Rechtbank Overijssel
ECLI:NL:RBOVE:2026:5865
2026-09-15
Civiel recht
C/08/350739 / JE RK 26-1348
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
De ouders hebben geen vaste verblijfplek in Nederland. De ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing wordt verlengd.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2011:BQ4833 Hoge Raad 17-06-2011
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (15.010 tekens)
RECHTBANK OVERIJSSEL
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Zwolle
Zaaknummer: C/08/350739 / JE RK 26-1348
Datum uitspraak: 15 september 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Lelystad,
over
[minderjarige 1]
, geboren op [geboortedatum 1] 2016 in [geboorteplaats 1] (Duitsland),
hierna te noemen: [minderjarige 1],
[minderjarige 2]
, geboren op [geboortedatum 2] 2017 in [geboorteplaats 2] (Roemenië),
hierna te noemen: [minderjarige 2],
[minderjarige 3]
, geboren op [geboortedatum 3] 2020 in [geboorteplaats 3] (Duitsland),
hierna te noemen: [minderjarige 3].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder
en
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
hierna gezamenlijk te noemen: de ouders,
beide zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats,
voor zover voor het laatst bekend feitelijk verblijvende in [plaats],
[gezinshuismoeder]
namens Gezinshuis Villa de Grave,
hierna te noemen: de gezinshuismoeder van [minderjarige 2] en [minderjarige 3],
wonende in [woonplaats].
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 14 augustus 2026;
de doorverwijzingsbeschikking van de rechtbank Midden-Nederland, van 18 augustus 2026;
de e-mail met bijlage van de gezinshuismoeder van [minderjarige 2] en [minderjarige 3], ontvangen op 14 september 2026;
de e-mail van de gezinshuisouders van [minderjarige 1], ontvangen op 14 september 2026;
de e-mail van de ouders, ontvangen op 15 september 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 15 september 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de gezinshuismoeder van [minderjarige 2] en [minderjarige 3];
- [naam] namens de GI.
1.3.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn uitgenodigd voor een gesprek met de kinderrechter, maar hebben geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om in een gesprek met de kinderrechter, of op een andere manier, hun mening over het verzoek te geven.
2De feiten
2.1.
Voor zover de rechtbank kan nagaan is in ieder geval de moeder belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3].
2.2.
[minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] verblijven in gezinshuizen.
2.3.
De kinderrechter in de rechtbank Den Haag heeft bij beschikking van 24 september 2025 [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht gesteld tot 24 september 2026.
2.4.
De kinderrechter in de rechtbank Den Haag heeft bij beschikking van 20 maart 2026 de machtiging verlengd [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gezinsgerichte voorziening tot 24 september 2026.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in een gezinsgerichte accommodatie te verlengen voor de duur van een jaar. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Ter onderbouwing van het verzoek wordt verwezen naar de overgelegde stukken.
3.2.
Ter aanvulling heeft de GI tijdens de zitting naar voren gebracht dat het met de kinderen goed gaat in de gezinshuizen en dat zij zich blijven ontwikkelen. De omgang tussen de kinderen en de ouders verloopt wisselend. Het komt vaak voor dat de ouders niet komen opdagen of te laat verschijnen voor de omgang. De ouders zijn ook niet altijd goed bereikbaar. Er is sprake van veel onvoorspelbaarheid. Dit komt door de persoonlijke problematiek van de ouders. De ouders hebben nog geen vaste verblijfplek en hebben een wisselende wens om in Nederland of in Roemenië te verblijven. Voor de kinderen is het bij de ouders niet veilig en stabiel genoeg.
4De standpunten
4.1.
