gemeten van 72.7 oC, 72.4 oC, 76.8 oC, 77.7 oC, 78.7 oC en 75.5 oC. De toezichthouder heeft tevens gezien dat eiseres geen gebruik had gemaakt van de mogelijkheid te gaan werken met alcoholdoekjes of een ander alternatief systeem met een gelijkwaardig effect. De toezichthouder heeft gezien dat eiseres niet beschikte over de nodige voorzieningen om gereedschap te ontsmetten met heet water van tenminste 82 oC of over een alternatief systeem met een gelijkwaardig effect. De toezichthouder heeft [naam], KAM-verantwoordelijke bij eiseres, van de bevindingen op de hoogte gesteld en een rapport van bevindingen aangezegd.



Beide zaken



4. Op basis van de rapporten van bevindingen heeft verweerder in de primaire besluiten aan eiseres een boete opgelegd van elk € 5.000,- wegens het plegen van het volgende feit: de exploitant van een levensmiddelenbedrijf heeft er niet voor gezorgd dat het gereedschap waarmee als huisdier gehouden hoefdieren worden geslacht ontsmet werd met heet water van tenminste 82 oC of met een alternatief systeem met een gelijkwaardig effect. Dit is volgens verweerder een overtreding van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren in verbinding met artikel 2.4, eerste lid, aanhef en onder d van de Regeling dierlijke producten, in verbinding met artikel 3, eerste lid, en bijlage III, sectie I, hoofdstuk II, punt 3, van Verordening (EG) nr. 853/2004. De boetes die aan eiseres zijn opgelegd, zijn boetes die wegens recidive zijn verhoogd.


4.1.
In het bestreden besluit heeft verweerder deze beslissingen gehandhaafd.


5. Eiseres heeft in beide zaken aangevoerd dat verweerder niet van de meetgegevens van de toezichthouder, zoals weergegeven in de rapporten van bevindingen, kan uitgaan, omdat niet vaststaat dat de door de toezichthouder gebruikte thermometers op juiste wijze zijn gekalibreerd. Niet is gebleken dat de thermometers zijn gekalibreerd conform ISO 10012. Er kan volgens eiseres geen betekenis worden gehecht aan de door verweerder overgelegde kalibratierapporten, omdat een van deze rapporten in een buitenlandse taal is opgesteld, dat rapport niet is gedateerd en handgeschreven data bevat. Bovendien staat volgens eiseres in beide zaken niet vast dat de thermometer door deskundige en bevoegde mensen is gehanteerd en is het onduidelijk welke sterilisatoren zijn gemeten. Daarnaast stelt eiseres dat uit eigen metingen blijkt dat de temperatuur in de sterilisatoren in het bedrijf op de data van de controles niet te hoog was, terwijl zij thermometers heeft gebruikt die door een extern bedrijf zijn gekalibreerd. Daaruit valt af te leiden dat de metingen van de toezichthouder niet juist kunnen zijn.




5.1.
Zoals het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) heeft geoordeeld in de uitspraak van 17 maart 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:179) mag een bestuursorgaan in beginsel afgaan op de juistheid van de bevindingen in een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend proces-verbaal. Indien die bevindingen evenwel gemotiveerd worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd. Voor zover de door de toezichthouders van de NVWA opgestelde stukken niet op ambtseed of ambtsbelofte zijn opgemaakt, brengt dat niet zonder meer met zich dat daaraan geen betekenis toekomt.



5.2.

