Rechtbank Overijssel
ECLI:NL:RBOVE:2026:5867
2026-09-17
Civiel recht
C/08/351242 / JE RK 26-1459
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
De kinderrechter verzoekt de Duitse rechter de bevoegdheid overeenkomstig artikel 12 Brussel II-ter ter zake de ouderlijke verantwoordelijkheid over de minderjarige te aanvaarden. Het verzoek tot opheffen van de ondertoezichtstelling wordt aangehouden.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (15.026 tekens)
RECHTBANK OVERIJSSEL
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Zwolle
Zaaknummer: C/08/351242 / JE RK 26-1459
Datum uitspraak: 17 september 2026
Beschikking van de kinderrechter
in de zaak van
Stichting Jeugdbescherming Overijssel,
de gecertificeerde instelling, hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Zwolle,
over
[minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] 2009 in [geboorteplaats] (Oekraïne),
hierna te noemen: [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats],
advocaat: mr. S.M. Wolff,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in Oekraïne
en [minderjarige].
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 4 september 2026;
het bericht van de GI, ontvangen op 7 september 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 10 september 2026. Gelijktijdig met dit verzoek is het verzoek met zaaknummer C/08/348638 / JE RK 26-936 behandeld. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, digitaal via MS-Teams aangesloten, bijgestaan door haar advocaat en in aanwezigheid van een tolk;
- [naam 1], digitaal via MS-Teams aangesloten, en [naam 2] namens de GI.
De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader juist is opgeroepen.
1.3.
[minderjarige] is uitgenodigd voor een gesprek met de kinderrechter. [minderjarige] heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om in een gesprek met de kinderrechter haar mening over het verzoek te geven.
2De feiten
2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
2.2.
[minderjarige] verblijft in [plaats] in Duitsland.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 6 mei 2026 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 6 mei 2027.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 23 juni 2026 een machtiging verleend [minderjarige] uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 18 september 2026. Op het verzoek tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing is heden bij afzonderlijke beschikking beslist onder zaaknummer C/08/348638 / JE RK 26-936.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt:
1. op grond van artikel 12 van de EU Verordening 2019/1111 betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering (hierna te noemen: Brussel II-ter) het gerecht in Duitsland te verzoeken zijn bevoegdheid uit te oefenen gelet op het belang van [minderjarige];
2. zo het verzoek onder 1 wordt toegewezen en door het Duitse gerecht wordt aanvaard, op grond van artikel 1:261 BW de ondertoezichtstelling van [minderjarige] opgedragen aan Stichting Jeugdbescherming Overijssel op te heffen;
3. de te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
Ter onderbouwing van het verzoek wordt verwezen naar de overgelegde stukken. Ter aanvulling heeft de GI tijdens de zitting naar voren gebracht dat [minderjarige] niet meer wil terugkeren naar Nederland en in Duitsland wil blijven. In Duitsland is [minderjarige] gelukkig. [minderjarige] gaat het eind van deze maand naar een vaste plek in Duitsland waar zij middels een zelfstandigheidstraject gaat werken aan meer zelfstandig wonen en hopelijk naar school kan blijven gaan. Dit is geregeld door het Duitse Jugendamt. Volgens de GI heeft het Duitse Jugendamt bij de Duitse rechtbank een verzoek gedaan om een voogd voor [minderjarige] te benoemen, maar is daar nog geen beslissing over genomen. Wellicht dat dit verzoek tot aanvaarden van de bevoegdheid door de Duitse rechter dat proces kan versnellen. De GI onderhoudt contact met de Centrale Autoriteit over de mogelijkheid tot plaatsing van [minderjarige] in een andere lidstaat op grond van artikel 82 van de Verordening Brussel II-ter, maar hierover is nog geen beslissing genomen.
3.3.
Indien de Duitse rechter de bevoegdheid aanvaardt en de verantwoordelijkheid voor de verdere begeleiding en bescherming van [minderjarige] in het land van haar feitelijke verblijfplaats kan worden uitgeoefend, kan volgens de GI de ondertoezichtstelling opgeheven worden. Indien de Duitse rechter de bevoegdheid niet aanvaardt wil de GI de ondertoezichtstelling niet opheffen. De GI vindt het namelijk belangrijk dat zij dan haar verantwoordelijkheid voor [minderjarige] kan blijven nemen.