De ouders hebben de rechtbank via een mail van de vader laten weten dat zij dankbaar zijn voor de mensen die betrokken zijn bij hun situatie. De ouders zien een vooruitgang bij de kinderen. Momenteel is de situatie van de ouders nog steeds zo dat zij niet de mogelijkheid hebben om er voor de kinderen te zijn zoals zij graag zouden willen. De ouders proberen een stabiel leven op te bouwen in Nederland. De ouders zijn druk met werk, het vinden van nieuw werk en het vinden van een woonplek. Het doel van de ouders is om weer volledig voor de kinderen te zorgen. De ouders vinden het belangrijk dat de drie kinderen samen tijd met elkaar doorbrengen, want de ouders zijn bang dat hun onderlinge band anders beschadigt. De ouders willen daarom de kinderen allemaal tegelijk zien tijdens de bezoekmomenten. De ouders willen ook meer tijd met hun kinderen doorbrengen. Zij vragen of er gekeken kan worden naar een mogelijkheid om de band tussen hen en de kinderen verder op te bouwen.
4.2.
De gezinshuismoeder van de gezinshuismoeder van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] ziet twee fantastische kinderen die zich in een razend tempo ontwikkelen. In een jaar tijd hebben [minderjarige 2] en [minderjarige 3] veel geleerd. [minderjarige 3] gaat naar school. [minderjarige 2] gaat naar de dagbesteding en is aangemeld voor speciaal onderwijs. Uit diagnostisch onderzoek blijkt dat [minderjarige 2] functioneert op het niveau van een vierjarige. De gezinshuismoeder van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] ziet twee talentvolle kinderen. De kinderen zijn gebaat bij een voorspelbare omgeving en duidelijke afspraken. De ouders hebben de kinderen vaak teleurgesteld door niet naar de omgang te komen. Volgens de gezinshuismoeder van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zijn de afgelopen omgangsmomenten tussen de ouders gezamenlijk met [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] bij elkaar. De gezinshuisouder heeft begrip voor de situatie van de ouders, maar ziet ook wat het met de kinderen doet.
5De beoordeling
Het internationaal privaatrecht
5.1.
De rechtbank dient ten eerste de vraag te beantwoorden of de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt en welk recht van toepassing is.
5.2.
Voor de vraag of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft, moet de rechtbank beoordelen of [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben. Het begrip ‘gewone verblijfplaats’ van het kind moet worden vastgesteld op basis van alle feiten en omstandigheden. De rechtbank stelt vast dat [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] staan ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie. [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] verblijven in ieder geval meer dan een jaar in Nederland. Hoewel de ouders van [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] geen vaste woonplek hebben in Nederland verblijven zij wel in Nederland. Op grond van deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben.
5.3.
De rechtbank Overijssel komt rechtsmacht toe op grond van het bepaalde in artikel 7, eerste lid, van de Verordening (EU) 2019/1111 betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering (Brussel II-ter), omdat [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] op de datum van indiening van het verzoek hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben.
5.4.
Op grond van artikel 15 van het Verdrag inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen (Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996) is Nederlands recht van toepassing nu de Nederlandse rechter bevoegd is.
De ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing
5.5.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in een gezinsgerichte accommodatie verlengen voor de duur van een jaar. De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.6.
De ontwikkeling van [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] wordt nog steeds ernstig bedreigd. De kinderen hebben een belaste voorgeschiedenis, waarbij er sprake is geweest van verwaarlozing van de kinderen door de ouders. Dit heeft er toe geleid dat de kinderen in hun ontwikkeling zijn gestagneerd. [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] laten sinds de uithuisplaatsing binnen de veilige, voorspelbare en gestructureerde omgeving van de gezinshuizen en de aanvullende hulpverlening een duidelijk positieve ontwikkeling zien. [minderjarige 3] ontwikkelt zich inmiddels passend bij haar leeftijd. Zij gaat naar school en binnen het gezinshuis gaat het goed en heeft zij haar plek gevonden. [minderjarige 2] ontvangt dagbesteding bij Careander. Careander heeft bij [minderjarige 2] diagnostiek afgenomen en hieruit is gekomen dat er sprake is van een ontwikkelingsachterstand. Sinds de start van de begeleiding heeft [minderjarige 2] wel grote ontwikkelingsstappen gezet. [minderjarige 2] wordt voorbereid op de uitstroom naar speciaal onderwijs. [minderjarige 1] verblijft sinds februari 2026 in het huidige gezinshuis dat aansluit bij zijn ondersteuningsbehoeften en laat daar een positieve ontwikkeling zien. Voor dagbesteding gaat [minderjarige 1] naar [locatie] en daar wordt gezien dat hij leerbaar is wanneer hem iets stapsgewijs wordt aangeboden. [minderjarige 1] werkt eveneens toe naar passend speciaal onderwijs. Voor alle kinderen geldt dat hun positieve ontwikkeling samenhangt met de stabiliteit, structuur, voorspelbaarheid en specialistische ondersteuning die zij momenteel ontvangen. De kinderen hebben nog steeds specialistische begeleiding en opvoedondersteuning nodig.