Hetgeen eiseres heeft aangevoerd geeft geen grond voor twijfel aan de bevindingen van de toezichthouder zoals beschreven in de rapporten van bevindingen. Dit betekent dat verweerder die bevindingen aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag heeft kunnen leggen. Anders dan eiseres stelt, blijkt uit de rapporten van bevindingen en de nadere toelichting van de toezichthouder daarop voldoende duidelijke welke sterilisatoren zijn gemeten tijdens de controles.
In het rapport van bevindingen van 25 september 2017 staat dat de toezichthouder de metingen op die dag heeft verricht met een gekalibreerde thermometer. Bij brief van 26 juni 2019 heeft verweerder een kalibratierapport overgelegd van de door de toezichthouder op 25 september 2017 gebruikte thermometer. Daaruit blijkt dat de thermometer op 4 april 2017 is gekalibreerd.
Uit het rapport van bevindingen van 14 februari 2018 blijkt dat de metingen op die dag zijn verricht met een gekalibreerde thermometer met nummer 43574761. Van deze thermometer heeft verweerder bij het rapport van bevindingen een kalibratierapport bijgevoegd. Daarop staat 8 februari 2018 als handgeschreven datum. De door de toezichthouder gebruikte thermometers zijn minder dan een jaar voorafgaand aan de data waarop de overtredingen zijn geconstateerd zijn gekalibreerd door een extern bedrijf.
Zoals verweerder in het verweerschrift heeft opgemerkt heeft eiseres niet inzichtelijk en concreet gemaakt op grond van welke passages uit ISO 10012 de kalibratierapporten ontoereikend zouden zijn. Dat het kalibratierapport van thermometer 43574761 in een buitenlandse taal is opgesteld en handgeschreven gegevens bevat, waaronder de datum, zoals eiseres heeft opgemerkt, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om de betrouwbaarheid van de thermometers en daarmee de meetgegevens van de toezichthouder te betwijfelen. Dit geldt eveneens voor de stelling van eiseres over het tijdsverloop tussen de kalibratie van de thermometer op 4 april 2017 en het gebruik daarvan bij de controle op 25 september 2017. Nu de rechtbank geen aanleiding ziet om aan de betrouwbaarheid van de gebruikte thermometers en daarmee aan de metingen van de toezichthouder te twijfelen, kan al om die reden aan de eigen metingen van eiseres niet de gevolgtrekking worden verbonden die zij daaraan verbonden wenst te zien.



6. Voorts heeft eiseres in beide zaken aangevoerd dat er op haar bedrijf alternatieven zijn om het gereedschap te ontsmetten. Er zijn andere, niet gecontroleerde, sterilisatoren die voor de medewerkers op de verschillende slachtposities bereikbaar zijn en die wel voldoen aan de vereiste temperatuurnorm. Bovendien beschikten medewerkers over meerdere messen voor het geval er één zou vallen. Er zijn alcoholdoekjes bij de slachtposities om gereedschap te ontsmetten wanneer er zich een storing voordoet.




6.1.
Zoals de toezichthouder ter zitting heeft toegelicht zijn die sterilisatoren gecontroleerd die zich bevinden op de posities waar het risico het grootst is en waar daarom vaker moet worden ontsmet. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat de aanwezigheid van andere sterilisatoren die volgens eiseres voor de medewerkers op meerdere slachtposities bereikbaar zijn en volgens haar wel voldoen aan de temperatuurnorm, niet als alternatief systeem met gelijkwaardig effect kan worden aangemerkt. Zoals verweerder in het bestreden besluit, in het verweerschrift en ter zitting nader heeft toegelicht moet een medewerker bij uitval van de dichtstbijzijnde sterilisator van het bordes af om naar een andere sterilisator te gaan, terwijl het noodzakelijk is dat gereedschap onmiddellijk wordt ontsmet. Bovendien is niet aangetoond dat de overige sterilisatoren wel voldoen aan de temperatuurnorm.



6.2.
Ook de stelling van eiseres dat haar personeel over meerdere, vooraf ontsmette messen beschikte, kan niet tot de conclusie leiden dat dit als een alternatief ontsmettingssysteem kan worden aangemerkt. Eiseres heeft dit niet onderbouwd en ook niet aannemelijk gemaakt dat ten tijde van de controle daadwerkelijk gebruik werd gemaakt van de gestelde alternatieve methode en dat die methode als een gelijkwaardig alternatief zou moeten worden beschouwd. De enkele stelling van eiseres ter zitting dat zij zonder dat daar destijds beleid voor was reeds gebruik maakte van het twee-messen-systeem is onvoldoende voor een andersluidend oordeel.