4De standpunten
4.1.
De moeder begrijpt de doelstelling van de GI met het verzoek tot overdracht van de bevoegdheid naar de Duitse rechter, maar zij vraagt zich af of dit gaat leiden tot het beoogde resultaat. De moeder heeft geen bezwaar tegen het verzoek van de GI. Volgens de moeder heeft [minderjarige] haar gewone verblijfplaats al in Duitsland en is er sprake van een bijzondere band van [minderjarige] met Duitsland. De oma van [minderjarige] woont in Duitsland en inmiddels verblijft ook de moeder in Duitsland. Het Duitse Jugendamt is ook reeds betrokken. Volgens de moeder heeft het Jugendamt haar meegedeeld dat de Nederlandse ondertoezichtstelling belemmert dat [minderjarige] onderwijs in Duitsland kan volgen.
4.2.
Hoewel de moeder heeft gezegd dat zij ook het standpunt van de vader verwoordt, is van de vader geen verweer bekend.
5De beoordeling
Het verzoek op grond van artikel 12 Brussel II-ter
5.1.
Op dit moment loopt in Nederland de ondertoezichtstelling van [minderjarige]. Op grond van artikel 12 lid 1 en 2 Brussel II-ter kan het gerecht dat bevoegd is te beslissen in een zaak een andere lidstaat, waarmee het kind een bijzondere band heeft en daarom beter in staat is het belang van het kind in de specifieke zaak te beoordelen, verzoeken de bevoegdheid uit te oefenen. De kinderrechter zal beoordelen of [minderjarige] een bijzondere band heeft met Duitsland en of het in het belang van [minderjarige] is om de Duitse rechter te verzoeken de bevoegdheid ter zake de ouderlijke verantwoordelijkheid te aanvaarden.
5.2.
Naar het oordeel van de kinderrechter kan [minderjarige] op grond van artikel 12 lid 4 sub a Brussel II-ter geacht worden een bijzondere band te hebben met Duitsland. Volgens de kinderrechter heeft [minderjarige] haar gewone verblijfplaats namelijk inmiddels in Duitsland. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.3.
De moeder is met [minderjarige] in april 2022 gevlucht vanuit Oekraïne naar Nederland. De vader is in Oekraïne gebleven en woont daar nog steeds. [minderjarige] heeft van februari 2024 tot augustus 2025 bij haar vader in Oekraïne verbleven en is daarna weer teruggekeerd naar haar moeder in Nederland. Sinds 6 mei 2026 staat [minderjarige] onder toezicht van de GI tot 6 mei 2027. [minderjarige] verbleef tot begin juni 2026 bij haar moeder in Nederland. Begin juni 2026 heeft er een incident plaatsgevonden tussen de moeder en [minderjarige], waarbij de moeder [minderjarige] alleen en zonder toezicht heeft achtergelaten in Duitsland. [minderjarige] is toen in Duitsland opgevangen in een crisisvoorziening voor jeugdigen. Sindsdien verblijft [minderjarige] in Duitsland. Bij beschikking van 10 juni 2026 heeft de kinderrechter aan de GI een spoedmachtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 10 juni 2026, omdat [minderjarige] vanwege de verstoorde verhoudingen tussen haar en de moeder niet meer bij de moeder kon wonen. Bij beschikking van 23 juni 2026 is de machtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 18 september 2026. Dit is in het kader van de ondertoezichtstelling verzocht door de GI, om [minderjarige] in Nederland onderdak te kunnen bieden. [minderjarige] heeft echter, ondanks pogingen van de GI om haar mee te nemen naar Nederland, nimmer willen terugkeren naar Nederland. De machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] is hierdoor niet ten uitvoer gelegd door de GI. Op de zitting van 18 juni 2026 hebben beide ouders ingestemd met het verblijf van de minderjarige in Duitsland. De kinderrechter heeft geconstateerd dat [minderjarige] per 22 juli 2026 is uitgeschreven uit de registers van de gemeentelijke basisadministratie in Nederland vanwege emigratie. Ook heeft de kinderrechter geconstateerd dat de moeder, per 31 juli 2026, vanwege emigratie is uitgeschreven uit de registers van de gemeentelijke basisadministratie in Nederland. Op de zitting van 10 september 2026 heeft de moeder verklaard dat zij in Duitsland verblijft.
