Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Overijssel

ECLI:NL:RBOVE:2026:5780

2026-09-25 Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht ZWO 25/2133
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2026-09-25
Publicatiedatum
2026-09-29
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
ZWO 25/2133
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Beroep tegen invordering van een dwangsom van € 2.500,- wegens het niet voldoen aan een opgelegde last onder dwangsom. Beroep gegrond. Verweerder heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de last is overtreden.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (21.427 tekens)
RECHTBANK OVERIJSSEL


Zittingsplaats Zwolle



Bestuursrecht



zaaknummer: ZWO 25/2133


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser 1] en [eiser 2], uit [woonplaats],

hierna samen: [eisers]
(gemachtigde: mr. C.G. Mensink),



en


het college van burgemeester en wethouders van Wierden,

hierna: het college
(gemachtigde: [gemachtigde]).


Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over een invorderingsbesluit dat is genomen naar aanleiding van een aan [eisers] opgelegde last onder dwangsom omdat aan de [adres] bedrijfsmatige activiteiten worden verricht en bedrijfsmaterialen worden opgeslagen in strijd met de op het perceel geldende woonbestemming. Volgens het college is na het verstrijken van de begunstigingstermijn de overtreding niet beëindigd, zodat het college is overgegaan tot invordering van de verbeurde dwangsommen. [eisers] zijn het niet eens met de invordering en hebben daartegen beroep ingesteld.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college onvoldoende heeft onderbouwd dat op het perceel bedrijfsmaterialen waren opgeslagen en dat daarom de last onder dwangsom niet is nagekomen en een dwangsom is verbeurd. Er was daarom geen grond om tot invordering over te gaan. [eisers] krijgen dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop


2. Met besluit van 25 januari 2024 heeft het college aan [eisers] een last onder dwangsom opgelegd omdat op het perceel [adres] het asbestsanerings- en sloopbedrijf [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1]) is gevestigd in strijd met het omgevingsplan. Het college heeft [eisers] gelast om alle bedrijfsmatige activiteiten te staken en gestaakt te houden en alle bedrijfsmatige materialen en goederen uit alle voormalige agrarische bedrijfsgebouwen te verwijderen en verwijderd te houden. Het college heeft de hoogte van de last onder dwangsom vastgesteld op € 2.500,- per week dat de overtreding voortduurt tot een maximum van € 25.000,-. [eisers] hebben geen bezwaar gemaakt tegen deze last onder dwangsom zodat deze onherroepelijk is.


2.1.
Na afloop van de begunstigingstermijn heeft het college op 16 oktober 2024 gecontroleerd of aan de last was voldaan. Volgens het college is daarbij vastgesteld dat nog steeds bedrijfsmaterialen voor [bedrijf 1] aanwezig waren in de voormalige agrarische bedrijfsgebouwen. Hierdoor is volgens het college een dwangsom van € 2.500,- verbeurd.



2.2.
Met de brief van 13 november 2024 heeft het college het voornemen tot invordering van de dwangsom aan [eisers] kenbaar gemaakt. Tegen het voornemen hebben [eisers] op 3 december 2024 een zienswijze ingediend.



2.3.
Met het primaire besluit van 28 januari 2025 heeft het college besloten tot invordering van de dwangsom van € 2.500,-.



2.4.
Met de brief van 5 maart 2025 hebben [eisers] bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.



2.5.
Het bezwaar is voorgelegd aan de commissie voor de bezwaarschriften, die het college op 12 mei 2025 heeft geadviseerd om het invorderingsbesluit niet te herroepen. Het college heeft dit advies gevolgd en met de beslissing op bezwaar van 18 juni 2025 (het bestreden besluit) het bezwaar ongegrond verklaard.



2.6.

[eisers] hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.



2.7.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



2.8.
De rechtbank heeft het beroep op 29 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eisers] en hun gemachtigde en de gemachtigde van het college met [naam]. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en [eisers] in de gelegenheid gesteld om nadere stukken in te dienen.