5.7.
De ouders hebben geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland. In het afgelopen jaar hebben zij in verschillende plaatsen in Nederland verbleven. Ook hebben de ouders periodes in een tent gewoond, ook in de tijd dat de kinderen nog bij hen verbleven. De ouders zijn zoekende naar een vaste woonplek en vast werk voor een stabiel inkomen. Momenteel is daar nog geen sprake van. De ouders kunnen hierdoor geen veilige en stabiele opvoedomgeving voor de kinderen bieden. Daarnaast is er nog geen zicht op de opvoedvaardigheden van de ouders. De ouders hebben omgang met de kinderen, maar komen deze regeling niet structureel na. De ouders zijn hierin onvoorspelbaar voor de kinderen. De ouders hebben geschreven dat zij graag meer contact willen met de kinderen, maar dan is het wel belangrijk dat de ouders ook daadwerkelijk op komen dagen wanneer zij een omgangsmoment met de kinderen hebben. Als de ouders de regeling voor omgang structureel nakomen kan de GI beoordelen of een uitbreiding van de omgang in het belang van de kinderen is.
6De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] voor de duur van een jaar, te weten tot 24 september 2027;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in een gezinsgerichte accommodatie voor de duur van een jaar, te weten tot 24 september 2027;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 15 september 2026 door mr. A.M. Mensink, kinderrechter, in aanwezigheid van J.G.J. Remeijsen als griffier, en op schrift gesteld op 1 oktober 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Zie: Hof van Justitie van de Europese Unie 2 december 2010, nr. C-497/10 PPU en Hoge Raad 17 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ4833.
Artikel 1:260 BW.
Artikel 1:265c, tweede lid, BW.
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Zwolle
Zaaknummer: C/08/350739 / JE RK 26-1348
Datum uitspraak: 15 september 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Lelystad,
over
[minderjarige 1]
, geboren op [geboortedatum 1] 2016 in [geboorteplaats 1] (Duitsland),
hierna te noemen: [minderjarige 1],
[minderjarige 2]
, geboren op [geboortedatum 2] 2017 in [geboorteplaats 2] (Roemenië),
hierna te noemen: [minderjarige 2],
[minderjarige 3]
, geboren op [geboortedatum 3] 2020 in [geboorteplaats 3] (Duitsland),
hierna te noemen: [minderjarige 3].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder
en
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
hierna gezamenlijk te noemen: de ouders,
beide zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats,
voor zover voor het laatst bekend feitelijk verblijvende in [plaats],
[gezinshuismoeder]
namens Gezinshuis Villa de Grave,
hierna te noemen: de gezinshuismoeder van [minderjarige 2] en [minderjarige 3],
wonende in [woonplaats].
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 14 augustus 2026;
de doorverwijzingsbeschikking van de rechtbank Midden-Nederland, van 18 augustus 2026;
de e-mail met bijlage van de gezinshuismoeder van [minderjarige 2] en [minderjarige 3], ontvangen op 14 september 2026;
de e-mail van de gezinshuisouders van [minderjarige 1], ontvangen op 14 september 2026;
de e-mail van de ouders, ontvangen op 15 september 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 15 september 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de gezinshuismoeder van [minderjarige 2] en [minderjarige 3];
- [naam] namens de GI.
1.3.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn uitgenodigd voor een gesprek met de kinderrechter, maar hebben geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om in een gesprek met de kinderrechter, of op een andere manier, hun mening over het verzoek te geven.
2De feiten
2.1.
Voor zover de rechtbank kan nagaan is in ieder geval de moeder belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3].