5.4.
De enige band die [minderjarige] met Nederland heeft is de nog lopende ondertoezichtstelling. Vanwege het verblijf van [minderjarige] in Duitsland en haar weigerachtige gedrag om naar Nederland terug te keren kan de GI deze ondertoezichtstelling echter niet uitvoeren. De band die [minderjarige] met Duitsland heeft is, naar het oordeel van de kinderrechter, sterker dan de band die zij heeft met Nederland. Zij verblijft inmiddels meerdere maanden in Duitsland en heeft duidelijk uitgesproken dat zij in Duitsland wil blijven. Momenteel verblijft [minderjarige] op een crisisplek, maar volgens de GI zal zij eind van deze maand geplaatst worden op een vervolgplek in Duitsland, op ongeveer 20 minuten afstand van haar huidige plek, waar zij voor langere tijd kan verblijven. [minderjarige] gaat momenteel ook naar school in Duitsland en zal op deze school blijven wanneer zij naar haar vervolgplek gaat, mits vaststaat dat haar gewone verblijfplaats in Duitsland is. Alles wijst erop dat [minderjarige] zich heeft gevestigd, althans voor langere tijd wil vestigen in Duitsland om daar haar toekomst op te bouwen. Ook verblijft de moeder inmiddels in Duitsland en is er, volgens de moeder, weer contact tussen [minderjarige] en de moeder. Ter zitting van 10 september 2026 heeft de moeder verklaard dat zij en de vader druk doende zijn met het regelen van zaken met de Duitse jeugdbescherming, zoals de schoolgang en het verblijf van [minderjarige] in Duitsland. Ook heeft de moeder de Nederlandse Immigratie- en Naturalisatiedienst verzocht de tijdelijke bescherming voor Oekraïense vluchtelingen in Nederland voor haar en [minderjarige] op te geven. De moeder wil, gezien haar negatieve ervaringen met de Nederlandse autoriteiten alle banden met Nederland verbreken. De moeder probeert in Duitsland de tijdelijke beschermingsstatus te verkrijgen, voor zowel haarzelf als voor [minderjarige].
5.5.
De kinderrechter zal, gelet op de hiervoor beschreven omstandigheden en overwegingen, de Duitse rechter verzoeken om de bevoegdheid overeenkomstig artikel 12 van de Verordening Brussel II-ter ter zake de ouderlijke verantwoordelijkheid over [minderjarige] te aanvaarden, gezien de bijzondere band die [minderjarige] met Duitsland heeft en aangezien dit in het belang van [minderjarige] is.
5.6.
Deze rechtbank blijft haar bevoegdheid uitoefenen tot die bevoegdheid aan het Duitse gerecht is overgedragen.
De opheffing van de ondertoezichtstelling
5.7.
De GI verzoekt de kinderrechter om de ondertoezichtstelling van [minderjarige] op te heffen, indien de Duitse rechter de bevoegdheid inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid over [minderjarige] aanvaardt. De kinderrechter zal in afwachting van het bericht van de Duitse rechter over deze aanvaarding, de verdere behandeling van het verzoek tot opheffing van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] aanhouden.
6De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
verzoekt de Duitse rechter de bevoegdheid overeenkomstig artikel 12 van de EU Verordening 2019/1111 betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering (Brussel II-ter) ter zake de ouderlijke verantwoordelijkheid over [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2009 in [geboorteplaats] (Oekraïne), te aanvaarden;
6.2.
bepaalt dat dit verzoek aan de Duitse rechter zal geschieden door tussenkomst van de liaisonrechter en bepaalt dat de griffier daartoe een afschrift van de onderhavige beschikking per e-mail zal doen toekomen aan de liaisonrechter door toezending daarvan (onder vermelding van kenmerknummer 2026/46) aan het navolgende e-mailadres: [email protected];
6.3.
houdt de verdere behandeling van het verzoek tot opheffen van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] aan voor de duur van drie maanden, in afwachting van de beslissing van de Duitse rechter.