2.9.
Met de brief van 18 juni 2026 hebben [eisers] nadere stukken aan de rechtbank toegezonden. De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren. Het college heeft met de brief van 15 juli 2026, en door de rechtbank ontvangen op 23 juli 2026, gereageerd.



2.10.
De rechtbank heeft aan partijen laten weten dat een nadere zitting in deze zaak achterwege blijft, tenzij partijen aangeven alsnog op zitting gehoord te willen worden. Geen van partijen heeft aangegeven op zitting gehoord te willen worden. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.




Beoordeling door de rechtbank



De achtergrond van het bestreden besluit




3. [eiser 2] (vader) en [eiser 1] (zoon) zijn gebruikers van het perceel [adres] (het perceel). Op dit perceel is een oude boerderij gevestigd waarin zich een woning bevindt. Op het perceel zijn verder twee voormalig agrarische bedrijfsgebouwen aanwezig. De woning is aan één van de voormalige agrarische bedrijfsgebouwen verbonden. De [bedrijf 2] B.V. treedt namens de eigenaar van het perceel op als beheerder. [eisers] hebben met de beheerder een gebruiksovereenkomst gesloten voor het tijdelijk gebruik voor het onroerend goed en de tijdelijke bewoning van de woning op het perceel door vader (‘anti-kraak’). Ten tijde van het bestreden besluit woonde de zoon niet meer op het perceel.



3.1.
Op het voornoemde adres staat [bedrijf 1] ingeschreven. Dit is een asbestsanerings- en sloopbedrijf. De zoon is enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 1] en als zodanig alleen en zelfstandig bevoegd.



3.2.
Op 20 juni 2023 hebben toezichthouders van de Omgevingsdienst Twente (ODT) geconstateerd dat [bedrijf 1] in werking was zonder dat een melding op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer (oud) was ingediend bij het bevoegde gezag. Ook is geconstateerd dat [eisers] meerdere begeleidingsbrieven voor de afvoer van asbesthoudende materialen foutief hadden ingevuld. Het college heeft vervolgens geconstateerd dat de vestiging van het bedrijf in strijd is met de woonbestemming die op grond van het bestemmingsplan op dat perceel rust. Op 16 november 2023 heeft het college een vooraankondiging voor het opleggen van een last onder dwangsom aan [eisers] toegestuurd. Vervolgens heeft het college op 14 december 2023 een hercontrole uitgevoerd en geconstateerd dat in de voormalige agrarische bedrijfsgebouwen bedrijfsmaterialen waren opgeslagen. Het college heeft vervolgens een last onder dwangsom opgelegd en [eisers] gelast om alle bedrijfsmatige activiteiten te staken en gestaakt te houden en alle bedrijfsmatige materialen en goederen uit alle voormalige agrarische bedrijfsgebouwen te verwijderen en verwijderd te houden. Deze last is als gezegd onherroepelijk.



Overgangsrecht




4. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in haar overzichtsuitspraak van 3 juli 2024 over het overgangsrecht van de Omgevingswet in handhavingszaken overwogen dat als een bestuursorgaan ter voorbereiding van een bestuurlijk sanctiebesluit voor 1 januari 2024 toepassing heeft gegeven aan artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), op het bestuurlijk sanctiebesluit oud recht van toepassing is, ook als het sanctiebesluit na 1 januari 2024 is genomen. Dat volgt uit artikel 4.5, gelezen in combinatie met artikel 4.23 van de Invoeringswet Omgevingswet.




4.1.