6.3.
Voorts heeft eiseres naar voren gebracht dat zij over alcoholdoekjes beschikt bij elke slachtpositie. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat het voor de toezichthouder bij de controle zichtbaar had moeten zijn indien eiseres andere methoden van ontsmetting zou hanteren, waaronder het gebruik van alcoholdoekjes. In het rapport van bevindingen van 14 februari 2018 staat dat de toezichthouder heeft gezien dat eiseres geen gebruik maakte van de mogelijkheid om met alcoholdoekjes te werken of met een ander alternatief systeem met gelijkwaardig effect. Eiseres is in de gelegenheid gesteld om tijdens de controle te reageren op de bevindingen van de toezichthouder. Het had op haar weg gelegen om op dat moment aan te tonen dat er een alternatief ontsmettingssysteem beschikbaar was, hetgeen zij niet heeft gedaan.


7. Eiseres heeft aangevoerd dat er ten onrechte geen proces-verbaal is opgesteld van het contact tussen de toezichthouder en [naam], bedrijfsleider, [naam], verantwoordelijke slachthal (boetezaak 201707962) en [naam], KAM-verantwoordelijke (boetezaak 201801598). Onduidelijk is wat de aanzegging aan hen is geweest en waarop die aanzegging betrekking heeft, aldus eiseres.




7.1.
De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat er ten onrechte geen proces-verbaal is opgesteld van het contact tussen de toezichthouder en betreffende medewerkers. Uit de rapporten van bevindingen blijkt dat de toezichthouder zich aan de genoemde medewerkers heeft gelegitimeerd en hen heeft aangesproken. De toezichthouder heeft deze medewerkers van zijn bevindingen op de hoogte gesteld en hen een rapport van bevindingen aangezegd. Niet is gebleken dat de toezichthouder de betreffende medewerkers heeft verhoord, zodat de toezichthouder daarvan geen apart proces-verbaal hoefde op te maken.


8. Eiseres heeft in beide zaken voorts aangevoerd dat de boete ten onrechte wegens recidive is verhoogd, omdat zij niet bekend is met een aan De Wit Slachthuis Geldrop B.V. opgelegde bestuurlijke boete van28 augustus 2015. Eiseres betwist dat die boete betrekking heeft op dezelfde feiten en stelt dat die boete aan een andere rechtspersoon is opgelegd.




8.1.
In dit geval heeft verweerder het boetebedrag op grond van artikel 2.5, eerste lid, van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren in beide boetezaken terecht verhoogd naar € 5.000,-, omdat aan eiseres eerder op 28 augustus 2015 een boete was opgelegd van € 2.500,- vanwege een soortgelijke overtreding. Door een statutenwijziging in 2017 is de handelsnaam van de onderneming gewijzigd van De Wit Slachthuis Geldrop B.V. naar Pali Geldrop B.V. maar de vennootschappen hebben hetzelfde Kamer-van-Koophandelnummer. Beide vennootschappen zijn opgericht op 28 juli 1992, hebben hetzelfde bezoekadres (Industriepark 10, 5663 PG Geldrop) en voeren dezelfde activiteiten uit. Gelet op deze omstandigheden mocht verweerder de eerdere overtreding van [naam]. aan eiseres toerekenen en de boetes wegens recidive verhogen.



8.2.
De stelling van eiseres dat de recidiveregeling niet in stand kan blijven om de reden dat een opeenstapeling van boetes onevenredig is, leidt niet tot een ander oordeel. Uit het wettelijk systeem (artikel 2.5, eerste lid, van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren) volgt immers dat de op te leggen boete kan worden verhoogd met de voor de eerdere overtreding opgelegde bestuurlijke boete.


9. Ook heeft eiseres aangevoerd dat de hoogte van de boete niet in verhouding staat tot de overtreding. De volksgezondheid is volgens eiseres op geen enkele manier in gevaar gekomen. De door de toezichthouder gemeten temperaturen vallen in dezelfde risicoklasse als de voorgeschreven temperatuur van 82 oC. De gevolgen voor de volksgezondheid zijn daarom gering, zodat de boetes gehalveerd dienen te worden, aldus eiseres.