Deze beschikking is gegeven door mr. M. van der Hoeven, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 17 september 2026 in tegenwoordigheid van J.G.J. Remeijsen, griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Zwolle
Zaaknummer: C/08/351242 / JE RK 26-1459
Datum uitspraak: 17 september 2026
Beschikking van de kinderrechter
in de zaak van
Stichting Jeugdbescherming Overijssel,
de gecertificeerde instelling, hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Zwolle,
over
[minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] 2009 in [geboorteplaats] (Oekraïne),
hierna te noemen: [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats],
advocaat: mr. S.M. Wolff,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in Oekraïne
en [minderjarige].
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 4 september 2026;
het bericht van de GI, ontvangen op 7 september 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 10 september 2026. Gelijktijdig met dit verzoek is het verzoek met zaaknummer C/08/348638 / JE RK 26-936 behandeld. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, digitaal via MS-Teams aangesloten, bijgestaan door haar advocaat en in aanwezigheid van een tolk;
- [naam 1], digitaal via MS-Teams aangesloten, en [naam 2] namens de GI.
De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader juist is opgeroepen.
1.3.
[minderjarige] is uitgenodigd voor een gesprek met de kinderrechter. [minderjarige] heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om in een gesprek met de kinderrechter haar mening over het verzoek te geven.
2De feiten
2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
2.2.
[minderjarige] verblijft in [plaats] in Duitsland.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 6 mei 2026 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 6 mei 2027.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 23 juni 2026 een machtiging verleend [minderjarige] uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 18 september 2026. Op het verzoek tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing is heden bij afzonderlijke beschikking beslist onder zaaknummer C/08/348638 / JE RK 26-936.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt:
1. op grond van artikel 12 van de EU Verordening 2019/1111 betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering (hierna te noemen: Brussel II-ter) het gerecht in Duitsland te verzoeken zijn bevoegdheid uit te oefenen gelet op het belang van [minderjarige];
2. zo het verzoek onder 1 wordt toegewezen en door het Duitse gerecht wordt aanvaard, op grond van artikel 1:261 BW de ondertoezichtstelling van [minderjarige] opgedragen aan Stichting Jeugdbescherming Overijssel op te heffen;
3. de te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
Ter onderbouwing van het verzoek wordt verwezen naar de overgelegde stukken. Ter aanvulling heeft de GI tijdens de zitting naar voren gebracht dat [minderjarige] niet meer wil terugkeren naar Nederland en in Duitsland wil blijven. In Duitsland is [minderjarige] gelukkig. [minderjarige] gaat het eind van deze maand naar een vaste plek in Duitsland waar zij middels een zelfstandigheidstraject gaat werken aan meer zelfstandig wonen en hopelijk naar school kan blijven gaan. Dit is geregeld door het Duitse Jugendamt. Volgens de GI heeft het Duitse Jugendamt bij de Duitse rechtbank een verzoek gedaan om een voogd voor [minderjarige] te benoemen, maar is daar nog geen beslissing over genomen. Wellicht dat dit verzoek tot aanvaarden van de bevoegdheid door de Duitse rechter dat proces kan versnellen. De GI onderhoudt contact met de Centrale Autoriteit over de mogelijkheid tot plaatsing van [minderjarige] in een andere lidstaat op grond van artikel 82 van de Verordening Brussel II-ter, maar hierover is nog geen beslissing genomen.
3.3.
Indien de Duitse rechter de bevoegdheid aanvaardt en de verantwoordelijkheid voor de verdere begeleiding en bescherming van [minderjarige] in het land van haar feitelijke verblijfplaats kan worden uitgeoefend, kan volgens de GI de ondertoezichtstelling opgeheven worden. Indien de Duitse rechter de bevoegdheid niet aanvaardt wil de GI de ondertoezichtstelling niet opheffen. De GI vindt het namelijk belangrijk dat zij dan haar verantwoordelijkheid voor [minderjarige] kan blijven nemen.
4De standpunten
4.1.