[eisers] zijn op 16 november 2023 met het voornemen tot het opleggen van een last door het college in de gelegenheid gesteld om een zienswijze naar voren te brengen. Dat betekent dat op de last onder dwangsom en het bestreden besluit oud recht van toepassing is. Het college heeft dat niet onderkend, maar op de last onder dwangsom en het bestreden besluit de Omgevingswet van toepassing geacht. De rechtbank ziet evenwel aanleiding om het gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, omdat partijen door het gebrek niet in hun belangen zijn geschaad. Het college heeft namelijk de last opgelegd omdat het gebruik van de voormalige agrarische bedrijfsgebouwen voor de opslag van bedrijfsmaterialen in strijd is met de aan het perceel toegekende bestemming, terwijl die bestemming met de inwerkingtreding van de Omgevingswet niet is gewijzigd. Het gebruik van de voormalige agrarische bedrijfsgebouwen in strijd met de aan het perceel toegekende bestemming levert dus zowel op grond van het oude recht (artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)) als op grond van het huidige recht (artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet) een overtreding op. De conclusie is dat de materiële normstelling bij de vergelijking tussen oud en nieuw recht niet is gewijzigd en dat de toepassing van oud recht niet leidt tot een andere last of invorderingsbesluit. Het passeren van het gebrek betekent dat het gebrek geen gevolgen heeft voor het bestreden besluit.



Beroepsgronden [eisers] met betrekking tot de last onder dwangsom



5. [eisers] betogen in de eerste plaats dat de last onder dwangsom in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. Het college heeft [eisers] gelast tot het verwijderen en verwijderd houden van ‘alle bedrijfsmatige materialen en goederen’, zonder duidelijk en concreet te formuleren welke goederen en materialen [eisers] moesten verwijderen om aan de opgelegde last te voldoen. Omdat een kenbare norm ontbreekt waaraan [eisers] zich moesten houden, is het lex certa-beginsel geschonden. [eisers] betogen verder dat de last onder dwangsom en het bestreden besluit ten onrechte aan hen in persoon zijn gericht. Zij stellen dat [bedrijf 1] als overtreder aangemerkt moest worden en dat de last onder dwangsom en het bestreden besluit aan deze rechtspersoon moesten worden gericht. Door [bedrijf 1] niet als overtreder aan te merken en de last onder dwangsom en het bestreden besluit aan [eisers] te richten, worden zij onevenredig zwaar getroffen. Ook betwisten [eisers] de evenredigheid van de (hoogte van de) dwangsom.

6. De rechtbank stelt voorop dat de gronden die [eisers] hebben aangevoerd met betrekking tot de inhoud van de last onder dwangsom in beginsel niet aan de orde zijn in deze procedure. Dit zijn namelijk argumenten die [eisers] hadden kunnen inbrengen tegen het besluit van 25 januari 2024 waarmee de last onder dwangsom is opgelegd. Vaste rechtspraak is dat een belanghebbende in een procedure tegen een invorderingsbeschikking in beginsel niet met succes gronden naar voren kan brengen die hij tegen de last onder dwangsom naar voren heeft gebracht of had kunnen brengen. Dit kan alleen in uitzonderlijke gevallen. Een uitzonderlijk geval kan bijvoorbeeld worden aangenomen als evident is dat er geen overtreding is begaan en/of betrokkene geen overtreder is.



Zijn vader en/of zoon evident geen overtreders?





6.1.

[eisers] hebben betoogd dat vader evident geen overtreder is omdat hij geen bestuurder of aandeelhouder is van [bedrijf 1] en geen eigenaar is van het perceel zodat hij geen zeggenschap heeft over de gebruik van de voormalige agrarische bedrijfsgebouwen door [bedrijf 1].



6.2.
De rechtbank volgt dit betoog van [eisers] niet. Hoewel aangenomen wordt dat [eiser 2] geen zeggenschap heeft over de bedrijfsvoering van [bedrijf 1], lag het in zijn rol als gebruiker van het perceel en partij bij de gebruiksovereenkomst met De [bedrijf 2] B.V. wel binnen zijn mogelijkheden om de bedrijfsactiviteiten op het perceel te beëindigen en bedrijfsmatige materialen van het perceel te verwijderen. Hij heeft immers als gebruiker toegang tot de voormalige agrarische bedrijfsgebouwen en kon er feitelijk over beschikken of een bedrijf daarvan gebruik maakt of niet.