2.2.
[minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] verblijven in gezinshuizen.
2.3.
De kinderrechter in de rechtbank Den Haag heeft bij beschikking van 24 september 2025 [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht gesteld tot 24 september 2026.
2.4.
De kinderrechter in de rechtbank Den Haag heeft bij beschikking van 20 maart 2026 de machtiging verlengd [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gezinsgerichte voorziening tot 24 september 2026.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in een gezinsgerichte accommodatie te verlengen voor de duur van een jaar. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Ter onderbouwing van het verzoek wordt verwezen naar de overgelegde stukken.
3.2.
Ter aanvulling heeft de GI tijdens de zitting naar voren gebracht dat het met de kinderen goed gaat in de gezinshuizen en dat zij zich blijven ontwikkelen. De omgang tussen de kinderen en de ouders verloopt wisselend. Het komt vaak voor dat de ouders niet komen opdagen of te laat verschijnen voor de omgang. De ouders zijn ook niet altijd goed bereikbaar. Er is sprake van veel onvoorspelbaarheid. Dit komt door de persoonlijke problematiek van de ouders. De ouders hebben nog geen vaste verblijfplek en hebben een wisselende wens om in Nederland of in Roemenië te verblijven. Voor de kinderen is het bij de ouders niet veilig en stabiel genoeg.
4De standpunten
4.1.
De ouders hebben de rechtbank via een mail van de vader laten weten dat zij dankbaar zijn voor de mensen die betrokken zijn bij hun situatie. De ouders zien een vooruitgang bij de kinderen. Momenteel is de situatie van de ouders nog steeds zo dat zij niet de mogelijkheid hebben om er voor de kinderen te zijn zoals zij graag zouden willen. De ouders proberen een stabiel leven op te bouwen in Nederland. De ouders zijn druk met werk, het vinden van nieuw werk en het vinden van een woonplek. Het doel van de ouders is om weer volledig voor de kinderen te zorgen. De ouders vinden het belangrijk dat de drie kinderen samen tijd met elkaar doorbrengen, want de ouders zijn bang dat hun onderlinge band anders beschadigt. De ouders willen daarom de kinderen allemaal tegelijk zien tijdens de bezoekmomenten. De ouders willen ook meer tijd met hun kinderen doorbrengen. Zij vragen of er gekeken kan worden naar een mogelijkheid om de band tussen hen en de kinderen verder op te bouwen.
4.2.
De gezinshuismoeder van de gezinshuismoeder van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] ziet twee fantastische kinderen die zich in een razend tempo ontwikkelen. In een jaar tijd hebben [minderjarige 2] en [minderjarige 3] veel geleerd. [minderjarige 3] gaat naar school. [minderjarige 2] gaat naar de dagbesteding en is aangemeld voor speciaal onderwijs. Uit diagnostisch onderzoek blijkt dat [minderjarige 2] functioneert op het niveau van een vierjarige. De gezinshuismoeder van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] ziet twee talentvolle kinderen. De kinderen zijn gebaat bij een voorspelbare omgeving en duidelijke afspraken. De ouders hebben de kinderen vaak teleurgesteld door niet naar de omgang te komen. Volgens de gezinshuismoeder van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zijn de afgelopen omgangsmomenten tussen de ouders gezamenlijk met [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] bij elkaar. De gezinshuisouder heeft begrip voor de situatie van de ouders, maar ziet ook wat het met de kinderen doet.
5De beoordeling
Het internationaal privaatrecht
5.1.
De rechtbank dient ten eerste de vraag te beantwoorden of de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt en welk recht van toepassing is.
5.2.
Voor de vraag of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft, moet de rechtbank beoordelen of [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben. Het begrip ‘gewone verblijfplaats’ van het kind moet worden vastgesteld op basis van alle feiten en omstandigheden. De rechtbank stelt vast dat [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] staan ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie. [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] verblijven in ieder geval meer dan een jaar in Nederland. Hoewel de ouders van [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] geen vaste woonplek hebben in Nederland verblijven zij wel in Nederland. Op grond van deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben.