9.1.
De rechtbank stelt vast dat de hoogte van de bestuurlijke boete die mag worden opgelegd wegens de in geding zijnde overtredingen op grond van artikel 8.8 van de Wet dieren wettelijk is vastgelegd in het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren en de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren. Niet is gebleken dat verweerder met betrekking tot de in geding zijnde boete een onjuiste toepassing heeft gegeven aan hetgeen in deze regelingen is bepaald over de hoogte van de boete. Uit de Bijlage bij de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren onder Regeling dierlijke producten volgt dat overtreding van artikel 2.4, eerste lid, aanhef en onder d, valt onder categorie 3.



9.2.
De wetgever heeft daarbij reeds een afweging gemaakt welke boete bij een bepaalde overtreding evenredig moet worden geacht. Het met Verordening 853/2004 gediende doel - het waarborgen van de voedselveiligheid en volksgezondheid - staat voorop. De hoogte van de boetes als hier aan de orde acht de rechtbank als zodanig niet onredelijk.



9.3.
Op grond van artikel 2.3, aanhef en onder a, van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren wordt het boetebedrag gehalveerd indien de risico’s of de gevolgen van een overtreding voor de volksgezondheid, diergezondheid, dierenwelzijn of milieu gering zijn of ontbreken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht vastgesteld dat de gevolgen voor de volksgezondheid van onderhavige overtredingen niet gering zijn, omdat het slachten met niet gesteriliseerde messen een risico vormt voor de volksgezondheid. Gelet hierop heeft verweerder terecht geen toepassing gegeven aan artikel 2.3, aanhef en onder a, van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren.


10. Ter zitting heeft eiseres aangevoerd dat de redelijke termijn is overschreden.




10.1.
Verweerder heeft gesteld dat de goede procesorde in de weg staat aan het inbrengen van deze beroepsgrond in deze fase van de procedure.



10.2.
Onder verwijzing naar een arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:252) overweegt de rechtbank dat eiseres haar beroep op overschrijding van de redelijke termijn tijdig, namelijk vóór de sluiting van het onderzoek door de rechtbank, heeft ingediend, zodat de rechtbank daarover een oordeel zal geven.



10.3.
Volgens vaste jurisprudentie (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:HR:2016:252, ECLI:NL:RVS:2016:1261 en ECLI:NL:CBB:2017:32) geldt bij punitieve sancties als uitgangspunt dat de redelijke termijn is overschreden als, behoudens bijzondere omstandigheden, niet binnen twee jaar nadat deze termijn is aangevangen door de rechtbank uitspraak wordt gedaan. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de bestuurlijke fase onredelijk lang heeft geduurd voor zover deze de duur van een jaar overschrijdt en hetzelfde geldt voor de rechterlijke fase. De termijn vangt aan op het moment dat het bestuursorgaan een handeling heeft verricht waaraan eiseres de verwachting kon ontlenen dat het bestuursorgaan haar een boete zou opleggen; dit is in de regel het moment van het voornemen tot boeteoplegging. Voorts geldt dat de boete wordt verminderd met 5 % per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, met een maximum van in het algemeen € 2.500,-.



10.4.
In boetezaak 201707962 is de redelijke termijn aangevangen op 15 december 2017, de datum waarop verweerder het voornemen tot boeteoplegging heeft uitgebracht. Verweerder had uiterlijk op 15 december 2018 (een jaar na aanvang van de redelijke termijn) op het bezwaar van eiseres moeten beslissen, maar heeft dat eerst op 27 februari 2019 gedaan. Dit betekent dat de bestuurlijke fase ongeveer twee maanden te lang in beslag heeft genomen. De rechtbank had uiterlijk op 8 april 2020 (een jaar na het instellen van het beroep) uitspraak moeten doen. Dit betekent dat de rechterlijke fase in eerste aanleg ongeveer negen maanden te lang heeft geduurd. De rechtbank ziet in de overschrijding van de redelijke termijn aanleiding de boete te matigen met 10% tot een bedrag van € 4.500,-.