6.3.
Omdat de zoon enig aandeelhouder en enig bestuurder is van [bedrijf 1], is de rechtbank van oordeel dat hij feitelijk leiding geeft aan het bedrijf en als zodanig als overtreder kan worden aangesproken.



6.4.
Nu geen sprake is van een uitzonderlijk geval waarin de beroepsgronden die tegen de last onder dwangsom aangevoerd hadden kunnen worden alsnog beoordeeld moeten worden, zal de rechtbank de beroepsgronden van [eisers] die zijn genoemd onder punt 5 verder onbesproken laten.



Beroepsgronden van [eisers] met betrekking tot de invordering van de dwangsom




7. [eisers] stellen zich verder op het standpunt dat het college ten onrechte tot invordering is overgegaan omdat zij geen dwangsommen hebben verbeurd, nu geen bedrijfsmatige materialen en goederen meer werden opgeslagen in de voormalige agrarische bedrijfsgebouwen. De goederen en materialen die het college heeft aangetroffen tijdens de controle van 16 oktober 2024 betreffen volgens [eisers] privébezit. [bedrijf 1] heeft vóór het aflopen van de begunstigingstermijn op 1 oktober 2024 elders opslagruimte gehuurd en daar haar bedrijfsmaterialen opgeslagen. Ter onderbouwing hebben [eisers] meerdere bankafschriften van [bedrijf 1] overgelegd, betalingsbewijzen van huur in september en november 2024 en oktober 2025 en een verklaring van de verhuurder, die inhoudt dat per 1 september 2024 opslagruimte ter beschikking is gesteld aan [bedrijf 1] en in gebruik is genomen.




7.1.
Het college meent dat wel dwangsommen zijn verbeurd omdat tijdens de controle op 16 oktober 2024 bedrijfsmatige materialen en goederen aanwezig waren in de voormalige agrarische bedrijfsgebouwen aan de [adres]. Het gaat dan om de volgende goederen:
- Bouwmateriaal zoals houten planken en metalen steigerrekken;
- Tonnen met de bekende A asbeststicker er op;
- Een wasmachine en droger op de zolder;
- Een houten raamwerk dat wordt gebruikt als sluis voor asbestverwijdering;
- Een ladder, witte wandplaten, een gereedschapskist, emmers en een rol metaaldraad;
- Drie zakken met het bekende logo A asbest met in elk een filter die waarschijnlijk gebruikt is bij containment;
- Een rol wit doek;
- Een zak bedrukt met daarop “asbest” met vermoedelijk asbest besmet materiaal;
- Een kar om gasflessen voor een lasapparaat te vervoeren;
- Een stellingkast en verpakte glaswol isolatieplaten.
Op de stelling van [eisers] dat [bedrijf 1] inmiddels elders opslagruimte huurde, reageerde het college aanvankelijk dat hem dit niet bekend was. In reactie op de nader door [eisers] ingebrachte bewijsstukken stelt het college zich op het standpunt dat die onvoldoende aantonen dat er na 1 oktober 2024 geen opslag van bedrijfsmaterialen meer plaatsvond aan de [adres]. De omvang van de gehuurde opslagruimte is niet aangetoond en ook is er geen bewijs dat die ruimte daadwerkelijk is gebruikt en waarvoor, aldus het college.



7.2.
De rechtbank overweegt dat aan een invorderingsbesluit een deugdelijke en controleerbare vaststelling van relevante feiten en omstandigheden ten grondslag moet liggen.