De moeder begrijpt de doelstelling van de GI met het verzoek tot overdracht van de bevoegdheid naar de Duitse rechter, maar zij vraagt zich af of dit gaat leiden tot het beoogde resultaat. De moeder heeft geen bezwaar tegen het verzoek van de GI. Volgens de moeder heeft [minderjarige] haar gewone verblijfplaats al in Duitsland en is er sprake van een bijzondere band van [minderjarige] met Duitsland. De oma van [minderjarige] woont in Duitsland en inmiddels verblijft ook de moeder in Duitsland. Het Duitse Jugendamt is ook reeds betrokken. Volgens de moeder heeft het Jugendamt haar meegedeeld dat de Nederlandse ondertoezichtstelling belemmert dat [minderjarige] onderwijs in Duitsland kan volgen.
4.2.
Hoewel de moeder heeft gezegd dat zij ook het standpunt van de vader verwoordt, is van de vader geen verweer bekend.
5De beoordeling
Het verzoek op grond van artikel 12 Brussel II-ter
5.1.
Op dit moment loopt in Nederland de ondertoezichtstelling van [minderjarige]. Op grond van artikel 12 lid 1 en 2 Brussel II-ter kan het gerecht dat bevoegd is te beslissen in een zaak een andere lidstaat, waarmee het kind een bijzondere band heeft en daarom beter in staat is het belang van het kind in de specifieke zaak te beoordelen, verzoeken de bevoegdheid uit te oefenen. De kinderrechter zal beoordelen of [minderjarige] een bijzondere band heeft met Duitsland en of het in het belang van [minderjarige] is om de Duitse rechter te verzoeken de bevoegdheid ter zake de ouderlijke verantwoordelijkheid te aanvaarden.
5.2.
Naar het oordeel van de kinderrechter kan [minderjarige] op grond van artikel 12 lid 4 sub a Brussel II-ter geacht worden een bijzondere band te hebben met Duitsland. Volgens de kinderrechter heeft [minderjarige] haar gewone verblijfplaats namelijk inmiddels in Duitsland. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.3.
De moeder is met [minderjarige] in april 2022 gevlucht vanuit Oekraïne naar Nederland. De vader is in Oekraïne gebleven en woont daar nog steeds. [minderjarige] heeft van februari 2024 tot augustus 2025 bij haar vader in Oekraïne verbleven en is daarna weer teruggekeerd naar haar moeder in Nederland. Sinds 6 mei 2026 staat [minderjarige] onder toezicht van de GI tot 6 mei 2027. [minderjarige] verbleef tot begin juni 2026 bij haar moeder in Nederland. Begin juni 2026 heeft er een incident plaatsgevonden tussen de moeder en [minderjarige], waarbij de moeder [minderjarige] alleen en zonder toezicht heeft achtergelaten in Duitsland. [minderjarige] is toen in Duitsland opgevangen in een crisisvoorziening voor jeugdigen. Sindsdien verblijft [minderjarige] in Duitsland. Bij beschikking van 10 juni 2026 heeft de kinderrechter aan de GI een spoedmachtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 10 juni 2026, omdat [minderjarige] vanwege de verstoorde verhoudingen tussen haar en de moeder niet meer bij de moeder kon wonen. Bij beschikking van 23 juni 2026 is de machtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 18 september 2026. Dit is in het kader van de ondertoezichtstelling verzocht door de GI, om [minderjarige] in Nederland onderdak te kunnen bieden. [minderjarige] heeft echter, ondanks pogingen van de GI om haar mee te nemen naar Nederland, nimmer willen terugkeren naar Nederland. De machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] is hierdoor niet ten uitvoer gelegd door de GI. Op de zitting van 18 juni 2026 hebben beide ouders ingestemd met het verblijf van de minderjarige in Duitsland. De kinderrechter heeft geconstateerd dat [minderjarige] per 22 juli 2026 is uitgeschreven uit de registers van de gemeentelijke basisadministratie in Nederland vanwege emigratie. Ook heeft de kinderrechter geconstateerd dat de moeder, per 31 juli 2026, vanwege emigratie is uitgeschreven uit de registers van de gemeentelijke basisadministratie in Nederland. Op de zitting van 10 september 2026 heeft de moeder verklaard dat zij in Duitsland verblijft.