10.5.
In boetezaak 201801598 is de redelijke termijn aangevangen op 6 juli 2018, de datum waarop verweerder het voornemen tot boeteoplegging heeft uitgebracht. Verweerder heeft binnen een jaar na aanvang van de redelijke termijn op het bezwaar van eiseres beslist. De rechtbank had uiterlijk op 8 april 2020 (een jaar na het instellen van het beroep) uitspraak moeten doen. Dit betekent dat de rechterlijke fase in eerste aanleg ongeveer negen maanden te lang heeft geduurd. De rechtbank ziet in de overschrijding van de redelijke termijn aanleiding de boete te matigen met 10% tot een bedrag van € 4.500,-.



10.6.
Omdat de boetebedragen in beide boetezaken worden verlaagd, wordt het bestreden besluit in zoverre vernietigd en de primaire besluiten in die zaken herroepen. Het beroep is gegrond ten aanzien van deze boetezaken. De rechtbank stelt vervolgens zelf het boetebedrag vast op € 4.500,- in zowel boetezaak 201707962 als boetezaak 201801598.
11. Nu het beroep in beide boetezaken gegrond wordt verklaard ziet de rechtbank aanleiding in die zaken te bepalen dat het door eiseres betaalde griffierecht en een deel van de proceskosten van eiseres worden vergoed. De rechtbank zal verweerder en/of de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) opdragen deze bedragen te vergoeden al naar gelang de mate waarin de overschrijding van de redelijke termijn aan verweerder dan wel aan de rechtbank valt toe te rekenen. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van het CBb van 21 mei 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:209).

12. In de boetezaak 201707962 is de overschrijding van de redelijke termijn zowel aan verweerder als aan de rechtbank toe te rekenen, zodat de te vergoeden kosten voor 2/11 deel door verweerder worden gedragen en voor 9/11 deel door de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid). In de boetezaak 201801598 is de overschrijding van de redelijke termijn geheel aan de rechtbank toe te rekenen.

13. Het door eiseres betaalde griffierecht bedraagt € 345,-. Van dit bedrag dient verweerder € 31,36 (2/11 deel voor boetezaak 201707962 en 0 deel voor boetezaak 201801598) te vergoeden en de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) € 313,64 (9/11 deel voor boetezaak 201707962 + 1 deel voor boetezaak 201801598).

14. Daarnaast vindt een veroordeling plaats van de door eiseres gemaakte proceskosten voor de behandeling van haar verzoek om matiging van de boete vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 525,- (1 punt voor het indienen van het verzoek om matiging van de boete en 1 punt voor de zitting met een waarde per punt van € 525,- en wegingsfactor 0,5). De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraak van het CBb van 16 januari 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:32). Van het bedrag aan proceskosten dient verweerder € 47,73 (2/11 deel + 0 deel) te vergoeden en de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) € 477,27 (9/11 deel + 1 deel).




Beslissing


De rechtbank:



verklaart het beroep ten aanzien van beide boetezaken gegrond;


vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de hoogte van de boete in beide boetezaken;


herroept de primaire besluiten van 23 maart 2018 en 27 juli 2018 voor zover die besluiten zien op de hoogte van de boete;


stelt het boetebedrag in beide boetezaken vast op elk € 4.500,-;


bepaalt dat verweerder aan eiseres € 31,36 aan griffierecht vergoedt;


bepaalt dat de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) aan eiseres € 313,64 aan griffierecht vergoedt;


veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 47,73;


veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 477,27.





Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Fransen, rechter, in aanwezigheid van mr. S.L. Mehlbaum, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 4 december 2020.






De griffier is buiten staat De rechter is verhinderd te tekenen




griffier rechter




Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.







Bijlage: wettelijke bepalingen



Artikel 3, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 853/2004: Exploitanten van levensmiddelenbedrijven dienen te voldoen aan de toepasselijke bepalingen van
de bijlagen II en III.



Bijlage III, sectie I, hoofdstuk II, punt 3 van Verordening (EG) nr. 853/2004: Zij moeten beschikken over de nodige voorzieningen om gereedschap te ontsmetten met heet water van ten minste 82 °C of over een alternatief systeem met een gelijkwaardig effect.