7.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college onvoldoende feiten en omstandigheden ten grondslag gelegd aan het invorderingsbesluit om tot de vaststelling te komen dat [eisers] niet aan de last onder dwangsom hebben voldaan. In de last onder dwangsom heeft het college [eisers] gelast om alle bedrijfsmatige activiteiten te staken en gestaakt te houden en alle bedrijfsmatige materialen en goederen uit alle voormalige agrarische bedrijfsgebouwen te verwijderen en verwijderd te houden. In geschil is of aan het tweede aspect, het verwijderen van alle bedrijfsmatige materialen en goederen, is voldaan.



7.4.
Ten aanzien van de goederen en materialen die bij de controle op 16 oktober 2024 zijn aangetroffen, heeft het college naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd dat die bedrijfsmatig worden gebruikt. De rechtbank is met [eisers] van oordeel dat voor bepaalde materialen en goederen, waaronder bijvoorbeeld de bouwmaterialen en de wasmachine en droger, niet onaannemelijk is dat die voor privédoeleinden worden aangewend.



7.5.
Verder hebben [eisers] naar het oordeel van de rechtbank in beroep voldoende aannemelijk gemaakt dat [bedrijf 1] met ingang van 1 september 2024 een opslaglocatie heeft gehuurd en in gebruik heeft genomen om haar bedrijfsmaterialen in op te slaan. De overgelegde betalingsbewijzen en de verklaring van de verhuurder tonen dat aan.



7.6.
Omdat een vergelijkingsoverzicht ontbreekt van de materialen en goederen die de toezichthouders hebben aangetroffen tijdens de controles op 14 december 2023 en op 16 oktober 2024, heeft het college naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk kunnen maken dat [eisers] niet aan de last onder dwangsom heeft voldaan door bedrijfsmaterialen en goederen die eerder in de voormalige agrarische bedrijfsgebouwen stonden opgeslagen, niet te verwijderen of verwijderd te houden. Een grondslag voor de invordering is daarom onvoldoende door het college onderbouwd. De beroepsgrond slaagt.




Conclusie en gevolgen

8. De rechtbank is van oordeel dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat [eisers] de last onder dwangsom niet zijn nagekomen, zodat zij geen dwangsom hebben verbeurd. Het college was daarom niet bevoegd om het bedrag van € 2.500,- in te vorderen. Het beroep is daarom gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en zelf in de zaak voorzien door het invorderingsbesluit te herroepen en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Dat betekent dat [eisers] geen dwangsom hoeven te betalen.

9. Omdat het beroep van [eisers] gegrond is, moet het college het griffierecht aan hen vergoeden en krijgen zij ook een vergoeding van hun proceskosten. De kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) vast op een bedrag van € 2.534,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het deelnemen aan de zitting van de rechtbank, met een waarde per punt van € 934,- en 1 punt voor het indienen van een bezwaarschrift met een waarde per punt van € 666).

10. [eisers] hebben verzocht om een reiskostenvergoeding voor het bijwonen van de zitting. Op grond van het Bpb worden de reiskosten berekend op basis van openbaar vervoer, laagste klasse. In totaal komt een bedrag van € 40,48 aan reiskosten voor vergoeding in aanmerking. Dit komt overeen met het bedrag dat [eisers] op het formulier proceskosten hebben ingevuld. De rechtbank wijst het verzoek om een vergoeding van verletkosten af omdat dit verzoek niet nader met stukken is onderbouwd en de rechtbank daarom dit bedrag niet kan controleren. De totale proceskostenvergoeding bedraagt daarom € 2.574,48.



Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 18 juni 2025;
- herroept het primaire besluit van 28 januari 2025;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan [eisers] moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 2.574,48 aan proceskosten aan [eisers].






Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Rozeboom, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.J. van Heijningen, griffier, en uitgesproken in het openbaar op

















griffier


rechter











Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:






Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.





Bestemmingsplan Buitengebied 2009.


ECLI:NL:RVS:2024:2645.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 21 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:734, r.o. 8.1.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 18 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:912, r.o. 10.3.