5.4.
De enige band die [minderjarige] met Nederland heeft is de nog lopende ondertoezichtstelling. Vanwege het verblijf van [minderjarige] in Duitsland en haar weigerachtige gedrag om naar Nederland terug te keren kan de GI deze ondertoezichtstelling echter niet uitvoeren. De band die [minderjarige] met Duitsland heeft is, naar het oordeel van de kinderrechter, sterker dan de band die zij heeft met Nederland. Zij verblijft inmiddels meerdere maanden in Duitsland en heeft duidelijk uitgesproken dat zij in Duitsland wil blijven. Momenteel verblijft [minderjarige] op een crisisplek, maar volgens de GI zal zij eind van deze maand geplaatst worden op een vervolgplek in Duitsland, op ongeveer 20 minuten afstand van haar huidige plek, waar zij voor langere tijd kan verblijven. [minderjarige] gaat momenteel ook naar school in Duitsland en zal op deze school blijven wanneer zij naar haar vervolgplek gaat, mits vaststaat dat haar gewone verblijfplaats in Duitsland is. Alles wijst erop dat [minderjarige] zich heeft gevestigd, althans voor langere tijd wil vestigen in Duitsland om daar haar toekomst op te bouwen. Ook verblijft de moeder inmiddels in Duitsland en is er, volgens de moeder, weer contact tussen [minderjarige] en de moeder. Ter zitting van 10 september 2026 heeft de moeder verklaard dat zij en de vader druk doende zijn met het regelen van zaken met de Duitse jeugdbescherming, zoals de schoolgang en het verblijf van [minderjarige] in Duitsland. Ook heeft de moeder de Nederlandse Immigratie- en Naturalisatiedienst verzocht de tijdelijke bescherming voor Oekraïense vluchtelingen in Nederland voor haar en [minderjarige] op te geven. De moeder wil, gezien haar negatieve ervaringen met de Nederlandse autoriteiten alle banden met Nederland verbreken. De moeder probeert in Duitsland de tijdelijke beschermingsstatus te verkrijgen, voor zowel haarzelf als voor [minderjarige].
5.5.
De kinderrechter zal, gelet op de hiervoor beschreven omstandigheden en overwegingen, de Duitse rechter verzoeken om de bevoegdheid overeenkomstig artikel 12 van de Verordening Brussel II-ter ter zake de ouderlijke verantwoordelijkheid over [minderjarige] te aanvaarden, gezien de bijzondere band die [minderjarige] met Duitsland heeft en aangezien dit in het belang van [minderjarige] is.
5.6.
Deze rechtbank blijft haar bevoegdheid uitoefenen tot die bevoegdheid aan het Duitse gerecht is overgedragen.
De opheffing van de ondertoezichtstelling
5.7.
De GI verzoekt de kinderrechter om de ondertoezichtstelling van [minderjarige] op te heffen, indien de Duitse rechter de bevoegdheid inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid over [minderjarige] aanvaardt. De kinderrechter zal in afwachting van het bericht van de Duitse rechter over deze aanvaarding, de verdere behandeling van het verzoek tot opheffing van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] aanhouden.
6De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
verzoekt de Duitse rechter de bevoegdheid overeenkomstig artikel 12 van de EU Verordening 2019/1111 betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering (Brussel II-ter) ter zake de ouderlijke verantwoordelijkheid over [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2009 in [geboorteplaats] (Oekraïne), te aanvaarden;
6.2.
bepaalt dat dit verzoek aan de Duitse rechter zal geschieden door tussenkomst van de liaisonrechter en bepaalt dat de griffier daartoe een afschrift van de onderhavige beschikking per e-mail zal doen toekomen aan de liaisonrechter door toezending daarvan (onder vermelding van kenmerknummer 2026/46) aan het navolgende e-mailadres: [email protected];
6.3.
houdt de verdere behandeling van het verzoek tot opheffen van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] aan voor de duur van drie maanden, in afwachting van de beslissing van de Duitse rechter.
Deze beschikking is gegeven door mr. M. van der Hoeven, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 17 september 2026 in tegenwoordigheid van J.G.J. Remeijsen, griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.