Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2016:4560

2016-05-25 Civiel recht C/10/494722 / HA ZA 16-136
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2016-05-25
Publicatiedatum
2016-06-16
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/10/494722 / HA ZA 16-136
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | AR 2016/1718 | AR 2016/1739 | UDH:TvCu/13364 met annotatie van prof. mr. A.W. Jongbloed

Inhoudsindicatie

Vordering in de hoofdzaak is van een curator van een gefailleerde Nederlandse B.V. Incidentele vordering ex artikel 224 lid 1 en 2 onder c Rv tot zekerheidsstelling van proceskosten en schadevergoeding. Afgewezen, kansloze vordering, nodeloze vertraging van de procedure.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (5.752 tekens)
vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM


Team haven en handel




zaaknummer / rolnummer: C/10/494722 / HA ZA 16-136




Vonnis in incident van 25 mei 2016




in de zaak van





[eiser]
, wonende te [woonplaats] , in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

OZ KERVAN ROTTERDAM B.V., gevestigd te Rotterdam,
eiser in de hoofdzaak,
verweerder in het incident,
advocaat mr. B.C. Doolaard te Barendrecht,



tegen





1 [eiser in incident, gedaagde sub 1 in hoofdzaak] ,

wonende te Rotterdam,
gedaagde,
eiser in het incident,
advocaat mr. F.A. Piek te Amsterdam,

2. [gedaagde 2],

wonende te Rotterdam,
gedaagde,
advocaat mr. R.M. Prins te Rotterdam,

3. [gedaagde 3],

wonende te Botosani, Roemenië,
gedaagde,
niet verschenen,

4. [gedaagde 4],

wonende te Rotterdam,
gedaagde,
niet verschenen.




Eiser in het incident, gedaagde sub 1 in de hoofdzaak, zal hierna “ [eiser in incident, gedaagde sub 1 in hoofdzaak] ” genoemd worden. Verweerder in het incident, eiser in de hoofdzaak, zal “curator” genoemd worden.






1De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:


de dagvaarding van 27 november 2015, met producties;


de conclusie van antwoord van 23 maart 2016 van gedaagde sub 2;


de incidentele conclusie tot zekerheidstelling van [eiser in incident, gedaagde sub 1 in hoofdzaak] van 23 maart 2016;


de incidentele conclusie van antwoord van de curator van 6 april 2016.





1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.






2De beoordeling in het incident

2.1.

[eiser in incident, gedaagde sub 1 in hoofdzaak] vordert dat de curator op de voet van artikel 224 lid 1 en 2 onder c Rv zekerheid stelt voor de proceskosten en de schadevergoeding tot betaling waarvan [eiser in incident, gedaagde sub 1 in hoofdzaak] veroordeeld zou kunnen worden omdat de curator in deze hoedanigheid geen bekende woon- of verblijfplaats in Nederland heeft waar verhaal voor een proceskostenveroordeling mogelijk zal zijn. [eiser in incident, gedaagde sub 1 in hoofdzaak] geeft er de voorkeur aan dat de zekerheid in de vorm van een bankgarantie wordt gesteld.



2.2.
De curator voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.



2.3.
De incidentele vordering is tijdig en vóór alle weren ingesteld. Op de voet van artikel 224 lid 1 Rv zijn allen zonder woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland die bij een Nederlandse rechter een vordering instellen, verplicht op vordering van de wederpartij zekerheid te stellen voor de proceskosten en de schadevergoeding tot betaling waarvan zij veroordeeld zouden kunnen worden.



2.4.
Uit de overgelegde stukken blijkt dat zowel de curator als de gefailleerde vennootschap in Nederland woonachtig c.q. gevestigd zijn. Van een situatie zoals bedoeld in artikel 224 Rv is derhalve geen sprake, zodat er geen grond is voor de verzochte zekerheidstelling. De rechtbank zal de incidentele vordering dan ook afwijzen.



2.5.

Voorts heeft de curator aangevoerd dat [eiser in incident, gedaagde sub 1 in hoofdzaak] de curator eerder verzocht heeft om uitstel voor het nemen van de conclusie van antwoord en dat hem dit uitstel is geweigerd. Enkele dagen hierna is vervolgens de onderhavige incidentele vordering ingesteld.
De rechtbank is met de curator eens dat de onderhavige – kansloze – incidentele vordering leidt tot nodeloze vertraging van de procedure. De rechtbank zal de zaak daarom verwijzen naar de rol over twee weken voor het nemen van conclusie van antwoord. De rechtbank overweegt, indien [eiser in incident, gedaagde sub 1 in hoofdzaak] niet tijdig zijn conclusie van antwoord neemt en behoudens klemmende redenen of gevallen van overmacht, een akte niet-dienen zal worden verleend ten aanzien van de conclusie van antwoord. Voor het geval [eiser in incident, gedaagde sub 1 in hoofdzaak] nog meer incidenten wenst op te werpen, dient hij dit gelijktijdig te doen met het indienen van de conclusie van antwoord.




2.6.

[eiser in incident, gedaagde sub 1 in hoofdzaak] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld.






3De beslissing
De rechtbank



in het incident



3.1.
wijst het gevorderde af,



3.2.
veroordeelt [eiser in incident, gedaagde sub 1 in hoofdzaak] in de kosten van het incident, aan de zijde van curator tot op heden begroot op € 452,00,



3.3.
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,



in de hoofdzaak




3.4.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 8 juni 2016 voor conclusie van antwoord aan de zijde van [eiser in incident, gedaagde sub 1 in hoofdzaak] .



Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 25 mei 2016.
2130/1980