5.3.
De rechtbank Overijssel komt rechtsmacht toe op grond van het bepaalde in artikel 7, eerste lid, van de Verordening (EU) 2019/1111 betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering (Brussel II-ter), omdat [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] op de datum van indiening van het verzoek hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben.
5.4.
Op grond van artikel 15 van het Verdrag inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen (Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996) is Nederlands recht van toepassing nu de Nederlandse rechter bevoegd is.
De ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing
5.5.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in een gezinsgerichte accommodatie verlengen voor de duur van een jaar. De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.6.
De ontwikkeling van [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] wordt nog steeds ernstig bedreigd. De kinderen hebben een belaste voorgeschiedenis, waarbij er sprake is geweest van verwaarlozing van de kinderen door de ouders. Dit heeft er toe geleid dat de kinderen in hun ontwikkeling zijn gestagneerd. [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] laten sinds de uithuisplaatsing binnen de veilige, voorspelbare en gestructureerde omgeving van de gezinshuizen en de aanvullende hulpverlening een duidelijk positieve ontwikkeling zien. [minderjarige 3] ontwikkelt zich inmiddels passend bij haar leeftijd. Zij gaat naar school en binnen het gezinshuis gaat het goed en heeft zij haar plek gevonden. [minderjarige 2] ontvangt dagbesteding bij Careander. Careander heeft bij [minderjarige 2] diagnostiek afgenomen en hieruit is gekomen dat er sprake is van een ontwikkelingsachterstand. Sinds de start van de begeleiding heeft [minderjarige 2] wel grote ontwikkelingsstappen gezet. [minderjarige 2] wordt voorbereid op de uitstroom naar speciaal onderwijs. [minderjarige 1] verblijft sinds februari 2026 in het huidige gezinshuis dat aansluit bij zijn ondersteuningsbehoeften en laat daar een positieve ontwikkeling zien. Voor dagbesteding gaat [minderjarige 1] naar [locatie] en daar wordt gezien dat hij leerbaar is wanneer hem iets stapsgewijs wordt aangeboden. [minderjarige 1] werkt eveneens toe naar passend speciaal onderwijs. Voor alle kinderen geldt dat hun positieve ontwikkeling samenhangt met de stabiliteit, structuur, voorspelbaarheid en specialistische ondersteuning die zij momenteel ontvangen. De kinderen hebben nog steeds specialistische begeleiding en opvoedondersteuning nodig.
5.7.
De ouders hebben geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland. In het afgelopen jaar hebben zij in verschillende plaatsen in Nederland verbleven. Ook hebben de ouders periodes in een tent gewoond, ook in de tijd dat de kinderen nog bij hen verbleven. De ouders zijn zoekende naar een vaste woonplek en vast werk voor een stabiel inkomen. Momenteel is daar nog geen sprake van. De ouders kunnen hierdoor geen veilige en stabiele opvoedomgeving voor de kinderen bieden. Daarnaast is er nog geen zicht op de opvoedvaardigheden van de ouders. De ouders hebben omgang met de kinderen, maar komen deze regeling niet structureel na. De ouders zijn hierin onvoorspelbaar voor de kinderen. De ouders hebben geschreven dat zij graag meer contact willen met de kinderen, maar dan is het wel belangrijk dat de ouders ook daadwerkelijk op komen dagen wanneer zij een omgangsmoment met de kinderen hebben. Als de ouders de regeling voor omgang structureel nakomen kan de GI beoordelen of een uitbreiding van de omgang in het belang van de kinderen is.
6De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] voor de duur van een jaar, te weten tot 24 september 2027;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in een gezinsgerichte accommodatie voor de duur van een jaar, te weten tot 24 september 2027;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 15 september 2026 door mr. A.M. Mensink, kinderrechter, in aanwezigheid van J.G.J. Remeijsen als griffier, en op schrift gesteld op 1 oktober 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Zie: Hof van Justitie van de Europese Unie 2 december 2010, nr. C-497/10 PPU en Hoge Raad 17 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ4833.
Artikel 1:260 BW.
Artikel 1:265c, tweede lid, BW.